← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.086

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.086 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200618.20 Arrest- Rolnummer: 86/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-07 Raadplegingen: 262 - laatst gezien 2026-06-19 16:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand », gesteld door de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen. Gerechtelijk recht - Juridische bijstand - Financiering - Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - Verplichte bijdrage - Tussenkomende partij. Tekst van de beslissing Rolnummers 7080, 7131, 7151 en 7248 Arrest nr. 86/2020 van 18 juni 2020 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand », gesteld door de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, R. Leysen, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 20 november 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 december 2018, heeft de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke persoon wordt veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan dat fonds, net zoals de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld nadat zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij, terwijl het niet in een dergelijke maatregel voorziet ten aanzien van de vrijwillig tussenkomende partij of de gedwongen tussenkomende partij die, bijvoorbeeld, aangezien zij in het ongelijk wordt gesteld op haar hoger beroep, zou worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep jegens de Staat, in de wetenschap dat artikel 162 van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat die kosten die bijdrage omvatten ? ». b. Bij twee vonnissen van 8 en 15 januari 2019, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen respectievelijk op 27 februari en 29 maart 2019, heeft de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, dezelfde prejudiciële vraag gesteld. c. Bij vonnis van 18 juni 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 september 2019, heeft de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, dezelfde prejudiciële vraag gesteld. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7080, 7131, 7151 en 7248 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen, advocaat bij de balie te Brussel, heeft memories ingediend. Bij beschikking van 22 april 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 mei 2020 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 6 mei 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de vier zaken die aanhangig zijn voor de verwijzende rechter, zijn de beklaagden veroordeeld door de Politierechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, uit hoofde van verscheidene inbreuken. De beklaagden hebben hoger beroep ingesteld tegen die vonnissen zowel in hun strafrechtelijke als in hun burgerrechtelijke beschikkingen. De verzekeraars van de beklaagden, vrijwillig tussenkomende partijen, hebben eveneens beroep ingesteld tegen de burgerrechtelijke beschikkingen van de voormelde beslissingen. Bij vier vonnissen van respectievelijk 20 november 2018, 8 januari 2019, 15 januari 2019 en 18 juni 2019 heeft de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, de in eerste aanleg uitgesproken vonnissen bevestigd en de beklaagden veroordeeld tot het betalen van een bijdrage van twintig euro aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Zij stelt de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag wat betreft een eventuele veroordeling van de vrijwillig tussenkomende partijen tot de voormelde bijdrage. III. In rechte -A- A.

  1. Volgens de Ministerraad heeft de prejudiciële vraag tot doel na te gaan of er een bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand moet worden opgelegd aan de vrijwillig tussenkomende partijen, verzekeraars van de beklaagden, die in het ongelijk zijn gesteld in hoger beroep in het geschil voor de verwijzende rechter. Derhalve dient het onderzoek van de prejudiciële vraag te worden beperkt tot die hypothese. A.
  2. De Ministerraad stelt dat de in het geding zijnde bepaling geen verschil in behandeling creëert tussen personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden. Hoewel de in het geding zijnde bepaling niet uitdrukkelijk de tussenkomende partij beoogt, kan ze niet zo worden geïnterpreteerd dat die partij wordt uitgesloten van de betaling van de bijdrage bedoeld in de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand » (hierna : de wet van 19 maart 2017). Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het de wil van de wetgever was alle gebruikers van de openbare dienst van het gerecht het genoemde fonds te laten stijven. Het feit dat derden in principe geen partij kunnen zijn in een strafproces verklaart dat de in het geding zijnde bepaling de tussenkomende partij in een strafrechtelijke procedure niet vermeldt. Een derde kan slechts tussenkomen in een strafproces op grond van een specifieke wet die de voorwaarden regelt waarin een dergelijke tussenkomst kan plaatsvinden. Te dezen maakt artikel 153, § 5, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen » (hierna : de wet van 4 april 2014) het mogelijk dat de verzekeraar van de beklaagde in een strafproces vrijwillig tussenkomt of in het geding wordt geroepen door de benadeelde persoon of zijn verzekerde, onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de tussenkomst voor een burgerlijk gerecht. De Ministerraad verwijst naar de rechtspraak van het Hof in verband met het artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering wat betreft de betaling van de rechtsplegingsvergoeding. Hoewel het voormelde artikel 162bis niet uitdrukkelijk de betaling van die vergoeding door een tussenkomende partij in het strafproces beoogt, blijkt uit artikel 89, § 5, van de wet van 25 juni 1992 « op de landverzekeringsovereenkomst » (waarmee thans artikel 153, § 5, van de wet van 4 april 2014 overeenstemt) dat een verzekeraar kan worden veroordeeld tot de betaling van een dergelijke vergoeding of, in het tegenovergestelde geval, een dergelijke vergoeding kan verkrijgen ten laste van de burgerlijke partij die in het ongelijk is gesteld door een strafgerecht. Het is aangewezen te dezen dezelfde redenering toe te passen. Artikel 4, § 2, van de wet van 19 maart 2017 voorziet in de betaling van de bijdrage aan het fonds voor « zaken die volgens de burgerlijke rechtspleging worden behandeld », waaronder de vorderingen tot vergoeding van schade ingevolge een verkeersongeval waarvan de politierechtbank kennisneemt, krachtens artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek. 4 Daaruit volgt dat, als ze uitspraak doet over een vordering op grond van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, de politierechtbank de in het ongelijk gestelde partij kan veroordelen tot de betaling van een bijdrage aan het fonds, overeenkomstig artikel 4, § 2, van de wet van 19 maart
  3. Aldus wordt van iedere eisende partij een bijdrage geïnd voor elke gedinginleidende akte op het ogenblik van de inschrijving op de rol. De eventuele tussenkomende partij betaalt geen bijdrage. Een verzoekschrift tot hoger beroep vormt evenwel een gedinginleidende akte, zodat elke appellant in de burgerlijke rechtspleging de bijdrage moet betalen op het ogenblik dat de gedinginleidende akte op de rol wordt ingeschreven. Artikel 4, § 2, van de wet van 19 maart 2017 bepaalt dus dat de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld moet worden tot de betaling van de bijdrage aan het fonds, ongeacht het gaat om de eisende partij, de verwerende partij of de tussenkomende partij, als een politierechtbank uitspraak doet over een vordering op grond van artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek. De politierechtbank die zitting houdt in strafzaken en uitspraak doet over een burgerlijke rechtsvordering moet, met toepassing van artikel 153, § 5, van de wet van 4 april 2014, nagaan of, in de hypothese dat ze zitting zou houden in burgerlijke zaken, ze de verzekeraar als in het ongelijk gestelde partij zou veroordelen tot de betaling van de bijdrage aan het fonds. In dat geval zou ze die verzekeraar eveneens kunnen veroordelen tot de betaling van die bijdrage, ook al voorziet artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 niet uitdrukkelijk daarin. Dezelfde redenering moet mutatis mutandis worden gevolgd voor de correctionele rechtbank wanneer zij uitspraak doet in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechtbank. De correctionele rechtbank zou dezelfde veroordelingen kunnen uitspreken als de politierechtbank, met toepassing van artikel 153, § 5, van de wet van 4 april
  4. De Ministerraad concludeert daaruit dat het in de prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling onbestaande is en dat de vraag derhalve ontkennend dient te worden beantwoord. -B- B.
  5. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand » (hierna : de wet van 19 maart 2017). B.2.
  6. Toen de prejudiciële vraag werd gesteld, bepaalde artikel 4, §§ 2 en 3, van de wet van 19 maart 2017 : « §
  7. Voor de zaken die volgens de burgerlijke rechtspleging worden behandeld, is voor elke gedinginleidende akte die op een van de rollen bedoeld in de artikelen 711 en 712 van het Gerechtelijk Wetboek wordt ingeschreven, op het ogenblik van die inschrijving, door elke eisende partij, een bijdrage aan het Fonds verschuldigd. Zonder betaling van deze bijdrage wordt de zaak niet ingeschreven. Geen bijdrage wordt evenwel geïnd van de eisende partij : 1° indien zij juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet; 2° indien zij een vordering inleidt, bedoeld in artikel 68 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en bedoeld in artikel 53, tweede lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970; 5 3° indien zij een vordering inleidt, bedoeld in de artikelen 579, 6°, 580, 581 en 582, 1° en 2° van het Gerechtelijk Wetboek betreffende vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk; 4° indien zij een vordering inleidt, bedoeld in artikel 1675/4 van het Gerechtelijk Wetboek; 5° indien zij in de hoedanigheid van openbaar ministerie een vordering inleidt, bedoeld in artikel 138bis Gerechtelijk Wetboek. Tenzij de in het ongelijk gestelde partij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet, vereffent het rechtscollege het bedrag van de bijdrage aan het Fonds in de eindbeslissing die in de kosten verwijst. De Koning bepaalt de nadere regels voor de invordering van de bijdrage aan het Fonds. §
  8. Behalve indien hij van de juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Fonds. Behalve indien zij van de juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de burgerlijke partij, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij en zij in het ongelijk wordt gesteld, veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Fonds. Het rechtscollege vereffent het bedrag van de bijdrage aan het Fonds in de eindbeslissing die in de kosten verwijst. De bijdrage wordt ingevorderd volgens de regels van toepassing op de invordering van de strafrechtelijke geldboeten ». B.2.
  9. Bij zijn arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Hof de woorden « door elke eisende partij » in artikel 4, § 2, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017 vernietigd. Daaruit vloeit voort dat in beginsel voor elke gedinginleidende akte één bijdrage moet worden betaald op het ogenblik van de inschrijving op de rol, voor de zaken die volgens de burgerlijke rechtspleging worden behandeld. Die vernietiging heeft geen weerslag op de relevantie van de prejudiciële vraag. Het Hof beantwoordt de vraag dus zoals zij is gesteld. 6 B.
  10. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre zij erin voorziet dat iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, net zoals de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld nadat zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij, wordt veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, terwijl zij niet in een dergelijke maatregel voorziet ten aanzien van de vrijwillig of gedwongen tussenkomende partij die, bijvoorbeeld, aangezien zij in het ongelijk wordt gesteld op haar hoger beroep, zou worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep jegens de Staat, in de wetenschap dat artikel 162 van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat die kosten die bijdrage omvatten. B.
  11. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de mogelijkheid of onmogelijkheid voor een strafgerecht om de verzekeraar die vrijwillig of gedwongen is tussengekomen in het geding dat is ingesteld tegen de verzekerde en die in het ongelijk wordt gesteld op zijn hoger beroep tegen de burgerlijke beschikkingen van het vonnis in eerste aanleg, te veroordelen tot het betalen van de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval. B.5.
  12. De wet van 19 maart 2017 richt een « Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand » op bij de Federale Overheidsdienst Justitie (artikel 2). De opbrengsten van het fonds worden gebruikt ter financiering van de vergoedingen van de advocaten belast met de juridische tweedelijnsbijstand alsmede van de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand (artikel 3). B.5.
  13. Het fonds wordt gefinancierd met bijdragen die worden geïnd in het kader van gerechtelijke procedures. In artikel 4 van de wet van 19 maart 2017 wordt bepaald in welke zaken de bijdrage verschuldigd is, wie deze dient te betalen en op welke wijze ze wordt geïnd. De wetgever maakt hierbij een onderscheid tussen zaken die volgens de burgerlijke rechtspleging worden behandeld (artikel 4, § 2), strafzaken (artikel 4, § 3) en zaken voor de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (artikel 4, § 4). 7 B.
  14. Artikel 162 van het Wetboek van strafvordering bepaalt : « Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, verwijst hen in de kosten, zelfs jegens de openbare partij. De burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld in de kosten jegens de Staat en jegens de beklaagde of in een gedeelte ervan. Zij kan worden veroordeeld in alle, dan wel een deel van de kosten door de Staat en door de beklaagde gemaakt, wanneer zij het initiatief tot de rechtstreekse dagvaarding heeft genomen of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij. De kosten worden door het vonnis bepaald en omvatten de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ». B.
  15. Artikel 153, § 5, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen » (hierna : de wet van 4 april 2014) bepaalt : « Wanneer het geding tegen de verzekerde is ingesteld voor het strafgerecht, kan de verzekeraar door de benadeelde of door de verzekerde in de zaak worden betrokken en kan hij vrijwillig tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht gebracht zijn, maar het strafgerecht kan geen uitspraak doen over de rechten die de verzekeraar kan doen gelden tegenover de verzekerde of de verzekeringnemer ». B.
  16. Krachtens artikel 174 van het Wetboek van strafvordering neemt de correctionele rechtbank kennis van alle hogere beroepen ingesteld tegen de vonnissen van de politierechtbank in strafzaken. Krachtens artikel 577, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de rechtbank van eerste aanleg in hoger beroep kennis van de vonnissen die in eerste aanleg zijn gewezen door de politierechtbank, in burgerlijke zaken, in de in artikel 601bis van hetzelfde Wetboek bedoelde gevallen, en met name met betrekking tot de vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval. 8 B.
  17. Overeenkomstig artikel 153, § 5, van de wet van 4 april 2014 geschiedt het optreden van de verzekeraar in het strafproces tegen de verzekerde onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht zijn gebracht. Daaruit vloeit voort dat de correctionele rechtbank, wanneer zij uitspraak doet over het hoger beroep dat door de verzekeraar is ingesteld tegen een vonnis van de politierechtbank aangaande de burgerlijke rechtsvordering terwijl deze zitting houdt in strafzaken, de verzekeraar kan veroordelen tot de bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, voor zover zij vaststelt dat de voorwaarden met betrekking tot het betalen van de voormelde bijdrage zijn vervuld. B.
  18. Uit het voorgaande vloeit voort dat het in de prejudiciële vraag opgeworpen verschil in behandeling niet bestaat. B.
  19. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 « tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 juni
  20. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.086 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.