← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.099

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.099 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200625.15 Arrest- Rolnummer: 99/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-11-13 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-06-19 17:00 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2018 « houdende wijziging van het decreet van 13 oktober 2016 betreffende de erkenning en de subsidiëring van partners die hulp verlenen aan rechtzoekenden », ingesteld door de vzw « Free Clinic » en anderen. Franse Gemeenschap - Erkenning en subsidiëring van partners die hulp verlenen aan rechtzoekenden - Interpretatief decreet. Tekst van de beslissing Rolnummer 7é Arrest nr. 99/2020 van 25 juni 2020 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2018 « houdende wijziging van het decreet van 13 oktober 2016 betreffende de erkenning en de subsidiëring van partners die hulp verlenen aan rechtzoekenden », ingesteld door de vzw « Free Clinic » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 juli 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 juli 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2018 « houdende wijziging van het decreet van 13 oktober 2016 betreffende de erkenning en de subsidiëring van partners die hulp verlenen aan rechtzoekenden » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 januari 2019) door de vzw « Free Clinic », de vzw « L’Atelier des Droits Sociaux » en de vzw « Espace Social Télé-Service », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Fonteyn, advocaat bij de balie te Brussel. De Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele en Mr. C. Derave, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 6 mei 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman, ter vervanging van ererechter J.-P. Snappe, en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 mei 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 20 mei 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.

  1. De vzw « Free Clinic », de vzw « L’ Atelier des Droits Sociaux » en de vzw « Espace Social Télé-Service » verzoeken het Hof de artikelen 1 en 2 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2018 « houdende wijziging van het decreet van 13 oktober 2016 betreffende de erkenning en de subsidiëring van partners die hulp verlenen aan rechtzoekenden » (hierna : het decreet van 12 december 2018), « ofwel het decreet in zijn geheel » te vernietigen. De drie verzoekende partijen, die allen met name als statutair doel hebben raadplegingen met betrekking tot de juridische eerstelijnsbijstand te organiseren, hebben een erkenningsaanvraag ingediend bij de minister van Jeugd, Hulpverlening aan de Jeugd, Justitiehuizen, Sport en Promotie van Brussel, erkenning die zij hebben verkregen krachtens hoofdstuk 4 van het decreet van de Franse gemeenschap van 13 oktober 2016 « betreffende de erkenning en de subsidiëring van partners die hulp verlenen aan rechtzoekenden » (hierna : het decreet van 13 oktober 2016). 3 Daarop hebben ze een subsidiëringsaanvraag ingediend met toepassing van hoofdstuk 5 van het decreet van 13 oktober 2016, die hoofdzakelijk om budgettaire redenen werd afgewezen. De drie beslissingen tot weigering maken momenteel het voorwerp uit van drie beroepen tot nietigverklaring voor de Raad van State. Ten aanzien van het eerste middel A.2.
  2. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door het decreet van 12 december 2018, van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het standstill-beginsel. De verzoekende partijen zijn van mening dat het decreet van 12 december 2018 het beschermingsniveau dat wordt geboden door het decreet van 13 oktober 2016, in aanzienlijke mate vermindert en dat geen enkele reden van algemeen belang die achteruitgang verantwoordt. Volgens de verzoekende partijen koppelt het subsidiëringsmechanisme dat bij artikel 32 van het decreet van 13 oktober 2016 is ingevoerd, de subsidie aan de prestatie die aan de rechtzoekende geboden wordt, in plaats van aan de instantie die de subsidie ontvangt. Het bedrag van die subsidie wordt toegekend per gerechtelijk arrondissement, rekening houdend met de karakteristieken van elk arrondissement. De verzoekende partijen zijn echter van mening dat die berekeningsgrondslag geenszins onverenigbaar is met een automatische subsidiëring van alle erkende structuren, aangezien de begrotingsenveloppe kan worden beperkt, wat tot gevolg zou hebben dat het bedrag van de subsidie per tenlasteneming zou verminderen. Nu de subsidiëring niet meer automatisch is, hebben de verenigingen die de juridische eerstelijnsbijstand bevorderen, geen garantie meer dat ze zullen beschikken over de vereiste subsidie voor de verwezenlijking van de opdrachten en verplichtingen verbonden aan hun erkenning. Bovendien preciseert de decreetwijziging niet in welke gevallen de subsidie kan worden geweigerd. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 12 december 2018 blijkt dat, aangezien de enveloppe die voor de subsidies bestemd is, niet volstaat voor alle aanvragen, besloten werd in de eerste plaats de partners te steunen die al subsidies ontvingen vóór de inwerkingtreding van het decreet van 13 oktober
  3. De verzoekende partijen achten die verantwoording niet overtuigend. Ook de motivering dat het verschil in behandeling objectief en legitiem gebaseerd is op de wil van de decreetgever om de stabiliteit van de gesubsidieerde tewerkstelling te bevorderen en de bestaande deskundigheid te bestendigen, weet niet te overtuigen. A.2.
  4. In haar memorie weerlegt de Franse Gemeenschapsregering eerst het tweede middel. Ze zet uiteen dat het decreet van 12 december 2018 een wetskrachtige norm is ter interpretatie van het decreet van 13 oktober 2016, dat niet voorzag in de automatische subsidiëring van de erkende verenigingen. Zelfs als het Hof die argumentatie niet zou volgen, heeft in ieder geval, aldus de Franse Gemeenschapsregering, de decreetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door het decreet van 13 oktober 2016, niet in aanzienlijke mate verminderd en bestaan er redenen van algemeen belang, namelijk de bescherming van de budgettaire en financiële belangen van de Franse Gemeenschap, de stabiliteit van de tewerkstelling in de reeds gesubsidieerde verenigingen en de rechtszekerheid. De Franse Gemeenschapsregering stelt bovendien dat het decreet van 13 oktober 2016 het genot van de vereiste subsidies voor de verwezenlijking van de opdrachten en verplichtingen verbonden aan de erkenning van de partnerverenigingen nooit heeft gewaarborgd. De parlementaire besprekingen bevestigen die opmerking. Daarbij komt dat een eventuele vernietiging van het bestreden decreet geen enkel voordeel zou opleveren voor de verzoekende partijen : het zou immers de oorspronkelijke versie van artikel 30, eerste lid, van het decreet van 13 oktober 2016 zijn die toepassing zou vinden, die, volgens de Franse Gemeenschapsregering, niet voorzag in een automatische subsidiëring. Het eerste middel, in de veronderstelling dat het ontvankelijk is, is niet gegrond. 4 Ten aanzien van het tweede middel A.3.
  5. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door het decreet van 12 december 2018, van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en niet-retroactiviteit. De verzoekende partijen klagen de terugwerkende kracht van het decreet van 12 december 2018 aan. Immers, het decreet is van toepassing op situaties die al bestonden vóór de inwerkingtreding ervan en het heeft tot gevolg dat de afloop van op gang gebrachte gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed. De verzoekende partijen zijn verder van mening dat de reden die wordt aangevoerd om de retroactiviteit te verantwoorden, namelijk de wil om de rechtszekerheid te waarborgen, weinig overtuigend is gezien de twijfelachtige interpretatie van de oorspronkelijke intentie van de decreetgever, en dat die motivering, zelfs als ze correct is, ontoereikend is. A.3.
  6. In haar twee memories weerlegt de Franse Gemeenschapsregering eerst het tweede middel. Zij is immers in hoofdorde van mening dat het bestreden decreet een interpretatieve wetgevende handeling is. Zij verwijst met name naar de bespreking van artikel 2, dat bepaalt dat het decreet met terugwerkende kracht in werking treedt op 1 januari 2017, waarbij « dat artikel ertoe strekt de oorspronkelijke bedoeling van de decreetgever opnieuw vast te stellen ». Het decreet is dus een interpretatief decreet in de zin van artikel 133 van de Grondwet. De Franse Gemeenschapsregering verwijst naar de rechtspraak van het Hof ter zake. De Franse Gemeenschapsregering stelt voorts dat het erom gaat een « wettelijke authenticiteit » te verlenen aan het decreet van 13 oktober 2016, « omwille van de rechtszekerheid ». Er bestonden immers uiteenlopende interpretaties over het al of niet automatische karakter van de subsidiëring van de verenigingen zodra ze een erkenning verkregen hadden. De bedoeling van de decreetgever is altijd geweest ervan uit te gaan dat de Regering subsidies kon toekennen aan de erkende partners, maar dat zij daartoe niet verplicht was. Subsidiair stelt de Franse Gemeenschapsregering dat het bestreden decreet een zuiver retroactieve wetgevende handeling is. Zij is van mening dat die retroactiviteit geen enkele invloed heeft op de procedures die hangende zijn voor de Raad van State en die betrekking hebben op de verzoekende partijen. Het voorstel van het bestreden decreet werd ingediend « in tempore non suspecto », voordat de Franse Gemeenschap wist dat er beroepen tot nietigverklaring waren ingediend. De Franse Gemeenschapsregering voegt eraan toe dat, zelfs als het decreet lopende procedures zou kunnen beïnvloeden, dat slechts in het voordeel van de verzoekende partijen zou zijn, aangezien de Raad van State zich dankzij het bestreden decreet ratione materiae bevoegd zou kunnen verklaren om kennis te nemen van de beroepen tot nietigverklaring die de verzoekende partijen bij hem hebben ingediend. Tot slot is de terugwerkende kracht van het bestreden decreet hoe dan ook noodzakelijk om de nagestreefde doelstellingen van algemeen belang te realiseren : de werkgelegenheid in de non-profitsector bevorderen, de opbouw en de bestendiging van de interne deskundigheid van de partners garanderen en rekening houden met de financiële en budgettaire bekommernissen van de Regering. Het tweede middel is niet gegrond. Ten aanzien van het derde middel A.4.
  7. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 2°, van de Grondwet. De verzoekende partijen stellen dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie geschonden wordt, in zoverre het bestreden decreet een niet-verantwoorde discriminatie invoert tussen personen die de subsidiëring niet verkregen hebben en diegenen die ze wel verkregen hebben, waarbij het onderscheidingscriterium niet pertinent is, namelijk het toekennen van een subsidie aan instanties die vóór 2017 erkend en gesubsidieerd waren. 5 A.4.
  8. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat het door de verzoekende partijen aangeklaagde verschil in behandeling niet voortvloeit uit het bestreden decreet, maar uit de weigeringsbeslissingen van de Regering die het voorwerp uitmaken van beroepen tot nietigverklaring voor de Raad van State. Subsidiair stelt de Franse Gemeenschapsregering dat het decreet twee legitieme doelen van prioritering en bestendiging nastreeft, zoals reeds werd uiteengezet bij de weerlegging van het eerste en tweede middel. Het derde middel, in de veronderstelling dat het ontvankelijk is, is niet gegrond. -B- Ten aanzien van het bestreden decreet, de context en de ontstaansgeschiedenis ervan B.1.
  9. Het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2018 « houdende wijziging van het decreet van 13 oktober 2016 betreffende de erkenning en de subsidiëring van partners die hulp verlenen aan rechtzoekenden » (hierna : het decreet van 12 december 2018) bepaalt : « Artikel
  10. In artikel 30 van het decreet, wordt het eerste lid vervangen door de volgende bepaling : ‘ De Regering kan aan de partners subsidies toekennen, berekend overeenkomstig dit hoofdstuk, die bestemd zijn om de verwezenlijking van de opdrachten en verplichtingen verbonden met hun erkenning te steunen. ’. Art.
  11. Dit voorstel treedt in werking op 1 januari 2017 ». B.1.
  12. Vóór de wijziging ervan bij het decreet van 12 december 2018, bepaalde artikel 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 oktober 2016 « betreffende de erkenning en de subsidiëring van partners die hulp verlenen aan rechtzoekenden » (hierna : het decreet van 13 oktober 2016) : « Voor de uitoefening van de opdrachten en het nakomen van de verplichtingen in verband met hun erkenning, kent de Regering de partners subsidies toe die worden berekend overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. In afwijking van het eerste lid kan geen subsidie krachtens dit hoofdstuk worden toegekend voor prestaties die kunnen worden bezoldigd door subsidies die door de federale overheid worden toegekend ter uitvoering van artikel 69 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen en van artikel 5, § 2, van de wet van 6 december 2005 betreffende de opmaak en financiering van actieplannen inzake verkeersveiligheid ». 6 B.
  13. De aangelegenheid van de sociale hulpverlening aan rechtzoekenden is toegewezen aan de gemeenschappen. Voor de Franse Gemeenschap wordt zij geregeld bij het decreet van 13 oktober 2016, in werking getreden op 1 januari 2017, en bij de uitvoeringsbesluiten ervan. De Franse Gemeenschap besliste om, binnen de « Directie Samenwerkingsverbanden », de verschillende diensten samen te brengen die, onder meer, sociale hulp verlenen aan rechtzoekenden. Die « partnerdiensten » zijn hoofdzakelijk verenigingen die zijn erkend en worden gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, die hun een reeks opdrachten toevertrouwt, waaronder de hulpverlening aan rechtzoekenden. De drie principes die ten grondslag lagen aan het decreet van 13 oktober 2016, zijn de harmonisering van de subsidieregeling, de modernisering van de wetgeving en de globale stabilisatie van de werkgelegenheid en van de bestaande deskundigheid. Bij dat decreet werden twee vernieuwingen doorgevoerd : enerzijds, worden de opdrachten van de partners bepaald volgens de begunstigden en niet langer volgens de actoren en, anderzijds, worden de subsidies vastgesteld in verhouding tot de opdrachten die worden uitgevoerd op basis van de behoeften van de rechtzoekende, dat wil zeggen per prestatie en niet langer per dienst. Om hun opdrachten te kunnen uitoefenen, moeten de verenigingen de Regering om een erkenning verzoeken, teneinde een subsidie te genieten om ze te verwezenlijken. De subsidies worden toegekend op grond van de uitgevoerde opdrachten. De erkenning heeft betrekking op een of meer gerechtelijke arrondissementen en is geldig voor zes jaar. B.
  14. Een voorafgaande erkenning is dus noodzakelijk voor de toekenning van subsidies. De standpunten met betrekking tot de interpretatie die moest worden gegeven aan het voormelde artikel 30 van het decreet van 13 oktober 2016, liepen evenwel uiteen, in het bijzonder over de vraag of, zodra een erkenning was verleend, de Regering ook subsidies moest toekennen dan wel of de toekenning daarvan slechts een mogelijkheid was. Het is in die context dat het bestreden decreet van 12 december 2018 werd aangenomen. 7 Ten aanzien van het tweede middel B.4.
  15. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, tweede lid en derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en niet-retroactiviteit. De verzoekende partijen klagen de retroactiviteit van het decreet van 12 december 2018 aan, dat van toepassing is op situaties die reeds vóór de inwerkingtreding ervan bestonden, en voeren aan dat het tot gevolg zou hebben dat de afloop van de door hen ingestelde gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed. Zij voegen eraan toe dat de oorspronkelijke bedoeling van de decreetgever, zoals uiteengezet in de parlementaire voorbereiding, onduidelijk zou zijn omdat er volgens hen oorspronkelijk een rechtstreeks verband zou zijn gelegd tussen erkenning en subsidiëring. B.4.
  16. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat het bestreden decreet een interpretatief decreet is, wat zou blijken uit de parlementaire voorbereiding, en dat, bijgevolg, het eigen is aan zulk een handeling dat zij terugwerkt tot de datum van inwerkingtreding van de oorspronkelijke handeling. B.
  17. Luidens artikel 133 van de Grondwet, kan alleen het decreet een authentieke uitlegging van de decreten geven. Een decretale bepaling is interpretatief wanneer ze aan een decretale bepaling de betekenis geeft die de decreetgever bij de aanneming ervan heeft willen geven en die zij redelijkerwijze kon krijgen. Het behoort dus tot het wezen van een dergelijke decretale bepaling dat zij terugwerkt tot op de datum van inwerkingtreding van de decretale bepaling die zij interpreteert. De waarborg van de niet-retroactiviteit van de decreten zou echter niet kunnen worden omzeild door het enkele feit dat een decretale bepaling met terugwerkende kracht als een interpretatieve decretale bepaling zou worden voorgesteld. 8 B.6.
  18. De parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet vermeldt : « Het decreet van 13 oktober 2016 […] biedt instanties die hulp verlenen aan rechtzoekenden de mogelijkheid om hun erkenning aan te vragen als ‘ partner ’ van de Administratie. […] Naast het feit dat een partner op die manier officieel wordt erkend, biedt de erkenning hem ook de mogelijkheid om subsidies aan te vragen voor de realisatie van de opdrachten en verplichtingen die aan die erkenning verbonden zijn. De enveloppe die voor die subsidies bestemd is, laat evenwel niet toe alle instanties die overeenkomstig de erkenningsvoorwaarden hulpverlening bieden aan rechtzoekenden, te ondersteunen. De regering heeft dan ook beslist bij voorrang die partners te ondersteunen die reeds gesubsidieerd waren krachtens de wetgeving die door het decreet van 13 oktober 2016 is vervangen. Die beslissing werd genomen om zich te conformeren aan de doelstellingen van de decreetgever, te weten de stabiliteit van de betrekkingen bevorderen (art. 4, 3°, van het decreet), alsook de interne deskundigheid van de partners bevorderen en duurzaam maken (art. 4, 4°, van het decreet). Dat neemt niet weg dat bepaalde instanties, die voordien niet gesubsidieerd waren en waarvoor thans geen aanvullend budget beschikbaar is, eveneens hun erkenning hebben aangevraagd krachtens het decreet van 13 oktober
  19. Die instanties bieden aan rechtzoekenden kwaliteitszorg die een officiële erkenning vanwege de Franse Gemeenschap verdient, ook al gaat die - in een eerste fase - niet gepaard met een subsidiëring. De huidige versie van het voorliggende decreet is onvoldoende duidelijk over de mogelijkheid die de regering wordt gelaten om een partner die daarom verzoekt te erkennen, zonder hem evenwel te subsidiëren. Nochtans is er geen enkele bepaling in het decreet die de regering verplicht om alle tenlastenemingen van de partner te subsidiëren. Krachtens artikel 33 komt het haar zelfs toe het jaarlijkse aantal gesubsidieerde tenlastenemingen vast te stellen, en het is perfect mogelijk dat aantal vast te stellen op nul indien de overheidsfinanciën geen subsidiëring toelaten (wegens ontoereikende begrotingskredieten). Het aldus ingevoerde verschil in behandeling tussen de partners is objectief en op wettige wijze gegrond op de wil van de decreetgever om de stabiliteit van de gesubsidieerde betrekkingen te bevorderen en de bestaande deskundigheid duurzaam te maken. Laten we, ter ondersteuning van die interpretatie, eraan herinneren dat, bij de behandeling van het ontwerpdecreet in de commissie, het volgende werd gepreciseerd : ‘ [het decreet] voorziet in de mogelijkheid om de erkende partners te subsidiëren per periode van drie jaar, waardoor die subsidiëring binnen de zesjarige periode van erkenning gebeurt. De tenuitvoerlegging van die principes zal evenwel geleidelijk aan plaatsvinden. De bestaande diensten zien hun voortbestaan gewaarborgd, meer bepaald op het vlak van de toegekende middelen ’ (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2015-2016, nr. 330-3, pp. 4 en 5). 9 Het is bijgevolg wenselijk de situatie te verduidelijken door de voormelde interpretatie te laten bekrachtigen door het Parlement, om ze een wettelijke authenticiteit te verlenen. Omwille van de rechtszekerheid is het dus aangewezen die authentieke interpretatie te laten terugwerken tot de datum van inwerkingtreding van het decreet van 13 oktober 2016, zijnde 1 januari
  20. Wij verwijzen naar de bespreking van artikel 2 voor een nadere toelichting van de voorgestelde redactionele wijziging. […] Artikel 2 Aangezien dat artikel ertoe strekt de oorspronkelijke bedoeling van de decreetgever opnieuw vast te stellen (zie memorie van toelichting), dient men het, omwille van de rechtszekerheid, te laten terugwerken tot de dag van de inwerkingtreding van het decreet van 13 oktober 2016, te weten 1 januari 2017 » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2018-2019, nr. 699/1, pp. 3-4). De parlementaire voorbereiding vermeldt voorts nog : « De heer minister preciseert dat de regering de indiening van dit voorstel van decreet heeft goedgekeurd om, zoals uiteengezet door de indieners, over te gaan tot een wijziging die ertoe strekt een bepaling van het decreet van 13 oktober 2016 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de partners van de justitiehuizen te verduidelijken. Sommige diensten, die voordien niet werden gefinancierd door de overheden die bevoegd waren vóór de zesde Staatshervorming en waarvoor thans geen enkel budget beschikbaar is, hebben immers, zoals andere diensten overigens, hun erkenning aangevraagd krachtens het ‘ samenwerkingsdecreet ’. Die diensten bieden rechtzoekenden kwaliteitszorg die een officiële erkenning vanwege de Federatie Wallonië-Brussel verdient, ook al zullen zij, in een eerste fase, geen financiering genieten. Bijgevolg, en vermits de huidige versie van het decreet voor verschillende interpretaties vatbaar is wat betreft de mogelijkheid, voor de regering, om een partner die daarom verzoekt te erkennen zonder hem evenwel te subsidiëren, wordt voorgesteld het decreet te wijzigen om die bepaling te verduidelijken, die formeel gezien in de richting gaat van de parlementaire voorbereiding op het ogenblik van de bespreking van het decreet. [Een lid] wenst een antwoord te krijgen met betrekking tot de noodzaak om in een terugwerking te voorzien. De heer minister antwoordt dat er twee interpretaties met betrekking tot de diensten in omloop zijn. Het ‘ Centre d’expertise juridique ’ is van oordeel dat de huidige versie van het decreet de mogelijkheid biedt om te erkennen zonder subsidiëring, terwijl de Inspectie van Financiën een andere mening is toegedaan. Bijgevolg dient de rechtszekerheid van de tekst te worden gewaarborgd » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2018-2019, nr. 699/2, p. 3). 10 B.6.
  21. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 13 oktober 2016 bevestigt de oorspronkelijke bedoeling van de decreetgever : « Tot slot van zijn uiteenzetting geeft de heer minister aan dat dit decreet de erkenning zal toelaten, door de Regering, van de verenigingen die partner zijn van de Justitiehuizen, mits zij bepaalde verplichtingen en voorwaarden in acht nemen voor een duur van zes jaar, die kan worden verlengd. Daarnaast voorziet het in de mogelijkheid om erkende partners te subsidiëren per periode van drie jaar, waardoor die subsidiëring binnen de zesjarige periode van erkenning gebeurt. De tenuitvoerlegging van die principes zal evenwel geleidelijk aan plaatsvinden. De bestaande diensten zien hun voortbestaan gewaarborgd, meer bepaald op het vlak van de toegekende middelen. Daartoe zullen de uitvoeringsbesluiten die op dit ogenblik worden uitgewerkt in overleg met de sector, de nadere regels voor de tenuitvoerlegging bevatten » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2015-2016, nr. 330/3, pp. 4-5). Op dezelfde wijze werd tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 13 oktober 2016 duidelijk gepreciseerd dat de subsidiëring de principes van behoud van de werkgelegenheid en van de bestaande deskundigheid in acht moest nemen, redenen waarom de subsidiëring, luidens de bespreking van artikel 31, gebeurt « binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, op grond van een driejaarlijkse analyse van de bestaande behoeften en opdrachten binnen het gerechtelijk arrondissement » (ibid., nr. 330/1, p. 13). B.
  22. Uit al die elementen volgt dat het steeds de bedoeling van de decreetgever was ervan uit te gaan dat de erkenning van een partner de noodzakelijke voorwaarde was om een subsidiëring te kunnen aanvragen, zonder dat dit evenwel een voldoende voorwaarde was. Met het bestreden decreet beoogde de decreetgever de rechtsonzekerheid te verhelpen die was ontstaan ingevolge uiteenlopende interpretaties van artikel 30 van het decreet van 13 oktober
  23. Artikel 1 van het bestreden decreet geeft aan dat artikel een betekenis die de decreetgever bij de aanneming ervan heeft willen geven en die het redelijkerwijze kon krijgen. Wat artikel 2 van het decreet van 12 december 2018 betreft, is het eigen aan een interpretatieve bepaling dat zij terugwerkt tot op de datum van inwerkingtreding van de decretale bepaling die zij interpreteert, vermits zij aan de geïnterpreteerde tekst de betekenis geeft die hij redelijkerwijs had moeten hebben bij de aanneming ervan. B.
  24. Het tweede middel is niet gegrond. 11 Ten aanzien van het eerste en het derde middel samen B.
  25. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen in essentie aan dat het decreet van 12 december 2018, in zoverre het niet bepaalt dat een subsidiëring verplicht is zodra een erkenning is verkregen, een aanzienlijke vermindering tot gevolg heeft van het beschermingsniveau dat wordt geboden aan de begunstigden van de juridische bijstand die een beroep doen op hun dienstverlening. In het derde middel voeren de verzoekende partijen aan dat het decreet van 12 december 2018 een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de instanties voor juridische eerstelijnsbijstand die erkend en gesubsidieerd waren vóór de inwerkingtreding van het decreet van 13 oktober 2016 en, anderzijds, de instanties die erkend maar niet gesubsidieerd waren vóór die datum, waarbij zij ervan lijken uit te gaan dat de eerstgenoemden automatisch subsidieerbaar zijn, terwijl de laatstgenoemden dat niet ambtshalve zijn, ondanks een behoorlijke erkenning. B.
  26. Aangezien het bestreden decreet een interpretatief decreet is, wijzigt het niet de draagwijdte van het decreet dat het interpreteert. De niet-automatische subsidiëring van de partners aan wie het, via een erkenning, is toegestaan om juridische bijstand te verlenen aan rechtzoekenden, zoals bepaald in de artikelen 30 en volgende, werd in het leven geroepen door het decreet van 13 oktober
  27. De aangevoerde grieven en het bekritiseerde verschil in behandeling vinden bijgevolg niet hun oorsprong in het bestreden decreet. B.
  28. Het eerste en het derde middel zijn niet gegrond. 12 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 juni
  29. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.099 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.