← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.089

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.089 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200618.33 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200618.23 Arrest- Rolnummer: 89/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-07 Raadplegingen: 279 - laatst gezien 2026-06-19 16:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 1469, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 34 van de wet van 22 juli 2018 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone ». Burgerlijk recht - Huwelijksvermogensstelsels - Stelsel van scheiding van goederen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7112 Arrest nr. 89/2020 van 18 juni 2020 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 1469, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 34 van de wet van 22 juli 2018 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 januari 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 februari 2019 heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-L. Renchon en Mr. M. Verdussen, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 1469, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 34 van de wet van 22 juli 2018 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 juli 2018). De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 22 april 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 mei 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 6 mei 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.

  1. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » brengt in herinnering dat zij onder meer de wettelijke taak heeft de belangen van niet alleen de advocaat maar ook van de rechtzoekende te behartigen. Zij doet gelden dat de wet van 22 juli 2018 belangrijke gevolgen heeft met betrekking tot de grondrechten van de rechtzoekenden en met name van de kinderen van de erflater, zodat zij een zeker, rechtstreeks en persoonlijk belang heeft bij het beroep tegen de voormelde wet van 22 juli
  2. Zij zet uiteen dat de wet tot gevolg zal hebben dat zij het aantal gerechtelijke betwistingen aanzienlijk doet toenemen in een aangelegenheid die slechts uitzonderlijk zou moeten worden gejuridiseerd. Zij leidt daaruit af dat er een ernstig risico bestaat dat de bestreden wet de belangen van de rechtzoekenden in het geding brengt en de goede werking van het gerecht in gevaar brengt. 3 Daarenboven doet de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » gelden dat artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek haar de taak toevertrouwt om « de belangen te behartigen » van niet alleen de advocaat, maar ook « van de rechtzoekende », en preciseert zij dat die term niet alleen betrekking heeft op de persoon die partij is bij een proces maar, ruimer, elke persoon betreft die voor een rechter kan belanden. Zij doet gelden dat haar vordering ertoe strekt twee struikelblokken zoveel mogelijk te vermijden, in het belang van de rechtzoekende, waarbij het eerste erin bestaat dat menselijke en juridische situaties contentieus worden en het tweede dat de wet afbreuk kan doen aan de grondrechten of aan de legitieme belangen van de rechtzoekenden. Zij ziet niet in hoe haar belang om in rechte te treden zou kunnen worden betwist, terwijl zij bij de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet werd gehoord door de wetgever, hetgeen volgens haar bewijst dat de Kamer van volksvertegenwoordigers haar als een legitieme spreker beschouwt. Ten slotte verwijst zij naar het arrest nr. 114/2018 van 19 juli 2018 waarbij het Hof heeft beslist dat de deelname van de verzoekende vereniging aan de procedure van aanneming van de bestreden bepalingen aantoont dat die het maatschappelijk doel van de verzoekende vereniging rechtstreeks en ongunstig kunnen raken. A.
  3. De Ministerraad erkent dat het Hof het belang om in rechte te treden herhaalde malen ruim heeft geïnterpreteerd, ten gunste van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone ». Hij is evenwel van mening dat de bestreden wet te dezen noch met de uitoefening van het beroep van advocaat, noch met de rechten van de rechtzoekenden enig verband vertoont. Evenzo is hij van mening dat het eerste struikelblok waarvan de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » gewag maakt, theoretisch is, aangezien niets het mogelijk maakt te beweren dat de bestreden wet tot gevolg zal hebben dat conflicten binnen families erger worden gemaakt. Hij doet gelden dat het tweede struikelblok dat wordt opgeworpen, evenmin een belang vertoont voor de verzoekende partij. Hij voegt eraan toe dat oordelen dat de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » een belang zou hebben bij het vorderen van de vernietiging van een wet omdat zij een toename van de gerechtelijke procedures met zich zou kunnen meebrengen, erop neerkomt dat haar een onbeperkt belang wordt toebedeeld. Hij staat bovendien stil bij de definitie van het begrip « rechtzoekende » en bij het verschil tussen dat begrip en de begrippen « rechtssubject », « particulier » of nog « persoon ». Hij voegt eraan toe dat het feit dat men in de commissie van de Kamer van volksvertegenwoordigers, tijdens de parlementaire voorbereiding van een wet, is gehoord, niet stelselmatig een belang bij het beroep tot vernietiging van diezelfde wet verleent, en dat het Hof, in het arrest nr. 114/2018, zich heeft uitgesproken over het belang om in rechte te treden van een vzw betreffende welke de band tussen het maatschappelijk doel en de bestreden bepaling niet ter discussie was gesteld, in tegenstelling tot het voorliggend geval. Hij besluit ten slotte dat niet alle personen die bij de totstandkoming van een wet zijn gehoord, doen blijken van een belang om de vernietiging ervan te vorderen. A.
  4. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » antwoordt dat de Ministerraad vasthoudt aan een enge opvatting van het woord « rechtzoekende », die noch met de betekenis ervan in het procesrecht, noch met de gebruikelijke betekenis ervan, noch met de ratio legis van het voormelde artikel 495 overeenstemt. Voor de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » gaat het niet erom de belangen van elke « persoon », van elke « particulier » of van elk « rechtssubject » te behartigen, maar de belangen te behartigen van bepaalde categorieën van rechtzoekenden die, in situaties die evenzeer bepaald zijn, door de wetgever aan een ongrondwettige behandeling worden onderworpen. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » doet gelden dat het in overeenstemming is met de wil van de federale wetgever, in naam van de belangen van de rechtzoekenden, dat zij voor diverse rechtscolleges beroepen heeft ingesteld tegen onbillijke regelgevingen of dat zij in de Commissie voor de Justitie van de Kamer is gehoord, zoals met betrekking tot de bestreden wet. Zij voegt eraan toe dat de advocaten de bevoorrechte getuigen zijn van het onrecht dat wordt ervaren door de personen die door de erflater zijn gediscrimineerd. Vervolgens is zij van mening dat de beslissing van de Commissie voor de Justitie van de Kamer om de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » in het kader van de totstandkoming van de bestreden wet te horen, volstaat om aan te tonen dat die het maatschappelijk doel van die laatste rechtstreeks en ongunstig kan raken. Ten slotte besluit zij dat de deskundigen moeten worden onderscheiden van de organen wier maatschappelijk doel rechtstreeks verband houdt met de ontworpen wetgeving, en zulks ongeacht het ogenblik waarop zij worden gehoord. 4 A.
  5. De Ministerraad antwoordt dat het, rekening houdend met de ruime interpretatie van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », moeilijk wordt om zich een wet voor te stellen waartegen die geen beroep zou kunnen instellen. Hij voegt eraan toe dat artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals geïnterpreteerd door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », in strijd is met artikel 2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, waarbij de verzoekers die niet moeten doen blijken van een belang om de vernietiging te vorderen voor het Hof, exhaustief worden opgesomd, en dat het maatschappelijk doel van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », gelet op de ruimere opvatting van de term « rechtzoekende », samenvalt met het algemeen belang. De actio popularis wordt echter niet toegestaan voor het Hof. Ten slotte voert de Ministerraad aan dat de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » niet de voorwaarden in acht neemt die van toepassing zijn op een groepering die in rechte treedt voor het Hof, in tegenstelling tot de verzoekende vereniging in het arrest nr. 114/
  6. -B- B.
  7. Bij artikel 34 van de wet van 22 juli 2018 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en diverse andere bepalingen wat het huwelijksvermogensrecht betreft en tot wijziging van de wet van 31 juli 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse bepalingen ter zake » (hierna : de wet van 22 juli 2018) wordt artikel 1469 van het Burgerlijk Wetboek vervangen, waarvan paragraaf 1 voortaan bepaalt : « Echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen kunnen aan dit stelsel alle bedingen toevoegen die met dat stelsel verenigbaar zijn. Zij kunnen onder meer bedingen toevoegen met betrekking tot de bewijsvoering, tussen hen, van exclusief eigendomsrecht, met betrekking tot het bewijs van vorderingen die de ene tegen de andere kan inroepen, en bedingen ter nadere regeling van enige onverdeeldheid of doelvermogen die tussen hen zou bestaan. Zij kunnen ook bedingen opnemen die ertoe strekken een verrekening tussen hun vermogens te verwezenlijken, met name door toevoeging van een beding van verrekening van aanwinsten. De artikelen 1429bis, 1458, 1464 en 1465 zijn van overeenkomstige toepassing ». B.2.
  8. De Ministerraad voert aan dat het beroep niet ontvankelijk is, in zoverre de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » niet doet blijken van het vereiste belang. 5 B.2.
  9. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.2.
  10. Artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, eerste en tweede lid, bepaalt : « De Orde van Vlaamse balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone hebben, elk voor de balies die er deel van uitmaken, de taak te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden en zijn bevoegd voor de juridische bijstand, de stage, de beroepsopleiding van de advocaten-stagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken. Ze nemen initiatieven en maatregelen die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende ». B.2.
  11. De Ordes van de balies zijn publiekrechtelijke beroepscorporaties die bij wet zijn opgericht en die op verplichte wijze al diegenen die het beroep van advocaat uitoefenen groeperen. De Ordes van de balies kunnen, behoudens de gevallen waarin zij hun persoonlijk belang verdedigen, slechts in rechte treden binnen de opdracht die de wetgever hun heeft toevertrouwd. Aldus kunnen zij in de eerste plaats in rechte treden wanneer zij de beroepsbelangen van hun leden verdedigen of wanneer de uitoefening van het beroep van advocaat in het geding is. Volgens artikel 495, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de Ordes ook initiatieven en maatregelen nemen « die nuttig zijn […] voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende ». B.2.
  12. Uit artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 87 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, blijkt dat de Ordes van de balies slechts als verzoekende of tussenkomende partij voor het Hof in rechte kunnen treden ter verdediging van het collectieve belang van de rechtzoekenden in zoverre dit verbonden is met de taak en de rol van de advocaat bij de behartiging van de belangen van de rechtzoekende. 6 Maatregelen die geen enkele weerslag hebben op het recht op toegang tot de rechter, op de rechtsbedeling of op de bijstand die advocaten aan hun cliënten kunnen verlenen, ongeacht of dat gebeurt tijdens een administratief beroep, via een minnelijke schikking of via een geschil dat wordt voorgelegd aan de gewone of administratieve rechtscolleges, vallen bijgevolg buiten het bereik van artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 87 van de bijzondere wet van 6 januari
  13. B.3.
  14. Artikel 1469, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 34 van de wet van 22 juli 2018, voorziet in de mogelijkheid voor echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van goederen, om aan dat stelsel alle bedingen toe te voegen die met dat stelsel verenigbaar zijn. In het vierde lid ervan, dat wordt bestreden, wordt gepreciseerd dat de artikelen 1429bis, 1458, 1464 en 1465 van overeenkomstige toepassing zijn. Artikel 1429bis heeft betrekking op het geval waarin de langstlevende echtgenoot onwaardig is om te erven bij de ontbinding van het wettelijk stelsel, terwijl de artikelen 1458, 1464 en 1465 betrekking hebben op overeenkomsten die het wettelijk stelsel kunnen wijzigen. B.3.
  15. Die bepalingen bevatten geen enkele regel met betrekking tot het statuut van de advocaat of van de rechtzoekenden. Zij kunnen van toepassing zijn op elke burger, naar aanleiding van het overlijden van zijn ouders of zijn echtgenoot, maar zij betreffen niet rechtstreeks de burgers in hun hoedanigheid van rechtzoekende. Zij hebben geen enkele weerslag op het recht op toegang tot de rechter, op de rechtsbedeling of op de bijstand die advocaten aan hun cliënten kunnen verlenen, ongeacht of dit voorvalt tijdens een administratief beroep, bij een minnelijke schikking of tijdens een geschil dat aan de gewone of de administratieve rechtscolleges is voorgelegd. B.3.
  16. De omstandigheid dat de bestreden bepaling talrijke geschillen zou kunnen doen ontstaan die voor de rechtbanken zouden worden gebracht, kan, naast het feit dat zij thans zuiver hypothetisch is, die vaststelling niet wijzigen. Ervan uitgaan dat de loutere mogelijkheid dat de toepassing van een wetsbepaling een geschil doet rijzen, de in artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek beoogde Ordes van balies zou toelaten de vernietiging ervan te vorderen, zou immers erop neerkomen hun de mogelijkheid te bieden de vernietiging te vorderen van elk van de door de verschillende wetgevers aangenomen bepalingen. 7 B.3.
  17. Tot slot doet het horen, door de volksvertegenwoordigers tijdens de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling, van vertegenwoordigers van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », te haren aanzien geen belang ontstaan om bij het Grondwettelijk Hof de vernietiging van die wet te vorderen. De erkende deskundigheid van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » in die aangelegenheid betekent immers niet dat haar situatie, die van de advocaten, of nog, die van de rechtzoekenden die zij bijstaan, zouden worden geraakt door de toepassing van de bepaling waarover zij door de wetgever is geraadpleegd. B.3.
  18. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » beschikt niet over het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van artikel 1469, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat artikel werd vervangen bij artikel 34 van de wet van 22 juli 2018, zodat het beroep onontvankelijk is. 8 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 juni
  19. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.089 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.