← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.107

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.107 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200716.1 Arrest- Rolnummer: 107/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-07-31 Raadplegingen: 669 - laatst gezien 2026-06-20 01:08 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 19, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, schendt de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in zoverre niet in de verplichting is voorzien om, in de betekening van de administratieve jurisdictionele beslissing, het bestaan van een administratief cassatieberoep alsmede de vormvoorschriften en termijnen ervan te vermelden. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 19, eerste en tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gesteld door de Raad van State. Bestuursrecht - Raad van State - Rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak - Rechtsmiddelen - Verplichte vermeldingen:

  1. In de handeling of beslissing met individuele draagwijdte;
  2. in de beslissing van een administratief rechtscollege - Beroep tot nietigverklaring / Administratief cassatieberoep. Tekst van de beslissing Rolnummer 7159 Arrest nr. 107/2020 van 16 juli 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 19, eerste en tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 244.091 van 1 april 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 april 2019, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 19, eerste en tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het, in het eerste lid, de ontvankelijkheid van de erin beoogde beroepen afhankelijk stelt van de indiening ervan binnen de termijn die de Koning vermag te bepalen en in zoverre het, in het tweede lid, bepaalt dat de verjaringstermijnen voor de beroepen tot nietigverklaring van administratieve akten met individuele strekking alleen een aanvang nemen op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt, zonder evenwel de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken eveneens te beogen ? ». Memories zijn ingediend door : - H.G., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Levert, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Bonbled en Mr. C. Dupret Torres, advocaten bij de balie te Brussel. H.G. heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 6 mei 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 20 mei 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Ministerraad om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 mei 2020 de dag van de terechtzitting bepaald op 18 juni
  3. Op de openbare terechtzitting van 18 juni 2020 : - zijn verschenen : . Mr. P. Levert, voor H.G.; . Mr. N. Bonbled, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 21 november 2012 dient H.G. een aanvraag voor een pensioen als oorlogsslachtoffer in overeenkomstig de wet van 15 maart 1954 « betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden ». De Burgerlijke Invaliditeitscommissie te Brussel verwerpt de aanvraag om reden dat de wet niet van toepassing zou zijn op H.G. Die laatstgenoemde bestrijdt die beslissing vervolgens voor de Hogere Commissie van Beroep te Brussel, die een prejudiciële vraag aan het Hof stelt. Bij zijn arrest nr. 172/2015 van 3 december 2015 zegt het Hof voor recht : « Artikel 1, § 4, tweede lid, a), van de wet van 15 maart 1954 ‘ betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden ’, zoals dat artikel vervangen werd bij artikel 1 van de wet van 17 februari 1975, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met artikel 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre het de aanvrager op algemene wijze en in elke omstandigheid ertoe verplicht zijn gewoonlijke verblijfplaats vanaf 1 januari 1931 of vanaf zijn geboorte op ononderbroken wijze op het nationale grondgebied te hebben behouden ». De zaak wordt verwezen naar de Hogere Commissie van Beroep te Brussel, die de aanvraag ontvankelijk verklaart en, bij een beslissing van 30 juni 2017, besluit tot een invaliditeit van 45 % ten aanzien van de verzoeker. Van die beslissing, die geen enkele vermelding van de beroepen of van de van toepassing zijnde beroepstermijnen bevat, wordt kennisgegeven bij een brief van 7 juli 2017, die aangetekend is verzonden op 11 juli 2017, waarvan H.G. op 13 juli 2017 de ontvangst bevestigt. Op 7 september 2017 stelt H.G. bij de Raad van State een beroep in tot nietigverklaring van de beslissing van de Hogere Commissie van Beroep te Brussel. Op 23 januari 2018 stelt hij een administratief cassatieberoep tegen diezelfde beslissing in. De Raad van State stelt vast dat het niet vermelden van de rechtsmiddelen niet wordt betwist. Artikel 19, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, machtigt de Koning ertoe de termijnen te bepalen voor de verschillende soorten van contentieux die aan de Raad van State worden voorgelegd, hetgeen Hij heeft gedaan door in verschillende termijnen te voorzien voor het vernietigingscontentieux en voor de administratieve cassatie. De Raad van State is evenwel van oordeel dat de niet-vermelding van de rechtsmiddelen wel degelijk een weerslag heeft op de voorwaarden voor de uitoefening van het voor hem ingestelde beroep en, bijgevolg, op de omvang en het daadwerkelijke karakter van het recht op toegang tot een rechter. De voor de Raad van State uiteengezette argumenten lijken hem niet te verantwoorden dat hij zich ervan onthoudt aan het Hof een vraag te stellen. De Raad van State beslist dan ook om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. 4 III. In rechte -A- A.1.
  4. H.G., verzoekende partij voor de Raad van State, is van mening dat er een verschil in behandeling bestaat tussen de administratieve akten die vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring en de administratieve jurisdictionele beslissingen die vatbaar zijn voor een administratief cassatieberoep, in zoverre de vermelding van de rechtsmiddelen enkel voor de eerste categorie verplicht is. Hij leidt daaruit af dat een individu verschillend wordt behandeld naargelang het de adressaat is van een individuele administratieve akte dan wel de adressaat van een administratieve jurisdictionele beslissing. A.1.
  5. H.G. doet gelden dat de nietigverklaringsprocedure, enerzijds, en de administratieve cassatieprocedure, anderzijds, niet aan dezelfde regels zijn onderworpen. Het Hof heeft zich weliswaar reeds uitgesproken over de grondwettigheid van de verschillende termijnen in beide soorten van contentieux, bij zijn arrest nr. 38/2010 van 22 april 2010, maar te dezen betreft het een andere kwestie, die geen betrekking heeft op de termijnen, maar op het informeren van de rechtzoekende teneinde hem een daadwerkelijke toegang tot een rechtbank te waarborgen. A.1.
  6. H.G. beklemtoont dat de vermelding van de rechtsmiddelen een voor de rechtzoekende gunstige maatregel is, die de toegang tot de rechter versterkt en past binnen het doel van informatie dat verband houdt met de positieve verplichtingen van de Staat vervat in artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en dat door de Raad van State is erkend in zijn arresten nrs. 244.091 van 1 april 2019 en 175.286 van 3 oktober
  7. A.1.
  8. De Raad van State is een rechtscollege in de zin van artikel 13 van de Grondwet en van de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het Hof dient de prejudiciële vraag bijgevolg te onderzoeken vanuit de invalshoek van het recht op een eerlijk proces en van het recht op toegang tot een rechtbank. H.G. voegt eraan toe dat het Hof daarenboven impliciet heeft erkend dat het verschil in behandeling tussen het vernietigingscontentieux en het administratieve cassatiecontentieux voor de Raad van State kon worden onderzocht vanuit het oogpunt van het aan een rechtzoekende erkende recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep (arrest nr. 38/2010, B.3.5 en B.6.2). A.1.
  9. Hoewel wordt aangenomen dat de toegang tot het gerecht niet verhindert dat in bijzondere nadere regels wordt voorzien, moeten die verantwoord en evenredig zijn. H.G. brengt in dat verband in herinnering dat het Hof bij zijn arrest nr. 151/2015 van 29 oktober 2015 heeft geoordeeld dat, inzake bewarend beslag onder derden, de ontstentenis van een bepaling die erin voorziet dat de akte van beslag in zeer duidelijke lettertekens de vermelding dient te bevatten van de termijn van vijf dagen die op straffe van verval is voorgeschreven bij artikel 1408, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, onbestaanbaar was met artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.2.
  10. De Ministerraad merkt op dat de vergeleken soorten van contentieux het voorwerp van onderscheiden regelingen uitmaken. Artikel 19 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de gecoördineerde wetten op de Raad van State), werd specifiek gewijzigd om een duidelijk onderscheid te maken tussen de beroepen tot nietigverklaring en de administratieve cassatieberoepen, en machtigt de Koning ertoe voor beide procedures onderscheiden nadere regels vast te stellen. Aldus voorziet het koninklijk besluit van 30 november 2006 « tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State » in een kortere verjaringstermijn dan die welke van toepassing is op het beroep tot nietigverklaring, namelijk 30 dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing. De verplichting om in de administratieve akte het bestaan van beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen te vermelden, verplichting vastgelegd in artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft enkel betrekking op het vernietigingscontentieux. 5 A.2.
  11. Vooraf beklemtoont de Ministerraad dat de wetgever, toen hij in 1994 de verplichting heeft ingevoerd om de rechtsmiddelen in het vernietigingscontentieux te vermelden, tot doel had de administratieve transparantie te versterken en zich te voegen naar de aanneming, in dezelfde periode, van artikel 32 van de Grondwet, met betrekking tot bestuursdocumenten, en naar de wet van 11 april 1994 « betreffende de openbaarheid van bestuur ». Die verplichting is vervolgens, vanuit een bekommernis om rechtszekerheid, gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, waarbij werd bepaald dat de verjaringstermijn in ieder geval aanvangt vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de akte of de individuele beslissing. In elke fase werd bewust ervoor gekozen niet in die verplichting te voorzien met betrekking tot het administratief cassatiecontentieux. A.2.
  12. De Ministerraad doet allereerst gelden dat de prejudiciële vraag, die betrekking heeft op artikel 19, eerste en tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in werkelijkheid enkel het tweede lid betreft, in zoverre het voorziet in de verplichting tot het vermelden van de rechtsmiddelen. A.2.
  13. De Ministerraad is vervolgens van mening dat de categorieën die het Hof wordt verzocht te vergelijken, namelijk de adressaten van individuele administratieve akten en de adressaten van beslissingen van administratieve rechtscolleges, niet vergelijkbaar zijn. De twee soorten van rechtsmiddelen, het beroep tot nietigverklaring en het administratief cassatieberoep, zijn fundamenteel verschillend; allereerst wat betreft de aard ervan, die gewoon is voor het beroep tot nietigverklaring en buitengewoon voor het administratief cassatieberoep, en, vervolgens, wat betreft de aard van de toetsing van de Raad van State, die de voor hem gebrachte beroepen tot nietigverklaring in feite en in rechte onderzoekt, maar de administratieve cassatieberoepen enkel in rechte onderzoekt en, ten slotte, wat betreft de aard van de getoetste akten, die eveneens verschilt. Het beroep tot nietigverklaring heeft immers betrekking op de administratieve akte, terwijl het administratief cassatieberoep de administratieve beslissingen in betwiste zaken betreft. De Ministerraad voegt eraan toe dat die beslissingen daarenboven worden uitgesproken door rechtbanken die het recht op een eerlijk proces waarborgen en dat zij gezag van gewijsde hebben. A.2.
  14. Ook al zouden de situaties vergelijkbaar zijn, toch is de Ministerraad van mening dat het verschil in behandeling op een objectief en relevant criterium is gebaseerd. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Het verschil is te dezen gebaseerd op de aard van het rechtsmiddel en niet op de persoon van de bestuurde. Dat criterium is relevant in zoverre het de bestuurde het recht op een beroep met volle rechtsmacht niet ontzegt. Wat het administratief cassatieberoep betreft, heeft een onderzoek voor een rechtscollege dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel waarborgt, immers reeds plaatsgevonden. A.2.
  15. Het verschil in behandeling is hoe dan ook evenredig met het legitieme doel dat erin bestaat de beginselen van behoorlijk bestuur en van rechtszekerheid te waarborgen, waarbij die legitimiteit is erkend door het Hof (arrest nr. 38/2010 van 22 april 2010). De Ministerraad beklemtoont dat van de rechtzoekende immers op legitieme wijze een diligentere houding kan worden verwacht in de context van een reeds lopend geschil. Bovendien vereist het beginsel van openbaarheid van administratieve akten enkel met betrekking tot de bestuursdocumenten, met uitsluiting van de jurisdictionele beslissingen, een actieve openbaarheid. A.2.
  16. Ten slotte, wat betreft de grieven in verband met het recht op toegang tot het gerecht, is de Ministerraad van mening dat het verschil in behandeling bestaanbaar is met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De toegang tot een rechtbank, overeenkomstig de voormelde bepaling, is niet absoluut, en de lidstaten beschikken over een grote bewegingsvrijheid om die toegang te waarborgen, tenzij de essentie zelf van het beschermde recht wordt aangetast. Aldus verplicht artikel 6, lid 1, van dat Verdrag de lidstaat niet om hoven van beroep of hoven van cassatie op te richten. Daarenboven brengt de Ministerraad in herinnering dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat het versnellen en het vereenvoudigen van het onderzoek van de zaken als legitieme doelstellingen kunnen worden beschouwd. A.3.
  17. Voor het overige is de Ministerraad van mening dat H.G. de wetgever verwijt dat hij geen uitzondering op de verjaring van de termijn voor administratief cassatieberoep invoert. Die termijn werd door het Hof echter herhaalde malen geldig verklaard (arresten nrs. 1/2009, 36/2009 en 67/2009). A.3.
  18. H.G. antwoordt dat de arresten van het Hof van 2009 irrelevant zijn, aangezien zij geen betrekking hebben op de verplichting om de rechtsmiddelen te vermelden, maar wel op de filter die is ingesteld bij het begin van de administratieve cassatieprocedure. 6 -B- B.1.
  19. Artikel 19, eerste en tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de gecoördineerde wetten op de Raad van State), bepaalt : « De aanvragen, moeilijkheden en beroepen tot nietigverklaring en cassatieberoepen bedoeld bij de artikelen 11, 12, 13, 14 en 16, 1° tot 8°, kunnen voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang en worden schriftelijk ingediend bij de afdeling in de vormen en binnen de termijn door de Koning bepaald. De verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, nemen alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt. Indien aan die verplichting niet wordt voldaan dan nemen de verjaringstermijnen een aanvang vier maanden nadat aan de betrokkene de akte of de beslissing met individuele strekking ter kennis werd gebracht ». Uit het tweede lid van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat enkel de beroepen tot nietigverklaring worden beoogd door de verplichting om, in de betekening van de individuele administratieve akte of beslissing, het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen, en de modulering van de aanvang van de verjaringstermijnen te vermelden. B.1.
  20. De administratieve cassatieberoepen maken het voorwerp uit van een onderscheiden regelgeving, namelijk het koninklijk besluit van 30 november 2006 « tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State ». Dat koninklijk besluit voorziet niet in een soortgelijke verplichting tot vermelding, in de in cassatie bestreden beslissing, van het bestaan, de vormvoorschriften en de termijnen van beroep. 7 B.
  21. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de verplichting tot het vermelden van het bestaan van het beroep alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen enkel betrekking heeft op de beroepen tot nietigverklaring, met uitsluiting van de administratieve cassatieberoepen, hetgeen een discriminerend verschil in behandeling zou teweegbrengen tussen de adressaten van een beslissing of een akte waartegen een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State openstaat en de adressaten van een door een administratief rechtscollege gewezen beslissing waartegen een administratief cassatieberoep bij de Raad van State openstaat. B.
  22. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.
  23. Het beroep tot nietigverklaring van een bestuurshandeling, zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is een beroep, in eerste en in laatste aanleg, waarbij de wettigheid van een bestuurshandeling zowel in feite als in rechte kan worden betwist. Het cassatieberoep bij de Raad van State is daarentegen gericht tegen een beslissing in betwiste zaken gewezen in laatste aanleg door een administratief rechtscollege waarvoor de rechtzoekende alle elementen van de hem betreffende individuele beslissing zowel in feite als in rechte heeft kunnen betwisten. De Raad van State waarbij cassatieberoep is ingesteld, neemt geen kennis van de grond van de zaak. 8 Bij zijn arrest nr. 38/2010 van 22 april 2010 heeft het Hof geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen de personen die zich in het kader van beide soorten van contentieux bevinden, dat voortvloeide uit de kortere termijn waarin is voorzien om een administratief cassatieberoep in te stellen, bestaanbaar was met de Grondwet, aangezien dat beroep alleen betrekking heeft op rechtsvragen en niet op het geschil in zijn geheel, waarbij dat beroep volgt op minstens één aanleg die de betrokkenen reeds de gelegenheid heeft geboden hun grieven voor te leggen aan een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege. Het Hof heeft geoordeeld dat het verschil in behandeling met betrekking tot de duur van de beroepstermijnen geen onevenredige aantasting inhoudt van het recht van de rechtzoekende op een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep. B.
  24. De prejudiciële vraag heeft geen betrekking op de verschillende termijnen die van toepassing zijn op, enerzijds, het beroep tot nietigverklaring en, anderzijds, het administratief cassatieberoep bij de Raad van State, maar op de ontstentenis van een verplichting om, in de betekening van de administratieve jurisdictionele beslissing, het bestaan van een administratief cassatieberoep alsmede de op dat beroep van toepassing zijnde vormvoorschriften en termijnen te vermelden. B.6.
  25. Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht in op toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan de vereisten van het eerlijk proces dat onder meer wordt gewaarborgd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.6.
  26. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel binnen een bepaalde termijn. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. 9 B.
  27. Het recht om een administratief cassatieberoep in te stellen tegen een administratieve jurisdictionele beslissing mag weliswaar worden omgeven met specifieke procedurele vereisten bij het aanwenden van rechtsmiddelen, maar die vereisten mogen het de rechtzoekende niet onmogelijk maken een beschikbaar rechtsmiddel aan te wenden. B.
  28. Artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de afdeling bestuursrechtspraak uitspraak doet over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. B.9.
  29. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat de regels met betrekking tot de mogelijkheden inzake de rechtsmiddelen en de termijnen niet alleen duidelijk worden gesteld, maar ook dat zij zo expliciet mogelijk aan de rechtzoekenden ter kennis worden gebracht, opdat die gebruik ervan kunnen maken overeenkomstig de wet (EHRM, 1 maart 2011, Faniel t. België, § 30; 31 januari 2012, Assunção Chaves t. Portugal, § 81). Die arresten hadden evenwel enkel betrekking op het rechtsmiddel van verzet tegen een rechterlijke beslissing die bij verstek is gewezen. In geval van een cassatieberoep mogen de ontvankelijkheidsvoorwaarden strikter zijn (EHRM, grote kamer, 5 april 2018, Zubac t. Kroatië, § 82). B.9.
  30. De vermelding van het bestaan van rechtsmiddelen in de betekening van een jurisdictionele beslissing is een essentieel element van het algemeen beginsel van behoorlijke rechtsbedeling en van het recht op toegang tot de rechter, dat voortvloeit uit artikel 13 van de Grondwet. 10 B.
  31. Aangezien de verwachtingen met betrekking tot het recht op een eerlijk proces en het informeren van de rechtzoekende dat inherent is aan het recht op toegang tot de rechter, even reëel en legitiem zijn bij de adressaten van een beslissing van een administratief rechtscollege als bij de adressaten van een individuele administratieve akte, doet het ontbreken van de voormelde verplichting zonder redelijke verantwoording afbreuk aan dat beginsel. Het ontbreken van die vermelding kan niet worden verantwoord door de door de Ministerraad aangevoerde doelstelling om de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechtszekerheid te waarborgen. Een dergelijke doelstelling is weliswaar legitiem, doch zou evenzeer worden gewaarborgd indien de betekening van de administratieve jurisdictionele beslissing de administratieve cassatieberoepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen zou vermelden. B.
  32. De prejudiciële vraag dient in die mate bevestigend te worden beantwoord. B.
  33. Het staat aan de wetgever om de nadere regels te bepalen van de verplichting om in de betekening van de administratieve jurisdictionele beslissing het bestaan van een administratief cassatieberoep alsmede de vormvoorschriften en termijnen ervan te vermelden. In afwachting van een optreden van de wetgever staat het aan de verwijzende rechter om een einde te maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid door de regeling die is neergelegd in artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bij analogie toe te passen. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 19, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, schendt de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in zoverre niet in de verplichting is voorzien om, in de betekening van de administratieve jurisdictionele beslissing, het bestaan van een administratief cassatieberoep alsmede de vormvoorschriften en termijnen ervan te vermelden. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 juli
  34. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.107 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.150 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.