← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.100

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 juni 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.100 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200625.16 Arrest- Rolnummer: 100/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-08-07 Raadplegingen: 280 - laatst gezien 2026-06-19 16:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Strafrechtspleging - Rechtsplegingsvergoeding - Burgerlijke vordering - Onderscheiden burgerlijke partijen die aanwezig zijn in eenzelfde strafprocedure / Burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld. Tekst van de beslissing Rolnummer 7267 Arrest nr. 100/2020 van 25 juni 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul, T. Giet en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 9 oktober 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 oktober 2019, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het ten gunste van de geïntimeerde burgerlijke partij wanneer enkel een andere burgerlijke partij hoger beroep heeft ingesteld, niet voorziet in de veroordeling tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten laste van de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij, terwijl bij de strafrechter in hoger beroep enkel nog een geschil hangende is met betrekking tot alleen de burgerlijke belangen waarbij de benadeelde partijen tegenover elkaar staan ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Schaffner, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 6 mei 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 mei 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 20 mei 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij het Hof van Beroep te Luik is een beroep aanhangig gemaakt dat werd ingesteld door een burgerlijke partij bij een strafproces. Die partij brengt de verbeurdverklaring en de preferentiële toewijzing aan een andere burgerlijke partij, in hetzelfde strafproces, van de som die werd verkregen uit de verkoop van een onroerend goed van de beklaagde in het geding. Die beide beslissingen werden genomen door de correctionele rechtbank Namen, afdeling Namen. De appellant vraagt aan het Hof van Beroep om die som toe te kennen naar rato van de schuldvorderingen van de beide burgerlijke partijen. De verwijzende rechter preciseert dat noch het openbaar ministerie noch de beklaagde hoger beroep hebben ingesteld. In het verwijzingsarrest wijst het Hof van Beroep in de eerste plaats de vorderingen van de eisende burgerlijke partij in hoger beroep af. Het stelt vast dat het hoger beroep onontvankelijk is in zoverre het de verbeurdverklaring beoogt van het nettobedrag dat voortvloeit uit de verkoop van een terrein dat toebehoort aan de beklaagde, omdat de verbeurdverklaring een straf is die is uitgesproken ten laste van de beklaagde, die een burgerlijke partij niet opnieuw in het geding kan brengen. 3 Het Hof van Beroep bevestigt vervolgens de beslissing van de eerste rechter waarbij hij aan een andere burgerlijke partij het nettobedrag van de verkoop van het verbeurdverklaarde onroerend goed heeft toegewezen. Blijft bijgevolg het feit dat het verwijzende rechtscollege uitspraak moet doen over de rechtsplegingsvergoeding die wordt gevorderd door de burgerlijke partij die het nettobedrag van de verkoop toegewezen heeft gekregen. Het is in die context dat het verwijzende rechtscollege, met verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 113/2016 van 22 september 2016, ambtshalve aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag stelt. III. In rechte -A- De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft of minstens ontkennend moet worden beantwoord. Hij betoogt dat de vraag op een kennelijk verkeerd uitgangspunt berust. Het Hof heeft zich nog niet uitgesproken over de vraag die te dezen wordt gesteld, namelijk of artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering de in de prejudiciële vraag beoogde bepalingen schendt in zoverre dat artikel niet bepaalt dat aan de geïntimeerde burgerlijke partij een rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend ten laste van de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld. De Ministerraad brengt echter in herinnering dat, in de talrijke arresten die het Hof heeft gewezen in verband met artikel 162bis, die soms de wetgever ertoe hebben gebracht leemtes op te vullen, er steeds sprake was van betrekkingen tussen de beklaagde en de burgerlijke partij, overeenkomstig het initiële systeem dat door de wetgever werd ingevoerd wanneer hij het principe van de verhaalbaarheid van de honoraria van de advocaten in strafzaken toepasbaar heeft gemaakt. Zulks, zo vervolgt de Ministerraad, is evenwel niet het geval in de zaak die voor het verwijzende rechtscollege is gebracht, die de betrekkingen betreft tussen burgerlijke partijen bij een strafprocedure in hoger beroep, die door één van beiden werd ingesteld, met uitsluiting van het openbaar ministerie of van de beklaagde. In dat geval, zo betoogt de Ministerraad, heeft de verwijzende rechter niet onderzocht wat men dient te begrijpen onder de « in het ongelijk gestelde partij ». Volgens verschillende door de Ministerraad geciteerde auteurs is de rechtsplegingvergoeding verschuldigd door diegene die in het ongelijk wordt gesteld bij de vordering; de schuldeiser daarvan is diegene die in het gelijk wordt gesteld. Het is dus een procespartij, met een gerechtelijke band met de winnende partij, die dus in het ongelijk gesteld moet zijn opdat er een veroordeling kan zijn tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding. Die gerechtelijke band moet op restrictieve wijze worden begrepen in die zin dat er tussen de partijen een vordering tot veroordeling moet zijn geweest en dat die vordering heeft geleid tot de effectieve veroordeling van een van hen. Te dezen bestaat er evenwel geen enkele band van die aard tussen de beide burgerlijke partijen voor het verwijzende rechtscollege. De eenvoudige neerlegging van conclusies tussen de partijen zonder de minste vordering doet geen daadwerkelijke procedurele relatie ontstaan. Te dezen wilde de appellant met het aanwenden van het rechtsmiddel de beslissingen die door de eerste rechter zijn uitgesproken opnieuw in het geding brengen, beslissingen in verband met de verbeurdverklaring en de toewijzing van een bepaalde som aan de andere burgerlijke partij. Indien van het verzoekschrift in hoger beroep kennis werd gegeven aan de andere burgerlijke partijen, is dat uitsluitend met toepassing van artikel 4, derde tot vijfde lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. In geen geval heeft die burgerlijke partij gevorderd dat de andere burgerlijke partij wordt veroordeeld tot het haar toewijzen van de betwiste som. Er is dus geen gerechtelijke band tussen de beide burgerlijke partijen, zo besluit de Ministerraad. 4 Het is overigens niet omdat de verwijzende rechter de beweringen van de burgerlijke partij heeft verworpen dat die kan worden beschouwd als zijnde « in het ongelijk gesteld ». -B– B.

  1. Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 « betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat », gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 21 februari 2010 « tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering » en bij artikel 6 van de wet van 18 maart 2018 « houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht », bepaalt : « Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard of die zich met een afzonderlijke vordering heeft aangesloten bij een rechtstreekse dagvaarding van een andere burgerlijke partij, of die, bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie, de beklaagde of burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, hoger beroep heeft ingesteld en die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld tot het aan de beklaagde en aan de burgerrechtelijke aansprakelijke persoon betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ». B.
  2. De prejudiciële vraag betreft de bestaanbaarheid van artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling « ten gunste van de geïntimeerde burgerlijke partij wanneer enkel een andere burgerlijke partij hoger beroep heeft ingesteld, niet voorziet in de veroordeling tot de betaling van een rechtsverplegingsvergoeding in hoger beroep ten laste van de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij, terwijl bij de strafrechter in hoger beroep enkel nog een geschil hangende is met betrekking tot alleen de burgerlijke belangen waarbij de benadeelde partijen tegenover elkaar staan ». B.3.
  3. De rechtsplegingsvergoeding is « een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij » (artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007). 5 B.3.
  4. De rechtsplegingsvergoeding waarvan sprake is in de in het geding zijnde bepaling, heeft alleen betrekking op de burgerlijke vordering, namelijk de vordering voor het herstel van de schade veroorzaakt door een misdrijf. De in het geding zijnde bepaling beoogt dus de betaling van alle of een deel van de kosten en honoraria van advocaten die zijn gemaakt door de beklaagde alsook door de burgerrechtelijk aansprakelijke ten laste te leggen van de burgerlijke partij die een dergelijke vordering heeft ingesteld bij rechtstreekse dagvaarding voor het rechtscollege of die zich met een afzonderlijke vordering heeft aangesloten bij een rechtstreekse dagvaarding van een andere burgerlijke partij of die, bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie, van de beklaagde of van de burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, hoger beroep heeft ingesteld en in het ongelijk wordt gesteld. De in het geding zijnde bepaling beoogt daarentegen niet de betrekkingen tussen de afzonderlijke burgerlijke partijen die aanwezig zijn in eenzelfde strafprocedure. B.
  5. Uit de elementen van de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege en uit het verwijzingsarrest blijkt dat de burgerlijke partij hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis dat werd gewezen door de correctionele rechtbank en dat zij de verbeurdverklaring en de toewijzing aan een andere burgerlijke partij van de totaliteit van de opbrengst van de verkoop van het onroerend goed dat aan de beklaagde toebehoort, opnieuw in het geding wilde brengen. In het verwijzingsarrest wordt gepreciseerd dat de opbrengst van die verkoop thans gekantonneerd is in handen van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring. Het is dus niet tegen de andere burgerlijke partij aan wie de betwiste som mogelijk kan worden toegewezen dat de burgerlijke partij haar hoger beroep heeft kunnen indienen of zou kunnen hebben indienen. Bovendien heeft de appellant aan het verwijzende rechtscollege niet de veroordeling gevraagd - en zou hij die niet hebben kunnen vragen - van de andere burgerlijke partij tot de teruggave van een deel van een som geld dat die laatste niet bezat, en kon hij evenmin aanspraak maken en heeft hij geen aanspraak gemaakt op de toewijzing van een schadevergoeding tot herstel ten laste van die burgerlijke partij. De burgerlijke partijen hadden immers geen gerechtelijke band voor de eerste rechter, en er werd overigens geen enkele veroordeling uitgesproken ten laste van een van die partijen ten voordele van de andere. 6 Te dezen is de burgerlijke partij die hoger beroep heeft ingesteld dus niet de in het ongelijk gestelde partij ten aanzien van de andere burgerlijke partij, die evenmin in het gelijk is gesteld in het raam van dit geding. B.
  6. Uit al die elementen blijkt dat, gezien de omstandigheden van de aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde zaak, de prejudiciële vraag op een verkeerd uitgangspunt berust en dat artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering niet van toepassing is. B.
  7. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 juni
  8. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.100 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.