id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 16 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.108 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200716.2 Arrest- Rolnummer: 108/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-29 Raadplegingen: 899 - laatst gezien 2026-06-20 20:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.8.2, schenden de artikelen 848 tot 850 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 152 en 209bis van het Wetboek van strafvordering niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 848 tot 850 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 152 en 209bis van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Gerechtelijk recht - Burgerlijke rechtspleging - Geding - Tussengeschillen - Ontkentenis van proceshandelingen - Niet-toepassing voor de strafgerechten. Tekst van de beslissing Rolnummer 7167 Arrest nr. 108/2020 van 16 juli 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 848 tot 850 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 152 en 209bis van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 24 april 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 april 2019, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 848 tot 850 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 152 en 209bis van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, in die zin geïnterpreteerd dat een procespartij, nadat namens haar conclusies werden genomen conform een beschikking op grond van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering, evenwel zonder dat zij kennis had van de inhoud en deze niet toegelaten noch bekrachtigd heeft, het recht niet zou hebben om deze conclusies van onwaarde te laten verklaren, terwijl een andere procespartij, nadat namens haar conclusies werden genomen conform een beschikking op grond van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek, evenwel zonder dat zij kennis had van de inhoud en deze niet toegelaten noch bekrachtigd heeft, wel het recht heeft om deze conclusies van onwaarde te laten verklaren ? ». Op 21 mei 2019 hebben de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. F.S., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Rieder, advocaat bij de balie te Gent, heeft een memorie met verantwoording ingediend. Bij beschikking van 9 juli 2019 heeft het Hof beslist de zaak overeenkomstig de gewone rechtspleging voort te zetten. Memories zijn ingediend door : - F.S., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Rieder; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 22 april 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 mei 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van een partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 mei 2020 de dag van de terechtzitting bepaald op 18 juni
- Op de openbare terechtzitting van 18 juni 2020 : - zijn verschenen : 3 . Mr. M. Gutwirth, advocaat bij de balie te Gent, loco Mr. H. Rieder, voor F.S.; . Mr. T. Moonen, tevens loco Mr. A. Wirtgen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij vonnis van 23 april 2018 heeft de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, F.S. en M.H. veroordeeld voor onder meer illegale vleeshandel. Tegen dat vonnis hebben beide beklaagden hoger beroep ingesteld op 22 mei
- Het openbaar ministerie heeft een volgberoep ingesteld op 24 mei
- De raadslieden van beide beklaagden hebben op 28 maart 2019 op de griffie van het Hof van Beroep te Gent een verzoekschrift tot ontkentenis van proceshandeling neergelegd. Hierin vragen zij dat de neerlegging van de conclusie voor de beklaagde F.S. op 8 januari 2019 van onwaarde zou worden verklaard. Voorts verzoekt de beklaagde F.S. in de conclusie neergelegd op de terechtzitting van 28 maart 2019 het Hof van Beroep te Gent om de voorliggende vraag te stellen aan het Hof. Aangezien het antwoord op die vraag onontbeerlijk wordt geacht voor het beslechten van de strafvordering, gaat het Hof van Beroep te Gent in op dat verzoek. III. In rechte -A- A.1.
- F.S., beklaagde in het bodemgeschil, stelt dat het beginsel vastgelegd in artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, inzake de verschijning van de advocaat als gevolmachtigde van een procespartij, evenzeer geldt in strafzaken. De advocaat van de beklaagde dient geen volmacht voor te leggen, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving vereist (Cass., 9 januari 2007, P.06.1175.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.3). Het lastgevingsmandaat van de advocaat om in rechte op te treden, blijft ten aanzien van de lastgever en de procespartijen gelden zolang de ontkentenis niet aangetoond is (Cass., 30 april 2015, C.13.0094.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150430.7). A.1.
- Vooreerst beschrijft de beklaagde in het bodemgeschil de evolutie om zich in strafzaken te kunnen laten vertegenwoordigen door een advocaat ter zitting. Voorheen diende de beklaagde in beginsel in persoon te verschijnen om te voorkomen dat het procesverloop zou worden vertraagd door incidenten over de verschijning of de vertegenwoordiging van de beklaagde, daar het strafproces niet mag te lijden hebben onder vertragingsmaneuvers en onzekerheden. Bij het arrest van 21 januari 1999, Van Geyseghem t. België, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat die regeling niet in overeenstemming was met artikel 6, lid 3, c), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Vervolgens heeft de wetgever in 2003 artikel 185 van het Wetboek van strafvordering gewijzigd waardoor de ratio legis van de oude regeling niet meer geldt. 4 A.1.
- Voorts had de beklaagde vroeger het recht om schriftelijke conclusies neer te leggen tot aan de sluiting van de debatten. Het Hof van Cassatie erkende het recht te verrassen, zolang er geen sprake was van procesrechtsmisbruik. Bij de wet van 5 februari 2016 « tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie » is evenwel een systeem van dwingende conclusietermijnen in strafzaken ingevoerd (artikel 152 van het Wetboek van strafvordering). Niet-tijdige conclusies kunnen ambtshalve uit de debatten worden geweerd, aangezien de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek nu ook in strafzaken toepasselijk zijn. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft gewild dat de regels van het gerechtelijk recht van toepassing worden in strafzaken (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1418/001, pp. 69-70). A.1.
- Uit het voorgaande vloeit voort dat een beklaagde, behoudens in geval van bevel tot persoonlijke verschijning, zich kan beperken tot het zich laten vertegenwoordigen door een advocaat, die op grond van artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet van een volmacht moet doen blijken. Voorts is ook het neerleggen van conclusies geregeld zoals in het Gerechtelijk Wetboek. Ondanks de processuele gelijkschakeling tussen de procespartij in een burgerlijke procedure en de beklaagde, kan enkel de eerstgenoemde een ontkentenis van proceshandelingen instellen overeenkomstig de artikelen 848 tot en met 850 van het Gerechtelijk Wetboek. Het buiten toepassing stellen van die bepalingen in de strafprocedure leidt tot een onevenredige aantasting van de rechten van de beklaagde. Overigens bevat het Wetboek van strafvordering geen wettelijke bepaling waaruit blijkt dat een doelstelling van snelheid en algemeen belang wordt nagestreefd, die te onderscheiden zou zijn van het gerechtelijk recht. A.1.
- De beklaagde in het bodemgeschil benadrukt dat de rechtspraak van het Hof en het Hof van Cassatie haar relevantie heeft verloren ingevolge de hiervoor aangehaalde wetswijzigingen. Het arrest van het Hof nr. 21/2018 van 22 februari 2018, waarbij uitdrukkelijk verwezen wordt naar het cassatiearrest van 24 september 2014, kan niet meer gelden in het licht van het huidige artikel 152 van het Wetboek van strafvordering. Aangezien eenieder nu gebonden is door de beslissing van de rechtbanken en hoven wat betreft conclusietermijnen, moet de beklaagde ook beschikken over de mogelijkheid om de proceshandeling van een raadsman die niet gehandeld heeft volgens de instructie van zijn cliënt en waarbij die proceshandeling niet werd bekrachtigd door die laatste, van onwaarde te laten verklaren. In de huidige stand van de wetgeving is er geen redelijke verantwoording voorhanden voor het verschil in behandeling. A.2.
- De Ministerraad stelt dat het Wetboek van strafvordering niet voorziet in de mogelijkheid om over te gaan tot de ontkentenis van een conclusie of proceshandelingen in het algemeen. Het Hof van Cassatie heeft herhaaldelijk geoordeeld dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de ontkentenis van proceshandelingen niet van toepassing zijn voor de strafgerechten (Cass., 11 februari 1986, Arr. Cass., 1986, nr. 373; 15 december 2004, P.04.1590.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041215.11; 16 maart 2016, P.15.1662.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160316.3). Eveneens oordeelde het Hof van Cassatie dat in het licht van de doelstellingen van het Wetboek van strafvordering niet zou mogen worden toegestaan dat een dergelijke procedure tussengeschillen veroorzaakt die de rechtspleging dreigen te vertragen. A.2.
- Het Hof heeft zich recent bij de zienswijze van het Hof van Cassatie aangesloten door bij zijn voormelde arrest nr. 21/2018 te oordelen dat de doelstellingen van het Wetboek van strafvordering zouden worden ondergraven door de toepassing van de procedure van ontkentenis van proceshandelingen in strafzaken. Talrijke onzekerheden zouden kunnen ontstaan, onder meer met betrekking tot het aanwenden van rechtsmiddelen. De maatschappelijke belangen die met de strafrechtspleging gediend worden, verzetten zich tegen dergelijke gevolgen van de procedure tot ontkentenis. Dat geldt niet voor de private belangen die aan de orde zijn in de burgerlijke rechtspleging. A.2.
- Het gegeven dat het voormelde arrest betrekking had op de beoordeling van een uit de strafvordering voortvloeiende burgerlijke rechtsvordering, verandert daar niets aan. De burgerlijke aspecten van de rechtspleging voor de strafrechtscolleges kunnen immers niet gescheiden worden van de strafrechtelijke. Het antwoord op de voorliggende vraag zit dus reeds vervat in het arrest nr. 21/
- Indien het Hof zou stellen dat de regeling van de ontkentenis van proceshandelingen voor burgerlijke geschillen ook moet gelden in strafrechtelijke geschillen, zou de ontkentenis mogelijk moeten zijn in zaken waarbij louter over een burgerlijke rechtsvordering uitspraak wordt gedaan. Dat stemt niet overeen met de redenering van het Hof in het voormelde arrest. 5 A.2.
- De Ministerraad brengt in herinnering dat het Hof zelf heeft geoordeeld dat het terugkomen op de eigen rechtspraak, in het licht van de rechtszekerheid, slechts verantwoord is wanneer de juridische context waarin het zich had uitgesproken, een normatieve ontwikkeling heeft gekend die van dien aard is dat de motivering van zijn vroegere arresten erdoor wordt beïnvloed. In casu zijn er geen redenen, a fortioiri wanneer men rekening houdt met de recente aard van die rechtspraak en het gebrek aan veranderde feitelijke omstandigheden of rechtsopvattingen, om anders te oordelen. A.
- De Ministerraad betwist dat de rechtspraak van het Hof en het Hof van Cassatie niet meer relevant zou zijn ingevolge de door de beklaagde in het bodemgeschil aangehaalde wetswijzigingen. Het is niet omdat nu in strafzaken dwingende conclusietermijnen kunnen worden bepaald dat automatisch een regeling van de ontkentenis van proceshandelingen zou moeten worden ingevoerd. Overigens dateren de aangehaalde wetswijzingen reeds van vóór het arrest nr. 21/2018 van 22 februari
- Aangezien het Hof die argumenten op dat ogenblik niet is bijgetreden en sindsdien geen relevante wijzigingen in het wettelijk kader werden aangebracht, zou een bevestigend antwoord op de prejudiciële vraag niet alleen bijzonder moeilijk te verantwoorden zijn in het licht van de rechtszekerheid, maar ook moeten steunen op overwegingen die in het voormelde recente arrest nog werden verworpen. A.4.
- Zelfs mocht het Hof van oordeel zijn dat het antwoord op de voorliggende vraag niet voortvloeit uit het voormelde arrest, meent de Ministerraad dat het feit dat procespartijen voor de burgerlijke rechtscolleges, anders dan voor de strafrechtscolleges, over de mogelijkheid beschikken om de ontkentenis van proceshandelingen te verkrijgen, geen schending inhoudt van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.4.
- Vooreerst zijn de categorieën van personen in burgerlijke zaken en strafzaken niet voldoende vergelijkbaar. De procespartijen die hun burgerlijke dan wel strafrechtelijke belangen verdedigen, zijn immers betrokken in verschillende procedures, voor verschillende rechtscolleges, met een verschillende aard en met verschillende doelstellingen. Het Hof heeft bij zijn arrest nr. 99/2007 van 12 juli 2007 duidelijk gesteld dat de burgerlijke procedure en de strafrechtelijke procedure aan onderscheiden doelstellingen beantwoorden en fundamenteel verschillende voorwerpen hebben. A.4.
- Daarenboven kan het recht op een eerlijk proces niet zo worden begrepen dat het zich zou verzetten tegen een regeling die de mogelijkheden van tijdrovende tussengeschillen over procesvertegenwoordiging beperkt, in het licht van de bijzondere maatschappelijke belangen die met de strafrechtspleging gepaard gaan. Dat is zonder twijfel een wettige doelstelling, rekening houdend met de overige waarborgen waarover een procespartij in strafzaken beschikt. De voorliggende vraag moet bijgevolg ontkennend worden beantwoord. A.
- Indien het Hof evenwel van oordeel zou zijn dat er redenen voorhanden zijn om af te wijken van zijn arrest nr. 21/2018, herhaalt de Ministerraad zijn stellingname in de memorie in de zaak die tot dat arrest aanleiding gegeven heeft. Daarin wees de Ministerraad erop dat de niet-toepasselijkheid van de artikelen 848 tot en met 850 van het Gerechtelijk Wetboek op gedingen voor de strafrechter, niet voortvloeit uit de tekst van die bepalingen. Artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt immers dat de in dat Wetboek gestelde regels in beginsel van toepassing zijn op alle rechtsplegingen. Het Hof zou dan ook kunnen oordelen dat de artikelen 848 tot en met 850 van het Gerechtelijk Wetboek ook van toepassing zijn tijdens de strafrechtspleging. In die interpretatie zou het verschil in behandeling ophouden te bestaan. 6 -B- B.
- De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of de artikelen 848 tot 850 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 152 en 209bis van het Wetboek van strafvordering bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre een procespartij voor een strafgerecht niet het recht zou hebben om conclusies die werden ingediend door haar raadsman, van onwaarde te laten verklaren, terwijl een procespartij voor een burgerlijk rechtscollege wel over dat recht beschikt. In de prejudiciële vraag wordt aldus verzocht de situatie van de rechtzoekenden die bij een burgerlijk rechtscollege een vordering tot ontkentenis tegen hun raadsman wensen in te stellen, te vergelijken met de situatie van de rechtzoekenden die voor een strafgerecht een vordering tot ontkentenis tegen hun raadsman wensen in te stellen. B.
- De artikelen 848 tot 850 van het Gerechtelijk Wetboek, die hoofdstuk VI (« Ontkentenis van proceshandelingen ») van titel III (« Tussengeschillen en bewijs ») van boek II (« Geding ») van deel IV (« Burgerlijke rechtspleging ») van het Gerechtelijk Wetboek vormen, bepalen : « Art.
- Ingeval een proceshandeling wordt verricht namens een persoon, buiten iedere wettelijke vertegenwoordiging, zonder dat deze die handeling, zelfs stilzwijgend, heeft gelast, toegelaten of bekrachtigd, kan hij de rechter verzoeken die handeling van onwaarde te verklaren. Dit geldt eveneens voor de reeds gedane onderzoeksverrichtingen en voor de beslissingen gewezen ingevolge de van onwaarde verklaarde handeling. De andere partijen in het geding kunnen dezelfde vordering indienen, tenzij de persoon namens wie de handeling is verricht, deze bekrachtigt of te bekwamer tijd bevestigt. Art.
- Wanneer de zaak voor de rechter aanhangig is in eerste of tweede aanleg, wordt de in artikel 848 bedoelde vordering tot ontkentenis gedaan volgens de regels van de tussenkomst. Blijft er een rechtsmiddel mogelijk, dan kan de vordering tot ontkentenis ingediend worden samen met dit rechtsmiddel. In de andere gevallen wordt de vordering tot ontkentenis ingediend samen met de herroeping van het gewijsde zoals gezegd wordt in artikel
- 7 Iedere vordering tot ontkentenis wordt aan het openbaar ministerie medegedeeld. Degene tegen wie de vordering tot ontkentenis is toegewezen, kan worden veroordeeld tot schadevergoeding jegens de eiser en jegens de andere partijen. Art.
- De rechter kan, op verzoek van een partij, weigeren rekening te houden met de aanbieding, erkenning of toestemming die niet gewettigd is door de handtekening van degene van wie zij uitgaat of van zijn bijzondere gemachtigde ». B.
- Het geschil dat voor de verwijzende rechter hangende is, betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de correctionele rechtbank. In het kader van dat hoger beroep wenst de beklaagde een procedure tot ontkentenis in te stellen tegen zijn vorige raadsman, doordat conclusies in de procedure voor het Hof van Beroep, overeenkomstig de artikelen 152 en 209bis van het Wetboek van strafvordering, zouden zijn neergelegd zonder dat beklaagde kennis had van de inhoud en zonder dat die laatste die proceshandeling heeft toegelaten of bekrachtigd. B.
- Bij de artikelen 848 tot 850 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de procedure geregeld die het mogelijk maakt een vordering tot ontkentenis in te stellen tegen een persoon die, zonder lastgeving of met overschrijding van de grenzen ervan, een proceshandeling zou hebben verricht. De rechter zal de aldus verrichte proceshandeling alsook, in voorkomend geval, de reeds gedane onderzoeksverrichtingen en de beslissingen gewezen ingevolge de van onwaarde verklaarde handeling, van onwaarde kunnen verklaren (artikel 848, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De vordering tot ontkentenis kan worden ingediend door de persoon namens wie de handeling is verricht (artikel 848, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek) of door de andere partijen in het geding (artikelen 848, derde lid, en 850 van het Gerechtelijk Wetboek), behalve wanneer de partij namens wie de handeling is verricht, die heeft bekrachtigd of te bekwamer tijd heeft bevestigd (artikel 848, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 8 De vordering tot ontkentenis kan een tussenvordering zijn en wordt gedaan volgens de regels van de tussenkomst, wanneer de zaak voor de rechter aanhangig is in eerste of tweede aanleg (artikel 849, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Zij kan ook worden ingediend samen met een rechtsmiddel, indien er een rechtsmiddel mogelijk blijft (artikel 849, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek), of, in de andere gevallen, samen met de herroeping van het gewijsde zoals bepaald in artikel 1134 van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 849, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Degene tegen wie de vordering tot ontkentenis is toegewezen, kan worden veroordeeld tot schadevergoeding jegens de eiser en jegens de andere partijen (artikel 849, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De persoon tegen wie de vordering tot ontkentenis is ingediend, moet, met inachtneming van de rechten van de verdediging, bij de zaak worden betrokken (Cass., 16 maart 2016, P.15.1662.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160316.3). B.5.
- Wat het toepassingsgebied van de in het geding zijnde bepalingen betreft, heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat zij niet van toepassing zijn voor de strafgerechten (Cass., 11 februari 1986, Arr. Cass., 1986, nr. 373; 15 december 2004, P.04.1590.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041215.11; 24 september 2014, P.14.0022.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140924.1; 16 maart 2016, P.15.1662.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160316.3) aangezien « het Wetboek van Strafvordering, dat de vertegenwoordiging van de beklaagde regelt, […] niet [toestaat] dat dit tussengeschillen veroorzaakt die de rechtspleging dreigen te vertragen » (Cass., 24 september 2014, P.14.0022.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140924.1). B.5.
- Wat de mogelijkheid betreft om een vordering tot ontkentenis in te dienen, zoals zij is geregeld bij de artikelen 848 tot 850 van het Gerechtelijk Wetboek, worden de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen derhalve verschillend behandeld. B.
- Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. 9 B.
- Bij zijn arrest nr. 21/2018 van 22 februari 2018 heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat het Wetboek van strafvordering niet voorziet in een specifieke procedure tot ontkentenis niet betekent dat de artikelen 848 tot 850 van het Gerechtelijk Wetboek ertoe strekken van toepassing te zijn voor de strafgerechten. De toepassing van de in het geding zijnde bepalingen op de door het Wetboek van strafvordering georganiseerde strafrechtspleging zou immers klaarblijkelijk strijdig zijn met de door het Wetboek van strafvordering nagestreefde algemene beginselen en doelstellingen, namelijk de doelstellingen van snelheid en algemeen belang die eigen zijn aan de voor de strafrechter gevoerde strafrechtspleging, en de zorg om tussengeschillen die rechtspleging niet te laten vertragen (in die zin, Cass., 24 september 2014, P.14.0022.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140924.1). B.8.
- De beklaagde die zich in het begin van de rechtspleging laat vertegenwoordigen door een advocaat wordt geacht aan die advocaat een machtiging te geven om hem te vertegenwoordigen tot het einde van de rechtspleging, behoudens uitdrukkelijke aanwijzing van het tegendeel die uitgaat ofwel van de beklaagde, ofwel van zijn advocaat. Hij kan ook de beroepsaansprakelijkheid van zijn advocaat in het geding brengen indien die een handeling stelt die de lastgeving die hij heeft ontvangen, overschrijdt. B.8.
- Aangezien het vermoeden van het mandaat ad litem waarin is voorzien bij artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is voor de strafgerechten (Cass., 22 december 1999, P.99.0154.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991222.16; Cass., 9 januari 2007, P.06.1175.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.3) en weerlegbaar is (Cass., 9 februari 1978, Arr. Cass., 1978, p. 688; 17 april 1997, C.96.0051.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970417.8; 9 januari 2007, P.06.1175.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.3), dient ervan te worden uitgegaan dat, los van de toepassing van de artikelen 848 tot 850 van het Gerechtelijk Wetboek, de beklaagde dat vermoeden moet kunnen weerleggen met alle middelen van recht en met inachtneming van de rechten van de verdediging. B.8.3.Rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.8.2, leiden de in het geding zijnde bepalingen, in zoverre zij niet van toepassing zijn voor de strafgerechten, niet tot een onevenredige aantasting van de rechten van de beklaagde die tegen zijn vorige raadsman een vordering tot ontkentenis zou wensen in te stellen. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.8.2, schenden de artikelen 848 tot 850 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 152 en 209bis van het Wetboek van strafvordering niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.108 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970417.8 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991222.16 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041215.11 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070109.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140924.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150430.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160316.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div