← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.088

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.088 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200618.22 Arrest- Rolnummer: 88/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-14 Raadplegingen: 341 - laatst gezien 2026-06-19 17:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht, zoals het werd ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ', in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht », al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 70, eerste lid, en 76, eerste lid, van de voormelde wet van 11 augustus 2017, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Dinant. Faillissement - Buitenbezitstelling van de gefailleerde -

  1. Begrenzing van de buitenbezitstelling van de goederen -
  2. Toepassing ratione temporis van de nieuwe wetgeving. Tekst van de beslissing Rolnummer 7102 Arrest nr. 88/2020 van 18 juni 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Dinant. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 16 januari 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 januari 2019, heeft de Ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Dinant, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Houdt het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de gefailleerde die zich kan beroepen op de bepaling van artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, en de gefailleerde die onderworpen is aan artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 een schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de wet van 11 augustus 2017 de tweede kans, die het ondernemerschap aanmoedigt en een nieuwe start mogelijk maakt, wil bevorderen ? Moeten de bepalingen van de nieuwe wet bijgevolg worden toegepast op elk faillissement, ongeacht of het ontstaan is vόόr of na 1 mei 2018 ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 22 april 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 mei 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 6 mei 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij vonnis van 22 april 2015 werd J.R. failliet verklaard en, bij vonnis van 20 december 2017, verschoonbaar verklaard. Nadat de zaak bij verzoekschrift van 28 februari 2018 is voorgelegd, moet de verwijzende rechter zich uitspreken over een eventuele sluiting van het faillissement wegens het ontbreken van een actief, terwijl een beslag onder derden op het loon van J.R., die werknemer is geworden, werd uitgevoerd bij zijn werkgever. De verwijzende rechter stelt vast dat de buitenbezitstelling van een gefailleerde voordien geregeld was bij artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus
  3. Wat evenwel de faillissementen betreft die na 1 mei 2018 zijn uitgesproken, is de buitenbezitstelling van een gefailleerde onderworpen aan de nieuwe begrenzing bedoeld in artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, volgens hetwelk de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring, op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement, uit het actief van het faillissement worden uitgesloten. Die uitsluiting van de aanwinsten na het faillissement strekt ertoe een tweede kans, die het ondernemerschap aanmoedigt en een nieuwe start mogelijk maakt, te bevorderen. 3 De nieuwe wet zou dus een verschil in behandeling creëren tussen de faillissementen die vóór 1 mei 2018 zijn uitgesproken en de faillissementen die na die datum zijn uitgesproken, terwijl de wil van de wetgever, uitgedrukt zowel in de wet van 8 augustus 1997 als in de wet van 11 augustus 2017, erin bestond de gefailleerde het recht op een tweede start toe te kennen. De verwijzende rechter stelt vast dat, in de regel, de wet van 8 augustus 1997 onmiddellijk van toepassing was op de lopende faillissementen, en vraagt zich af om welke redenen de in het geding zijnde bepaling niet onmiddellijk van toepassing is op alle lopende faillissementen, wat althans de begrenzing van de buitenbezitstelling van de gefailleerde betreft. Volgens de verwijzende rechter is die vraag des te prangender wanneer de gefailleerde, zoals te dezen, vervroegd verschoonbaar is verklaard. De verwijzende rechter beslist dan ook om het Hof de door de curator voorgestelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
  4. De Ministerraad herinnert eraan dat artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 het principe van artikel 444 van de wet van 18 april 1851, dat reeds bepaalde dat een gefailleerde, vanaf het vonnis van faillietverklaring, van rechtswege het beheer over al zijn goederen verloor, met inbegrip van de goederen die hij mocht verkrijgen terwijl hij zich in staat van faillissement bevond, heeft overgenomen. Artikel 16 van de wet van 8 augustus 1997 was onmiddellijk van toepassing op de op 1 januari 1998 lopende faillissementen, krachtens het beginsel van onmiddellijke toepassing van de wetten op de rechterlijke organisatie. Met de wet van 11 augustus 2017, die boek XX « Insolventie van ondernemingen » in het Wetboek van economisch recht heeft ingevoegd, worden verschillende doelstellingen, waaronder het bevorderen van een « tweede kans », nagestreefd. Artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht is, krachtens de artikelen 70, eerste lid, en 76, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017, alleen van toepassing op de faillissementen die zijn uitgesproken na 1 mei
  5. A.
  6. De Ministerraad stelt vast dat uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de grondwettigheid van de keuze van de wetgever om alleen de faillissementen die na 1 mei 2018 zijn uitgesproken het voordeel van artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht te laten genieten. De toepassing van artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht vloeit echter in werkelijkheid voort uit de artikelen 70, eerste lid, en 76, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017, waarvan de combinatie kan worden beschouwd als een overgangsbepaling die impliceert dat het vroegere artikel 16 van de wet van 8 augustus 1997 van toepassing blijft op de faillissementen die lopende zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe regeling, zijnde 1 mei
  7. Daaruit volgt dat de prejudiciële vraag alleen in die zin kan worden begrepen dat zij betrekking heeft op artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht, in samenhang gelezen met de artikelen 70, eerste lid, en 76, eerste lid, van de wet van 11 augustus
  8. A.
  9. De Ministerraad verzoekt het Hof de prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden. Hij herinnert eraan dat de aangelegenheid van de faillissementen op uiteenlopende economische belangen slaat. Wanneer de wetgever de oplossing kiest die hem het meest gunstig lijkt voor het algemeen belang en voor het belang van de schuldeisers in het bijzonder, kan het Hof die keuze slechts afkeuren indien zij op kennelijk onevenredige wijze afbreuk zou doen aan de belangen van een categorie van personen. 4 Te dezen heeft de wetgever ervoor gekozen, voor de faillissementen die worden uitgesproken vanaf de inwerkingtreding van de hervorming van 2017, een bijkomende begrenzing aan te brengen aan de buitenbezitstelling van de gefailleerde, wat tegelijkertijd een beperking inhoudt van de rechten die de schuldeisers kunnen laten gelden op de boedel. Rekening houdend met die beperking van de rechten van de schuldeisers kon de wetgever redelijkerwijs, zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden, bij wijze van overgang bepalen dat, voor de faillissementen die waren uitgesproken vóór de inwerkingtreding van de hervorming, de boedel gegrond zou blijven op dezelfde activa van de gefailleerde als vóór de hervorming. Zodoende heeft de wetgever een billijk evenwicht bereikt tussen de rechten van de gefailleerde op een tweede kans en de legitieme verwachtingen van de schuldeisers van de gefailleerde waaraan, bij ontstentenis van een overgangsregeling, afbreuk zou worden gedaan zonder dat een dwingende reden van algemeen belang dat rechtvaardigt. Ten slotte is die opvatting niet strijdig met het feit dat de wet van 8 augustus 1997 onmiddellijk van toepassing was op de lopende faillissementen, aangezien artikel 16 van de wet van 8 augustus 1997 de regeling van buitenbezitstelling van de gefailleerde zoals die voordien bestond, alleen maar heeft verduidelijkt. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.
  10. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en op artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht » (hierna : de wet van 11 augustus 2017). B.
  11. Artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalt : « Te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer over al zijn goederen, zelfs over de goederen die hij mocht verkrijgen terwijl hij zich in staat van faillissement bevindt. Alle betalingen, verrichtingen en handelingen van de gefailleerde en alle betalingen aan de gefailleerde gedaan vanaf de dag van het vonnis, kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen. De goederen bedoeld in artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek, met uitzondering van de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, bedoeld in het 3° van dat artikel, worden uit het actief van het faillissement gesloten en blijven onder het beheer en ter beschikking van de gefailleerde. 5 Uit het actief van het faillissement worden eveneens uitgesloten, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring voor zover zij krachtens de artikelen 1409 tot en met 1412 van het Gerechtelijk Wetboek of krachtens bijzondere wetten niet voor beslag vatbaar zijn. Uit het actief van het faillissement worden eveneens uitgesloten, de vergoeding voor schade die aan de persoon is verbonden en die aan de gefailleerde toekomt uit onrechtmatige daad ». B.3.
  12. Artikel XX.110 van het Wetboek van economisch recht bepaalt : « §
  13. Te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring verliest de gefailleerde van rechtswege het beheer over al zijn goederen evenals over de goederen die hij tijdens de procedure verkrijgt op grond van een oorzaak die het faillissement voorafgaat. §
  14. Alle betalingen, verrichtingen en handelingen van de gefailleerde en alle betalingen aan de gefailleerde gedaan vanaf de dag van het vonnis van faillietverklaring, kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen. §
  15. De goederen bedoeld in artikel 1408 van het Gerechtelijk Wetboek, met uitzondering van de goederen die de beslagene volstrekt nodig heeft voor zijn beroep, bedoeld in het 3° van dit artikel, worden uit het actief van het faillissement gesloten en blijven onder het beheer en ter beschikking van de gefailleerde. Uit het actief van het faillissement worden eveneens uitgesloten de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement. Uit het actief van het faillissement wordt eveneens uitgesloten, de vergoeding voor schade die aan de persoon is verbonden en die aan de gefailleerde toekomt uit onrechtmatige daad. De gefailleerde beheert eveneens de in het tweede en derde lid bedoelde goederen en bedragen en beschikt erover ». B.3.
  16. De wet van 11 augustus 2017 heeft tot doel « alle wetgeving met betrekking tot insolvabiliteit coherent te maken en als een rationeel geheel in te voegen in het Wetboek van economisch recht », alsook « het bestaande insolventierecht grondig [te] moderniseren en aan [te] passen aan de Europese normen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/001, p. 4). De doelstellingen van de wet van 11 augustus 2017 zijn onder meer « de bevordering van de tweede kans, de vervanging van het stelsel van de verschoonbaarheid door een stelsel van schuldkwijtschelding, de beklemtoning van buitengerechtelijke vormen van insolventies » (ibid.). Het bevorderen van een tweede kans « [moedigt] het ondernemerschap aan […] en [maakt] een nieuwe start mogelijk » (ibid., p. 3). 6 Wat het in het geding zijnde artikel XX.110 van het Wetboek van economisch recht betreft, wordt in de memorie van toelichting van de wet van 11 augustus 2017 uiteengezet : « Dit artikel is gegrond op het vroegere artikel 16 van de Faillissementswet maar bevat enkele belangrijke wijzigingen. De belangrijkste, die aansluit op het tweede-kansen-beleid, beperkt de samenstelling van de boedel. Waar vroeger alle goederen die de gefailleerde mocht verkrijgen tijdens het faillissement deel uitmaken van de boedel, geldt dit slechts voor goederen die verkregen zijn krachtens een oorzaak die voor het faillissement bestond. Zo maken bijvoorbeeld opbrengsten van arbeidsprestaties geleverd na opening van het faillissement of erfenissen verkregen ingevolge een overlijden dat na het openen gebeurt of dito giften, geen deel uit van de boedel » (ibid., p. 83). De minister zette uiteen dat « de uitsluiting van de aanwinsten na het faillissement - met het oog op een tweede kans - een maatregel is die de werkgelegenheid veeleer ten goede komt » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2407/004, p. 49). B.4.
  17. Artikel 70, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017 bepaalt : « Onder voorbehoud van de toepassing ervan op de faillissementsprocedures die lopen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, wordt de Faillissementswet van 8 augustus 1997 opgeheven ». Artikel 76, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017 bepaalt : « Deze wet treedt in werking op 1 mei 2018 ». B.4.
  18. Uit de samenlezing van de artikelen 70, eerste lid, en 76, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017 volgt dat artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 van toepassing blijft op de op 1 mei 2018 lopende faillissementsprocedures en dat artikel XX.110 van het Wetboek van economisch recht van toepassing is op de faillissementen uitgesproken vanaf 1 mei
  19. 7 Ten gronde B.
  20. Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling creëren tussen, enerzijds, de gefailleerden die zich kunnen beroepen op het voordeel van artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht en, anderzijds, de gefailleerden die onderworpen zijn aan artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus
  21. Alleen de eerstgenoemden kunnen zich, in tegenstelling tot de laatstgenoemden, beroepen op de begrenzing van de buitenbezitstelling van hun goederen, waarin artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht voorziet, krachtens hetwelk de goederen, de bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement, uit het actief van het faillissement worden uitgesloten. In het tweede deel van de prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof eveneens om vast te stellen of de bepalingen van de nieuwe wet « bijgevolg [moeten] worden toegepast op elk faillissement, ongeacht of het ontstaan is vóór of na 1 mei 2018 ». B.6.
  22. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op vragen omtrent de schending, door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.6.
  23. In zoverre het tweede deel van de prejudiciële vraag betrekking heeft op de vaststelling van de in de tijd toepasselijke wet, valt het niet onder de bevoegdheid van het Hof. 8 B.
  24. Wat het eerste deel van de prejudiciële vraag betreft, wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij een verschil in behandeling onder gefailleerden invoeren, wat betreft de beperkingen van de buitenbezitstelling van hun goederen, naargelang de faillissementsprocedure lopende was op de datum van inwerkingtreding van artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht, of het faillissement na die datum werd uitgesproken. Zoals in B.4.2 is vermeld, vloeit dat verschil in behandeling voort uit de combinatie van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 70, eerste lid, en 76, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017, zodat het Hof daarmee rekening houdt bij zijn onderzoek. B.8.
  25. Het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling vloeit voort uit de omstandigheid dat twee wettelijke regelingen inzake faillissement elkaar opvolgen in de tijd en dat, overeenkomstig de artikelen 70, eerste lid, en 76, eerste lid, van de wet van 11 augustus 2017, die twee regelingen gedurende een bepaalde periode naast elkaar kunnen bestaan naargelang de faillissementsprocedure op 1 mei 2018 lopende was of het faillissement werd uitgesproken na 1 mei
  26. Wanneer de faillissementsprocedure lopende was op 1 mei 2018, blijft zij, bij wijze van overgang, onderworpen aan de faillissementswet van 8 augustus 1997, terwijl de nieuwe regeling waarin het Wetboek van economisch recht voor de faillissementen voorziet, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, alleen van toepassing is op de faillissementen die zijn uitgesproken vanaf 1 mei
  27. B.8.
  28. Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. 9 B.8.
  29. Zoals in B.3.2 is vermeld, voert de wet van 11 augustus 2017 een hervorming door van alle wetgeving met betrekking tot insolvabiliteit, met inbegrip van de faillissementswet van 8 augustus
  30. Te dezen is de omstandigheid dat de faillissementsprocedure lopende was op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 11 augustus 2017 of dat het faillissement na die datum werd uitgesproken een objectief criterium dat toelaat om zonder enige moeilijkheid te bepalen welke regeling in haar totaliteit van toepassing is op het faillissement. Zulk een criterium is ook pertinent in het licht van de aldus doorgevoerde hervorming. Het zou immers niet coherent zijn om bepaalde elementen van de bij de wet van 11 augustus 2017 ingevoerde nieuwe regeling onmiddellijk toe te passen op de lopende faillissementen, die worden geregeld door de faillissementswet van 8 augustus
  31. Er wordt evenmin op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan het gewettigd vertrouwen van de gefailleerden van wie de faillissementsprocedure lopende was op de datum van inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen die voor de faillissementen zijn vastgelegd in het Wetboek van economisch recht, omdat zij nog steeds onderworpen zijn aan de bepalingen van de faillissementswet van 8 augustus 1997, op grond waarvan hun faillissement is uitgesproken. Zulk een maatregel maakt het daarentegen mogelijk de voorzienbaarheid te waarborgen van de bepalingen die van toepassing zijn op alle bij het faillissement betrokken actoren, wier uiteenlopende belangen in evenwicht moeten worden gebracht. B.
  32. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 16 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en artikel XX.110, § 3, van het Wetboek van economisch recht, zoals het werd ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht », al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 70, eerste lid, en 76, eerste lid, van de voormelde wet van 11 augustus 2017, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 juni
  33. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.088 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.