← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.097

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.097 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200625.13 Arrest- Rolnummer: 97/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-07 Raadplegingen: 904 - laatst gezien 2026-06-20 19:15 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Boek I van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het aan de benadeelde partij of aan de in een strafrechtelijk opsporingsonderzoek beoogde persoon niet het recht toekent om bijkomende opsporingshandelingen te vragen, behalve in het kader van een willig beroep, en niet voorziet in een beroep in geval van een weigering om bijkomende opsporingshandelingen te verrichten of bij gebrek aan een antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende boek I van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel. Strafrechtspleging - Strafrechtelijke opsporingsonderzoek - Ontstentenis van het recht, voor de benadeelde partij of de persoon die wordt beoogd door een strafrechtelijk opsporingsonderzoek, om de procureur des Konings te verzoeken om bijkomende opsporingshandelingen te verrichten. Tekst van de beslissing Rolnummer 7105 Arrest nr. 97/2020 van 25 juni 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende boek I van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 16 januari 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 januari 2019, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is boek I van het Wetboek van strafvordering bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre het aan de benadeelde partij of aan de in een strafrechtelijk opsporingsonderzoek beoogde persoon niet het recht toekent om bijkomende opsporingshandelingen te vragen (behalve in het kader van een willig beroep) en niet voorziet in een beroep in geval van weigering om bijkomende opsporingshandelingen te verrichten of bij gebrek aan een antwoord erop, terwijl dergelijke rechten worden toegekend aan de burgerlijke partijen en aan de inverdenkinggestelde (of de in het gerechtelijk onderzoek beoogde persoon) in het kader van een strafrechtelijk onderzoek ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 6 mei 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 mei 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 20 mei 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In het kader van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek inzake een verkeersongeval richt M.B., die bij dat ongeval betrokken was, aan de procureur des Konings van Brussel een verzoek om bijkomende handelingen waarin hij toestemming vraagt om deel te nemen aan de expertise teneinde de aansprakelijkheid voor het ongeval te bepalen. Na een weigering van de procureur des Konings maakt M.B. een zaak aanhangig bij de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel middels een verzoekschrift tot hoger beroep ingediend bij de griffie van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De verwijzende rechter stelt vast dat artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering, waarop M.B. zich beroept, de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij in het kader van een gerechtelijk onderzoek de mogelijkheid biedt de onderzoeksrechter of, in geval van weigering of ontstentenis van beslissing, de kamer van inbeschuldigingstelling te verzoeken om een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten, maar dat de wet niet in dat rechtsmiddel voorziet in het kader van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek. 3 De verwijzende rechter vraagt zich af of sommige vaststellingen van het arrest nr. 6/2017 van 25 januari 2017, waarbij het Hof oordeelt dat het vroegere artikel 21bis van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het niet voorziet in een beroep bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter tegen de weigering of de ontstentenis van een beslissing door het openbaar ministerie ten aanzien van een door een verdachte geformuleerd verzoek om toegang tot een dossier in het opsporingsonderzoek, niet kunnen worden overgenomen ten aanzien van het verzoek om bijkomende handelingen ingediend door M.B. Hoewel iedere persoon die wordt verhoord in het kader van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek op grond van artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering het recht heeft te vragen dat een bepaalde opsporingshandeling wordt verricht of een bepaald verhoor wordt afgenomen, wordt afbreuk gedaan aan de vereisten van het recht op een daadwerkelijk beroep en aan de rechten van verdediging wanneer de weigering of de ontstentenis van beslissing ten aanzien van dat verzoek niet kan worden onderworpen aan de controle door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Overigens, in zeer veel zaken dagvaardt het openbaar ministerie de betrokken persoon rechtstreeks voor het vonnisgerecht zonder dat er een gerechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, zodat de verdachte lacunes in het opsporingsonderzoek slechts zal kunnen inroepen voor het strafgerecht dat ten gronde uitspraak doet, vaak tevergeefs. Hoewel een benadeelde persoon die betrokken is in een strafrechtelijk opsporingsonderzoek, de mogelijkheid heeft zich burgerlijke partij te stellen bij de onderzoeksrechter, heeft de persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd in de regel die mogelijkheid niet. Derhalve stelt de verwijzende rechter de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.

  1. De Ministerraad is van mening dat de categorieën van personen die met elkaar worden vergeleken, namelijk, enerzijds, zij die verzoeken om een bijkomende opsporingshandeling te verrichten en die van het openbaar ministerie een weigering of geen antwoord krijgen en, anderzijds, zij die verzoeken om een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten (de inverdenkinggestelde of de burgerlijke partij) en die van de onderzoeksmagistraat een weigering of geen antwoord krijgen, zich niet in vergelijkbare situaties bevinden, rekening houdend met de doelstellingen van respectievelijk het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek en de rollen van respectievelijk de procureur des Konings en de onderzoeksrechter. Hoewel het juist is dat het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek beide een onderzoeksaspect inhouden en het voorbereidend stadium van de strafprocedure vormen, neemt dat niet weg dat het twee fundamenteel verschillende procedures zijn. Terwijl het openbaar ministerie, uitsluitend in het belang van de maatschappij, de opdrachten van openbare dienst met betrekking tot het onderzoek en de vervolging van misdrijven vervult en de strafvordering uitoefent, onderzoekt de onderzoeksrechter de aan hem voorgelegde feiten zowel à charge als à décharge. Terwijl het opsporingsonderzoek louter verkennend is en met name tot doel heeft misdrijven op te sporen die nog niet zijn vastgesteld, heeft het gerechtelijk onderzoek een gerechtelijke finaliteit, om de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten in staat te stellen met volledige kennis van zaken uitspraak te doen over de feiten die bij hen aanhangig zijn gemaakt en die zich reeds zouden hebben voorgedaan. De procureur des Konings vertegenwoordigt de vervolgende autoriteit en moet geen enkele waarborg van onpartijdigheid aantonen. De wetgeving preciseert niet dat hij het opsporingsonderzoek à charge en à décharge moet voeren. De procureur des Konings kan dus, in tegenstelling tot de onderzoeksrechter, geen dwang gebruiken en de rechten en vrijheden van personen niet schenden. De procedure van het opsporingsonderzoek wordt bovendien gekenmerkt door een inquisitoriaal karakter, dat zijn grondslag vindt in de noodzaak van een doeltreffend onderzoek en in de onontbeerlijke bescherming van de rechten van de betrokken personen, terwijl het jurisdictionele karakter van het gerechtelijk onderzoek rechtvaardigt dat de uitzonderingen op het inquisitoriaal karakter van de voorbereidende fase van de strafprocedure talrijker zijn tijdens die fase. Wegens het niet-contradictoire karakter van het opsporingsonderzoek voert de procureur des Konings zijn onderzoek vrij uit zonder rekening te moeten houden met de verzoeken van de in het geding zijnde persoon of van het slachtoffer. 4 Ten slotte benadrukt de Ministerraad dat de personen van de tweede categorie de zeer bijzondere hoedanigheid hebben van burgerlijke partij of inverdenkinggestelde, wat rechtvaardigt dat zij het recht hebben de onderzoeksrechter te verzoeken om bijkomende handelingen te verrichten en dat zij een beroep kunnen instellen voor de kamer van inbeschuldigingstelling. De andere partijen beschikken van hun kant, zowel in het gerechtelijk onderzoek als in het opsporingsonderzoek, slechts over een willig beroep. A.
  2. Volgens de Ministerraad wordt het verschil in behandeling verklaard door de vereiste inzake doeltreffendheid van het onderzoek. In het stadium van het opsporingsonderzoek moet het openbaar ministerie zo doeltreffend en zo snel mogelijk kunnen handelen, teneinde het algemeen belang en de openbare veiligheid te waarborgen, zonder te worden opgehouden door een verdachte of een andere betrokken persoon. De invoering van een beroep in die context zou tot een overbelasting van de kamers van inbeschuldigingstelling en bijgevolg tot een vertraging van de strafprocedures kunnen leiden. De Ministerraad benadrukt de noodzaak om het inquisitoriaal karakter van de voorbereidende fase van het strafproces te behouden. Het feit dat er bepaalde rechten toegekend zijn aan de burgerlijke partij en aan de inverdenkinggestelde in het kader van het gerechtelijk onderzoek, vloeit voort uit het feit dat de onderzoeksrechter à charge en à décharge onderzoekt en dat hij beschikt over aanzienlijke dwangbevoegdheden. Dergelijke rechten werden niet toegekend aan de betrokken partijen in het kader van een opsporingsonderzoek, aangezien de procureur des Konings niet onderworpen is aan een wettelijke verplichting om à charge en à décharge te onderzoeken en niet beschikt over aanzienlijke voorrechten die analoog zijn aan die van de onderzoeksrechter. De Ministerraad besluit hieruit dat het door de wetgever nagestreefde doel legitiem is en dat de maatregelen relevant en nodig zijn om dat doel te bereiken. A.
  3. De Ministerraad beweert dat het verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen heeft. De procureur des Konings moet toezien op de loyaliteit waarmee de bewijsmiddelen worden verzameld, zodat de inachtneming van de grondrechten verzekerd is. De vonnisgerechten oefenen overigens controle uit op de opdracht van het openbaar ministerie door toe te zien op de regelmatigheid van het opsporingsonderzoek. Ze kunnen, in geval van ernstige aantasting van het eerlijk proces, de vervolgingen onontvankelijk verklaren. Ten slotte kunnen de vonnisgerechten, in de fase van de rechtspleging ten gronde, bepaalde bijkomende handelingen bevelen. In diezelfde fase kan het openbaar ministerie zelf bijkomende handelingen verrichten. Hieruit vloeit voort dat het eerlijke karakter van de rechtspleging in haar geheel zeker wordt gewaarborgd door de huidige stand van het recht, dat het evenwicht vaststelt en behoudt tussen de inachtneming van de rechten van verdediging en de vereisten van een doeltreffende bestrijding van een steeds complexer wordende en steeds beter georganiseerde criminaliteit. A.
  4. Volgens de Ministerraad is de referentie door de verwijzende rechter aan het arrest van het Hof nr. 6/2017 niet relevant. De ontstentenis van een beroep tegen een beslissing van het openbaar ministerie waarbij wordt geweigerd bijkomende handelingen te verrichten, heeft niet dezelfde gevolgen voor de strafprocedure als de ontstentenis van een beroep aangaande het recht om toegang te hebben tot het dossier. Die ontstentenis doet immers geen afbreuk aan de vereisten van het recht op een daadwerkelijk beroep en van de rechten van verdediging, rekening houdend met het feit dat het vonnisgerecht kan bevelen om bijkomende handelingen te verrichten. Verder vloeit uit de Europese normen niet voort dat de autoriteiten die zich moeten uitspreken over een verzoek om bijkomende handelingen in de voorbereidende fase van het strafproces, vallen onder het begrip « rechtbank » en derhalve moeten voldoen aan verscheidene eisen, waaronder onafhankelijkheid en onpartijdigheid (EHRM, 21 september 2006, Pandy t. België). Ten slotte is het arrest nr. 6/2017 gebaseerd op het feit dat de wetgever aan de verdachte persoon het recht had toegekend om inzage te hebben in het strafdossier vanaf het stadium van het opsporingsonderzoek. Te dezen heeft de wetgever echter nooit aan de benadeelde partij, noch aan de in een strafrechtelijk opsporingsonderzoek beoogde persoon het recht toegekend om bijkomende handelingen te vragen. Verder maakt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een onderscheid tussen de waarborgen bedoeld in artikel 6, lid 3, b), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens wat betreft de toegang van de beschuldigde tot het dossier en de vereisten van lid 3, d), van hetzelfde artikel met betrekking tot de deelname van de beschuldigde aan de waarheidsvinding. Het arrest nr. 6/2017 kan niet bij analogie worden toegepast, aangezien het een heel ander recht analyseert. De rechten van verdediging worden overigens geenszins aangetast. 5 -B- B.1.
  5. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van boek I van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre het aan de benadeelde partij of aan de in een strafrechtelijk opsporingsonderzoek beoogde persoon niet het recht toekent om bijkomende opsporingshandelingen aan de procureur des Konings te vragen, behalve in het kader van een willig beroep, en in zoverre het niet voorziet in een beroep in geval van weigering van de procureur des Konings of bij gebrek aan een antwoord van hem. B.1.
  6. Het Hof wordt verzocht die situatie te vergelijken met die van de burgerlijke partij en van de inverdenkinggestelde of van de in het gerechtelijk onderzoek beoogde persoon die, in het kader van een strafonderzoek, de onderzoeksrechter kunnen verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten en die zich, indien die dat weigert of bij gebrek aan een beslissing binnen een bepaalde termijn, kunnen wenden tot de kamer van inbeschuldigingstelling, die uitspraak doet over het verzoek, op grond van artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering. Dat artikel bepaalt : « §
  7. De inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen de onderzoeksrechter verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten. §
  8. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats niet heeft; het beschrijft nauwkeurig de gevraagde onderzoekshandeling, dit op straffe van niet-ontvankelijkheid. Het wordt toegezonden aan of neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier zendt hiervan onverwijld een kopie aan de procureur des Konings. Deze doet de vorderingen die hij nuttig acht. De onderzoeksrechter doet uitspraak op straffe van nietigheid van zijn beschikking uiterlijk binnen een maand na de inschrijving van het verzoekschrift in het register. Deze termijn wordt teruggebracht tot acht dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan de procureur des Konings en per faxpost of bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn advocaat binnen acht dagen na de beslissing. §
  9. De onderzoeksrechter kan dit verzoek afwijzen indien hij de maatregel niet noodzakelijk acht om de waarheid aan de dag te brengen of indien hij deze maatregel op dat ogenblik nadelig acht voor het onderzoek. 6 §
  10. Tegen de beschikking van de onderzoeksrechter kan hoger beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 61quater, §
  11. §
  12. Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij § 2, tweede lid, bepaalde termijn vermeerderd met vijftien dagen, kan de verzoeker zich tot de kamer van inbeschuldigingstelling wenden overeenkomstig artikel 61quater, §
  13. §
  14. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp ». B.2.
  15. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.2.
  16. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op een eerlijk proces : «
  17. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of ’s lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden. […]
  18. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft ten minste de volgende rechten : […] d) de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge. […] ». 7 B.2.
  19. Het recht op toegang tot de rechter wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De bestaanbaarheid van een wetsbepaling met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, kan slechts door het Hof worden onderzocht in zoverre de in het geding zijnde bepaling het Unierecht ten uitvoer brengt overeenkomstig artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (HvJ, grote kamer, 26 februari 2013, C-617/10, Åklagaren, punten 17 e.v.). Aangezien uit de verwijzingsbeslissing niet blijkt dat er te dezen een aanknopingspunt bestaat met de tenuitvoerlegging van het Unierecht, is de prejudiciële vraag niet ontvankelijk in zoverre de verwijzende rechter wenst te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. B.3.
  20. De voorbereidende fase van het strafproces kan de vorm aannemen van ofwel een opsporingsonderzoek, ofwel een gerechtelijk onderzoek. B.3.
  21. Het opsporingsonderzoek is, luidens artikel 28bis, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, « het geheel van de handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering ». Het wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Konings. De opsporingshandelingen mogen in beginsel geen enkele dwangmaatregel inhouden, noch een schending inhouden van individuele rechten en vrijheden. De procureur des Konings heeft de verplichting te waken over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee zij worden verzameld (artikel 28bis, § 3, van hetzelfde Wetboek). 8 B.3.
  22. Het gerechtelijk onderzoek is, luidens artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, « het geheel van de handelingen die ertoe strekken de daders van misdrijven op te sporen, de bewijzen te verzamelen en de maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken uitspraak te doen ». Het gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de onderzoeksrechter. In beginsel kan deze een strafbaar feit niet bij zichzelf aanhangig maken. Hij wordt meestal geadieerd door de procureur des Konings of door de persoon die beweert benadeeld te zijn, die zich burgerlijke partij stelt. Overeenkomstig artikel 56, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek heeft de onderzoeksrechter de verplichting om een onderzoek à charge en à décharge in te stellen en kan hij daartoe dwang gebruiken en maatregelen nemen die inbreuk maken op de individuele rechten en vrijheden. Hij is niet bevoegd om te beslissen over het gevolg dat moet worden voorbehouden aan het gerechtelijk onderzoek, aangezien dat prerogatief toekomt aan de raadkamer en aan de kamer van inbeschuldigingstelling, die toezicht uitoefenen op het gerechtelijk onderzoek en bij de regeling van de rechtspleging beslissen om de zaak al dan niet naar de vonnisgerechten te verwijzen (zie met name de artikelen 127 tot 131, 135 en 136 van het Wetboek van strafvordering). B.4.
  23. De strafprocedure is, in de voorbereidende fase ervan, in beginsel inquisitoriaal en geheim. Dat inquisitoriale karakter wordt verantwoord door het doel een maximale efficiëntie te waarborgen bij het zoeken naar de waarheid, zonder inmenging van de partijen. B.4.
  24. De wetgever heeft evenwel met artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering een uitzondering ingevoerd op het inquisitoriale karakter van de voorbereidende fase van het strafproces, die het, in het kader van een gerechtelijk onderzoek, de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij mogelijk maakt de onderzoeksrechter te verzoeken een bijkomende onderzoekshandeling te verrichten en zich, indien die dat weigert of bij gebrek aan een beslissing binnen een bepaalde termijn, tot de kamer van inbeschuldigingstelling te wenden. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 12 maart 1998 « tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek » werd in verband met artikel 61quinquies van het Wetboek van strafvordering verduidelijkt : 9 « Het ontwerp maakt van het verzoek tot bijkomende onderzoeksmaatregelen een recht […]. […] Met deze bepaling worden niet alleen de rechten van de verdediging uitgebreid, ze is ook in het belang van het onderzoek zelf. […] Alhoewel in theorie het dossier voor de vonnisgerechten aan een volstrekt tegensprekelijke rechtspleging zou moeten worden onderworpen, blijkt dit thans in de praktijk lang niet altijd het geval. Zeker wanneer het een omvangrijk dossier betreft, blijft de mogelijkheid voor de verdediging om bepaalde elementen daaruit te betwisten eerder beperkt. Het dossier is zodoende veel meer dan vroeger in staat de beslissing ten gronde te beïnvloeden. In die mate zelfs dat het inquisitoir samengesteld dossier ook de rechtspleging ten gronde kan hypothekeren. Vandaar de noodzaak om tijdens het gerechtelijk onderzoek het dossier op een meer evenwichtige wijze samen te stellen dan nu het geval is. De mogelijkheid voor de verdediging om bijkomende onderzoeken te doen stellen die eventueel elementen à décharge aan het licht kunnen brengen, moet dan ook in deze context begrepen worden » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 857/1, pp. 51-52). B.4.
  25. Daarentegen genieten de belanghebbenden tijdens het opsporingsonderzoek geen formeel recht om een bepaalde opsporingshandeling te vragen. De belanghebbenden kunnen weliswaar steeds een informeel verzoek aan het openbaar ministerie richten, zoals, in het kader van een verhoor, bevestigd bij artikel 47bis, § 1, eerste lid, 4), en § 2, 7), van het Wetboek van strafvordering, maar het openbaar ministerie is geenszins verplicht op dat verzoek in te gaan en de belanghebbenden beschikken niet over enig rechtsmiddel tegen een weigeringsbeslissing of de ontstentenis van beslissing. B.
  26. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, zijn de in B.1 vermelde categorieën van personen vergelijkbaar aangezien het in beide gevallen erom gaat te verzoeken om een bijkomende handeling te verrichten tijdens de voorbereidende fase van het strafproces. B.
  27. Het verschil in behandeling berust op het criterium van het stadium waarin de strafprocedure zich bevindt in de voorbereidende fase ervan, in het opsporingsonderzoek of in het gerechtelijk onderzoek. Dat criterium is objectief. 10 B.
  28. Rekening houdend met de verschillende opdrachten en bevoegdheden van de procureur des Konings en van de onderzoeksrechter, beschikken de belanghebbenden tijdens het opsporingsonderzoek over minder waarborgen om hun rechten van verdediging te beschermen dan tijdens het gerechtelijk onderzoek. Aldus, aangezien de procureur des Konings niet is onderworpen aan een wettelijke verplichting om een onderzoek à charge en à décharge in te stellen en niet over een dwangbevoegdheid beschikt die analoog is aan die van de onderzoeksrechter, is het pertinent dat de wetgever aan de personen op wie een opsporingsonderzoek betrekking heeft, met inbegrip van de benadeelde partij, niet dezelfde rechten heeft toegekend als die welke hij heeft toegekend aan de inverdenkinggestelde en aan de burgerlijke partij in het kader van een gerechtelijk onderzoek. B.
  29. De referentie door de verwijzende rechter aan het arrest nr. 6/2017 van 25 januari 2017, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat de ontstentenis van een beroep bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter tegen de weigering of de ontstentenis van een beslissing door het openbaar ministerie ten aanzien van een door een verdachte geformuleerd verzoek om toegang tot een dossier in het opsporingsonderzoek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, is niet relevant. Het Hof heeft bij dat arrest geoordeeld : « B.5.
  30. Niettemin, aangezien de wetgever aan de verdachte het recht toekent om te verzoeken om inzage in zijn dossier en om een afschrift ervan te verkrijgen vanaf het stadium van het opsporingsonderzoek, wordt afbreuk gedaan aan de vereisten van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel en van de rechten van verdediging wanneer de weigering van het verzoek tot inzage of de ontstentenis van beslissing niet het voorwerp kan uitmaken van een controle door een onafhankelijke en onpartijdige rechter ». Zoals in B.4.3 is vermeld, heeft de wetgever aan de personen op wie een opsporingsonderzoek betrekking heeft, evenwel geen formeel recht toegekend om bepaalde opsporingshandelingen te vragen aan het openbaar ministerie, in tegenstelling tot het recht op toegang tot het dossier dat door artikel 21bis van het Wetboek van strafvordering wordt gewaarborgd, zodat de zienswijze van het Hof in het voormelde arrest te dezen niet bij analogie van toepassing is. 11 B.
  31. Het verschil in behandeling brengt tot slot geen onevenredige gevolgen met zich mee. De procureur des Konings dient immers te waken over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee zij worden verzameld (artikel 28bis, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering). Daarenboven oefenen de vonnisgerechten toezicht uit op de opdracht van het openbaar ministerie, door te waken over de regelmatigheid van het opsporingsonderzoek. Zij kunnen, indien het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, onherstelbaar werd aangetast, de vervolging onontvankelijk verklaren (Cass., 31 mei 2011, P.10.2037.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110531.1; 18 januari 2017, P.16.0626.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170118.3). Ten slotte kunnen de vonnisgerechten, in het stadium van de rechtspleging ten gronde, bevelen dat wordt overgegaan tot bijkomende onderzoeksverrichtingen, zowel ambtshalve als op verzoek van de belanghebbenden. B.
  32. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Boek I van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het aan de benadeelde partij of aan de in een strafrechtelijk opsporingsonderzoek beoogde persoon niet het recht toekent om bijkomende opsporingshandelingen te vragen, behalve in het kader van een willig beroep, en niet voorziet in een beroep in geval van een weigering om bijkomende opsporingshandelingen te verrichten of bij gebrek aan een antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 juni
  33. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.097 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110531.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170118.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.