id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.078 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200528.16 Arrest- Rolnummer: 78/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-21 Raadplegingen: 301 - laatst gezien 2026-06-28 21:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 120, § 2, eerste lid, 1°,
- a)en b), van de programmawet (I) van 27 december 2006 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de langstlevende echtgenoot, die minder dan 365 dagen met het overleden slachtoffer was gehuwd, met wie hij, voordat het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de tegemoetkoming, een verklaring van wettelijk samenwonen had afgelegd, of die, voordat het asbestslachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de tegemoetkoming, met hem een verklaring van wettelijk samenwonen had afgelegd, waarna zij minder dan 365 dagen gehuwd waren, en waarbij de gezamenlijke en onafgebroken duur van het huwelijk en het daaraan voorafgaande wettelijk samenwonen minstens 365 dagen bedraagt, het voordeel van de tegemoetkoming van het Asbestfonds ontzegt. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 120, § 2, eerste lid, 1°,
- a)en b), van de programmawet (I) van 27 december 2006, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Arbeidsongevallen en beroepsziekten - Asbestfonds - Tegemoetkoming uit het Asbestfonds - Voorwaarden - Langstlevende echtgenoot - Opeenvolging in de tijd van verschillende samenlevingsvormen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7349 Arrest nr. 78/2020 van 28 mei 2020 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 120, § 2, eerste lid, 1°,
- a)en b), van de programmawet (I) van 27 december 2006, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 20 januari 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 januari 2020, heeft het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 120, § 2, eerste lid, 1°, b), Programmawet (I) van 27 december 2006 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het het voordeel van de schadeloosstelling toekent aan de langstlevende echtgenoot die gehuwd was na het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de bij deze wet georganiseerde schadeloosstelling en die ten minste 365 dagen gehuwd was vóór het overlijden van het slachtoffer en de langstlevende echtgenoot in deze hypothese (gehuwd na het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de bij deze wet georganiseerde schadeloosstelling) die minder dan 365 dagen was gehuwd vóór het overlijden van het slachtoffer van het voordeel ervan uitsluit, hoewel de echtgenoten onmiddellijk voordien wettelijk samenwoonden na een verklaring van samenwoning overeenkomstig artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek en waarbij de gezamenlijke duur van het huwelijk en de wettelijke samenwoning minstens 365 dagen bedraagt ? »; « Schendt artikel 120, § 2, eerste lid, 1°, a), Programmawet (I) van 27 december 2006 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het het voordeel van de schadeloosstelling toekent aan de langstlevende echtgenoot die gehuwd was vóór het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de bij deze wet georganiseerde schadeloosstelling en het de langstlevende echtgenoot die op het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op deze schadeloosstelling wettelijk samenwoonde (na een verklaring van samenwoning overeenkomstig artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek) zonder een samenlevingsovereenkomst zoals bepaald door artikel 120, § 2 van de Programmawet, van het voordeel ervan uitsluit ? ». Op 12 februari 2020 hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Memories met verantwoording zijn ingediend door : - Maria Van Der Sanden, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Peeters, advocaat bij de balie te Antwerpen; - het Federaal agentschap voor beroepsrisico’s (FEDRIS), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Laevens, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry, advocaat bij de balie te Brussel. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De appellante voor het verwijzende rechtscollege vordert een schadeloosstelling vanwege het Asbestfonds wegens het overlijden van haar echtgenoot. Op het tijdstip van het overlijden was het koppel gehuwd, en voordien waren ze ook reeds wettelijk samenwonend. Die wettelijke samenwoning was reeds aangevangen op het tijdstip dat de overledene nog geen aanspraak maakte op de schadeloosstelling van het Asbestfonds en de gezamenlijke duur van de wettelijke samenwoning en het huwelijk minstens 365 dagen bedroeg. Het Federaal agentschap voor beroepsrisico’s (FEDRIS) betwist de aanspraak van de appellante op een tegemoetkoming. Het geschil tussen de partijen betreft de vraag of de appellante voldoet aan de wettelijke voorwaarden om een tegemoetkoming ten behoeve van rechthebbenden op grond van artikel 120, § 2, van de programmawet (I) van 27 december 2006 te kunnen genieten. Het verwijzende rechtscollege stelt dat er mogelijk sprake is van een discriminatie tussen de langstlevende echtgenoot die gehuwd was na het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de bij die wet georganiseerde schadeloosstelling en die ten minste 365 dagen gehuwd was vóór het overlijden van het slachtoffer, en de langstlevende echtgenoot die gehuwd was na het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de bij die wet georganiseerde schadeloosstelling en die minder dan 365 dagen was gehuwd vóór het overlijden van het slachtoffer doch waarbij de gezamenlijke duur van de aan het huwelijk onmiddellijk voorafgaande wettelijke samenwoning tussen de langstlevende echtgenoot en de overleden echtgenoot en het huwelijk minstens 365 dagen bedraagt. Het verwijzende rechtscollege stelt dat er mogelijk ook een discriminatie is tussen de langstlevende echtgenoot die gehuwd was vóór het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de bij die wet georganiseerde schadeloosstelling en de langstlevende echtgenoot die op het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op die schadeloosstelling wettelijk samenwoonde zonder een samenlevingsovereenkomst zoals bepaald in artikel 120, § 2, van de programmawet (I) van 27 december 2006. Dit brengt het verwijzende rechtscollege ertoe de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. III. In rechte -A- A.1. Met de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht om na te gaan of artikel 120, § 2, eerste lid, 1°,
- a)en b), van de programmawet (I) van 27 december 2006 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de langstlevende echtgenoot, die minder dan één jaar met het overleden slachtoffer was gehuwd, met wie hij eerder een verklaring van wettelijke samenwoning had afgelegd (zonder een samenlevingsovereenkomst te sluiten), of die vooraleer het asbestslachtoffer aanspraak is beginnen te maken op een tegemoetkoming met hem een verklaring van wettelijk samenwonen had afgelegd, waarna zij minder dan 365 dagen gehuwd waren, en waarbij de gezamenlijke duur van het huwelijk en de daaraan voorafgaande wettelijke samenwoning minstens 365 dagen bedraagt, het voordeel van de tegemoetkoming van het Asbestfonds ontzegt. A.2. In hun conclusies, genomen op grond van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof hebben de rechters-verslaggevers het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen om de prejudiciële vragen bevestigend te beantwoorden met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging, waarbij wordt vastgesteld dat artikel 120, § 2, eerste lid, 1°,
- a)en b), van de programmawet (I) van 27 december 2006 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het de langstlevende echtgenoot, die minder dan 365 dagen met het overleden slachtoffer was gehuwd, met wie hij eerder een verklaring van wettelijke samenwoning had afgelegd en waarbij de gezamenlijke duur van het huwelijk en de wettelijke samenwoning minstens 365 dagen bedraagt, het voordeel van de tegemoetkoming van het Asbestfonds ontzegt. 4 A.3. De appellante voor het verwijzende rechtscollege stemt in met de zienswijze van de rechters-verslaggevers en verzoekt de prejudiciële vragen bevestigend te beantwoorden. A.4.1. De geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege, FEDRIS, betoogt dat de zienswijze van de rechters-verslaggevers, die is gesteund op het arrest nr. 60/2009 van 25 maart 2009 inzake overlevingspensioenen, in de voorliggende zaak niet kan worden gevolgd. De sector van de beroepsziekten zou niet minder fraudegevoeliger zijn dan de pensioensector. Er zou zelfs sprake zijn van een grotere fraudegevoeligheid aangezien na het intreden van de asbestziekte nog in extremis een huwelijk kan worden gesloten met het oog op het verkrijgen van de in het geding zijnde vergoeding, hetgeen de wetgever beoogde tegen te gaan. FEDRIS merkt op dat het huwelijk van de appellante met het asbestslachtoffer slechts acht maanden vóór diens overlijden werd gesloten op het ogenblik dat het vaststond dat het overlijden nakend was. Volgens FEDRIS verschilt de voorliggende zaak dan ook van de zaak die heeft geleid tot het voormelde arrest nr. 60/2009 aangezien in die laatste zaak het huwelijk werd aangegaan op het ogenblik dat er nog geen uitzicht op het overlijden was. FEDRIS is, onder verwijzing naar het arrest nr. 83/2014 van 22 mei 2014, bovendien van oordeel dat de partners de voor- en nadelen van hun keuze voor de wettelijke samenwoning, dan wel voor het huwelijk kennen en de juridische gevolgen ervan aanvaarden. A.4.2. FEDRIS is van oordeel dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. In hoofdorde zijn de in de vraag aangehaalde categorieën niet vergelijkbaar. In subsidiaire orde merkt FEDRIS op dat de wetgever met het in het geding zijnde verschil in behandeling een legitieme doelstelling nastreefde door misbruiken tegen te gaan. Het verschil in behandeling is ook objectief verantwoord. FEDRIS wijst op de wettelijke verschillen tussen een huwelijk, een wettelijke samenwoning zonder samenlevingscontract en een wettelijke samenwoning met samenlevingscontract. FEDRIS merkt op dat er voor echtgenoten een wederzijdse bijstandsplicht geldt en dat die plicht niet geldt ten aanzien van wettelijk samenwonenden tenzij in een authentiek samenlevingscontract een dergelijke wederzijdse bijstand is opgenomen. Om aanspraak te kunnen maken op een tegemoetkoming van het Asbestfonds schrijft de in het geding zijnde bepaling een contract met dergelijke wederzijdse bijstandsplicht voor. Volgens FEDRIS worden het huwelijk en de wettelijke samenwoning aldus gelijk behandeld en is het louter de keuze van de partners om geen contract te sluiten die leidt tot de ongelijke behandeling. A.4.3. FEDRIS is van oordeel dat ook de tweede prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. In hoofdorde zijn de in de tweede vraag aangehaalde categorieën van personen niet vergelijkbaar. In subsidiaire orde merkt FEDRIS op dat de wetgever met het in het geding zijnde verschil in behandeling een legitieme doelstelling nastreefde door misbruiken tegen te gaan. FEDRIS is, onder verwijzing naar zijn in A.4.2 vermelde standpunt, van oordeel dat het in het geding zijnde verschil in behandeling objectief en adequaat is. De vereiste van minimaal 365 dagen huwelijk of wettelijke samenwoning is, rekening houdend met de ruime beoordelingsmarge van de wetgever, eveneens adequaat. De partners hebben de vrije keuze om al dan niet in het huwelijk te treden, dan wel een verklaring van wettelijke samenwoning af te leggen, al dan niet met een authentiek samenlevingscontract. Er zijn volgens FEDRIS geen onevenredige gevolgen. A.5.1. De Ministerraad betoogt dat de zienswijze van de rechters-verslaggevers, die uit het voormelde arrest nr. 60/2009 inzake overlevingspensioenen voortvloeit, niet kan worden gevolgd. Hij stelt dat de onderliggende situatie in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het voormelde arrest betrekking had op wettelijk samenwonenden met een samenlevingscontract die beide partijen tot wederzijdse bijstand verplichtte zodat hun situatie vergelijkbaar was met die van gehuwden. De situatie van de appellante in het bodemgeschil is niet vergelijkbaar met de voormelde situatie. Volgens de Ministerraad dient daarentegen de lering van het voormelde arrest nr. 83/2014 ook naar de voorliggende zaak te worden doorgetrokken. Hij is van oordeel dat de partners de voor- en nadelen van hun keuze voor de wettelijke samenwoning, dan wel voor het huwelijk kennen en de juridische gevolgen ervan aanvaarden. A.5.2. De Ministerraad is van oordeel dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Er zijn immers geen onevenredige gevolgen. Hij wijst erop dat de partners de voor- en nadelen van hun keuze voor de wettelijke samenwoning (al dan niet met een samenlevingscontract), dan wel het huwelijk kennen en de juridische gevolgen van die keuze aanvaarden. A.5.3. De Ministerraad is van oordeel dat de tweede prejudiciële vraag ook ontkennend dient te worden beantwoord. Hij verwijst daarvoor naar de lering van het voormelde arrest nr. 83/2014. Hij stelt dat wettelijk samenwonenden zonder samenlevingscontract niet vergelijkbaar zijn met gehuwde personen, noch met wettelijk samenwonenden die wel een dergelijk contract hebben gesloten, en dat partners de gevolgen van hun keuze moeten dragen. 5 -B- B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 120, § 2, eerste lid, van de programmawet (I) van 27 december 2006, dat bepaalt : « Indien het slachtoffer overlijdt ingevolge de in artikel 118 bedoelde ziekte, komt het Asbestfonds tegemoet ten voordele van de rechthebbenden van het slachtoffer die op het tijdstip van zijn overlijden te zijnen laste zijn. Onder rechthebbende ten laste van het slachtoffer moet worden verstaan : 1° de echtgenoot die op het tijdstip van het overlijden noch uit de echt, noch van tafel en bed gescheiden is, dan wel de partner die op het tijdstip van het overlijden van het slachtoffer wettelijk met hem samenwoonde en, overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek, met hem een overeenkomst had gesloten die beide partijen tot wederzijdse bijstand verplicht en die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben, alsook op voorwaarde dat :
- a)het huwelijk werd gesloten of de wettelijke samenwoning is aangevangen op een tijdstip dat het slachtoffer nog geen aanspraak maakte op de bij deze wet georganiseerde schadeloosstelling, of
- b)het huwelijk werd gesloten of de wettelijke samenwoning aanving na het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de bij deze wet georganiseerde schadeloosstelling, voor zover dat huwelijk is gesloten of die wettelijke samenwoning is aangevangen ten minste 365 dagen vóór het overlijden van het slachtoffer, […] […] ». Indien het asbestslachtoffer overlijdt, vloeit uit die bepaling voort dat de langstlevende echtgenoot als gerechtigde in aanmerking komt voor de tegemoetkoming van het Asbestfonds mits het huwelijk is gesloten op een tijdstip waarop het slachtoffer nog geen aanspraak maakte op de schadeloosstelling of mits het huwelijk is gesloten na het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de schadeloosstelling voor zover dat huwelijk is gesloten ten minste 365 dagen vóór het overlijden van het slachtoffer. B.2.1. Het Hof wordt gevraagd of artikel 120, § 2, eerste lid, b), van de programmawet (I) van 27 december 2006 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het het voordeel van de tegemoetkoming van het Asbestfonds toekent aan de langstlevende echtgenoot die gehuwd was na het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de schadeloosstelling en die ten minste 365 dagen gehuwd was vóór het overlijden 6 van het slachtoffer terwijl het dat voordeel ontzegt aan de langstlevende echtgenoot die gehuwd was na het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op schadeloosstelling en die minder dan 365 dagen was gehuwd vóór het overlijden van het slachtoffer, doch waarbij de gezamenlijke duur van de aan het huwelijk onmiddellijk voorafgaande wettelijke samenwoning tussen de langstlevende echtgenoot en de overleden echtgenoot en het huwelijk minstens 365 dagen bedraagt (eerste prejudiciële vraag). B.2.2. Het Hof wordt eveneens gevraagd of artikel 120, § 2, eerste lid, a), van de programmawet (I) van 27 december 2006 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat die bepaling het voordeel van de tegemoetkoming van het Asbestfonds toekent aan de langstlevende echtgenoot die gehuwd was vóór het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de schadeloosstelling terwijl zij dat voordeel ontzegt aan de langstlevende echtgenoot die op het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de schadeloosstelling wettelijk samenwoonde zonder een samenlevingscontract (tweede prejudiciële vraag). B.3. Uit de motivering van de feitelijke context in het verwijzende arrest en de formulering van de prejudiciële vragen blijkt dat de vrouw die aanspraak maakt op de schadeloosstelling, op het ogenblik van het overlijden van het asbestslachtoffer gehuwd was (zijnde de langstlevende echtgenote) met het slachtoffer en zulks minder dan 365 dagen vóór dat overlijden, dat dit huwelijk werd gesloten nadat het asbestslachtoffer aanspraak maakte op de schadeloosstelling, en dat onmiddellijk aan dat huwelijk een wettelijke samenwoning voorafging die was aangevangen voordat het asbestslachtoffer aanspraak maakte op de schadeloosstelling. Eveneens blijkt dat de gezamenlijke duur van het huwelijk en de daaraan voorafgaande wettelijke samenwoning meer dan 365 dagen vóór het overlijden bedroeg. B.4. Rekening houdend met hetgeen in B.3 is vermeld, hebben de voorgelegde vragen alleen betrekking op het geval waarbij op het ogenblik van het overlijden van het asbestslachtoffer dat slachtoffer was gehuwd waardoor een langstlevende echtgenoot als potentieel gerechtigde achterblijft. De prejudiciële vragen zijn in dat opzicht te begrijpen als vragen naar de gevolgen, voor de ontvankelijkheid van de aanvraag tot schadeloosstelling, van verschillende opeenvolgende samenlevingsvormen in hoofde van de langstlevende echtgenoot. Het Hof beperkt zijn onderzoek daartoe. 7 Uit het voorgaande volgt dat het Hof in wezen wordt gevraagd of artikel 120, § 2, eerste lid, 1°,
- a)en b), van de programmawet (I) van 27 december 2006 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de langstlevende echtgenoot die minder dan 365 dagen met het slachtoffer was gehuwd, met wie hij eerder een verklaring van wettelijke samenwoning had afgelegd, of de langstlevende echtgenoot die, voordat het asbestslachtoffer aanspraak is beginnen te maken op een tegemoetkoming, met hem een verklaring van wettelijk samenwonen had afgelegd en vervolgens met hem is gehuwd gedurende minder dan 365 dagen vóór zijn overlijden, waarbij, in beide gevallen, de gezamenlijke duur van het huwelijk en het daaraan voorafgaande wettelijk samenwonen minstens 365 dagen bedraagt, het voordeel van de tegemoetkoming van het Asbestfonds ontzegt. B.5. De bekommernis om misbruiken tegen te gaan, vermocht de wetgever redelijkerwijs ertoe te brengen voorwaarden op te leggen om als gerechtigde van een tegemoetkoming van het Asbestfonds in aanmerking te kunnen komen, onder meer wat betreft de samenlevingsvorm, de nadere regels ervan, het ogenblik van het aangaan en de duur ervan, en het tijdstip waarop het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op die tegemoetkoming. Die voorwaarden zijn, wat de langstlevende echtgenoot betreft, louter gebaseerd op de hypothese van een huwelijk dat aan het overlijden voorafgaat. De opgelegde voorwaarden gaan uit van de idee dat zij het risico op misbruiken beperken, daar wordt opgelegd dat op bepaalde ogenblikken, of tijdens een bepaalde duur voorafgaand aan het overlijden een duurzame, nauwe en intieme band tussen de gerechtigde en het slachtoffer bestond. Tegelijkertijd stelt het Hof vast dat die voorwaarden geen rekening houden met situaties waarbij onderscheiden samenlevingsvormen elkaar onmiddellijk opvolgen. B.6. Door voor het toekennen van een tegemoetkoming van het Asbestfonds aan de langstlevende echtgenoot of langstlevende partner de voorwaarde op te leggen van een minimumduur van 365 dagen huwelijk of wettelijk samenwonen met een authentiek samenlevingscontract waarin wederzijdse bijstandsplichten zijn opgenomen, heeft de wetgever bepaalde misbruiken willen ontmoedigen, zoals het huwelijk of het wettelijk samenwonen in extremis, waarvan de enige bedoeling is het de langstlevende echtgenoot of partner mogelijk te maken de tegemoetkoming te genieten. De wetgever heeft evenwel aanspraakmogelijkheden aanvaard die uitgaan van de idee dat in bepaalde situaties de omstandigheden aantonen dat, 8 hoewel het overlijden minder dan één jaar na het huwelijk heeft plaatsgehad, dat huwelijk niet enkel is voltrokken om het voordeel te verkrijgen. B.7. Het Hof heeft bij zijn arrest nr. 60/2009 van 25 maart 2009 in dat verband geoordeeld dat, hoewel de wetgever bij het tegengaan van risico’s op misbruiken inzake uitkeringen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om de voorwaarden voor het verkrijgen van een tegemoetkoming of uitkering te bepalen, de voorwaarden rekening dienen te houden met bepaalde gevallen van opeenvolgende samenlevingsvormen waarvoor ook dient te worden aangenomen dat het risico op misbruik beperkt is. Dit geldt a fortiori voor de gevallen waarbij de opvolgende samenlevingsvormen zwaardere verplichtingen voor de betrokkenen met zich meebrengen. B.8. Het is derhalve niet redelijk verantwoord om de langstlevende echtgenoot, die minder dan 365 dagen met het overleden slachtoffer was gehuwd, met wie hij, voordat het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de tegemoetkoming, een verklaring van wettelijk samenwonen had afgelegd, of de langstlevende echtgenoot die, voordat het asbestslachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de tegemoetkoming, met hem een verklaring van wettelijk samenwonen had afgelegd, waarna zij minder dan 365 dagen gehuwd waren, en waarbij de gezamenlijke en onafgebroken duur van het huwelijk en het daaraan voorafgaande wettelijk samenwonen minstens 365 dagen bedraagt, het voordeel van de tegemoetkoming van het Asbestfonds te ontzeggen. B.9. In die mate is artikel 120, § 2, eerste lid, 1°,
- a)en b), van de programmawet (I) van 27 december 2006 niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en dienen de prejudiciële vragen bevestigend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 120, § 2, eerste lid, 1°,
- a)en b), van de programmawet (I) van 27 december 2006 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de langstlevende echtgenoot, die minder dan 365 dagen met het overleden slachtoffer was gehuwd, met wie hij, voordat het slachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de tegemoetkoming, een verklaring van wettelijk samenwonen had afgelegd, of die, voordat het asbestslachtoffer aanspraak is beginnen te maken op de tegemoetkoming, met hem een verklaring van wettelijk samenwonen had afgelegd, waarna zij minder dan 365 dagen gehuwd waren, en waarbij de gezamenlijke en onafgebroken duur van het huwelijk en het daaraan voorafgaande wettelijk samenwonen minstens 365 dagen bedraagt, het voordeel van de tegemoetkoming van het Asbestfonds ontzegt. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei 2020. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.078 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div