id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.090 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200618.34 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200618.24 Arrest- Rolnummer: 90/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-07 Raadplegingen: 297 - laatst gezien 2026-06-19 16:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 11 en 12 van de wet van 8 mei 2014 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde », gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Burgerlijk recht - Personen - Afstamming - Familienaam - Afstamming die later ten aanzien van een van beide ouders wordt vastgesteld - Dubbele naam - Opeenvolging van normen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7218 Arrest nr. 90/2020 van 18 juni 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 11 en 12 van de wet van 8 mei 2014 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde », gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 8 mei 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 juni 2019, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 11 en 12 (overgangsbepalingen) van de wet van 8 mei 2014 niet inzonderheid de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, alsook artikel 8 van het EVRM, aangezien zij de kinderen die geboren zijn vóór de inwerkingtreding ervan en van wie de afstamming van vaderszijde na de inwerkingtreding ervan komt vast te staan, verschillend behandelen naargelang zij minderjarig of meerderjarig zijn, doordat alleen de eerstgenoemden over de mogelijkheid beschikken om een dubbele familienaam te dragen, en dus vanuit het oogpunt van de familienaam een discriminatie doen ontstaan ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 22 april 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman, ter vervanging van ererechter J.-P. Snappe, en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 mei 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 6 mei 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, is een vordering ingesteld waarmee S.W., die meerderjarig is, wenst te laten vaststellen dat zij de dochter is van M.L. Wat betreft het verzoek tot wijziging van de familienaam van S.W., wijziging waartegen andere partijen zich verzetten, oordeelt de verwijzende rechter dat de regels die volgens hem van toepassing zijn niet toelaten om dat verzoek in te willigen, aangezien S.W. meerderjarig is. In die context stelt de verwijzende rechter ambtshalve de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- Standpunt van de Ministerraad A.1.
- De Ministerraad merkt op dat, doordat S.W. meerderjarig is, de relevantie van de verwijzing naar artikel 22bis van de Grondwet niet blijkt uit de motivering van het verwijzingsvonnis. Hij heeft vervolgens vragen bij het nut van de prejudiciële vraag, aangezien die betrekking heeft op het ontbreken van een overgangsregeling voor een situatie die artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek niet regelt, namelijk een naamsverandering van meerderjarige kinderen. Met uitzondering van de vierde paragraaf, die te dezen niet van toepassing is, betreft dat artikel immers alleen de toewijzing van de naam aan een minderjarig kind. Artikel 12 van de wet van 8 mei 2014 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde » (hierna : de wet van 8 mei 2014), zoals het werd vervangen bij artikel 17 van de wet van 18 december 2014 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van internationaal privaatrecht, het Consulair Wetboek, de wet van 5 mei 2014 houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder en de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde », is trouwens een overgangsbepaling, met terugwerkende kracht, die bijgevolg een draagwijdte heeft die beperkt is in de tijd alsook materieel gezien, wat impliceert dat zij vanuit die invalshoek moet worden getoetst. A.1.
- De categorieën van personen zijn duidelijk geïdentificeerd : het gaat enerzijds om de minderjarige kinderen die geboren zijn vóór de inwerkingtreding van de wet van 8 mei 2014 maar van wie de tweede afstammingsband wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van die wet en, anderzijds, de meerderjarige personen die geboren zijn vóór de inwerkingtreding van de wet van 8 mei 2014 maar van wie de tweede afstammingsband wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van die wet. In tegenstelling tot die tweede categorie van personen beschikt de eerste categorie, namelijk de minderjarige kinderen die geboren zijn vóór de inwerkingtreding van de wet van 8 mei 2014 maar van wie de tweede afstammingsband wordt vastgesteld na de inwerkingtreding ervan, over de mogelijkheid om een dubbele familienaam te dragen. De Ministerraad is van oordeel dat het criterium van onderscheid, namelijk de hoedanigheid van meerderjarige of minderjarige van de persoon of het kind van wie de tweede afstammingsband wordt vastgesteld, objectief is. De doelstellingen van de wetgever zijn legitiem : de toepassing van de nieuwe wet beperken tot de kinderen die geboren of geadopteerd zijn na de inwerkingtreding ervan, waarbij niettemin, in zoveel mogelijk situaties, voorrang wordt gegeven aan de eenheid in de naam tussen kinderen en geadopteerden. Met de aanneming van artikel 12 heeft de wetgever gestreefd naar een zeker evenwicht tussen, enerzijds, de beginselen van onveranderlijkheid van de burgerlijke staat en van bestendigheid van de naam en, anderzijds, de wil om een verschil in behandeling tussen mannen en vrouwen bij de keuze van de naam van het kind weg te werken. Het in het geding zijnde verschil in behandeling, zo voegt de Ministerraad eraan toe, is evenredig en redelijk verantwoord : meerderjarige personen dragen dezelfde naam sinds meer dan achttien jaar, zodat het gerechtvaardigd is dat hij behouden blijft. Een naamsverandering vormt immers een afwijking van het beginsel van de bestendigheid van de naam. Volgens de Ministerraad blijkt uit meerdere arresten van het Hof dat die bestendigheid steunt op overwegingen van sociaal nut en op een beginsel van openbare orde. Dat rechtvaardigt de oplossing van de wetgever om de in de geboorteakte vermelde naam van het kind te behouden wanneer de ouders het oneens zijn over de naamsverandering. Dat mag niet anders zijn wanneer het kind meerderjarig is geworden en dus sinds meer dan achttien jaar een familienaam draagt. 4 Ten slotte verwijst de Ministerraad naar de rechtspraak van het Hof volgens welke « de gevolgen van de in het geding zijnde regel […] des te minder onevenredig [kunnen] zijn daar de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen het mogelijk maakt een naamsverandering te verkrijgen en daar de overheid die met die verandering belast is, niet anders zou kunnen dan het verzoek dat iemand tot haar richt om de naam van zijn vader te dragen, als ernstig te beschouwen » (arrest nr. 82/2004 van 12 mei 2004, B.6). -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 11 van de wet van 8 mei 2014 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde » (hierna : de wet van 8 mei 2014) en op artikel 12 van dezelfde wet, zoals vervangen bij artikel 17 van de wet van 18 december 2014 « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van internationaal privaatrecht, het Consulair Wetboek, de wet van 5 mei 2014 houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder en de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde » (hierna : de wet van 18 december 2014). B.2.
- Artikel 11 van de wet van 8 mei 2014 bepaalt : « Deze wet is van toepassing op kinderen die geboren of geadopteerd zijn na haar inwerkingtreding. Wanneer er echter reeds ten minste één kind is van wie de afstamming ten aanzien van dezelfde ouders vaststaat op de dag waarop deze wet in werking treedt, blijven de vroegere artikelen 335, 353-1 tot 353-3 en 356-2 van het Burgerlijk Wetboek, naar gelang van het geval, van toepassing op de vaststelling van de naam van het kind of het adoptief kind dat is geboren of geadopteerd na de inwerkingtreding ervan en wiens afstamming ten aanzien van dezelfde ouders vaststaat ». 5 Artikel 12 van dezelfde wet bepaalt : « §
- In afwijking van artikel 11 kunnen de ouders of adoptanten, bij een gemeenschappelijke verklaring of bij verklaring van de langstlevende ouder of adoptant van het kind, in geval van vooroverlijden van de andere ouder of adoptant, bij de ambtenaar van de burgerlijke stand die wordt afgelegd voor 1 juni 2015, ten gunste van hun voor 1 juni 2014 geboren gemeenschappelijke minderjarige kinderen en onder voorbehoud dat zij geen gemeenschappelijke meerderjarige kinderen hebben op de dag waarop zij de verklaring afleggen, vragen hen een andere naam toe te kennen die gekozen is in overeenstemming met de bepalingen van deze wet. De gekozen naam wordt toegekend aan alle gemeenschappelijke minderjarige kinderen. §
- In geval van geboorte of adoptie van een kind na 1 juni 2014 wordt de in paragraaf 1 bedoelde verklaring afgelegd binnen één jaar na de dag van de bevalling of van de adoptie, indien deze in België plaatsvond, of van de registratie van de adoptie door de in artikel 360-1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde federale centrale autoriteit, indien deze in het buitenland werd uitgesproken. §
- In geval van vaststelling na 1 juni 2014 van een tweede afstammingsband van een voor 1 juni 2014 geboren gemeenschappelijk minderjarig kind, wordt de in paragraaf 1 bedoelde verklaring afgelegd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de dag van de erkenning of van de dag waarop de beslissing die deze tweede afstamming vaststelt in kracht van gewijsde is gegaan. De termijn van één jaar begint te lopen op de dag die volgt op de in de artikelen 313, § 3, tweede lid, 319bis, tweede lid, 322, tweede lid, 325/6, tweede lid, of 325/8, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde kennisgeving of betekening. In geval van wijziging na 1 juni 2014 van de afstamming van een voor 1 juni 2014 geboren gemeenschappelijk minderjarig kind, als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, 325/3, §§ 4 en 5, 325/7, §§ 3 en 4, of 330, §§ 3 en 4 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de rechter akte van de nieuwe naam van het kind die in voorkomend geval is gekozen door de ouders met inachtneming van de in artikel 335, § 1, of 335ter, § 1, van het Burgerlijk Wetboek vervatte regels. §
- De in paragraaf 1 bedoelde verklaring wordt afgelegd bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het kind is ingeschreven in de bevolkingsregisters. Indien het kind is ingeschreven in de consulaire bevolkingsregisters die worden bedoeld in hoofdstuk 8 van het Consulair Wetboek, wordt de verklaring afgelegd bij het hoofd van de consulaire beroepspost waar het ingeschreven is. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand of het hoofd van de consulaire beroepspost maakt de akte van verklaring van naamskeuze op ten gevolge van de verklaring en verbindt deze met de akte van geboorte van het kind en met de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft ». B.2.
- Artikel 335, § 3, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Indien de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde, blijft de naam van het kind onveranderd. Hetzelfde geldt indien de afstamming van moederszijde komt vast te staan na de afstamming van vaderszijde. 6 Evenwel kunnen de ouders samen, of kan een van hen indien de andere overleden is, in een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte verklaren dat het kind ofwel de naam van de persoon ten aanzien van wie de afstamming als tweede komt vast te staan zal dragen, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Deze verklaring wordt afgelegd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de dag van de erkenning of van de dag waarop een beslissing die de afstamming van vaderszijde of van moederszijde vaststelt in kracht van gewijsde is gegaan, en voor de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. De termijn van één jaar begint te lopen op de dag die volgt op de in de artikelen 313, § 3, tweede lid, 319bis, tweede lid, of 322, tweede lid, bedoelde kennisgeving of betekening. Bij wijziging van de afstamming van vaderszijde of van moederszijde tijdens de minderjarigheid van het kind als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam van het kind die in voorkomend geval door de ouders is gekozen, met inachtneming van de in § 1 of artikel 335ter bedoelde regels. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt de akte van verklaring van naamskeuze op ten gevolge van de in het tweede lid bedoelde verklaring en verbindt deze met de akte van geboorte van het kind en met de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft of wijzigt de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft ten gevolge van het in het vierde lid bedoelde vonnis ». B.2.
- Artikel 335, § 4, van hetzelfde Wetboek, zoals het werd aangevuld bij artikel 114 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie » (hierna : de wet van 21 december 2018), bepaalt : « Indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam aangebracht. Bij vaststelling van een nieuwe afstammingsband van een meerderjarig kind van vaderszijde, van moederszijde of van meemoederszijde als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam van het kind die laatstgenoemde heeft gekozen in voorkomend geval met inachtneming van de in paragraaf 1 of in artikel 335ter, § 1, vervatte regels. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand wijzigt de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop het vonnis betrekking heeft, ten gevolge van het in het tweede lid bedoelde vonnis ». 7 Artikel 335ter, § 3, van hetzelfde Wetboek, zoals het werd aangevuld bij artikel 115 van de wet van 21 december 2018, bepaalt : « Indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam aangebracht. Bij vaststelling van een nieuwe afstammingsband van een meerderjarig kind van vaderszijde, van moederszijde of van meemoederszijde als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de artikelen 312, § 2, 325/3, §§ 4 en 5, 325/7, §§ 3 en 4, of 330, §§ 3 en 4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam van het kind die laatstgenoemde in voorkomend geval heeft gekozen met inachtneming van de in paragraaf 1 of in artikel 335, § 1, vervatte regels. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand wijzigt de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop het vonnis betrekking heeft, ten gevolge van het in het tweede lid bedoelde vonnis ». De voormelde artikelen zijn op 31 maart 2019 in werking getreden. Luidens artikel 116 van de wet van 21 december 2018 zijn die bepalingen van toepassing op de vorderingen tot betwisting van een afstammingsband die zijn ingediend bij de familierechtbank of bij een familiekamer van het hof van beroep vóór de inwerkingtreding van die wet. Artikel 335, § 4, van het Burgerlijk Wetboek, zoals aangevuld door artikel 114 van de wet van 21 december 2018, verwijst uitdrukkelijk naar de vorderingen tot betwisting die werden ingesteld op grond van de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4, van het Burgerlijk Wetboek. B.
- De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van de voormelde artikelen 11 en 12 van de wet van 8 mei 2014 met de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, in zoverre die bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling zouden creëren tussen, enerzijds, een minderjarig kind dat geboren is vóór de inwerkingtreding van die bepalingen maar van wie de afstamming van vaderszijde na de inwerkingtreding ervan komt vast te staan, dat de namen van zijn moeder en van zijn vader kan dragen en, anderzijds, een meerderjarig kind dat, in dezelfde omstandigheden, die mogelijkheid niet heeft doordat de in het geding zijnde bepalingen, volgens de verwijzende rechter, alleen op minderjarige kinderen van toepassing zijn. 8 B.
- Uit de stukken van het dossier en uit de motivering van het vonnis blijkt dat het geschil voor de verwijzende rechter betrekking heeft op een meerderjarig kind van wie de afstamming van vaderszijde is komen vast te staan ingevolge een rechtsvordering tot inroeping van staat die door dat meerderjarig kind werd ingesteld met toepassing van de artikelen 322 en 332ter van het Burgerlijk Wetboek. Dat kind wenst voortaan de naam van haar vader, vermeld naast die van haar moeder, te dragen. Hoewel hij opmerkt dat de wet van 21 december 2018 de wet van 8 mei 2014 heeft gewijzigd en dat zij « het voortaan mogelijk maakt, voor een meerderjarig kind, om een dubbele naam te dragen, weliswaar alleen in bepaalde gevallen », is de verwijzende rechter van oordeel dat de nieuwe regelgeving « te dezen niet van toepassing is (de zaak werd ingeleid op 10 juli 2018) ». B.
- Zoals in B.2.3 is vermeld, bieden de artikelen 114 en 115 van de wet van 21 december 2018 een meerderjarig kind de mogelijkheid om van naam te veranderen. Luidens artikel 116 van diezelfde wet zijn die artikelen overigens van toepassing op de vorderingen tot betwisting van een afstammingsband die werden ingesteld bij de familierechtbank vóór de inwerkingtreding van die wet, namelijk op 31 maart
- Het geschil voor de verwijzende rechter werd ingeleid op 10 juli
- B.
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de voormelde artikelen 11 en 12 van de wet van 8 mei 2014 niet meer kunnen worden toegepast sinds de inwerkingtreding van de wet van 21 december 2018 en dat, bijgevolg, de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het geschil. Voor het overige vermag het Hof zich niet uit te spreken over de toepassingsvoorwaarden, noch over de grondwettigheid van wetskrachtige bepalingen waarover aan het Hof geen vraag is gesteld. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 juni
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div