id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.102 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200709.2 Arrest- Rolnummer: 102/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-07-31 Raadplegingen: 706 - laatst gezien 2026-06-20 06:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 november 2017 « tot wijziging van artikel D.IV.99 en Boek VII van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling met het oog om er een artikel D.VII.1bis in te voegen tot invoering van een stedenbouwkundig conformiteitsvermoeden voor sommige [misdrijven] », ingesteld door Joseph Schütz en Romain Schütz. Publiek recht - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Waals Gewest - Misdrijf van instandhouding van handelingen en werken die zijn uitgevoerd of opgetrokken zonder vergunning of met miskenning van de uitgereikte vergunning - Voortdurend misdrijf - Verjaring. Tekst van de beslissing Rolnummer 6942 Arrest nr. 102/2020 van 9 juli 2020 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 november 2017 « tot wijziging van artikel D.IV.99 en Boek VII van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling met het oog om er een artikel D.VII.1bis in te voegen tot invoering van een stedenbouwkundig conformiteitsvermoeden voor sommige [misdrijven] », ingesteld door Joseph Schütz en Romain Schütz. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 juni 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 juni 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 november 2017 « tot wijziging van artikel D.IV.99 en Boek VII van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling met het oog om er een artikel D.VII.1bis in te voegen tot invoering van een stedenbouwkundig conformiteitsvermoeden voor sommige [misdrijven] » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 december 2017), in zoverre het een artikel D.VII.1, § 2/2, in het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling invoegt, door Joseph Schütz en Romain Schütz. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de voorzitter van het Waals Parlement, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Haumont en Mr. F. Guérenne, advocaten bij de balie van Waals-Brabant; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Hendrickx, advocaat bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 20 mei 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 3 juni 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 3 juni 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1. Joseph en Romain Schütz zetten uiteen dat ze eigenaar zijn van een perceel dat gelegen is in een gebied dat op het gewestplan is ingekleurd als landbouwgebied. Met toepassing van artikel 449 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie (hierna : WWROSPE) werd hun voor verscheidene stedenbouwkundige misdrijven op dat perceel een transactionele geldboete voorgesteld. Ze geven aan dat ze in geval van een gedeeltelijke vernietiging van artikel 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 november 2017 « tot wijziging van artikel D.IV.99 en Boek VII van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling met het oog om er een artikel D.VII.1bis in te voegen tot invoering van een stedenbouwkundig conformiteitsvermoeden voor sommige [misdrijven] » (hierna : het decreet van 16 november 2017), in zoverre het een artikel D.VII.1, § 2/2, invoegt in het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling (hierna : WRO), ingevoegd bij, een verlaging van het voorgestelde transactionele bedrag zouden kunnen verkrijgen. Ze zijn derhalve van mening te doen blijken van een belang bij het vorderen van de vernietiging van die bepaling. A.2. De Waalse Regering werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op omdat de verzoekende partijen geen belang hebben om in rechte te treden. Zij voert aan dat in het verzoekschrift tot vernietiging noch de aard van de zonder vergunning uitgevoerde werken, noch de datum waarop die werken werden uitgevoerd, wordt vermeld. Zij geeft aan dat noch het proces-verbaal van de lokale politie, noch het voorstel tot minnelijke schikking van de gemachtigde ambtenaar vermelden dat het, gedeeltelijk, zou gaan om werken bedoeld in artikel D.VII.1, § 2, van het WRO. A.3. De voorzitter van het Waals Parlement werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op omdat de verzoekende partijen geen belang hebben om in rechte te treden. Hij voert aan dat de bestreden bepaling niet strekt tot de verlaging van het bedrag van de minnelijke schikking en dat de weigering van de gemachtigde ambtenaar van Eupen om het bedrag van de minnelijke schikking voor de verzoekende partijen te verlagen, niet berust op die bepaling, maar op een nota van de minister die bevoegd is voor ruimtelijke ordening. Hij voegt eraan toe dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de werken die werden uitgevoerd in overtreding met de uitgewerkte vergunning, al minstens 10 of 20 jaar voltooid zouden zijn en dat zij evenmin bewijzen dat ze de maatregel hadden kunnen genieten vóór de inwerkingtreding van de bestreden tekst. Tot slot voert hij aan dat het belang van de verzoekende partijen slechts hypothetisch is, aangezien zij bij de gemeente een aanvraag tot regularisatie van de gepleegde misdrijven hebben ingediend, dat, aangezien die aanvraag dateert van vóór het proces-verbaal van vaststelling van de misdrijven, zij die aanvraag uit handen van de gemeente kunnen nemen en kunnen voorleggen aan de gemachtigde ambtenaar, en dat zij, bij weigering, de zaak aanhangig kunnen maken bij de Waalse Regering. Hij preciseert dat, indien de verzoekende partijen de vergunning verkregen, geen enkele burgerrechtelijke vervolging zou worden ingesteld. A.4.1. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 5 van het decreet van 16 november 2017 de decretale grondslag van de voornoemde nota vaststelt na de aanneming ervan door de minister, zodat zij de onwettigheid ervan niet zullen kunnen aanvoeren in geval van gerechtelijke vervolging. A.4.2. De verzoekende partijen leggen uit dat het bedrag van de minnelijke schikking die de gemachtigde ambtenaar hun heeft voorgesteld, voortvloeit uit de som van de verschillende bedragen waarin artikel 449 van het WWROSPE voorziet voor de bestraffing van de daarin bedoelde stedenbouwkundige misdrijven. Zij geven aan dat uit het administratieve dossier waarover de Waalse Regering en de voorzitter van het Waalse Parlement beschikken, duidelijk blijkt dat het totaalbedrag van de minnelijke schikking betrekking heeft op zowel fundamentele als niet-fundamentele stedenbouwkundige misdrijven. Zij voegen eraan toe dat de werken die vallen onder de bouwvergunning die het college van burgemeester en schepenen van de stad Sankt Vith heeft afgegeven op 11 december 1995, werden uitgevoerd binnen de wettelijke termijn van vijf jaar, en dat de werken die niet onder de bouwvergunning vallen, eveneens binnen die termijn werden uitgevoerd. 4 A.4.3. Tot slot preciseren zij dat de gemachtigde ambtenaar besloten heeft de in artikel 155, § 6, van het WWROSPE bedoelde procedure toe te passen en dat hij hen heeft verzocht het bedrag van de minnelijke schikking te betalen met het oog op het verval van de strafvordering. Onder die voorwaarden riskeren de verzoekende partijen een gerechtelijke vervolging indien ze de minnelijke schikking niet betalen. A.5. De Waalse Regering repliceert dat de verzoekende partijen geen enkel stuk voorleggen om hun verdeling tussen fundamentele en de niet-fundamentele stedenbouwkundige misdrijven te staven. Ten gronde A.6.1. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending, door artikel D.VII.1, § 2/2, van het WRO, ingevoegd bij artikel 5 van het decreet van 16 november 2017, van de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij verwijten de decreetgever dat hij, met die bepaling, na de inwerkingtreding van het WRO op 1 juni 2017 een voortdurend misdrijf dat toen verjaard was, heeft doen herleven. A.6.2. Zij zetten uiteen dat uit de bestreden bepaling voortvloeit dat de niet-fundamentele stedenbouwkundige misdrijven niet verjaard zijn als ze voorafgaand aan de inwerkingtreding van het WRO het voorwerp hebben uitgemaakt van een proces-verbaal van vaststelling van het misdrijf. Zij zijn van mening dat de bestreden bepaling de niet-fundamentele voortdurende stedenbouwkundige misdrijven die op 1 juni 2017 verjaard waren, in zekere zin doet « herleven », hetgeen een schending inhoudt van het beginsel van de niet-retroactiviteit van de strafwet. A.7.1. De Waalse Regering zet uiteen dat het WRO, dat in werking is getreden op 1 juni 2017, het misdrijf van de instandhouding van een zonder vergunning opgericht bouwwerk niet heeft afgeschaft, maar slechts, in artikel D.VII.1, § 2, ervan, het voortdurende karakter van het misdrijf heeft beperkt tot tien jaar voor bepaalde misdrijven die niet-fundamenteel worden geacht. Zij legt uit dat het bestreden decreet voor de handelingen en werken uitgevoerd of opgericht vóór 1 maart 1998 een onweerlegbaar vermoeden van overeenstemming met het recht van ruimtelijke ordening en stedenbouw heeft ingevoerd, vermoeden dat evenwel niet geldt voor de daders van misdrijven die al door een proces-verbaal van vaststelling van een misdrijf behoorlijk op de hoogte waren van de onwettigheid van hun gedrag. Zij geeft verder aan dat de decreetgever eveneens van mening was dat die personen zich niet konden beroepen op de beperking van het voortdurende karakter van het misdrijf. A.7.2. De Waalse Regering voert aan dat de bestreden bepaling noch tot doel noch tot gevolg heeft een handelen of nalaten strafbaar te maken dat, op het ogenblik van het handelen of nalaten, geen misdrijf vormde, of te voorzien in een straf die zwaarder is dan die welke van toepassing was op het ogenblik dat het misdrijf werd begaan. Zij verwijst naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie en leidt daaruit af dat het beginsel van de niet- retroactiviteit in strafzaken niet van toepassing is op wetten die geen strafbaarstelling bevatten en geen straf opleggen (Cass., 22 mei 2002, P.02.0372.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020522.13), en dat, wanneer een wet de verjaringstermijn van de feiten verlengt, zij niet tot gevolg heeft de op de datum van het misdrijf toepasselijke straf te verzwaren, noch een handelen of nalaten te straffen dat niet strafbaar was ten tijde van het handelen of nalaten (Cass., 10 maart 1998, P.96.0691.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980310.15). Zij verwijst ook naar het arrest van het Hof nr. 17/2010 van 25 februari 2010. A.8.1. De voorzitter van het Waals Parlement voert aan dat er geen schending kan zijn van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, als de vervolgde handelingen al strafbaar gesteld werden door een op het ogenblik van de feiten van toepassing zijnde wettelijke bepaling. Hij is van mening dat zulks te dezen het geval is, aangezien er op 25 april 2016 een proces-verbaal van vaststelling van een misdrijf werd opgesteld en verzonden aan de procureur des Konings. Omdat de laatstgenoemde besloten heeft niet te vervolgen, hebben de bevoegde autoriteiten een minnelijke schikking voorgesteld, die werd geweigerd door de verzoekende partijen, zodat zij kunnen worden vervolgd voor een burgerlijke rechtbank, die zal beslissen of de misdrijven bewezen zijn en of de gevorderde herstelmaatregel regelmatig is. 5 A.8.2. De voorzitter van het Waals Parlement zet uiteen dat krachtens het beginsel van niet-retroactiviteit van de strafwet, de gunstigere nieuwe strafrechtelijke regels van het WRO, zoals de artikelen D.VII.1 en D.VII.1bis, van toepassing zijn op de processen-verbaal die vóór de datum van inwerkingtreding van het WRO het voorwerp hebben uitgemaakt van een kennisgeving aan de procureur des Konings. Hij preciseert dat het behoud van de toepassing van de vroegere regels op situaties die zich hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding van het WRO, een dubbel doel van algemeen belang nastreeft, namelijk, enerzijds, het heronderzoek voorkomen van talrijke dossiers die al zijn behandeld door de autoriteiten, nog ter onderzoek liggen bij het parket of waarvoor al een dagvaarding wordt of is opgesteld en, anderzijds, de rechtszekerheid en juridische voorzienbaarheid waarborgen. A.8.3. De voorzitter van het Waals Parlement is ten slotte van mening dat de verzoekende partijen zich vergissen in zoverre ze aanvoeren dat de bestreden bepaling een verjaard misdrijf zou doen « herleven », aangezien het misdrijf niet verjaard is. Hij preciseert in dat opzicht dat het misdrijf niet verjaard is, niet het voorwerp kan uitmaken van een vervolging, maar bestaat en blijft bestaan, en dat het pas verdwijnt ofwel na een vrijwillig herstel in de oorspronkelijke staat, ofwel bij het verkrijgen van een regularisatievergunning. A.9.1. In antwoord op de Waalse Regering voeren de verzoekende partijen aan dat hun kritiek geenszins betrekking heeft op de kwalificatie als voortdurend of als aflopend misdrijf, maar wel op het feit dat de bestreden bepaling een niet-fundamenteel stedenbouwkundig misdrijf dat verjaard was op 1 juni 2017, doet « herleven ». Zij merken op dat te dezen, in tegenstelling tot de zaak die het Hof van Cassatie heeft beslecht in zijn arrest van 10 maart 1998, de strafvordering verjaard was op 1 juni 2017, en dat de bestreden bepaling, door een nieuwe voorwaarde toe te voegen, die verjaring tenietdoet en een handeling opnieuw strafbaar maakt die geen misdrijf meer vormde op het ogenblik dat het decreet van 16 november 2017 werd aangenomen. A.9.2. De verzoekende partijen betogen dat de voorzitter van het Waals Parlement niet antwoordt op de vraag of een decretale bepaling de verjaringstermijn kan verlengen, terwijl de strafvordering reeds verjaard was op het ogenblik van de inwerkingtreding van de bepaling. A.10. De Waalse Regering voert aan dat het WRO, dat in werking is getreden op 1 juni 2017, de regels van de strafvordering bepaald in artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering niet wijzigt en dat de limiet van 10 jaar bedoeld in artikel D.VII.1, § 2, de verjaringstermijn niet beëindigt, maar wel, integendeel, de verjaringstermijn doet ingaan. Zij voegt eraan toe dat, aangezien de exacte datum waarop de verzoekende partijen de werken hebben uitgevoerd, niet precies vaststaat, ook niet vaststaat dat de strafvordering noodzakelijk verjaard zou zijn op het ogenblik van de goedkeuring van het WRO. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 november 2017 « tot wijziging van artikel D.IV.99 en Boek VII van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling met het oog om er een artikel D.VII.1bis in te voegen tot invoering van een stedenbouwkundig conformiteitsvermoeden voor sommige [misdrijven] » (hierna : het bestreden decreet), in zoverre het, in artikel D.VII.1 van het Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling (hierna : WRO), een paragraaf 2/2 invoegt die als volgt is geformuleerd : 6 « De paragrafen 2 en 2/1 zijn niet van toepassing op de handelingen en werken bedoeld in het tweede lid van artikel D.VII.1bis ». B.1.2. Artikel D.VII.1, aldus gewijzigd, van het WRO bepaalt : « § 1. Strafbaar zijn volgende feiten : […] 3° onverminderd artikel D.VII.1bis, de instandhouding van de werken, na 21 april 1962 uitgevoerd, zonder de vereiste vergunning of in miskenning ervan; […] § 2. De instandhouding van de handelingen en werken zonder de vergunning die was vereist of met miskenning ervan maakt [na verloop van een termijn van tien jaar] na de voltooiing van de werken geen [misdrijf] uit voor zover de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld worden : 1° [het misdrijf] werd begaan :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.