← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.106

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 09 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.106 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200709.6 Arrest- Rolnummer: 106/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-07-31 Raadplegingen: 293 - laatst gezien 2026-06-19 17:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 11bis, § 4, d), van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen » schendt artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling de bevoegde ambtenaren van het Waalse Gewest machtigt om, ten aanzien van natuurlijke personen die verblijven in België, en die in het Waalse Gewest in het kader van hun beroep en in bijkomende orde voor privédoeleinden gebruik maken van een voertuig dat is ingeschreven in het buitenland en dat hun door een buitenlandse werkgever of opdrachtgever ter beschikking werd gesteld, bij de vaststelling op de openbare weg van een overtreding van het in artikel 3, § 2, b), van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 « betreffende de inschrijving van voertuigen » vervatte voorschrift met betrekking tot het zich aan boord bevinden van de in dat artikel omschreven documenten, het bedrag van de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling, verhoogd met een administratieve boete, onmiddellijk in hun handen te doen betalen, en, in geval van weigering tot betaling, om de in dat artikel 11bis, § 4, d), vermelde maatregelen betreffende de aanhaling, de inbeslagneming en de verkoop van het voertuig in werking te stellen. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 11bis, § 4, van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen. Fiscaal recht - Waals Gewest - Gewestelijke belastingen - Verkeersbelastingen - Inning - In het buitenland ingeschreven voertuig. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 06-05-1999 - 11bis,§4,

  1. d)- 65 ELI link Pub nr 1999027513 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 16 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 7226 en 7257 Arrest nr. 106/2020 van 9 juli 2020 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 11bis, § 4, van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul, J. Moerman en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnissen van 27 juni 2019 en 26 september 2019, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 3 juli 2019 en 1 oktober 2019, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen de volgende identieke prejudiciële vragen gesteld : « 1. Is een regeling zoals daarin is voorzien in artikel 11bis, § 4, van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen bestaanbaar met het verbod van discriminatie (artikelen 10 en 11 van de Grondwet) en met de inachtneming van de bepalingen betreffende de eigendom (artikelen 16 en 17 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens), inzonderheid wanneer ze in die zin wordt geïnterpreteerd dat de administratie bij de eenvoudige vaststelling dat een persoon met woonplaats in België een in het buitenland ingeschreven voertuig gebruikt, onmiddellijk en zonder dat een reguliere aanslagprocedure wordt ingesteld zoals beschreven in de artikelen 3 en 15 en volgende van het voormelde decreet, kan overgaan tot de onmiddellijke invordering van de verkeersbelastingen, de inbeslagneming van het voertuig en, indien nodig, de verkoop ? 2. Schendt die regeling artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre aan de eigenaar van het voertuig niet het recht op een daadwerkelijk beroep wordt verleend, m.a.w. hem geen reële en concrete mogelijkheid wordt geboden om de inmenging in zijn rechten in rechte aan te klagen ? 3. Is die regeling in overeenstemming met de Grondwet wanneer ze in die zin wordt geïnterpreteerd dat ze slechts effect sorteert wanneer een rechtstitel voorhanden is (een ingekohierde verkeersbelasting) die ten uitvoer kan worden gelegd, zodat het bepaalde in artikel 11bis, § 4, van het voormelde decreet enkel betrekking heeft op een maatregel van tenuitvoerlegging die alleen door middel van een reeds bestaande rechtstitel in werking kan worden gesteld ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7226 en 7257 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - Karin Laschet, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. R. Palm, Mr. G. Zians, Mr. A. Haas, Mr. F. Maraite en Mr. D. Hannen, advocaten bij de balie te Eupen (in de zaak nr. 7226); - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Detry, advocaat bij de balie te Namen (in beide zaken). De Waalse Regering heeft ook een memorie van antwoord ingediend in de zaak nr. 7226. 3 Bij beschikking van 20 mei 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 3 juni 2020 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 3 juni 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen De voor de verwijzende rechter hangende zaken zijn beide gebaseerd op de vaststelling, door de bevoegde ambtenaren van het Waalse Gewest, dat de in België gedomicilieerde eisende partijen voor die rechter in België gebruik hebben gemaakt van een voertuig dat ingeschreven is in Duitsland en eigendom is van een Duitse onderneming, zonder te voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 « betreffende de inschrijving van voertuigen » (hierna : het koninklijk besluit van 20 juli 2001), voorwaarden waaronder personen die in België verblijven, in België gebruik kunnen maken van voertuigen die niet zijn ingeschreven in België. Beide eisende partijen werden door de betrokken ambtenaren uitgenodigd om de verkeers- en de inverkeerstellingsbelasting op de desbetreffende voertuigen onmiddellijk te betalen, vermeerderd met een geldboete. In de zaak nr. 7226 betrof het onmiddellijk te betalen bedrag 5 528,40 euro, in de zaak nr. 7257 8 721,55 euro. Na weigering tot betaling werd hun medegedeeld dat zij het desbetreffende voertuig niet mochten verplaatsen of verkopen zonder toestemming van de betrokken ambtenaren en werden bepaalde boorddocumenten ingehouden. De eisende partijen voor de verwijzende rechter betwisten dat zij, als echtgenoten van personen ten aanzien van wie een bedrijfsvoertuig ter beschikking werd gesteld door een buitenlandse werkgever of opdrachtgever, de voormelde belastingen verschuldigd zijn. Alvorens ten gronde uitspraak te doen, acht de verwijzende rechter het in beide zaken aangewezen bovenvermelde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. III. In rechte -A– Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag in de zaken nrs. 7226 en 7257 A.1.1. De Waalse Regering is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 niet schendt, omdat de in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. Die categorieën betreffen volgens haar, enerzijds, de bestuurders van een in België ingeschreven voertuig en, anderzijds, de personen die in België verblijven en die een bedrijfsvoertuig besturen dat in het buitenland is ingeschreven. Het verschil in behandeling tussen beide categorieën zou erin bestaan dat de tweede categorie van personen, op basis van een proces-verbaal, onderworpen kan worden aan de onmiddellijke betaling van de verkeers- en de inverkeerstellingsbelasting, verhoogd met een administratieve boete, waarbij bij weigering tot betaling het voertuig gedurende 96 uur kan worden aangehaald, terwijl dat niet mogelijk is bij de eerste categorie van personen. 4 A.1.2. De Waalse Regering zet uiteen dat de personen die in België verblijven, volgens artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001, de voertuigen die zij wensen in het verkeer te brengen, dienen in te schrijven in het repertorium van de voertuigen, in beginsel zelfs indien die voertuigen reeds in het buitenland zijn ingeschreven. De inschrijving van een voertuig in dat repertorium laat de bevoegde diensten van het Waalse Gewest toe om over te gaan tot de vestiging en de inkohiering van de verkeers- en de inverkeerstellingsbelasting, overeenkomstig artikel 3 van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen » (hierna : het decreet van 6 mei 1999), en in voorkomend geval tot een aanslag van ambtswege overeenkomstig de artikelen 15 en volgende van dat decreet. In de situatie waarin een voertuig dat in het buitenland is ingeschreven, wordt gebruikt door een in België verblijvende persoon, geldt een uitzondering op de verplichting om het voertuig in België in te schrijven, uitzondering die evenwel enkel geldt wanneer bepaalde documenten in het voertuig aanwezig zijn. Wanneer bij zulk een persoon wordt vastgesteld dat de desbetreffende documenten niet in het voertuig aanwezig zijn, beschikken de diensten van het Waalse Gewest niet over de noodzakelijke informatie om over te kunnen gaan tot een inkohiering van de belastingen, noch om over te gaan tot een aanslag van ambtswege. Daarbij komt dat de persoon die zijn voertuig in België heeft ingeschreven zich in een situatie bevindt die in overeenstemming is met de wet, terwijl de in België verblijvende persoon die met een voertuig rijdt dat in het buitenland is ingeschreven, zonder in het bezit te zijn van de vereiste documenten om de vrijstelling van inschrijving van het voertuig in België te kunnen genieten en zonder de verkeers- en inverkeerstellingsbelasting te hebben betaald, zich in een onwettige situatie bevindt. De Waalse Regering meent dat uit het voorgaande blijkt dat de bedoelde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. A.2.1. De Waalse Regering is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling evenmin in strijd is met de artikelen 16 en 17 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wat het eigendomsrecht betreft, meent zij dat de in het geding zijnde bepaling een juist evenwicht installeert tussen, enerzijds, de vereisten van het algemeen belang, te dezen de eerbiediging van de fiscale wet, en, anderzijds, de bescherming van het eigendomsrecht. Wat het door artikel 17 van de Grondwet gewaarborgde verbod van verbeurdverklaring betreft, meent zij dat de in het geding zijnde bepaling geen verbeurdverklaring in de zin van dat grondwetsartikel invoert, en uitsluitend voorziet in bewarende maatregelen die de betaling van de verschuldigde belastingen beogen. A.2.2. De onmiddellijke betaling van de bedoelde belastingen strekt volgens de Waalse Regering ertoe dat wordt voldaan aan de fiscale schuld wanneer het voertuig niet is ingeschreven in België. Zij wijst erop dat artikel 17bis van het decreet van 6 mei 1999 uitdrukkelijk bepaalt dat er geen belastingbedrag van de belastingschuldigen geïnd kan worden dan krachtens, onder meer, een uitnodiging tot betaling of een fiscale afrekening, rechtstreeks gericht aan de belastingplichtige door de dienst aangewezen door de Regering. Het proces-verbaal van vaststelling en aanhaling vormt volgens haar een fiscale afrekening, zodat de onmiddellijke betaling gebaseerd op zulk een proces-verbaal gerechtvaardigd is. Wanneer een voertuig niet in België is ingeschreven, is het bovendien technisch onmogelijk een uitvoerbare titel te verkrijgen op het ogenblik van de controle van een belastingplichtige, wiens overtreding vóór die controle onbekend was. De Waalse Regering meent dat het niet discriminerend, noch onevenredig is om in zulk een situatie de onmiddellijke betaling van de verschuldigde belastingen en boeten te vereisen. De gebruiker en de eigenaar van het voertuig kunnen, na de betaling, overigens gebruik maken van de beschikbare administratieve en jurisdictionele beroepen. A.2.3. Wat de aanhaling van het voertuig gedurende 96 uur betreft, beklemtoont de Waalse Regering dat die maatregel geen inbeslagneming, maar een bewarende maatregel is. Wanneer de betrokkene binnen de voormelde termijn betaalt, wordt het voertuig vrijgegeven. Zij meent dat de aanhaling gerechtvaardigd is vanwege de miskenning door de belastingplichtige van een regel van openbare orde en vanwege het bestaan van een vermoeden van fraude. A.2.4. Wanneer de betrokkene weigert te betalen binnen de voormelde termijn van 96 uur, kan het voertuig in beslag worden genomen, maar het betreft volgens de Waalse Regering uitsluitend een mogelijkheid en dus niet een verplichting. Uit de praktijk blijkt overigens dat geen toepassing wordt gemaakt van die mogelijkheid : na verloop van de voormelde termijn van 96 uur worden het voertuig en de boorddocumenten vrijgegeven en wordt in voorkomend geval overgegaan tot een inkohiering van de nog verschuldigde bedragen. A.2.5. Wat de verkoop van het voertuig betreft, wijst de Waalse Regering erop dat dit pas mogelijk is na de inbeslagneming en nadat de bevoegde rechtbank daartoe heeft beslist. De gebruiker en de eigenaar van het voertuig beschikken aldus over de mogelijkheid om zich voor die rechtbank te verzetten tegen de verkoop. 5 A.3.1. De eisende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 7226 is van oordeel dat een vaststelling, door de bevoegde ambtenaren, dat een persoon met woonplaats in België een in het buitenland ingeschreven voertuig gebruikt, niet kan worden beschouwd als een uitvoerbare titel op basis waarvan, zonder de reguliere aanslagprocedure te volgen, kan worden overgegaan tot de onmiddellijke invordering van de verkeersbelastingen, tot de inbeslagneming van het voertuig en, indien nodig, tot de verkoop van dat voertuig. Zij is van oordeel dat het verzoek tot onmiddellijke betaling van de verkeersbelastingen en de aanhaling van het voertuig op een ernstige wijze afbreuk doen aan het eigendomsrecht van de betrokken personen. In een rechtsstaat mogen de burgers volgens haar ervan uitgaan dat wanneer een schuldvordering wordt afgedwongen door middel van een dwangmaatregel, die dwangmaatregel pertinent en evenredig is ten aanzien van het nagestreefde doel. A.3.2. De eisende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 7726 is de mening toegedaan dat de in het geding zijnde bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt, doordat die bepaling een verschil in behandeling in het leven roept, naargelang een voertuig al dan niet in België is ingeschreven. Wanneer het voertuig in België is ingeschreven, wordt op het vlak van de verkeersbelastingen een belastingaanslag opgesteld en een belastingprocedure gevolgd, die de belastingplichtige de mogelijkheid biedt om opmerkingen te maken en in beroep te gaan. Wanneer het voertuig niet in België is ingeschreven, worden de verkeersbelastingen daarentegen onmiddellijk ingevorderd door de controlerende ambtenaren en wordt het desbetreffende voertuig, bij weigering tot betaling, aangehaald. Zij wijst erop dat de belastingplichtige in de normale procedure, volgens artikel 16 van het decreet van 6 mei 1999, vóór de aanslag van ambtswege in kennis wordt gebracht van de voorgenomen aanslag en op basis daarvan zijn opmerkingen kan overmaken aan de administratie. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 7726 bestaat er geen enkele redelijke verantwoording voor het feit dat de in België verblijvende personen die een niet in België ingeschreven voertuig besturen, niet een gelijksoortige regeling kunnen genieten als die welke is vervat in artikel 16 van het decreet van 6 mei 1999. Zij is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling de burgers van de Europese Unie die hun beroepswerkzaamheid uitoefenen in een andere lidstaat van de Europese Unie, discrimineert. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag in de zaken nrs. 7226 en 7257 A.4.1. De Waalse Regering is in hoofdorde van oordeel dat de tweede prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, vermits het antwoord op die vraag, die betrekking heeft op het bestaan van een daadwerkelijk rechtsmiddel voor de eigenaar van het voertuig, niet nuttig is voor de oplossing van de geschillen die hangende zijn voor de verwijzende rechter. Zij zet uiteen dat uit de feiten van de zaken die hangende zijn voor de verwijzende rechter blijkt dat de eigenaars van de desbetreffende voertuigen niet betrokken zijn in die zaken en aldus geen enkele grief hebben geformuleerd. A.4.2. In ondergeschikte orde is de Waalse Regering van oordeel dat artikel 11bis, § 4, d), van het decreet van 6 mei 1999 artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt. Zij meent dat de overige bepalingen van dat artikel 11bis, § 4, te dezen niet relevant zijn. De Waalse Regering doet gelden dat er op geen enkele wijze afbreuk wordt gedaan aan het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, gelet op het feit dat de belanghebbende op fiscaalrechtelijk vlak zowel beschikt over een administratief beroep als over een jurisdictioneel beroep. Zij verwijst daarbij naar de artikelen 25 en 28 van het decreet van 6 mei 1999. In geval van aanhaling van het voertuig, heeft de eigenaar van het voertuig de mogelijkheid om een vordering in te stellen op basis van de artikelen 1025 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Tegen de inbeslagneming kan de eigenaar bovendien een procedure opstarten op basis van artikel 1514 van het Gerechtelijk Wetboek. De eigenaar kan ten slotte tegen de bestuurder van het voertuig een rechtsvordering instellen op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. A.4.3. De Waalse Regering meent dat de voorliggende zaak verschilt van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof nr. 124/2018 van 4 oktober 2018, doordat de in het geding zijnde bepaling voorziet in maatregelen die kunnen worden toegepast wegens het onwettige gebruik van een voertuig en niet wegens het verschuldigd zijn van bedragen aan de Staat. 6 A.5.1. De eisende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 7226 is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling afbreuk doet aan de rechten van de eigenaar van het voertuig, doordat die eigenaar geen duidelijke mogelijkheid heeft om in beroep te gaan tegen de maatregel betreffende de aanhaling van het voertuig en de inbeslagneming ervan. De omstandigheid dat de eigenaars van de desbetreffende voertuigen geen partijen zijn in de zaken die hangende zijn voor de verwijzende rechter, belet volgens haar niet dat dient te worden onderzocht of de in het geding zijnde bepaling afbreuk doet aan de rechten van die eigenaars. A.5.2. De eisende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 7226 doet gelden dat de onmiddellijke inning van de belastingen en het aanhalen van het voertuig niet noodzakelijk zijn in het licht van de met de verkeersbelastingen nagestreefde doelstellingen, vermits de eigenaar en de bestuurder van het voertuig bekend zijn bij de bevoegde diensten, via het kentekenbewijs van het voertuig en via de identiteitsdocumenten van de gecontroleerde bestuurder. Zij meent dat de belastingplichtige aldus kan worden bepaald en dat de normale belastingprocedure kan worden gevolgd. De onmiddellijke inning en het aanhalen van het voertuig zijn om die reden evenmin noodzakelijk in het licht van de doelstelling de openbare veiligheid te waarborgen. Zij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 124/2018 van 4 oktober 2018, waaruit zij afleidt dat de inbeslagneming en de verkoop van goederen, zonder het optreden van een rechtbank, ongrondwettig is wanneer de eigenaar van de goederen geen effectieve mogelijkheid heeft om op te komen tegen die maatregelen. A.5.3. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie leidt de eisende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 7226 af dat een risico van verminderde belastingopbrengsten geen rechtvaardiging kan vormen voor een beperking van de door het recht van de Europese Unie beschermde vrijheden (vrij verkeer van werknemers, vrijheid van vestiging, vrij verrichten van diensten en vrij verkeer van kapitaal). Zij meent dat de voormelde vrijheden worden beperkt, niet alleen voor de onderneming die een bedrijfsvoertuig ter beschikking stelt van een werknemer, maar ook voor de werknemer en de gebruiker van een dienst, wanneer een nationale regeling de vrije toegang van een bedrijfsvoertuig tot het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie belemmert door middel van de betaling van een extra belasting. In die zin dient niet alleen de eigenaar van het voertuig, maar ook de gebruiker ervan volgens haar te beschikken over een recht van toegang tot de rechter. A.6. Met betrekking tot de op het recht van de Europese Unie gebaseerde argumentatie van de eisende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 7226, voert de Waalse Regering aan, ten eerste, dat het Hof niet bevoegd is om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan het recht van de Europese Unie, ten tweede, dat de verwijzende rechter in zijn prejudiciële vragen geen melding heeft gemaakt van dat recht, ten derde, dat de in het geding zijnde bepaling op zich niet voorziet in de betaling van een extra belasting en in een verplichting tot inschrijving van een voertuig in België en, ten slotte, dat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarnaar wordt verwezen geen verband vertoont met de voorliggende zaak. Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag in de zaken nrs. 7226 en 7257 A.7.1. De Waalse Regering is in hoofdorde van oordeel dat de derde prejudiciële vraag niet ontvankelijk is, vermits in die vraag geen melding wordt gemaakt van de grondwetsartikelen waaraan het Hof de in het geding zijnde bepaling zou moeten toetsen. A.7.2. In ondergeschikte orde is de Waalse Regering van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling niet kan worden geïnterpreteerd zoals aangegeven in de prejudiciële vraag. Zij zet uiteen dat die bepaling deel uitmaakt van afdeling 2 (« Onderzoeken en controles ») van hoofdstuk II (« Aangifte van belasting, onderzoeken en controles, en bewijsmiddelen ») van het decreet van 6 mei 1999. Zij meent dat daaruit reeds blijkt dat de maatregelen waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, niet kunnen worden geïnterpreteerd als loutere uitvoeringsmaatregelen die uitsluitend op basis van een bestaande juridische titel kunnen worden genomen. De controlemaatregelen betreffende de juiste toepassing van de fiscale wet gaan volgens haar inherent vooraf aan de belasting van de betrokken personen. A.7.3. De interpretatie die de verwijzende rechter aan de in het geding zijnde bepaling verleent, zou volgens de Waalse Regering afbreuk doen aan de bevoegdheden van het Waalse Gewest om de dienst van de belasting te regelen en de juiste toepassing van de belastingwet te controleren. Die interpretatie zou daardoor eveneens in strijd zijn met artikel 172 van de Grondwet. 7 A.7.4. De Waalse Regering meent daarnaast dat de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen heeft, vermits de erin voorgeschreven procedure de enige mogelijke procedure is om de fiscale wetgeving, die van openbare orde is, te doen eerbiedigen. De fiscale administratie verplichten om vooraf te beschikken over een uitvoerbare titel zou daarentegen wel een onevenredige maatregel zijn, vermits de administratie geen enkele mogelijkheid heeft om zich zulk een titel te verschaffen. De Waalse Regering beklemtoont nog dat het gebrek aan inschrijving van een voertuig in België niet alleen fiscale gevolgen heeft, maar eveneens gevolgen kan hebben voor derden, meer bepaald in het geval van een verkeersongeval, vermits de niet-inschrijving van het voertuig met zich meebrengt dat het moeilijker is om de bestuurder ervan en diens verzekeraar te traceren. A.7.5. De Waalse Regering meent dan ook dat de in het geding zijnde bepaling niet alleen bestaanbaar is met de Grondwet wanneer de administratie beschikt over een juridische titel (inkohiering), maar eveneens wanneer er nog geen inkohiering bestaat. A.8. De eisende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 7226 beklemtoont dat de administratie, wanneer een belastingplichtige geen aangifte heeft gedaan, over kan gaan tot een aanslag van ambtswege, waaraan een kennisgeving door de administratie aan de belastingplichtige moet voorafgaan, kennisgeving die is ingegeven door de bedoeling de rechten van de belastingplichtige te beschermen (artikelen 15 en 16 van het decreet van 6 mei 1999). Zij wijst erop dat het bedrag van de verschuldigde belasting, krachtens artikel 17bis van het decreet van 6 mei 1999, slechts kan worden ingevorderd op basis van een uitvoerbaar verklaard kohier, document dat de wettelijke inningstitel vormt. Wanneer een ambtenaar ter plaatse vaststelt dat een in België verblijvende persoon een voertuig dat in het buitenland is ingeschreven, bestuurt, kan die ambtenaar volgens haar uitsluitend die feiten vaststellen, en aldus niet vaststellen dat de verkeersbelastingen door de bestuurder of de eigenaar van het voertuig al dan niet zijn betaald of al dan niet verschuldigd zijn. De in het geding zijnde bepaling is dan ook volgens haar slechts grondwettig wanneer die bepaling wordt geïnterpreteerd in die zin dat zij slechts kan worden toegepast wanneer een rechtstitel voorhanden is, meer bepaald een ingekohierde verkeersbelasting, die ten uitvoer kan worden gelegd. Een andere interpretatie van die bepaling leidt volgens haar tot een schending van het evenredigheidbeginsel, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten en vrijheden. -B- B.1. Artikel 11bis, § 4, d), van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen » (hierna : het decreet van 6 mei 1999) bepaalt : « Om de inning van de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling, [het] eurovignet en [de] kilometerheffing te controleren zijn de ambtenaren bedoeld in § 1 meer specifiek gemachtigd om : […]
  2. d)het ontdoken bedrag van de belasting onmiddellijk in handen te doen betalen, verhoogd met een administratieve boete bij de vaststelling op de openbare weg van de overtreding van niet-betaling van de belasting. Als de bestuurder weigert om te betalen, wordt het voertuig aangehaald tot de verschuldigde sommen betaald zijn. Zijn deze niet betaald binnen zesennegentig uur na de vaststelling van de overtreding, dan wordt het voertuig in beslag genomen. 8 Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen gezonden aan de natuurlijke of rechtspersoon die in het inschrijvingsbewijs is opgenomen of moet opgenomen worden. Het risico en de eventuele kosten voortvloeiend uit de aanhaling en het beslag zijn ten laste van de natuurlijke of rechtspersoon die in het inschrijvingsbewijs is opgenomen of moet opgenomen worden of bij gebrek aan betaling ten laste van de eigenaar, de ondernemer, de houder of de bestuurder die hoofdelijk gehouden zijn overeenkomstig de wetgeving van de betrokken belasting. Het beslag wordt na betaling van de verschuldigde sommen en kosten opgeheven. Bij niet-betaling van deze sommen en kosten veroordeelt de rechtbank tot betaling ervan en gelast zij de verkoop van het in beslag genomen voertuig. De gerechtskosten, het bedrag van de betrokken belasting, de boete en de andere desbetreffende kosten worden aangerekend op de opbrengst van de verkoop van het voertuig en het eventueel overschot wordt aan de natuurlijke of rechtspersoon die in het inschrijvingsbewijs is opgenomen of moet opgenomen worden, terugbetaald. Voor de toepassing van dit § 4, d), zijn de wets- en verordeningsbepalingen inzake douane en accijnzen betreffende de aanhaling, de inbeslagneming en de verkoop van toepassing ». B.2. Met de eerste en de tweede prejudiciële vraag beoogt de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of die bepaling, in de interpretatie dat de bevoegde ambtenaren van het Waalse Gewest bij de vaststelling op de openbare weg dat een persoon met woonplaats in België een in het buitenland ingeschreven voertuig gebruikt, onmiddellijk en zonder dat de reguliere aanslagprocedure wordt ingesteld zoals beschreven in de artikelen 3 en 15 en volgende van het voormelde decreet, kunnen overgaan tot de invordering van de verkeersbelastingen, de inbeslagneming van het voertuig en, indien nodig, de verkoop ervan, al dan niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, met de artikelen 16 en 17 ervan, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 9 Met de derde prejudiciële vraag beoogt die rechter van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepaling « in overeenstemming [is] met de Grondwet », in de interpretatie dat de bevoegde ambtenaren van het Waalse Gewest ten aanzien van personen met woonplaats in België die een in het buitenland ingeschreven voertuig gebruiken, slechts over de voormelde bevoegdheden beschikken wanneer een rechtstitel voorhanden is, meer bepaald een met betrekking tot de verkeersbelastingen uitvoerbaar verklaard kohier. B.3.1. De Waalse Regering voert aan dat de derde prejudiciële vraag niet ontvankelijk is, omdat in die vraag geen melding wordt gemaakt van de grondwetsartikelen waaraan de in het geding zijnde bepaling zou moeten worden getoetst. B.3.2. Hoewel het Hof met de derde prejudiciële vraag wordt gevraagd of de in het geding zijnde bepaling, in de erin vermelde interpretatie, « in overeenstemming [is] met de Grondwet », kan uit het geheel van de aan het Hof gestelde vragen op voldoende duidelijke wijze worden afgeleid dat de gevraagde toetsing dezelfde referentienormen betreft als die welke worden vermeld in de eerste twee prejudiciële vragen. De exceptie wordt verworpen. B.4.1. De Waalse Regering voert eveneens aan dat de derde prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, omdat die vraag zou steunen op een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. B.4.2. Het staat in de regel aan de verwijzende rechter om de bepalingen die hij toepast, te interpreteren, onder voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling. B.4.3. Het onderzoek van de vraag of de in de derde prejudiciële vraag vervatte interpretatie van de in het geding zijnde bepaling al dan niet kennelijk verkeerd is, valt te dezen samen met het onderzoek ten gronde. 10 B.5.1. Volgens artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 « betreffende de inschrijving van voertuigen » (hierna : het koninklijk besluit van 20 juli 2001) dienen de personen die in België verblijven de voertuigen die zij wensen in het verkeer te brengen in te schrijven in het repertorium van de voertuigen bedoeld in artikel 6 van dat koninklijk besluit, in beginsel zelfs indien die voertuigen reeds in het buitenland zijn ingeschreven. B.5.2. De inschrijving van een voertuig in het repertorium van de voertuigen brengt de onderwerping aan de verkeersbelasting op de autovoertuigen en aan de belasting op de inverkeerstelling met zich mee (artikelen 21, 94, 1°, en 99, § 1, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen). B.5.3. Artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 voorziet in uitzonderingen op de in artikel 3, § 1, vervatte regel betreffende de verplichte inschrijving van voertuigen in het repertorium. Personen die in België verblijven kunnen in België gebruik maken van een in het buitenland ingeschreven voertuig, onder meer, wanneer het gaat om een « voertuig dat een natuurlijke persoon gebruikt in de uitoefening van zijn beroep en in bijkomende orde voor privé-doeleinden, en dat door een buitenlandse werkgever of opdrachtgever aan deze persoon wordt ter beschikking gesteld » (artikel 3, § 2, 2°). Die uitzondering vindt evenwel slechts toepassing wanneer « een kopie van de arbeidsovereenkomst of opdracht […] zich aan boord van het voertuig [bevindt], evenals een door de buitenlandse werkgever of opdrachtgever opgesteld document waaruit blijkt dat laatstgenoemde het voertuig heeft ter beschikking gesteld van die persoon ». B.5.4. Wanneer is voldaan aan de in artikel 3, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 vermelde voorwaarden kan een persoon in België gebruik maken van een voertuig dat niet is ingeschreven in het repertorium van de voertuigen. De vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van een voertuig in dat repertorium brengt met zich mee dat de betrokken personen niet worden onderworpen aan de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling. 11 B.6. Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat de feiten van de zaken die hangende zijn voor de verwijzende rechter gebaseerd zijn op de vaststelling, door de bevoegde ambtenaren van het Waalse Gewest, dat de eisende partijen voor die rechter, die in België zijn gedomicilieerd, in het Waalse Gewest gebruik hebben gemaakt van een in het buitenland ingeschreven voertuig dat niet is ingeschreven in het Belgisch repertorium van de voertuigen, zonder dat de in artikel 3, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 bedoelde documenten zich aan boord van het voertuig bevonden. Uit die verwijzingsbeslissingen blijkt ook dat de voertuigen eigendom zijn van buitenlandse ondernemingen en dat de echtgenoten van elk van de eisende partijen voor de verwijzende rechter beroepsactief zijn bij de desbetreffende ondernemingen. Het Hof beperkt zijn onderzoek van de prejudiciële vragen tot die situatie. B.7.1. Volgens artikel 3 van het decreet van 6 mei 1999 worden de Waalse gewestelijke belastingen in jaarlijkse of in bijzondere kohieren ingeschreven, wat met zich meebrengt dat de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling in beginsel worden geïnd door middel van aanslagbiljetten, met uitnodiging tot betaling, die naar de belastingplichtigen worden verstuurd. De artikelen 15 tot 17 van het decreet van 6 mei 1999 voorzien daarnaast in een procedure van aanslag van ambtswege die, onder meer, kan worden toegepast in de in artikel 15 omschreven gevallen van verzuim van de belastingplichtige. Voordat de aanslag van ambtswege gevestigd wordt, geeft de administratie de belastingplichtige bij ter post aangetekend schrijven kennis van de redenen waarom tot die maatregel is beslist, van de bestanddelen waarop de aanslag steunt, van de wijze waarop bedoelde bestanddelen zijn bepaald en van het belastingbedrag (artikel 16, eerste lid). De belastingplichtige kan vervolgens, binnen de in artikel 16 van het decreet van 6 mei 1999 bepaalde termijn, zijn bemerkingen schriftelijk meedelen aan de administratie (artikel 16, tweede lid). 12 B.7.2. Artikel 11bis, § 4, d), van het decreet van 6 mei 1999 – de in het geding zijnde bepaling – voorziet in een procedure van inning die afwijkt van de in B.7.1 beschreven procedures. Die bepaling machtigt de bevoegde ambtenaren van het Waalse Gewest om, bij de vaststelling op de openbare weg van een overtreding van niet-betaling van de verkeersbelasting en de belasting op de inverkeerstelling, het ontdoken bedrag van de belasting, verhoogd met een administratieve boete, onmiddellijk in hun handen te doen betalen. Wanneer de bestuurder weigert te betalen, wordt het voertuig aangehaald tot de verschuldigde sommen betaald zijn. Zijn die niet betaald binnen 96 uur na de vaststelling van de overtreding, dan wordt het voertuig in beslag genomen, waarbij een bericht van inbeslagneming binnen twee werkdagen dient te worden gezonden aan de natuurlijke of rechtspersoon die in het inschrijvingsbewijs is opgenomen of moet worden opgenomen. De eventuele kosten voortvloeiend uit de aanhaling en het beslag komen ten laste van de natuurlijke of rechtspersoon die in het inschrijvingsbewijs is opgenomen of moet worden opgenomen of, bij gebrek aan betaling, ten laste van de eigenaar, de ondernemer, de houder of de bestuurder die hoofdelijk gehouden zijn overeenkomstig de wetgeving van de betrokken belasting. Het beslag wordt na betaling van de verschuldigde sommen en kosten opgeheven. Bij niet-betaling van de voormelde sommen en kosten veroordeelt de rechtbank tot betaling ervan en gelast zij de verkoop van het in beslag genomen voertuig. De gerechtskosten, het bedrag van de betrokken belasting, de boete en de andere kosten worden aangerekend op de opbrengst van de verkoop van het voertuig en het eventuele overschot wordt aan de natuurlijke of rechtspersoon die in het inschrijvingsbewijs is opgenomen of moet worden opgenomen, terugbetaald. 13 B.8.1. Zoals de Waalse Regering aanvoert, kan de in het geding zijnde bepaling kennelijk niet worden geïnterpreteerd in die zin dat de bevoegde ambtenaren van het Waalse Gewest de in die bepaling vermelde bevoegdheden slechts kunnen aanwenden wanneer zij beschikken over een uitvoerbaar verklaard kohier. Uit het geheel van de in B.7.1 en B.7.2 beschreven procedures tot inning van de belastingen volgt immers dat de bevoegde ambtenaren van het Waalse Gewest door middel van de in het geding zijnde bepaling in afwijking van de reguliere inningsprocedure gemachtigd worden om, bij de vaststelling op de openbare weg van een overtreding van niet-betaling, het ontdoken bedrag van de belasting, verhoogd met een administratieve boete, onmiddellijk in hun handen te doen betalen. Uit het gebruik in die bepaling van de woorden « onmiddellijk » en « vaststelling op de openbare weg » blijkt dat die ambtenaren de in die bepaling vervatte bevoegdheden kunnen aanwenden zonder te beschikken over een uitvoerbaar verklaard kohier. Volgens artikel 17bis, § 1, van het decreet van 6 mei 1999 kan een belastingbedrag overigens niet alleen worden geïnd krachtens een uitvoerbaar verklaard kohier, maar ook krachtens een betalingsverplichting uit eigen beweging door de wetgeving opgelegd aan de belastingplichtige of krachtens een uitnodiging tot betaling of een fiscale afrekening, rechtstreeks gericht aan de belastingplichtige door de dienst aangewezen door de Regering. B.8.2. Doordat de derde prejudiciële vraag gebaseerd is op een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepaling, behoeft die vraag geen antwoord. B.9.1. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. 14 De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.9.2. Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in artikel 16 van de Grondwet, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de in het geding zijnde bepaling, rekening houdt met de eerstgenoemde. B.9.3. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van eigendom (eerste alinea, eerste zin). Een belasting of een andere heffing houdt in beginsel een inmenging in het recht op ongestoord genot van de eigendom in. Bovendien vermeldt artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol dat de bescherming van het eigendomsrecht « echter op geen enkele wijze het recht [aantast] dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». De inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom is enkel verenigbaar met dat recht indien ze een redelijk verband van evenredigheid heeft tot het nagestreefde doel, dit wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. Ofschoon de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt, schendt een belasting bijgevolg dat recht, indien ze op de belastingplichtige een overdreven last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie (EHRM, 31 januari 2006, Dukmedjian t. Frankrijk, §§ 52-58; beslissing, 15 december 2009, Tardieu de Maleissye e.a. t. Frankrijk; 16 maart 2010, Di Belmonte t. Italië, §§ 38-40). 15 B.10.1. Zoals is vermeld in B.5.3 en B.5.4, zijn natuurlijke personen die in België verblijven en in het Waalse Gewest gebruik maken van een voertuig dat in het buitenland is ingeschreven in beginsel vrijgesteld van de verkeersbelasting op de autovoertuigen en van de belasting op de inverkeerstelling wanneer dat voertuig door een buitenlandse werkgever of opdrachtgever ter beschikking werd gesteld en wordt gebruikt in de uitoefening van een beroep en in bijkomende orde voor privédoeleinden. B.10.2. Bij een omzendbrief van het Waalse Gewest van 30 maart 2018 (« Omzendbrief betreffende de verkeersbelasting of de inverkeerstellingsbelasting op de auto's. - In het buitenland ingeschreven voertuigen die door een persoon die in het Waalse Gewest verblijft, op het Waalse grondgebied gebruikt worden. - Voorwaarden voor de aanslag, de vrijstelling, en de eisbaarheid betreffende de verkeersbelasting en de inverkeerstellingsbelasting ») worden de toepassingsvoorwaarden van de voormelde vrijstelling nader gepreciseerd. Met betrekking tot de voorwaarde betreffende de terbeschikkingstelling van het voertuig « door een buitenlandse werkgever of opdrachtgever » verduidelijkt de omzendbrief dat de vrijstelling niet enkel geldt voor personen die met een buitenlandse werkgever zijn verbonden door middel van een arbeidsovereenkomst, maar eveneens voor personen die verbonden zijn met een buitenlandse opdrachtgever. Onder die laatste categorie vallen volgens de omzendbrief, onder meer, de personen die de hoedanigheid van zelfstandige hebben en die de uitoefening van een werkelijke beroepsactiviteit in de Staat waarin het gebruikte voertuig is ingeschreven, kunnen verantwoorden, evenals de werkende vennoten en de mandaathouders van een vennootschap, op voorwaarde dat ze voor hun activiteit worden bezoldigd. Met betrekking tot de voorwaarde betreffende het gebruik van het voertuig « in de uitoefening van zijn beroep en in bijkomende orde voor privé-doeleinden » verduidelijkt de omzendbrief dat indien de persoon die recht geeft op de belastingvrijstelling niet de bestuurder van het betrokken voertuig is, de onderwerping aan de belasting afhankelijk is van de vraag of de bestuurder al dan niet zijn woonplaats heeft op hetzelfde adres als de persoon die het recht op een vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van het voertuig in België opent : slechts indien de bestuurder dezelfde woonplaats heeft als de persoon die recht geeft op de belastingvrijstelling, geldt de belastingvrijstelling eveneens voor die bestuurder. 16 B.10.3. De in beginsel voor de voormelde personen geldende vrijstelling van de verkeersbelasting op autovoertuigen en van de belasting op de inverkeerstelling, is evenwel verbonden aan de in artikel 3, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 vervatte voorwaarde dat « een kopie van de arbeidsovereenkomst of opdracht […] zich aan boord van het voertuig [bevindt], evenals een door de buitenlandse werkgever of opdrachtgever opgesteld document waaruit blijkt dat laatstgenoemde het voertuig heeft ter beschikking gesteld van die persoon ». Die voorwaarde wordt voor de diverse categorieën van personen die in aanmerking komen voor de vrijstelling nader gepreciseerd in de voormelde omzendbrief van 30 maart 2018. Het zich niet aan boord van het voertuig bevinden van de voormelde documenten brengt, zoals eveneens blijkt uit de omzendbrief van 30 maart 2018, de onderwerping van de bestuurder van het voertuig aan de verkeersbelasting op de autovoertuigen en aan de belasting op de inverkeerstelling met zich mee. B.10.4. Wanneer de voormelde documenten zich niet aan boord van het voertuig bevinden, zijn de bevoegde ambtenaren, volgens de in het geding zijnde bepaling, gemachtigd om bij een controle op de openbare weg, het bedrag van de belastingen, verhoogd met een administratieve boete, onmiddellijk in hun handen te doen betalen en bij weigering tot betaling, om de in die bepaling vermelde maatregelen van aanhaling, inbeslagneming en verkoop van het voertuig in werking te stellen. B.11. Uit het voorgaande volgt dat personen die, vanwege de bijzondere omstandigheden waarin zij zich bevinden, in beginsel in aanmerking komen voor een vrijstelling van de verkeersbelasting op de autovoertuigen en van de belasting op de inverkeerstelling, die vrijstelling verliezen wanneer naar aanleiding van een controle op de openbare weg wordt vastgesteld dat de voormelde documenten zich niet aan boord van het voertuig bevinden, en als gevolg daarvan door de bevoegde ambtenaren kunnen worden onderworpen aan de onmiddellijke betaling van de belastingen, verhoogd met een administratieve boete, waarbij bij weigering tot betaling, het voertuig, in de in de in het geding zijnde bepaling omschreven omstandigheden, kan worden aangehaald, in beslag kan worden genomen en in voorkomend geval kan worden verkocht. 17 B.12. Rekening houdend met het feit dat personen die verblijven in België en beroepsactief zijn in het buitenland, voor het gebruik in het Waalse Gewest van het in het kader van hun beroepsactiviteit ter beschikking gestelde voertuig dat in het buitenland is ingeschreven, in beginsel in aanmerking komen voor een vrijstelling van de bedoelde belastingen, evenals met de substantiële aard van het onmiddellijk in handen van de bevoegde ambtenaren te betalen bedrag van de belastingen en met de verregaande gevolgen die de in het geding zijnde bepaling verbindt aan de weigering tot onmiddellijke betaling van dat bedrag, is de in het geding zijnde bepaling niet evenredig ten aanzien van het doel te komen tot een correcte inning van de verkeersbelasting op de autovoertuigen en van de belasting op de inverkeerstelling. De onderwerping aan de bedoelde belastingen, de onmiddellijke inning van het te betalen bedrag van de belastingen en, in geval van weigering tot betaling, de inwerkingstelling van de maatregelen betreffende de aanhaling, de inbeslagneming en de verkoop van het voertuig, zijn ten aanzien van de voormelde personen immers in werkelijkheid uitsluitend het gevolg van het niet aanwezig zijn van bepaalde documenten aan boord van het voertuig. In zoverre de in het geding zijnde bepaling de betrokken personen niet de mogelijkheid biedt om op een later tijdstip aan de hand van de voormelde documenten aan te tonen dat zij zijn vrijgesteld van de verkeersbelasting op de autovoertuigen en van de belasting op de inverkeerstelling, verbreekt die bepaling het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en de bescherming van het eigendomsrecht. B.13. Ten aanzien van natuurlijke personen die verblijven in het Waalse Gewest, en die in dat Gewest in het kader van hun beroep en in bijkomende orde voor privédoeleinden gebruik maken van een voertuig dat is ingeschreven in het buitenland en dat hun door een buitenlandse werkgever of opdrachtgever ter beschikking werd gesteld, is de in het geding zijnde bepaling om de voormelde redenen niet bestaanbaar met het eigendomsrecht, zoals gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.14. Rekening houdend met die vaststelling van ongrondwettigheid, is het niet noodzakelijk om de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de andere in de eerste en tweede prejudiciële vraag bedoelde referentienormen te onderzoeken, aangezien dat onderzoek niet tot een ruimere vaststelling van ongrondwettigheid kan leiden. 18 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 11bis, § 4, d), van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen » schendt artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling de bevoegde ambtenaren van het Waalse Gewest machtigt om, ten aanzien van natuurlijke personen die verblijven in België, en die in het Waalse Gewest in het kader van hun beroep en in bijkomende orde voor privédoeleinden gebruik maken van een voertuig dat is ingeschreven in het buitenland en dat hun door een buitenlandse werkgever of opdrachtgever ter beschikking werd gesteld, bij de vaststelling op de openbare weg van een overtreding van het in artikel 3, § 2, b), van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 « betreffende de inschrijving van voertuigen » vervatte voorschrift met betrekking tot het zich aan boord bevinden van de in dat artikel omschreven documenten, het bedrag van de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling, verhoogd met een administratieve boete, onmiddellijk in hun handen te doen betalen, en, in geval van weigering tot betaling, om de in dat artikel 11bis, § 4, d), vermelde maatregelen betreffende de aanhaling, de inbeslagneming en de verkoop van het voertuig in werking te stellen. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 juli 2020. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.106 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.