id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 31 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.113 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200831.1 Arrest- Rolnummer: 113/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-09-02 Raadplegingen: 446 - laatst gezien 2026-06-19 17:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 30 maart 2018 « met betrekking tot het niet in aanmerking nemen van diensten gepresteerd als nietvastbenoemd personeelslid voor een pensioen van de overheidssector, tot wijziging van de individuele responsabilisering van de provinciale en lokale overheden binnen het Gesolidariseerde pensioenfonds, tot aanpassing van de reglementering inzake aanvullende pensioenen, tot wijziging van de modaliteiten van de financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen en tot bijkomende financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen », ingesteld door de Franse Gemeenschapsregering, door Muriel Hogie, door Myriam Maes, door Gilles Thône, door Natacha Crèvecoeur en Suliga Faraji en door de gemeente Schaarbeek. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Pensioenen van de publieke sector - Gemengde pensioenregeling. Tekst van de beslissing Rolnummers 7003, 7021, 7024, 7025, 7028 en 7029 Arrest nr. 113/2020 van 31 augustus 2020 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 30 maart 2018 « met betrekking tot het niet in aanmerking nemen van diensten gepresteerd als nietvastbenoemd personeelslid voor een pensioen van de overheidssector, tot wijziging van de individuele responsabilisering van de provinciale en lokale overheden binnen het Gesolidariseerde pensioenfonds, tot aanpassing van de reglementering inzake aanvullende pensioenen, tot wijziging van de modaliteiten van de financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen en tot bijkomende financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen », ingesteld door de Franse Gemeenschapsregering, door Muriel Hogie, door Myriam Maes, door Gilles Thône, door Natacha Crèvecoeur en Suliga Faraji en door de gemeente Schaarbeek. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 september 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 september 2018, heeft de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-M. Wolter, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 3, 5, 10 en 15 tot 23 van de wet van 30 maart 2018 « met betrekking tot het niet in aanmerking nemen van diensten gepresteerd als nietvastbenoemd personeelslid voor een pensioen van de overheidssector, tot wijziging van de individuele responsabilisering van de provinciale en lokale overheden binnen het Gesolidariseerde pensioenfonds, tot aanpassing van de reglementering inzake aanvullende pensioenen, tot wijziging van de modaliteiten van de financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen en tot bijkomende financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 april 2018). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 12 oktober 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 oktober 2018, heeft Muriel Hogie beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 oktober 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 oktober 2018, heeft Myriam Maes beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 oktober 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 17 oktober 2018, heeft Gilles Thône beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet. e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 oktober 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 oktober 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 3, § 2, en 6 van dezelfde wet door Natacha Crèvecoeur en Suliga Faraji, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Joassart, advocaat bij de balie te Brussel. f. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 oktober 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 oktober 2018, heeft de gemeente Schaarbeek, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Molitor, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 12 en 28 van dezelfde wet. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7003, 7021, 7024, 7025, 7028 en 7029 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Pertry en Mr. B. Martel, advocaten bij de balie te Brussel (in alle zaken); - het College van de Franse Gemeenschapscommissie, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Letellier, advocaat bij de balie te Brussel (in de zaken nrs. 7021, 7024, 7025, 7028 en 7029); 3 - de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Collon, advocaat bij de balie te Brussel (in de zaken nrs. 7021, 7024, 7025, 7028 en 7029). De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad; - het College van de Franse Gemeenschapscommissie. Bij beschikking van 12 februari 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet, ter vervanging van rechter J.-P. Moerman, wettig verhinderd, en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 4 maart 2020 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partij in de zaak nr. 7003 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 4 maart 2020 de dag van de terechtzitting bepaald op 22 april
- Bij beschikking van 18 maart 2020 heeft het Hof een richtlijn aangenomen (« Richtlijn betreffende de bijzondere proceduremaatregelen van het Grondwettelijk Hof in het kader van de coronaviruscrisis »), waarbij in artikel 1 ervan werd bepaald dat tot nader order geen enkele terechtzitting zou worden vastgesteld en dat de zaken die reeds vastgesteld waren voor de terechtzitting van 22 april 2020 (de zaken met de rolnummers 7003, 7021, 7024, 7025, 7028 en 7029), sine die worden verdaagd. Bij beschikking van 20 mei 2020 heeft het Hof de dag van de terechtzitting bepaald op 16 juni
- Op de openbare terechtzitting van 16 juni 2020 : - zijn verschenen : . Mr. J.-M. Wolter, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7003; . Mr. C. Molitor, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7029; . Mr. V. Pertry en Mr. F.-X. Gaudissart, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. B. Martel, voor de Ministerraad (in alle zaken); . Mr. V. Letellier, voor het College van de Franse Gemeenschapscommissie (in de zaken nrs. 7021, 7024, 7025, 7028 en 7029); - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en L. Lavrysen verslag uitgebracht; 4 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Zaak nr. 7003 A.1.
- De Ministerraad stelt vast dat het door de Franse Gemeenschapsregering ingestelde beroep alleen betrekking heeft op de artikelen 2, 3, 5, 10 en 15 tot 23 van de wet van 30 maart 2018 « met betrekking tot het niet in aanmerking nemen van diensten gepresteerd als nietvastbenoemd personeelslid voor een pensioen van de overheidssector, tot wijziging van de individuele responsabilisering van de provinciale en lokale overheden binnen het Gesolidariseerde pensioenfonds, tot aanpassing van de reglementering inzake aanvullende pensioenen, tot wijziging van de modaliteiten van de financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen en tot bijkomende financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen » (hierna : de bestreden wet). De andere bepalingen van de wet worden niet beoogd. Bovendien zet de verzoekende partij in haar verzoekschrift niet uiteen, wat de beoogde bepalingen betreft, in welk opzicht de artikelen 2, 3, §§ 1 en 3, 5 en 10 van de bestreden wet de beoogde referentienormen zouden schenden. Het beroep is dus deels onontvankelijk, wegens het ontbreken van een uiteenzetting van de grieven. A.1.
- De verzoekende partij verzet zich niet ertegen dat het beroep wordt begrensd tot de artikelen 2, 3, 5, 10 en 15 tot 23 van de bestreden wet, indien het Hof vaststelt dat in geval van vernietiging van die bepalingen de andere bepalingen van de wet een nut behouden. Zij betwist daarentegen de bewering dat het beroep geen betrekking zou hebben op de artikelen 2, 3, §§ 1 en 3, 5 en 10 van de bestreden wet. De kritiek die zij formuleerde met betrekking tot de retroactiviteit van de bij de bestreden wet ingevoerde pensioenregeling en de ontstentenis van een overgangsregeling heeft immers betrekking op die bepalingen. Zaken nrs. 7021, 7024, 7025, 7028 en 7029 A.1.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 zijn contractuele personeelsleden van de Franse Gemeenschap (zaak nr. 7021) en van de provincie Luik (zaken nrs. 7024 en 7025) die in vast verband werden benoemd, na verschillende dienstjaren die zij vervulden als contractueel personeelslid, vanaf respectievelijk 15 januari 2018 (zaak nr. 7021), 1 december 2017 (zaak nr. 7024) en 18 april 2018 (zaak nr. 7025), dat wil zeggen na 30 november
- De bij de bestreden wet ingevoerde nieuwe pensioenregeling is dus van toepassing op de verzoekende partijen die hun belang verantwoorden door het verschil in pensioenbedrag dat voor hen eruit voortvloeit. A.1.
- De twee verzoekende partijen in de zaak nr. 7028 werden in dienst genomen als contractueel personeelslid van de Waalse Overheidsdienst, enerzijds, en van de gemeente Elsene en vervolgens die van Sint- Pieters-Woluwe, anderzijds. Zij werden in vast verband benoemd, respectievelijk op 16 februari 2018 met ingang van 1 maart 2018 en op 23 januari 2018 met ingang van 1 februari 2018, met andere woorden na 30 november
- De bij de bestreden wet ingevoerde nieuwe pensioenregeling is dus van toepassing op de verzoekende partijen die hun belang verantwoorden door het verschil in pensioenbedrag dat voor hen eruit voortvloeit. Zij voegen eraan toe dat zij geen aanspraak kunnen maken op een aanvullend pensioen voor de in het verleden geleverde contractuele prestaties. 5 De verzoekende partijen beperken het beroep tot de bepalingen van de bestreden wet die erin voorzien dat de nieuwe gemengde pensioenregeling van toepassing is vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet en, meer bepaald, op de personeelsleden die vast benoemd zijn vanaf 1 december 2017 tot 30 april
- A.1.
- De gemeente Schaarbeek, verzoekende partij in de zaak nr. 7029, verantwoordt haar belang door het feit dat zij niet is aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen (hierna : het Gesolidariseerde pensioenfonds), dat oorspronkelijk werd opgericht bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en dat zij bijgevolg de pensioenlast van haar personeel zelf draagt. Zij laat het administratief beheer van de pensioenen verzorgen door de voorzorgsinstelling nv « AXA Belgium ». A.1.
- De Ministerraad stelt vast dat sommige beroepen deels onontvankelijk zijn wegens het ontbreken van een uiteenzetting van grieven. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 vorderen de vernietiging van de bestreden wet in haar geheel. Zij formuleren echter in hoofdzaak twee grieven tegen de bestreden wet, waarvan de eerste artikel 3, § 2, van de bestreden wet beoogt en de tweede geen enkele wetsbepaling in het bijzonder of, in voorkomend geval, artikel 19 van de bestreden wet. Uit een gecombineerde lezing van alle verzoekschriften tot vernietiging blijkt dan ook dat alleen de artikelen 3, § 2, 6, 12 en 28 ter toetsing aan het Hof worden voorgelegd. A.1.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 ontkennen niet dat sommige middelen die zij uiteenzetten alleen betrekking hebben op sommige bepalingen van de bestreden wet. Niettemin bekrachtigen de bepalingen die zij betwisten, in het bijzonder artikel 3 van de bestreden wet, de essentie zelf van de wil van de wetgever om een gemengde pensioenregeling in te voeren. De titels 3, 5 en 6 van de bestreden wet voorzien overigens in nieuwe maatregelen voor de financiering van het Gesolidariseerde pensioenfonds omdat de bestreden wet tot gevolg zal hebben de financiële last van de overheidspensioenen die op de lokale besturen weegt te wijzigen. Titel 4 moedigt aanvullende pensioenregelingen aan ter compensatie van het financiële verlies dat de bestreden wet met zich meebrengt. De titels 3 tot 6 van de bestreden wet zijn dus nauw verbonden met het dispositief dat de gemengde pensioenregeling vastlegt, zodat het beroep in zijn geheel ontvankelijk is. A.1.
- De Ministerraad repliceert dat het niet aan de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 toekomt te beslissen welke bepalingen van de bestreden wet belangrijk zouden zijn en welke niet. De verschillende bepalingen van de bestreden wet kunnen los van elkaar worden gelezen, zodat de eventuele vernietiging van een artikel van de genoemde wet niet noodzakelijk leidt tot een volledige vernietiging ervan. Ten gronde Zaak nr. 7003 Wat het eerste middel in de zaak nr. 7003 betreft A.
- De Franse Gemeenschapsregering, verzoekende partij in de zaak nr. 7003, leidt een eerste middel af uit de schending van artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), in zoverre de artikelen 15 tot 23 van de bestreden wet een wijziging opleggen van de aanvullende pensioenregeling, zoals ingesteld bij de wet van 28 april 2003 « betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid » (hierna : de wet van 28 april 2003), en van de artikelen 134 en 136 van de wet van 27 oktober 2006 « betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening » (hierna : de wet van 27 oktober 2006). Concreet heeft de federale wetgever, door de invoeging van een hoofdstuk IX/1 in de voormelde wet van 28 april 2003, een regeling ingevoerd die de verzoekende partij toelaat en zelfs ertoe verplicht aanvullende pensioentoezeggingen in te voeren voor haar contractuele personeelsleden. Door aldus, bij een gewone wet, aan de deelentiteiten de bevoegdheid te delegeren om voor hun personeelsleden een aanvullende pensioenregeling te organiseren, schendt de federale wetgever artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus
- De bevoegdheid inzake het pensioen van de personeelsleden komt immers aan de federale overheid toe, hoewel de deelentiteiten bevoegd zijn om het administratief en geldelijk statuut van hun personeelsleden vast te stellen. Een wijziging van die bevoegdheidsverdeling had in voorkomend geval bij een bijzondere wet moeten zijn doorgevoerd. Ten slotte is de verzoekende partij van mening dat de minister van Pensioenen, ter verantwoording van de bevoegdheid van de federale overheid om de bestreden wet aan te nemen, ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvullende pensioenregeling niet behoort tot de aangelegenheid van de pensioenen, maar wel tot die van 6 de sociale zekerheid, om reden dat die pensioenen een element zijn van de bezoldiging van de personeelsleden. Door die interpretatie wordt het voormelde artikel 87, § 3, uitgehold. A.3.
- Na een uiteenzetting van de geldende principes préciseert de Ministerraad dat de deelentiteiten reeds vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet een aanvullende pensioentoezegging konden aangaan voor hun contractuele personeelsleden. Niettemin heeft de bestreden wet de vroegere bepalingen verbeterd. Zo werkt de bestreden wet in op twee krachtlijnen. Enerzijds organiseert zij de deelname van de vertegenwoordigers van de werknemers aan de uitwerking van een aanvullende pensioenregeling, wat onder het arbeidsrecht valt en, bijgevolg, onder de bevoegdheid van de federale overheid. Anderzijds werkt zij in op het prudentieel toezicht van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en verplicht zij de openbare werkgever om de aanvullende pensioenregeling die hij in voorkomend geval invoert uit te besteden, hetgeen behoort tot de federale bevoegdheid inzake financieel beleid en bescherming van het spaarwezen. A.3.
- Vervolgens voeren noch de wet van 28 april 2003, noch de wet van 27 oktober 2006, net zo min als de bestreden wet, zelf een aanvullende pensioenregeling in. A.3.
- De bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten inzake het aanvullend pensioen vloeit voort uit de artikelen 9 en 87, §§ 1 en 3, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Die artikelen vormen de grondslag van de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten om het statuut vast te stellen van het personeel van de gedecentraliseerde diensten, de instellingen en de ondernemingen die zij oprichten, enerzijds, en de bevoegdheid betreffende het administratief en geldelijk statuut, met inbegrip van het aanvullend pensioen, anderzijds. Het begrip « rust- en overlevingspensioen » in de zin van artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, waarvoor de federale overheid bevoegd is gebleven, omvat niet de aanvullende pensioenregelingen, maar heeft enkel betrekking op de wettelijke pensioenen. A.3.
- De Ministerraad geeft vervolgens aan dat het aanvullend pensioen het resultaat is van een specifieke bestemming van de actuele bezoldiging van de werknemer. De bezoldiging maakt echter deel uit van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, waarvoor de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn. In een aanvullende pensioenregeling betaalt de werkgever immers onrechtstreeks en met uitstel een gedeelte van de bezoldiging in geld of in natura. Het aanvullend pensioen is dan slechts een specifieke en afwijkende vorm van de regeling inzake loonbescherming, waarbij het loon dat niet aan de werknemer wordt uitbetaald aan specifieke regels is onderworpen en op specifieke wijze wordt beschermd. De keuze om een gedeelte van de bezoldiging te gebruiken voor de opbouw van een aanvullend pensioen is bijgevolg een bijzondere arbeidsvoorwaarde die de regels volgt van de arbeidsvoorwaarden of van het geldelijk statuut van het contractueel personeelslid, zoals in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet werd gepreciseerd. De aanvullende pensioenregelingen maken deel uit van het administratief en geldelijk statuut van het statutair en contractueel personeel, waarvoor de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn ten aanzien van hun eigen personeel. Het contractueel personeel wordt overigens uitdrukkelijk beoogd door de in artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 gebruikte termen « tijdelijk en hulppersoneel ». A.3.
- De Ministerraad preciseert ten slotte dat de wijziging van artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, die dateert van 1988, is doorgevoerd op een tijdstip dat de aanvullende pensioenen ten laste van de Schatkist nog niet bestonden. Overigens werd het wetsontwerp aangepast om rekening te houden met de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State, door het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de gemeenschappen - met uitzondering van het onderwijspersoneel - en van de gewesten die niet hebben geopteerd voor een aansluiting bij de pool der parastatalen, van zijn toepassingsgebied uit te sluiten. A.3.
- De Ministerraad besluit dat het eerste middel niet gegrond is. A.4.
- De verzoekende partij antwoordt dat de bestreden wet de wettelijke pensioenregeling van de ambtenaren wijzigt en zich niet beperkt tot het vaststellen van een wettelijk kader om die ambtenaren een aanvullend pensioen te laten genieten. A.4.
- De bewering van de Ministerraad dat de bestreden wet de verzoekende partij niet zou verplichten om een aanvullende pensioenregeling in te voeren, is strijdig met artikel 22 van de bestreden wet, dat artikel 136 van de wet van 27 oktober 2006 wijzigt. Uit die wijziging volgt dat de aanvullende pensioenregelingen die de verzoekende partij vermag in te voeren, onweerlegbaar worden vermoed te zijn ingevoerd op uiterlijk 31 december 7
- Op die manier dwingt de federale wetgever de verzoekende partij een aanvullende pensioenregeling in te voeren, zonder welke voor de contractuele ambtenaren de nieuwe pensioenregeling zoals ingevoerd bij het bestreden artikel 3 van toepassing zou zijn. A.4.
- Vervolgens houdt de argumentatie van de Ministerraad geen rekening met het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State waaruit blijkt dat de bevoegdheidverdelende regels zijn geschonden omdat de vaststelling van een aanvullende pensioenregeling aan de gemeenschappen en de gewesten wordt toevertrouwd en omdat die regeling zal verschillen van die van het vast, tijdelijk en hulppersoneel van de federale overheid. Overigens blijkt uit het in 1988 uitgebrachte advies van de Raad van State over het door de Ministerraad aangehaalde ontwerp van wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 dat de uitsluiting van het toepassingsgebied van artikel 87, § 3, betrekking heeft op de instellingen van openbaar nut. A.4.
- Ten slotte is het niet correct te beweren dat het begrip « pensioen » dat wordt gebruikt in artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, alleen betrekking zou hebben op het wettelijk pensioen. Er is immers geen fundamenteel verschil tussen de aanvullende pensioenregeling en de wettelijke pensioenregeling. De uitkeringen van beide regelingen worden met bijdragen gefinancierd. Hoewel het wordt gefinancierd door de begroting van de Staat, wordt het wettelijk pensioen berekend op basis van dezelfde loopbaanelementen van de ambtenaar als die welke worden gebruikt voor de berekening van het aanvullend pensioen. Bovendien leidt het wettelijk pensioen eveneens tot de uitbetaling van een uitgesteld inkomen aan de gepensioneerde ambtenaar, zodat het wettelijk pensioen ook tot het geldelijk statuut van de personeelsleden behoort. De aanvullende pensioenregelingen maken geen deel uit van het administratief en geldelijk statuut, maar zijn vervat in het begrip « pensioen » in de zin van artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Het feit dat de gemeenschappen en de gewesten zowel ten aanzien van hun statutair als ten aanzien van hun contractueel personeel bevoegd zijn, heeft in dat verband geen invloed. A.5.
- De Ministerraad repliceert vervolgens dat de bestreden wet geen verplichting vastlegt om een aanvullende pensioenregeling in te voeren. Artikel 22 van de bestreden wet bepaalt louter dat de pensioentoezegging moet worden uitbesteed voor de pensioenregelingen die na 1 mei 2018 worden ingevoerd. De verzoekende partij is niet verplicht om een aanvullende pensioenregeling in te voeren. A.5.
- De Ministerraad betwist dat het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State niet zou zijn gevolgd. Naar aanleiding van het advies werd het voorontwerp van wet dat de bestreden wet is geworden, gewijzigd of verantwoord. De Raad van State formuleerde overigens geen enkele opmerking over het voorontwerp dat het Vlaamse decreet van 23 november 2018 « betreffende het Vlaams Pensioenfonds en het publieke pensioenstelsel voor de werknemers van de diensten van de Vlaamse overheid en andere besturen » is geworden. Daaruit moet worden afgeleid dat de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn inzake aanvullend pensioen. Het voormelde advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State van 1988 heeft niet alleen betrekking op de instellingen van openbaar nut, maar ook op de personeelsleden van de Staat. A.5.
- De Ministerraad repliceert verder nog dat de begrippen « wettelijk pensioen » en « aanvullend pensioen » een andere logica volgen. Daar waar het wettelijk pensioen een pensioenregeling met repartitie is, is het aanvullend pensioen een pensioenregeling met kapitalisatie. De ontvangers van de bijdragen in beide regelingen zijn eveneens verschillend. Ten slotte vermag alleen de federale wetgever de regels betreffende het wettelijk pensioen vast te stellen. Het aanvullend pensioen wordt daarentegen verkregen naar gelang van de toezegging door de openbare werkgever. Het aanvullend pensioen maakt bijgevolg deel uit van het administratief en geldelijk statuut van het contractueel personeel, in tegenstelling tot het wettelijk pensioen. De gemeenschappen en de gewesten zijn als werkgevers bevoegd om hun eigen aanvullende pensioenregeling in te voeren. A.5.
- De Ministerraad voegt eraan toe dat de uitzondering betreffende de pensioenen, waarin is voorzien met betrekking tot de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake onderwijs, eveneens alleen het wettelijk pensioen beoogt. A.6.
- Het College van de Franse Gemeenschapscommissie, tussenkomende partij, antwoordt dat de bestreden wet daadwerkelijk tot doel heeft de wettelijke pensioenregeling van de personeelsleden te wijzigen, omdat zij ertoe strekt een einde te maken aan de regeling volgens welke, voor de berekening van het wettelijk pensioen, de aan de benoeming voorafgaande periodes die als contractueel personeelslid zijn gepresteerd in aanmerking worden genomen. 8 A.6.
- Overigens, ook al is het juist dat de premies die door de werkgever worden betaald ter financiering van een aanvullend pensioen een spaarverrichting vormen die onder de bevoegdheid van de federale wetgever valt en dat de door de werkgever betaalde bijdragen deel uitmaken van het loon in de zin van de wet van 12 april 1965 « betreffende de bescherming van het loon der werknemers » (hierna : de wet van 12 april 1965), volgt daaruit niet dat de bestreden wet aan de gemeenschappen en de gewesten de zorg kan overdragen om een aanvullende pensioenregeling te organiseren met verwijzing naar hun bevoegdheid om het geldelijk statuut van hun contractuele personeelsleden vast te stellen in de zin van artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Bij artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 heeft de bijzondere wetgever immers aan het personeel van de deelentiteiten dezelfde pensioenregeling willen voorbehouden als die waaraan het vast, tijdelijk en hulppersoneel van de federale overheid, via wettelijke en statutaire regels, is onderworpen. Die identieke behandeling, zoals vastgelegd bij het voormelde artikel 87, § 3, verbiedt de gewone federale wetgever de huidige pensioenregeling te « ontwrichten », met inachtneming van de autonomie die de deelentiteiten genieten om de wijzen van bezoldiging van hun personeelsleden vast te stellen. De bestreden wet heeft echter wel degelijk tot doel de pensioenregeling van de personeelsleden te hervormen, en valt dus onder het bepaalde van de tweede zin van artikel 87, § 3, dat één enkele pensioenregeling waarborgt. A.6.
- De tussenkomende partij is van mening dat het eerste middel in de zaak nr. 7003 gegrond is. Wat het tweede middel in de zaak nr. 7003 betreft A.7.
- De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 2, 3, 5 en 10 van de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de beginselen van niet-retroactiviteit van de wetten en van gewettigd vertrouwen. De verzoekende partij is in de eerste plaats van mening dat de parlementsleden niet grondig genoeg werden geïnformeerd over de financiële weerslag van de hervorming op de situatie van de personeelsleden. Evenzo heeft de minister van Pensioenen niet geantwoord op de vragen van de afdeling wetgeving van de Raad van State met betrekking tot de gedifferentieerde behandeling van benoemde personeelsleden met eenzelfde dienstanciënniteit, naargelang zij al dan niet een gedeelte van die jaren als contractueel personeelslid hebben gewerkt. De verzoekende partij voert vervolgens aan dat de bestreden wet talrijke discriminaties met zich meebrengt : ten eerste, tussen twee vastbenoemde personeelsleden met een identieke dienstanciënniteit, naargelang zij vóór of na 1 december 2017 zijn benoemd; ten tweede, tussen een personeelslid met een langere anciënniteit dat na 30 november 2017 werd benoemd en een personeelslid met een minder lange anciënniteit dat vóór die datum werd benoemd en, ten derde, tussen personeelsleden naar gelang van het al dan niet bestaan van een aanvullende pensioenregeling op 1 december 2017 en het gewicht van die regeling. Het feit dat die verschillen in behandeling niet te verantwoorden zijn, wordt bevestigd in het verslag van de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 en in een verslag van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg. De bestreden bepalingen zijn overigens niet noodzakelijk om de doelstellingen te bereiken, te weten
(1)« een eenvoudige logica » volgen,
(2)een discriminerende administratieve praktijk afschaffen en
(3), met de invoering van een aanvullend pension, de inkomstenderving van de betrokken personeelsleden compenseren. Zij zijn overigens onevenredig. De situaties van de personeelsleden die door de aangeklaagde verschillen in behandeling worden beoogd, zijn echter vergelijkbaar. A.7.
- De verzoekende partij voert vervolgens aan dat het ontbreken van een overgangsregeling die de overheden in staat zou hebben gesteld te anticiperen op de gevolgen van de nieuwe pensioenregeling, tot een discriminatie en een schending van de beginselen van niet-retroactiviteit en gewettigd vertrouwen leidt. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt bovendien dat er geen enkele dwingende reden van algemeen belang is die de onmiddellijke toepassing van de nieuwe pensioenregeling zou verantwoorden. A.7.
- De wet is bovendien retroactief. De pensioenregeling die zij invoert heeft betrekking op situaties die verworven zijn vóór 30 november 2017, ook al is zij sinds 1 mei 2018 van toepassing. Geen enkele dienstige maatregel kan dus nog door een openbare werkgever worden genomen om de betrokken personeelsleden te 9 benoemen, wat die laatsten zou hebben toegelaten dezelfde pensioenrechten te genieten als de personeelsleden die vóór 30 november 2017 zijn benoemd. Er is overigens geen reden van algemeen belang die die retroactiviteit van de wet zou rechtvaardigen. A.7.
- De verzoekende partij is verder nog van mening dat de wet het gewettigd vertrouwen bij de betrokken personeelsleden heeft aangetast, door een onvoorziene pensioenregeling in te voeren. A.8.
- De Ministerraad ziet niet in welk opzicht het zogenaamde ontbreken van cijfers en tabellen in de memorie van toelichting van de bestreden wet zal toelaten de schending van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie te beoordelen. Hij preciseert vervolgens dat de minister van Pensioenen wel degelijk alle nuttige informatie ter beschikking van de parlementsleden heeft gesteld. A.8.
- Volgens de Ministerraad is het middel deels onontvankelijk in zoverre het gegrond is op verschillen die niet door de wet worden gemaakt, namelijk het onderscheid tussen contractuele personeelsleden die een aanvullende pensioenregeling genieten en die welke die niet genieten, en het onderscheid naar gelang van het bedrag van het aanvullend pensioen. A.8.
- De Ministerraad merkt op dat, voor de andere verschillen, de gehanteerde criteria van onderscheid, namelijk de datum van benoeming van het personeelslid en de pensioentoezegging die al dan niet door de openbare werkgever is gedaan, objectief zijn. Hij geeft vervolgens aan dat de vier doelstellingen die de wetgever nastreeft (namelijk het wegwerken van een discriminatie tussen contractuele en statutaire personeelsleden en tussen contractuele personeelsleden die na verloop van tijd zijn benoemd en die welke niet zijn benoemd, het bestrijden van de praktijk van de niet-tijdige benoemingen, de administratieve vereenvoudiging en de duurzaamheid van de pensioenregelingen) legitiem zijn. A.8.
- Volgens de Ministerraad maakt de bestreden wet het overigens mogelijk die doelstellingen te bereiken. Wat betreft het doel om discriminaties weg te werken, maakt de bestreden wet het voortaan mogelijk de prestaties die als contractueel personeelslid bij een openbare werkgever zijn verricht, op dezelfde manier te behandelen, ongeacht of het personeelslid nadien al dan niet vast benoemd werd. Het is overigens onjuist te beweren dat de bestreden wet nieuwe discriminaties zou teweegbrengen. Het doel om de strijd aan te gaan tegen niet-tijdige benoemingen wordt bereikt omdat niemand nog belang erbij heeft om contractuele personeelsleden niet tijdig te benoemen teneinde ze een overheidspensioen te laten genieten voor de jaren waarin zij als contractueel personeelslid arbeidsprestaties hebben verricht. Het doel van de administratieve vereenvoudiging wordt bereikt omdat het niet meer nodig is transfers uit te voeren tussen de pensioenregelingen van de personen die werken. Ten slotte wordt het doel om de duurzaamheid van de verschillende pensioenregelingen te waarborgen, verwezenlijkt omdat het goedkoper is een pensioen te betalen in de pensioenregeling van de werknemers, dan een overheidspensioen, voor het gedeelte van de loopbaan dat als contractueel personeelslid werd gepresteerd. A.8.
- De Ministerraad voert vervolgens aan dat het verschil in behandeling evenredig is. De nieuwe wettelijke pensioenregeling heeft geen betrekking op de personeelsleden die vóór 30 november 2017 zijn benoemd, noch op de personen die reeds gepensioneerd zijn. Overigens blijven de contractuele personeelsleden die na 30 november 2017 zijn benoemd een werknemerspensioen genieten voor de jaren waarin zij in die hoedanigheid hebben gewerkt. Thans wordt een gering percentage van contractuele personeelsleden daadwerkelijk benoemd, onder meer omdat de regularisatiebijdrage die bepaalde lokale besturen moeten betalen een niet-tijdige vaste benoeming ontmoedigt. De bestreden wet is louter een weerspiegeling van de realiteit, dat wil zeggen van het aantal jaren waarin is gewerkt als contractueel of statutair personeelslid. De gelijkstelling van het contractueel personeel met het statutair personeel voor het rustpensioen in geval van een latere benoeming van het personeelslid, die voortvloeide uit een zekere « administratieve rechtspraak », had overigens geen enkele wettelijke grondslag. Het is eerder die « administratieve rechtspraak » die aanleiding gaf tot discriminatie tussen de contractuele personeelsleden die gedurende heel hun loopbaan in die hoedanigheid hadden gewerkt en de contractuele personeelsleden die op een later tijdstip waren benoemd. Voor het overige schrapt de bestreden wet, die het voorwerp heeft uitgemaakt van sociaal overleg, de voorwaarde dat men vijf jaar dienst moet aantonen om een pensioen van de overheidssector te kunnen genieten. Zij voert ook een uitzondering in voor de leden van het onderwijzend personeel vanaf het ogenblik dat zij lid zijn van het tijdelijk statutair personeel, en op voorwaarde dat zij vast worden benoemd. Ten slotte stimuleert de bestreden wet de invoering van een aanvullend pensioen voor de contractuele personeelsleden en voorziet zij in financiële incentives voor de lokale besturen die een dergelijk pensioen wensen in te voeren. 10 A.8.
- De Ministerraad doet vervolgens gelden dat de bestreden bepalingen niet retroactief zijn; zij zijn gewoon onmiddellijk van toepassing. Die begrippen mogen niet worden verward, zoals de verzoekende partij doet. De bestreden wet is niet van toepassing op voldongen feiten aangezien voor alle personeelsleden die vóór 1 mei 2018 gepensioneerd zijn de vroegere wetgeving zal gelden. Overigens zijn de doelstellingen van het beginsel van niet-retroactiviteit van de wetten, met name rechtsonzekerheid vermijden en de rechtzoekende in staat stellen de gevolgen van zijn handelingen te voorzien, te dezen volkomen bereikt. De maatregelen die door de bestreden wet ten uitvoer worden gelegd, waren immers reeds vermeld in het regeerakkoord en kwamen voor in algemene beleidsnota’s van de minister van Pensioenen. De spildatum van 30 november 2017 was dus gekend sinds oktober
- A.8.
- In ondergeschikte orde preciseert de Ministerraad dat de retroactiviteit noodzakelijk is om het doel van algemeen belang om een toevloed van benoemingen te vermijden, te bereiken. Die vrees is niet hypothetisch, meer bepaald omdat het wetsontwerp ruim werd bekendgemaakt. De datum van 30 november 2017 is overigens het resultaat van een sociaal overleg binnen het Comité A. A.8.
- De Ministerraad is ten slotte van mening dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden en dat er geen overgangsmaatregelen nodig waren. In de eerste plaats is er geen aantasting van het vertrouwensbeginsel omdat de bestreden wet reeds lang was aangekondigd. De contractuele personeelsleden konden hoe dan ook niets ondernemen om de gevolgen van de wet vóór te zijn, aangezien de beslissing tot benoeming niet van hen afhangt. De verzoekende partij denkt verkeerdelijk dat de contractuele personeelsleden recht zouden hebben op een benoeming. Aangezien zij hebben bijgedragen in de pensioenregeling van de werknemers, moeten zij zich eraan verwachten een pensioen binnen die regeling te genieten. Het gewettigd vertrouwen waarop de verzoekende partij zich baseert steunde op een « administratieve rechtspraak » die in strijd is met artikel 179 van de Grondwet. Overeenkomstig het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare diensten kon de wetgever echter oordelen dat het algemeen belang, dat de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn impliceert, vereist dat aan die « administratieve rechtspraak » een einde wordt gemaakt. A.8.
- In ondergeschikte orde preciseert de Ministerraad dat er dwingende redenen van algemeen belang zijn die een eventuele aantasting van het vertrouwensbeginsel verantwoorden. Die doelstellingen vallen samen met die van de bestreden wet en met het doel een toevloed van benoemingen te vermijden. De bestreden wet vereist bijgevolg geen overgangsmaatregelen. A.8.
- De Ministerraad besluit dat het middel niet gegrond is. A.9.
- De verzoekende partij antwoordt dat een parallel moet worden gemaakt tussen de bestreden wet en de wet van 10 augustus 2015 « tot verhoging van de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen en tot wijziging van de voorwaarden voor de toegang tot het vervroegd pensioen en de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen » alsook de wet van 28 april 2015 « houdende bepalingen betreffende de pensioenen van de publieke sector ». Die wetten zouden niet door het Hof zijn afgekeurd omdat zij in aanzienlijke overgangsperiodes voorzien en omdat zij werden aangenomen na onderzoek van cijfergegevens. Voor de bestreden wet is er echter geen concrete en cijfermatige impactanalyse geweest waaruit overigens had moeten blijken dat vrouwen, meer dan mannen, de negatieve gevolgen van de bestreden wet zullen ondervinden. In het kader van de hervorming die een harmonisering van de pensioenregelingen beoogt, leidt de verzoekende partij uit die wetten nog een algemeen beginsel af dat erin bestaat het solidariteitsbeginsel te behouden. A.9.
- Vervolgens benadrukt de verzoekende partij dat het Parlement niet voldoende werd geïnformeerd over de weerslag van de bestreden wet op het pensioenbedrag van de personeelsleden. Overigens is de bijdragevoet die in de privésector wordt toegepast voor de aanvullende pensioenen onvoldoende om de personeelsleden die na 1 januari 2018 in dienst worden genomen toe te laten een pensioenbedrag te genieten dat equivalent is aan dat van een overheidspensioen. A.9.
- Volgens de verzoekende partij volgt de vermindering van het pensioenbedrag van de contractuele personeelsleden uit de bestreden wet zelf, en niet uit de toepassing van die wet. Overigens heeft de federale wetgever de last van de door hem gewenste besparingen overgedragen aan de openbare werkgevers, die aanvullende verzekeringen moeten sluiten zonder een transfer van extra budgettaire middelen te genieten. 11 De datum van benoeming van de personeelsleden, ook al is hij objectief, laat niet toe het verschil in behandeling tussen de personeelsleden, dat tot uiting komt door zeer grote pensioenverschillen, te verantwoorden. A.9.
- De verzoekende partij preciseert verder nog, op grond van een verslag van het Rekenhof, dat het pensioensyseem dat vóór de bestreden wet werd toegepast niet voortvloeit uit een administratieve praktijk, maar uit een wet. Overigens, hoewel de praktijk die erin bestaat leerkrachten na meerdere jaren te benoemen voor die sector een uitzondering op het toepassingsgebied van de wet heeft gerechtvaardigd, bestaat die praktijk in alle overheidsdiensten. Zij stelt trouwens met verbazing vast dat de financiële stimulans om een aanvullend pensioen in te voeren enkel de lokale besturen ten goede komt, terwijl alle openbare werkgevers met de hervorming te maken hebben. A.9.
- De verzoekende partij merkt op dat artikel 3, § 2, van de bestreden wet retroactief is omdat het van toepassing is op definitief voltrokken situaties. Die retroactiviteit heeft elke benoeming van personeelsleden die hen zou hebben toegelaten te ontsnappen aan de financiële gevolgen van die bepaling wat hun pensioenbedrag betreft, onmogelijk gemaakt. De retroactiviteit wordt overigens aangenomen door de wetgever, die verklaarde een toevloed van benoemingen te willen vermijden. Ten slotte is de datum van een regeerakkoord of van algemene beleidsnota’s niet pertinent om vast te stellen of een bepaling al dan niet retroactief is. A.9.
- De verzoekende partij is verder nog van mening dat het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst de wetgever niet toestaat het vertrouwensbeginsel niet in acht te nemen. In tegenstelling tot de bepalingen van de voormelde wet van 28 april 2015, tasten de bestreden bepalingen het vertrouwen van het personeelslid aan dat rechtmatig ervan uitging dat zijn minder hoge bezoldiging tijdens zijn loopbaan later zou worden gecompenseerd door een opwaardering van zijn pensioen. A.10.
- De Ministerraad repliceert dat het geen nut heeft uit de parlementaire voorbereiding van andere wetten principes te willen halen die voor elke pensioenhervorming zouden moeten gelden. Het is overigens onjuist te beweren dat de bestreden wet elke logica zou tarten, aangezien de wetgever de aanbevelingen van de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 heeft gevolgd. Het is evenmin correct dat de bestreden wet zou leiden tot een verarming van de gepensioneerden, omdat zij gepaard gaat met maatregelen die de opbouw van aanvullende pensioenen aanmoedigen en de personeelsleden die gedurende heel hun loopbaan in contractueel verband tewerkgesteld zijn niet raakt. De bestreden wet geeft evenmin het solidariteitsbeginsel op, maar versterkt het zelfs, door niet-tijdige benoemingen tegen te gaan. Het doel van de wet is niet louter budgettair, en zij is terecht van toepassing op alle overheidsdiensten en niet alleen op de lokale besturen. Volgens berekeningen van de Federale Pensioendienst gaan immers elk jaar duizenden statutaire personeelsleden die niet-tijdig zijn benoemd met pensioen, wat een jaarlijkse kostprijs van meer dan 50 miljoen euro met zich meebrengt. Daar waar de financiële incentives bestemd zijn voor de lokale besturen omdat zij zelf de pensioenen van hun personeel moeten financieren, worden alle overheden, door de aanpassingen van de regelgeving inzake aanvullend pensioen, ertoe aangezet een aanvullend pensioen in te voeren. Ten slotte zijn de aanvullende pensioenregelingen die als gevolg van de bestreden wet worden ingevoerd, niet beperkt tot de aanvullende pensioenregeling van het federaal openbaar ambt. A.10.
- De Ministerraad stelt vervolgens vast dat de verzoekende partij niets zegt over de gedeeltelijke onontvankelijkheid van het middel. Zij betwist overigens niet dat het onderscheid objectief is, in die zin dat het losstaat van elke persoonlijke beoordeling. De doelstellingen van het onderscheid worden door de verzoekende partij evenmin ernstig betwist. A.10.
- Vervolgens is het volgens de Ministerraad onjuist te zeggen dat de parlementsleden niet over cijfergegevens zouden hebben beschikt om de weerslag van de wet op het pensioen van de personeelsleden in te schatten. Wat de specifieke situatie van de vrouwen betreft, heeft de verzoekende partij in het verzoekschrift geen zogenoemde indirecte discriminatie tussen mannen en vrouwen aangevoerd. Er werden ook voorspellingen gerealiseerd met betrekking tot de weerslag van de wet op het Gesolidariseerde pensioenfonds. Nergens kan uit worden afgeleid dat geen enkel personeelslid van de Franse Gemeenschap zijn loopbaan beëindigt zonder te zijn benoemd. Het is daarentegen waarschijnlijk dat een aanzienlijk aantal van de 40 % van contractuele personeelsleden niet zullen worden benoemd. Een vaste benoeming is overigens niet gewaarborgd, noch automatisch. Er dient een strikte procedure te worden gevolgd en het personeelslid moet aan de benoemingsvoorwaarden voldoen. De uitzondering die voor de leerkrachten werd ingevoerd, kan worden verantwoord door de voor hen toepasselijke specifieke regeling. De personeelsleden van het onderwijs zijn leden van het tijdelijke statutair 12 personeel en het is vrijwel algemeen gebruikelijk dat een nieuw personeelslid pas vast wordt benoemd na een proefstage van enkele jaren, die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het pensioen. Ten slotte maakt het ontbreken van een transfer van financiële middelen naar de gemeenschappen en de gewesten om een aanvullende pensioenregeling in te voeren, het onderscheid tussen personeelsleden naargelang zij vóór of na 30 november 2017 zijn benoemd niet minder pertinent. A.10.
- De Ministerraad repliceert dat het onderscheid evenredig is omdat de bestreden wet, net zoals de voormelde wetten van 10 augustus 2015 en 28 april 2015, een overgangsperiode invoert voor alle personen die vóór 30 november 2017 zijn benoemd. Vervolgens is het cijfervoorbeeld dat door de verzoekende partij wordt gegeven in een poging om trachten aan te tonen dat de weerslag van de hervorming op het pensioen van de betrokken personeelsleden aanzienlijk is, onrealistisch en onvolledig omdat het op cijfers berust die niet betrouwbaar zijn. Hoe dan ook maakt het maandelijkse pensioen het in dat voorbeeld mogelijk een menswaardig bestaan te leiden. Vervolgens zal de invoering van aanvullende pensioenregelingen de nieuwe wettelijke pensioenregeling op passende wijze kunnen compenseren. De zeer lage bijdragevoeten die door de verzoekende partij worden aangevoerd, stellen het feit dat de door de minister van Pensioenen aangehaalde bijdragevoeten realistisch zijn niet ter discussie. Er bestaan bovendien aanvullende pensioenregelingen die op het niveau van de onderneming zijn ingevoerd. De Ministerraad blijft overigens erbij dat de « administratieve rechtspraak » betreffende het in aanmerking nemen van de periodes van contractuele tewerkstelling voor de berekening van het overheidspensioen geen enkele wettelijke grondslag heeft. Geen enkele bepaling van de algemene wet van 21 juli 1844 « op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen » levert immers een wettelijke basis voor die praktijk, zoals wordt bevestigd door het Rekenhof. A.10.
- De Ministerraad is van mening dat een parallel kan worden gemaakt met het arrest van het Hof nr. 100/2018 van 19 juli 2018 wat betreft de zogenaamde schending van het beginsel van niet-retroactiviteit van de wetten. Het feit dat dat arrest op een fiscale wet betrekking heeft, doet daaraan geen afbreuk. A.10.
- De Ministerraad preciseert verder nog dat, ook al moet het vertrouwensbeginsel in acht worden genomen, het toch moet worden beoordeeld op grond van de legitieme verwachtingen van de betrokken personen. Die verwachtingen moeten worden getemperd door het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst. Hij wijst voor het overige erop dat de verzoekende partij niet betwist dat het regeerakkoord en de algemene beleidsnota’s reeds gewag maakten van de pensioenhervorming, en dat zij evenmin de aangevoerde dwingende redenen van algemeen belang betwist. Wat het derde middel in de zaak nr. 7003 betreft A.11.
- De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending van artikel 23 van de Grondwet en van de erin vervatte standstill-verplichting, in zoverre de artikelen 2, 3, 5 en 10 van de bestreden wet, voor de berekening van het pensioen van het statutair personeelslid dat na 30 november 2017 vast benoemd is, de regeling afschaffen waarin de prestaties die hij als contractueel personeelslid heeft verricht worden gelijkgesteld met die welke hij als statutair personeelslid heeft verricht. De bestreden bepalingen leiden voor de betrokken personeelsleden bijgevolg tot een zeer aanzienlijk financieel verlies, zonder dat die aanzienlijke achteruitgang van het recht op sociale zekerheid door een reden van algemeen belang wordt verantwoord. Dat de maatregel niet werd verantwoord, is eveneens gebleken tijdens de belangenconflictprocedure die door de Franse Gemeenschapscommissie werd ingesteld. Aangezien het wetsontwerp niet ernstig kon worden besproken, werd zelfs niet gestreefd naar federale loyauteit. A.11.
- De Ministerraad voert aan dat de standstill-verplichting te dezen niet van toepassing is. Noch de berekeningswijzen van een pensioen, noch het in aanmerking nemen, voor de pensioenregeling, van de prestaties van een contractueel personeelslid behoren tot het recht op sociale zekerheid, indien die berekeningswijzen het recht op pensioen niet wezenlijk aantasten. Dat is te dezen niet het geval. De bestreden wet stelt immers niet het recht op pensioen ter discussie, maar wijzigt enkel de inaanmerkingneming, in een pensioenregeling, van bepaalde periodes van tewerkstelling als contractueel personeelslid. De standstill-verplichting waarborgt echter niet het pensioenbedrag en verhindert niet dat de concrete berekeningswijzen van het pensioenrecht worden gewijzigd. 13 A.11.
- In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat de bestreden wet niet leidt tot een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau van het recht op sociale zekerheid. Geen enkele wet waarborgde immers tot hiertoe dat periodes gedurende welke men als contractueel personeelslid heeft gewerkt, moesten worden meegeteld voor het overheidspensioen van de betrokkene bij een eventuele benoeming. Het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen van de overheidssector en dat van een pensioen van de werknemersregeling wordt gecompenseerd door de afschaffing van de voorwaarde dat men het bewijs moet leveren van vijf jaren dienst om een overheidspensioen te kunnen genieten, en door de aanmoediging om een aanvullend pensioen op te bouwen. Er werd overigens reeds op verschillende overheidsniveaus gebruik gemaakt van de mogelijkheid om voor de contractuele personeelsleden een aanvullend pensioen in te voeren. A.11.
- In nog meer ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat de achteruitgang van het beschermingsniveau gerechtvaardigd is door redenen van algemeen belang, namelijk dezelfde als die welke de aanneming van de bestreden wet hebben verantwoord, meer bepaald het wegwerken van een discriminatie en de duurzaamheid van de overheidsfinanciën. A.11.
- De Ministerraad preciseert verder nog dat het beginsel van federale loyauteit niet is geschonden omdat de bestreden wet de uitoefening van de bevoegdheden van de andere wetgevers niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. Het ontbreken van een akkoord in het kader van de door de Franse Gemeenschapscommissie ingestelde belangenconflictprocedure brengt in elk geval niet met zich mee dat het beginsel van federale loyauteit wordt geschonden. A.12.
- In haar memorie van antwoord herhaalt de verzoekende partij dat de essentie van het recht op pensioen is aangetast. De afschaffing van de voorwaarde dat men het bewijs moet leveren van vijf jaren dienst en het bestaan van regelingen die « sociale minima » invoeren compenseren de aanzienlijke vermindering van het pensioenbedrag van de betrokken personeelsleden niet. De verzoekende partij preciseert vervolgens dat het onjuist is te beweren dat een aanzienlijk aantal contractuele personeelsleden hun loopbaan onder dat statuut zouden beëindigen. Volgens de verzoekende partij kan de aanzienlijke achteruitgang die moet worden vastgesteld, niet worden verantwoord door redenen van algemeen belang. A.12.
- Na een lange theoretische uiteenzetting over de aard en de toepassing van de standstill-verplichting, voert de verzoekende partij aan dat de achteruitgang te dezen rechtstreeks betrekking heeft op het recht op pensioen en niet louter op de berekeningswijzen van het pensioen. De wetgever heeft het recht op pensioen aangetast met het oog op een harmonisering van de pensioenregelingen, zonder andere mogelijkheden te hebben onderzocht. De vermeende redenen van algemeen belang die worden aangevoerd zijn overigens onjuist of houden geen verband met het doel van harmonisering van de pensioenregelingen. Hoe dan ook zullen die doelstellingen de evenredigheidstoetsing niet doorstaan, rekening houdend met de omvang van de in het geding zijnde aantasting. Wat het aangevoerde budgettair argument betreft, heeft de wetgever, om dat doel te bereiken, geen andere maatregelen gezocht dan die welke erin bestaat alleen aan de contractuele of tijdelijke personeelsleden de besparingsmaatregel op te leggen. A.12.
- Wat ten slotte het beginsel van de federale loyauteit betreft, geeft de verzoekende partij aan dat de federale overheid de uitoefening van de bevoegdheid van de gemeenschappen om het geldelijk statuut van hun personeel vast te stellen overdreven moeilijk, zo niet onmogelijk maakt, door het ontbreken van begeleidingsmaatregelen bij de doorgevoerde besparingen of van transfers van bijkomende financiële middelen ten gunste van de gemeenschappen. A.13.
- In zijn memorie van wederantwoord betwist de Ministerraad dat er een schending van de standstill- verplichting zou zijn omdat de berekening, door de verzoekende partij, om de vermindering te ramen van het pensioenbedrag die uit de bestreden wet voortvloeit, niet correct is. Overigens kan een administratieve rechtspraak of praktijk geen recht op een status quo doen ontstaan. A.13.
- In ondergeschikte orde repliceert de Ministerraad dat de toepassing van de standstill-verplichting door het Hof, in tegenstelling tot hetgeen de rechtsleer beweert, geen evenredigheidstoetsing van de redenen van algemeen belang vereist. 14 Bovendien zou uit de parlementaire voorbereiding niet blijken dat de harmonisering van de pensioenregelingen een reden van algemeen belang zou vormen. De Ministerraad voegt eraan toe dat het doel om een discriminatie weg te werken wel degelijk reëel is omdat een groot aantal personeelsleden van openbare werkgevers hun loopbaan als contractuele personeelsleden beëindigen. Wat betreft het doel om nitet-tijdige benoemingen tegen te gaan, staat het niet aan het Hof uit opportuniteitsoverwegingen te oordelen of, bij de toetsing van de inachtneming van de standstill-verplichting, een onderscheid had moeten zijn gemaakt naar gelang van het aantal als contractueel personeelslid gewerkte jaren. De verzoekende partij zou evenmin het doel van administratieve vereenvoudiging kunnen betwisten omdat zij niet betrokken is bij de transfers van de sociale zekerheid van de werknemers naar de regeling van de overheidspensioenen. Het komt ten slotte de wetgever niet toe alle mogelijke opties om de hogervermelde doelstellingen te bereiken te onderzoeken, omdat een evaluatie van de pertinentie en van de gepastheid van de maatregelen niet het voorwerp uitmaakt van de toetsing van de inachtneming van de standstill-verplichting. A.13.
- Met betrekking tot het beginsel van de federale loyauteit wijst de Ministerraad erop dat de verzoekende partij bevestigt dat het aanvullend pensioen deel uitmaakt van het geldelijk statuut van het personeel, wat betekent dat zij erkent dat de Franse Gemeenschap bevoegd is om zulk een regeling in te voeren. De Ministerraad repliceert verder nog dat het voor de Franse Gemeenschap niet onmogelijk of overdreven moeilijk is om het geldelijk statuut van haar personeel vast te stellen. Het zogenaamde gebrek aan financiële middelen van de Franse Gemeenschap valt onder haar intern beheer. Wat het vierde middel in de zaak nr. 7003 betreft A.
- De verzoekende partij leidt een vierde middel af uit de schending van artikel 16 van de Grondwet en van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de artikelen 2, 3, 5 en 10 van de bestreden wet voor een groot aantal personeelsleden een aanzienlijke vermindering van het pensioenbedrag met zich meebrengen. De aanzienlijke inperking van de sociale rechten wordt niet verantwoord door een reden van algemeen belang. De verzoekende partij oefent eveneens kritiek uit op de tijdens de parlementaire voorbereiding uitgevoerde impactanalyse, volgens welke de bestreden wet geen negatieve gevolgen zal hebben inzake armoedebestrijding, gelijkheid van kansen of sociale cohesie. A.
- De Ministerraad voert aan dat er geen inmenging is in het eigendomsrecht omdat de bestreden wet vreemd is aan de eigendomsberoving bedoeld in artikel 16 van de Grondwet, en dat artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens alleen de reeds verworven pensioenen of de pensioenrechten die de betrokkenen op rechtmatige wijze kunnen verwachten beschermt, wat te dezen niet het geval is. Aan de contractuele personeelsleden wordt overigens geen pensioen ontzegd, wel integendeel. A.
- De verzoekende partij antwoordt dat het feit dat het recht op een wettelijk pensioen een bijzonder recht is omdat de ermee samenhangende betalingsverplichting wordt uitgesteld, daaraan niets wijzigt. De essentie van dat recht wordt aangetast en geen enkele reden van algemeen belang rechtvaardigt die aantasting. A.
- De Ministerraad repliceert dat hij in essentie naar zijn memorie verwijst. Zaken nrs. 7021, 7024, 7025, 7028 en 7029 Wat betreft de middelen die zijn afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels A.18.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 leiden een derde middel af uit de schending van artikel 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels in zoverre de bestreden wet aan de gemeenschappen en de gewesten de zorg toevertrouwt om een aanvullende pensioenverzekering te sluiten, terwijl artikel 87, § 3, aan de federale overheid de aangelegenheid voorbehoudt met betrekking tot de regelingen van de overheidspensioenen die aan de personeelsleden van de gemeenschaps- en gewestregeringen worden toegekend. 15 A.18.
- Dezelfde verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, vijfde streepje, en met artikel 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, c), en artikel 130, § 1, eerste lid, 3°, van de Grondwet, en uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels. Bij die bepalingen wordt de aangelegenheid van de op hun personeel toepasselijke pensioenregelingen uitgezonderd van de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten teneinde voor het gehele personeel van de overheidsdiensten één uniforme pensioenregeling te waarborgen. De bestreden wet biedt echter elke openbare werkgever de mogelijkheid om aanvullende pensioenverzekeringsovereenkomsten te sluiten, waardoor zonder redelijke verantwoording een verschil in behandeling ontstaat tussen de personeelsleden van de overheidsdiensten. A.19.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, tussenkomende partij, sluit zich aan bij het derde en het vierde middel in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025, en merkt op dat titel 4 van de bestreden wet de wet van 28 april 2003 wijzigt en, in het bijzonder, de sociale organen aanwijst die binnen elke deelentiteit bevoegd zijn om deel te nemen aan de invoering van een aanvullend pensioensysteem. Aldus voert de federale Staat een systeem in waarbinnen de deelentiteiten pensioenregelingen kunnen aannemen voor de leden van hun contractueel personeel. Overigens wordt de keuze van een aanvullend pensioenmechanisme verplicht gemaakt bij artikel 22 van de bestreden wet. Door een dergelijke aanvullende pensioenregeling te organiseren, delegeert de federale Staat, louter bij een gewone wet, een bevoegdheid, met schending van artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus
- In dat opzicht vormt de interpretatie volgens welke het organiseren van een aanvullende pensioenregeling niet tot de aangelegenheid van de pensioenen maar tot die van de sociale zekerheid zou behoren, een uitholling van het begrip « pensioen » dat door de bijzondere wetgever wordt gebruikt in het voormelde artikel 87, §
- Alleen de bijzondere wetgever kan echter een wijziging aan dat artikel aanbrengen. A.19.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering besluit dat de artikelen 15 tot 20 en 21 tot 23 van de bestreden wet artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schenden. A.20.1.
- De Ministerraad voert aan dat het derde en het vierde middel in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 niet ontvankelijk zijn door het ontbreken van een uiteenzetting van de grieven omdat de bestreden wet inzake aanvullend pensioen geen enkele nieuwe bevoegdheid aan de gemeenschappen en de gewesten overdraagt, zodat de Ministerraad niet ziet in welk opzicht de bestreden wet de in het middel beoogde bevoegdheidverdelende regels zou schenden. Op zijn minst kan alleen artikel 19 van de bestreden wet worden beschouwd als zijnde betwist door de verzoekende partijen, zodat het derde en het vierde middel deels onontvankelijk zijn in zoverre zij de wet in haar geheel beogen. A.20.1.
- Na een uiteenzetting van de geldende principes preciseert de Ministerraad vervolgens, ten gronde, dat de deelentiteiten reeds vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet een aanvullende pensioentoezegging konden aangaan voor hun contractuele personeelsleden. Niettemin heeft de bestreden wet de vroegere bepalingen verbeterd. Zo werkt de bestreden wet in op twee krachtlijnen. Enerzijds organiseert zij de deelname van de vertegenwoordigers van de werknemers aan de uitwerking van een aanvullende pensioenregeling, wat onder het arbeidsrecht valt en, bijgevolg, onder de bevoegdheid van de federale overheid. Anderzijds werkt zij in op het prudentieel toezicht van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en verplicht zij de openbare werkgever om de aanvullende pensioenregeling die hij in voorkomend geval invoert uit te besteden, hetgeen behoort tot de federale bevoegdheid inzake financieel beleid en bescherming van het spaarwezen. A.20.1.
- Vervolgens voeren noch de wet van 28 april 2003, noch de wet van 27 oktober 2006, net zo min als de bestreden wet, zelf een aanvullende pensioenregeling in. A.20.1.
- De bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten inzake het aanvullend pensioen vloeit voort uit de artikelen 9 en 87, §§ 1 en 3, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Die artikelen vormen de grondslag van de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten om het statuut vast te stellen van het personeel van de gedecentraliseerde diensten, de instellingen en de ondernemingen die zij oprichten, enerzijds, en de bevoegdheid betreffende het administratief en geldelijk statuut, met inbegrip van het aanvullend pensioen, anderzijds. Het begrip « rust- en overlevingspensioen » in de zin van artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 16 8 augustus 1980, waarvoor de federale overheid bevoegd is gebleven, omvat niet de aanvullende pensioenregelingen, maar heeft enkel betrekking op de wettelijke pensioenen. A.20.1.
- De Ministerraad geeft vervolgens aan dat het aanvullend pensioen het resultaat is van een specifieke bestemming van de actuele bezoldiging van de werknemer. De bezoldiging maakt echter deel uit van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, waarvoor de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn. In een aanvullende pensioenregeling betaalt de werkgever immers op indirecte wijze en met uitstel een gedeelte van de bezoldiging in geld of in natura. Het aanvullend pensioen is dan slechts een specifieke en afwijkende vorm van de regeling inzake loonbescherming, waarbij het loon dat niet aan de werknemer wordt uitbetaald aan specifieke regels is onderworpen en op specifieke wijze wordt beschermd. De keuze om een gedeelte van de bezoldiging te gebruiken voor de opbouw van een aanvullend pensioen is bijgevolg een bijzondere arbeidsvoorwaarde die de regels volgt van de arbeidsvoorwaarden of van het geldelijk statuut van het contractueel personeelslid, zoals in de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet werd gepreciseerd. De aanvullende pensioenregelingen maken deel uit van het administratief en geldelijk statuut van het statutair en contractueel personeel, waarvoor de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn ten aanzien van hun eigen personeel. Het contractueel personeel wordt overigens uitdrukkelijk beoogd door de in artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 gebruikte termen « tijdelijk en hulppersoneel ». A.20.1.
- De Ministerraad preciseert ten slotte dat de wijziging van artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, die dateert van 1988, is doorgevoerd op een tijdstip dat de aanvullende pensioenen ten laste van de Schatkist nog niet bestonden. Overigens werd het wetsontwerp aangepast om rekening te houden met de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State, door het personeel van de publiekrechtelijke rechtspersonen die afhangen van de gemeenschappen - met uitzondering van het onderwijspersoneel - en van de gewesten die niet hebben geopteerd voor een aansluiting bij de pool der parastatalen, van zijn toepassingsgebied uit te sluiten. De Raad van State formuleerde overigens geen enkele opmerking over de ontstentenis van bevoegdheid van de Vlaamse decreetgever inzake aanvullend pensioen, tijdens zijn onderzoek van het decreet van 23 november 2018 « betreffende het ‘Vlaams Pensioenfonds’ en het publieke pensioenstelsel voor de werknemers van de diensten van de Vlaamse overheid en andere besturen ». A.20.1.
- De Ministerraad besluit dat het derde middel niet gegrond is. A.20.2.
- Wat het vierde middel in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 betreft, voegt de Ministerraad eraan toe dat het begrip « pensioen » in artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 uitsluitend het wettelijk pensioen, en niet het aanvullend pensioen beoogt. Hetzelfde geldt voor artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, vijfde streepje, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en voor de artikelen 127, § 1, eerste lid, 2°, c), en 130, § 1, eerste lid, 3°, van de Grondwet, die ook alleen het wettelijk pensioen beogen. Die bepalingen werden immers aangenomen in een periode waarin nog geen enkele wet de aangelegenheid van de aanvullende pensioenen regelde. A.20.2.
- De Ministerraad herinnert eraan dat de bestreden wet aan de openbare werkgevers geen enkele nieuwe bevoegdheid inzake aanvullend pensioen toekent en dat de aanvullende pensioenen niet tot de sociale zekerheid behoren. Zij vormen een voordeel ter aanvulling van de sociale zekerheid, dat deel uitmaakt van de bezoldiging en waarvoor de openbare werkgevers bevoegd zijn. A.20.2.
- De Ministerraad voert vervolgens aan dat het door de verzoekende partijen aangeklaagde verschil in behandeling tussen contractuele personeelsleden naargelang hun openbare werkgever al dan niet een aanvullende pensioenregeling heeft ingevoerd, niet voortvloeit uit de bestreden wet, maar uit een beslissing van de openbare werkgever. A.20.2.
- De Ministerraad besluit dat het vierde middel niet gegrond is. A.21.1.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 antwoorden, met betrekking tot de argumentatie van de Ministerraad betreffende hun derde middel, dat de bezwaren over de ontvankelijkheid van het middel verband houden met de grond van de zaak en bijgevolg moeten worden geweerd. De gemeenschappen en de gewesten hebben immers geen enkele bevoegdheid inzake pensioen, met inbegrip van het aanvullend pensioen. Wat die laatste betreft, stond de voormelde wet van 28 april 2003 hun niet toe aanvullende pensioenregelingen in te voeren. Indien dat wel het geval zou zijn geweest, zou het voor de wetgever niet noodzakelijk zijn geweest artikel 19 van de bestreden wet aan te nemen. 17 A.21.1.
- Zij antwoorden ten gronde dat, zelfs in de veronderstelling dat de wet van 28 april 2003 van toepassing was op de gemeenschappen en de gewesten, zij onuitvoerbaar was omdat zij was « geschreven vanuit het perspectief van de privésector ». Op dezelfde wijze heeft de bestreden wet, in zoverre artikel 19 ervan de structuren in het openbaar ambt bepaalt die bevoegd zijn om de onderhandelingen te voeren die voorafgaan aan een aanvullende pensioentoezegging, het louter mogelijk gemaakt de regeling van de wet van 28 april 2003 praktisch toepasbaar te maken in het openbaar ambt. A.21.1.
- Bovendien voeren zij aan dat het is doordat het de openbare werkgevers toekomt het initiatief te nemen voor de invoering van een aanvullend pensioen dat de bestreden wet aan de gemeenschappen en de gewesten het recht toekent om het pensioen van hun contractueel personeel te regelen, en dat in tegenspraak met artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus
- A.21.1.
- Het argument dat de bijzondere wetgever, toen hij in 1988 aan de gewest- en gemeenschapsregeringen de zorg toevertrouwde om het administratief en geldelijk statuut van hun personeel vast te stellen, de hypothese van de invoering van een aanvullend pensioen voor het contractueel personeel niet in aanmerking kon nemen, dient overigens te worden verworpen omdat het aantal contractuele personeelsleden destijds gering was. Dat argument volgt uit een lezing van de wet in het licht van een feitelijke situatie die is gegroeid in tegenspraak met het beginsel van de statutaire tewerkstelling in het openbaar ambt. A.21.1.
- De verzoekende partijen wijzen in de eerste plaats erop dat de Ministerraad in de eerste plaats aanvoert dat de aanvullende pensioenen een element van de bezoldiging zouden zijn en aldus onder het arbeids- en socialezekerheidsrecht zouden vallen, en vervolgens stelt dat de aanvullende pensioenen deel zouden uitmaken van het administratief en geldelijk statuut van de personeelsleden waarvan de vaststelling tot de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten behoort. Vervolgens begaat de tegenpartij volgens de verzoekende partijen een vergissing door ervan uit te gaan dat, in zoverre het het « tijdelijk » personeel beoogt, artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de contractuele personeelsleden zou beogen. Dat begrip beoogt inderdaad het personeel dat bepaalde specifieke statuten geniet, die thans zijn opgeheven. Wellicht dient te worden aangenomen dat, wanneer hij het « hulppersoneel » beoogde, de bijzondere wetgever het contractueel personeel beoogde. Ten slotte, ook al valt de aanvullende pensioenregeling onder het administratief en geldelijk statuut van de personeelsleden, de bevoegdheid om de pensioenen vast te stellen vormt in elk geval een uitzondering op die bevoegdheid en komt dus aan de federale overheid toe. A.21.1.
- De verzoekende partijen besluiten dat het middel gegrond is. A.21.2.
- Dezelfde verzoekende partijen antwoorden op de argumentatie van de Ministerraad betreffende hun vierde middel dat de opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid verband houdt met de grond van de zaak en dat het middel betrekking heeft op het gehele dispositief van de wet. A.21.2.
- De verzoekende partijen voeren aan dat het door de Ministerraad aangevoerde argument het middel niet kan weerleggen. Integendeel, in zoverre de aanvullende pensioenen moeten worden beschouwd als elementen van de bezoldiging van de personeelsleden, behoren zij tot het geldelijk statuut waarvoor artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 in een uitzondering op de bevoegdheid van de gemeenschappen en de gewesten voorziet, inzake het pensioen. Wat de toepasbaarheid van de wet van 28 april 2003 betreft, herhalen de verzoekende partijen dat die wet voor de overheden onuitvoerbaar was en dat het is om daaraan een einde te maken dat artikel 19 van de bestreden wet werd aangenomen. De bestreden wet heeft dus tot doel de overheden in staat te stellen om aanvullende pensioentoezeggingen te doen. A.21.2.
- Wat betreft het argument dat de discriminatie niet zou voortvloeien uit de bestreden wet maar uit het feit dat elke overheid de bevoegdheid heeft om autonoom het statuut van haar personeel vast te stellen, antwoorden de verzoekende partijen dat dat standpunt niet relevant is. Krachtens de door hen aangevoerde bepalingen hebben de grondwetgevende macht en de bijzondere wetgever de vaststelling van de pensioenregeling aan de federale overheid willen voorbehouden, omwille van de gelijkheid. A.21.2.
- De verzoekende partijen besluiten dat het middel gegrond is. A.22.
- Het College van de Franse Gemeenschapscommissie antwoordt dat de bestreden wet daadwerkelijk tot doel heeft de wettelijke pensioenregeling van de personeelsleden te wijzigen, omdat zij ertoe strekt een einde 18 te maken aan de regeling volgens welke het wettelijk pensioen wordt berekend rekening houdend met de aan de benoeming voorafgaande periodes die als contractueel personeelslid zijn gepresteerd. A.22.
- Overigens, ook al is het juist dat de premies die door de werkgever worden betaald ter financiering van een aanvullend pensioen een spaarverrichting vormen die onder de bevoegdheid van de federale wetgever valt en dat de door de werkgever betaalde bijdragen deel uitmaken van het loon in de zin van de wet van 12 april 1965, volgt daaruit niet dat de bestreden wet aan de gemeenschappen en de gewesten de zorg kan overdragen om een aanvullende pensioenregeling te organiseren met verwijzing naar hun bevoegdheid om het geldelijk statuut van hun contractuele personeelsleden vast te stellen in de zin van artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Bij artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 heeft de bijzondere wetgever immers aan het personeel van de deelentiteiten dezelfde pensioenregeling willen voorbehouden als die waaraan het vast, tijdelijk en hulppersoneel van de federale overheid, via wettelijke en statutaire regels, is onderworpen. Die identieke behandeling, zoals vastgelegd bij het voormelde artikel 87, § 3, verbiedt de gewone federale wetgever de huidige pensioenregeling te « ontwrichten », met inachtneming van de autonomie die de deelentiteiten genieten om de regeling van de bezoldiging van hun personeelsleden vast te stellen. De bestreden wet heeft echter wel degelijk tot doel de pensioenregeling van de personeelsleden te hervormen, en valt dus onder het bepaalde van de tweede zin van artikel 87, § 3, dat één enkele pensioenregeling waarborgt. A.22.
- Het derde en het vierde middel in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 zijn gegrond. A.23.1.
- Ten aanzien van het derde middel in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 repliceert de Ministerraad, gesteund door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, dat het logisch is zich te plaatsen binnen de context waarin een norm is aangenomen wanneer het erom gaat de draagwijdte ervan te vatten. Op het ogenblik dat artikel 87, § 3, in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 werd ingevoegd, waren de aanvullende pensioenregelingen overigens nog niet gereglementeerd, zodat het begrip « pensioen » dat erin wordt gehanteerd, niet kon worden toegepast op de aanvullende pensioenen. A.23.1.
- Hij is verder van mening dat het debat over de draagwijdte van de begrippen « tijdelijk personeel » en « hulppersoneel » geen nut heeft omdat de verzoekende partijen zelf erkennen dat de contractuele personeelsleden door artikel 87, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 worden beoogd. A.23.1.
- Hij stelt vast dat de verzoekende partijen nalaten uit te leggen waarom de Raad van State geen enkele opmerking heeft gemaakt over het voorontwerp dat het voormelde decreet van de Vlaamse Regering, waarbij een aanvullend pensioen wordt ingevoerd, is geworden. A.23.1.
- Hij herinnert eraan dat artikel 6, § 1, VIII, 1°, vijfde streepje, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat betrekking heeft op de bevoegdheid van de gewesten inzake ondergeschikte besturen, ook aan de federale overheid een bevoegdheid inzake pensioenen toewijst. Nogmaals verwijst het begrip « pensioen » dat in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 wordt gebruikt, naar het wettelijk pensioen en niet naar het aanvullend pensioen, zoals de lezing van de parlementaire voorbereiding van dat artikel bevestigt. Het zou zelfs onlogisch zijn de gemeenschappen en de gewesten elke bevoegdheid inzake aanvullend pensioen te ontzeggen terwijl zij wel bevoegd zijn inzake pensioen voor de gedecentraliseerde diensten, de instellingen en de ondernemingen die zij oprichten. Uit het arrest van het Hof nr. 39/97 van 14 juli 1997 blijkt eveneens dat het onlogisch zou zijn aan de gemeenschappen en de gewesten de bevoegdheid toe te kennen om een aanvullende pensioenregeling in te voeren voor de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen, maar om hun dat recht te weigeren voor hun eigen personeel. A.23.1.
- De Ministerraad besluit dat het derde middel in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 niet gegrond is. A.23.2.
- Wat het vierde middel in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 betreft, repliceert de Ministerraad dat de verzoekende partijen, aangezien zij zich beperken tot het vermelden van artikel 19 van de bestreden wet, impliciet erkennen dat het middel enkel die bepaling beoogt en dat het voor het overige niet ontvankelijk is. A.23.2.
- Ten gronde stuit het voorstel om een aanvullende pensioenregeling in te voeren voor alle openbare werkgevers op de onbevoegdheid van de federale wetgever om zulk een pensioenregeling in te voeren, die tot het administratief en geldelijk statuut van het personeel behoort. Het feit dat de bezoldigingsvoorwaarden, met 19 inbegrip van het aanvullend pensioen, niet exact dezelfde zijn voor alle openbare werkgevers, is al een realiteit en doet geen rechtsonzekerheid ontstaan. A.23.2.
- Het argument van de verzoekende partijen dat artikel 19 van de bestreden wet niet noodzakelijk zou zijn geweest indien de overheden reeds bevoegd zouden zijn inzake aanvullende pensioenen, moet worden geweerd. Artikel 19 verleent immers geen enkele delegatie van bevoegdheid, wat logisch is aangezien de openbare werkgevers reeds bevoegd waren inzake aanvullend pensioen. De parlementaire voorbereiding bevestigt die analyse. A.23.2.
- De vermeende wil van de Grondwetgever en van de bijzondere wetgever om de bevoegdheid inzake aanvullende pensioenen aan de federale wetgever voor te behouden blijkt uit geen enkel element. Wat betreft de middelen die uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn afgeleid A.24.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en niet-retroactiviteit van de wetten, in zoverre de nieuwe gemengde pensioenregeling waarin is voorzien bij de bestreden wet, die op 1 mei 2018 in werking is getreden, van toepassing is op de personeelsleden van de overheidsdiensten die na 30 november 2017 zijn benoemd. De bestreden wet is dus retroactief en nadelig voor de personeelsleden van de overheidsdiensten die hun loopbaan als contractueel personeelslid zijn begonnen en die tussen 30 november 2017 en 1 mei 2018 zijn benoemd. Het nadeel van die personeelsleden bestaat immers erin dat voor de toekenning en de berekening van hun overheidspensioen geen rekening wordt gehouden met de periodes tijdens welke zij als contractueel personeelslid hebben gewerkt. De retroactieve draagwijdte van de wet wordt niet verantwoord door enige overweging die verband houdt met het algemeen belang. A.24.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 leiden een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 107 van de Grondwet en met het rechtszekerheidsbeginsel, in zoverre de bestreden wet ertoe leidt dat personeelsleden worden opgenomen in verschillende pensioenregelingen, enkel op grond van de datum van hun benoeming, zelfs indien zij tijdens dezelfde duur identieke betrekkingen bij het algemeen bestuur hebben bekleed. Het in aanmerking genomen criterium van onderscheid, namelijk de datum van de benoeming, verantwoordt die verbreking van de beginselen van gelijkheid en van uniciteit van de loopbanen niet. Het argument van de Ministerraad volgens hetwelk de bestreden wet net ertoe strekt de discriminatie af te schaffen die bestaat tussen de contractuele personeelsleden die tijdens de loopbaan zijn benoemd en die zodoende een overheidspensioen voor hun gehele loopbaan verkrijgen, en de contractuele personeelsleden die niet zijn benoemd en die onder de pensioenregeling van de werknemers vallen, is een drogreden. De leden van het contractueel personeel en van het statutair personeel bevinden zich immers in twee onderscheiden rechtstoestanden, aangezien de eerstgenoemden nooit aanspraak hebben kunnen maken op een overheidspensioen. Zulks is onder meer het geval wanneer de administratie voorrang geeft aan de contractuele wijze van aanwerving ten koste van het beginsel van de statutaire aanwerving, door de wervingsexamens uit te stellen of niet te organiseren. Aangezien de bestreden wet op dat geval berust, schendt zij evenwel de in het middel aangevoerde bepalingen. Er is dus geen redelijk motief dat verantwoordt dat het benoemde personeelslid dat steeds een functie heeft uitgeoefend die voor statutaire aanwerving in aanmerking komt, wordt benadeeld door de politieke beslissingen die inzake de aanwerving van personeelsleden zijn genomen. Daaruit vloeit een voor de personeelsleden nadelige rechtsonzekerheid voort, die verband houdt met het toeval bij de evolutie van het bestuurlijk bestel. Volgens de verzoekende partijen is die discriminerende behandeling des te minder aanvaardbaar daar de wet geen aanvullend pensioenstelsel oplegt dat het verlies aan pensioen dat zij veroorzaakt, op adequate wijze zou compenseren. A.25.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7028 leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de algemene rechtsbeginselen van niet- retroactiviteit van de wetten en van rechtszekerheid. Het middel heeft betrekking op de bijzondere situatie van de personeelsleden die, zoals de verzoekende partijen, vast zijn benoemd tussen 30 november 2017 en de inwerkingtreding van de wet, op 1 mei 2018, en zulks na jaren als contractueel personeelslid van een overheid te hebben gewerkt. 20 A.25.
- Na een theoretische uiteenzetting over de van toepassing zijnde beginselen preciseren dezelfde verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling teweegbrengen tussen de ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van de wet, met andere woorden op 1 mei 2018, vast waren benoemd, naargelang zij uiterlijk op 30 november 2017 of na die datum voor de eerste maal vast zijn benoemd. Enkel de eerstgenoemden zullen de vroegere pensioenregeling kunnen blijven genieten, met andere woorden een pensioen van de overheidssector dat voor het geheel van hun loopbaan wordt toegekend, ongeacht de datum die hun toegang geeft tot het pensioen. Die categorieën van statutaire personeelsleden zijn vergelijkbaar. A.25.
- De verzoekende partijen voeren aan dat het verschil in behandeling niet adequaat is. Zij betwisten niet dat het criterium van onderscheid, namelijk de datum van de vaste benoeming, objectief is, noch dat het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk het vrijwaren van de verworven rechten, legitiem is. De door de wetgever gekozen datum is daarentegen niet van dien aard het mogelijk te maken dat dat doel wordt bereikt. Om het te bereiken, had de wetgever de spildatum voor de toepassing van de nieuwe pensioenregeling en de inwerkingtreding van de wet moeten doen samenvallen. Hoewel de wetgever de inwerkingtreding van de wet heeft uitgesteld omdat de wetgevingsprocedure langer duurde dan verwacht, heeft hij niet hetzelfde gedaan wat betreft de spildatum voor de toepassing van de nieuwe pensioenregeling, terwijl die spildatum en de inwerkingtreding van de wet oorspronkelijk met elkaar overeenstemden. De door de minister van Pensioenen gegeven verantwoording, namelijk een toevloed van benoemingen vermijden, stemt niet overeen met het vastgestelde doel maar beantwoordt aan een louter politieke bekommernis. A.25.
- Dezelfde verzoekende partijen zijn eveneens van mening dat het verschil in behandeling en in het bijzonder de spildatum van 30 november 2017 niet noodzakelijk zijn. Allereerst, indien het doel erin bestaat een massale toevloed van benoemingen te vermijden, is dat risico inherent aan de invoering van elke nieuwe pensioenregeling die minder gunstig is voor de personeelsleden die nog niet zijn benoemd. Daarbij komt nog dat het voorontwerp van wet reeds meer dan vijftien maanden vóór die spildatum bekend was, zodat niet-tijdige benoemingen tijdens die periode hadden kunnen worden verricht. Vervolgens wordt de budgettaire weerslag van de maatregel door geen enkele cijfermatige evaluatie aangetoond. Hoe dan ook kunnen de eventuele meerkosten die door de duur van de wetgevingsprocedure worden veroorzaakt, geen negatieve gevolgen hebben voor de personeelsleden die zijn benoemd op de datum die het dichtst bij de inwerkingtreding van de wet ligt. Daarenboven kan de minister niet aanvoeren dat het de bedoeling zou zijn om het met de vakorganisaties gesloten akkoord in acht te nemen, aangezien die een uitstel van de spildatum tot 1 mei 2018 zeker niet ongunstig zouden hebben geacht. Ten slotte zou het niet onredelijk zijn geweest om de spildatum op 1 mei 2018 vast te stellen teneinde de uitgaven te rationaliseren zonder afbreuk te doen aan de legitieme verwachtingen van de personeelsleden die tussen de spildatum en de inwerkingtreding van de wet vast zijn benoemd. A.25.
- Volgens dezelfde verzoekende partijen is het verschil in behandeling onevenredig om twee redenen. Ten eerste schendt het het algemene beginsel van niet-retroactiviteit van de wetten en het algemene rechtsbeginsel van rechtszekerheid. De wet is immers retroactief in zoverre zij een nieuwe pensioenregeling toepast op situaties die definitief voltrokken waren op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan, namelijk die van de ambtenaren die vóór of na 30 november 2017 vast zijn benoemd. Die retroactiviteit kan niet worden verantwoord door de vrees voor een toevloed van benoemingen, die een louter budgettaire reden is, enerzijds, omdat, hoewel de wetgever vijftien maanden heeft kunnen wachten ondanks die vrees voor een toevloed van benoemingen, niets verantwoordt dat hij die termijn niet met nog eens vijf maanden kan verlengen, en, anderzijds, omdat de minister zijn woorden geenszins staaft met cijfers terwijl hij het aantal benoemingen sedert 30 november 2017 had moeten kennen. Ten slotte raakt de retroactiviteit van de wet aan het bedrag van het pensioen van de betrokken personeelsleden en bijgevolg aan hun eigendomsrecht. De wetgever had dus een nog striktere verantwoording moeten geven, hetgeen hij niet heeft gedaan. Door na te laten relevante cijfergegevens en simulaties te verstrekken, blijkt het dat hij zelfs geen afweging tussen de individuele belangen van de personeelsleden en die van de Staat heeft gemaakt. Ten tweede ontzegt het verschil in behandeling de betrokken statutaire personeelsleden een valorisatie, in het pensioen van de overheidssector, van hun prestaties als contractuele personeelsleden, zonder hun de mogelijkheid te bieden een aanvullend pensioen voor die prestaties te genieten. Die ontzegging heeft een niet te verwaarlozen weerslag op het bedrag van hun pensioen, en zulks zonder de kosten van een eventuele afstemming van de spildatum van de nieuwe gemengde pensioenregeling op de datum van inwerkingtreding van de wet te kennen. Voor het overige heeft de federale Regering, door het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State op dat punt niet na te leven, nagelaten om de parlementsleden becijferde en gedetailleerde voorbeelden te verstrekken die betrekking hebben op de situatie van de verzoekende partijen of op die van een contractueel personeelslid dat vóór 1 januari 2018 is aangeworven en dat geen aanvullend pensioen tegen een tarief van 6 % geniet. Toch is het 21 zeker dat de verzoekende partijen een lager pensioen zullen krijgen, en zulks zonder een aanvullende pensioenregeling te kunnen genieten voor de jaren waarin zij als contractueel personeelslid hebben gewerkt, aangezien het voordeel van een dergelijk pensioen niet retroactief is. Bijgevolg is het verschil in behandeling onevenredig en niet redelijk verantwoord. A.26.
- De gemeente Schaarbeek, verzoekende partij in de zaak nr. 7029, leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.26.
- In het eerste onderdeel voert zij aan dat het bestreden artikel 12 van de bestreden wet een onverantwoord verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, de gemeenten die het financiële aanmoedigingsmechanisme kunnen genieten waarin die bepaling voorziet en, anderzijds, de gemeenten die het niet kunnen genieten omdat zij niet zijn aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds. De financiële stimulans bestaat erin dat van de responsabiliseringsbijdrage die ten laste wordt gelegd van bepaalde lokale besturen die bij het Gesolidariseerde pensioenfonds zijn aangesloten, tot 50 % van de kosten wordt afgetrokken die zij maken om het aanvullend pensioen van hun contractueel personeel gedurende het beschouwde jaar te financieren. De gemeenten die niet bij het Gesolidariseerde pensioenfonds zijn aangesloten, worden benadeeld, aangezien zij niet financieel worden gestimuleerd om in een aanvullende pensioenregeling voor hun contractuele personeelsleden te voorzien. Zij zijn aldus minder aantrekkelijk als werkgever. Volgens de verzoekende partij is het niet verantwoord dat het voordeel van het in het bestreden artikel 12 bedoelde financiële mechanisme enkel wordt voorbehouden aan de lokale besturen die bij het Gesolidariseerde pensioenfonds zijn aangesloten. De bij dat Fonds aangesloten lokale besturen en die welke niet erbij zijn aangesloten, zijn voldoende vergelijkbaar, aangezien een gemeente niet financieel wordt bevoordeeld door het feit dat zij niet bij dat Fonds is aangesloten en zelf de kosten van het pensioen van haar personeelsleden draagt. Door het Gesolidariseerde pensioenfonds in te voeren, streefde de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen » (hierna : de wet van 24 oktober 2011) het doel na om een duurzame financiering van de pensioenen van de personeelsleden van de lokale besturen die vast waren benoemd en die met pensioen zijn gegaan, te vrijwaren en daarbij de lokale besturen tevens de vrije keuze te laten om zich al dan niet bij het Gesolidariseerde pensioenfonds aan te sluiten. Vervolgens bestond het doel dat door de wetgever is nagestreefd, toen hij het in het bestreden artikel 12 bedoelde financiële mechanisme heeft uitgewerkt, erin de invoering, door alle lokale besturen, van een aanvullende pensioenregeling ten voordele van de leden van hun contractueel personeel te bevorderen. Ten aanzien van die doelstellingen is het niet verantwoord om niet alle lokale besturen het in het bestreden artikel 12 bedoelde aanmoedigingsmechanisme te laten genieten, maar enkel die welke bij het Gesolidariseerde pensioenfonds zijn aangesloten, temeer daar dat mechanisme geen element is van het financieringssysteem van de pensioenregeling van de vastbenoemde personeelsleden. Voor het overige wordt niet aangetoond dat de lokale besturen die niet bij het Gesolidariseerde pensioenfonds zijn aangesloten, over meer middelen zouden beschikken dan de andere om een aanvullend pensioen te financieren. A.26.
- In het tweede onderdeel formuleert de verzoekende partij een soortgelijke kritiek met betrekking tot artikel 28 van de bestreden wet. Die bepaling voorziet erin om een deel van de loonmatigingsbijdrage toe te wijzen aan het Gesolidariseerde pensioenfonds. Alle betrokken lokale besturen zijn de loonmatigingsbijdrage evenwel verschuldigd, niet alleen voor hun contractuele personeelsleden wier werknemerspensioen wordt 22 gefinancierd door het Globaal Beheer van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, maar ook voor hun statutaire personeelsleden wier pensioen wordt gedragen door het Gesolidariseerde pensioenfonds of door de eigen pensioenregeling van het lokale bestuur. A.27.
- De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, tussenkomende partij, sluit zich aan bij het eerste en het tweede middel in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 en bij het eerste middel in de zaak nr. 7028 en voert aan dat de artikelen 2, 3, 5 en 10 van de bestreden wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden. A.27.
- De tussenkomende partij voert allereerst aan dat drie punten van kritiek die in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State zijn geformuleerd, geen antwoord hebben gekregen, namelijk
(1)het feit dat de bestreden bepalingen een verschil in behandeling doorvoeren tussen vastbenoemde personeelsleden met dezelfde dienstanciënniteit aan het einde van de loopbaan naargelang die jaren arbeid gedeeltelijk als contractueel personeelslid werden gewerkt,
(2)de omstandigheid dat de wet een geringere valorisatie, voor het pensioen, van de prestaties door personeelsleden in hun hoedanigheid van contractuele personeelsleden met zich meebrengt, en
(3)het feit dat de wet geen aanvullende pensioenregeling invoert maar de openbare werkgevers de verplichting oplegt zulks te doen. Zij betreurt eveneens de discriminaties die zijn ingevoerd, ten eerste, tussen de situatie van een personeelslid met een grotere anciënniteit dat na 30 november 2017 is benoemd en die van een personeelslid met een minder grote anciënniteit maar dat vóór 30 november 2017 is benoemd en, ten tweede, tussen de situatie van de personeelsleden naar gelang van het al dan niet bestaan van een aanvullende pensioenregeling op 1 december 2017 en het belang ervan. De bestreden bepalingen zijn niet noodzakelijk om de doelstellingen van eenvoudige logica, van afschaffing van een discriminerende administratieve praktijk en van compensatie van het inkomstenverlies voor de betrokken personeelsleden te bereiken. Zij blijken voor het overige onevenredig te zijn. A.27.
- Volgens de tussenkomende partij dringt dezelfde vaststelling zich op wegens het ontbreken van enige overgangsregeling waarbij de wetgever het de personeelsleden en de overheden mogelijk had kunnen maken om rekening te houden met de gevolgen van de nieuwe pensioenregeling. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt geen dwingende reden van algemeen belang die de onmiddellijke toepassing van het nieuwe systeem zou verantwoorden. Het amendement dat ertoe strekte de nieuwe pensioenregeling enkel op de nieuwe ambtenaren van toepassing te maken, werd verworpen. Het gebrek aan enige overgangsregeling brengt aanzienlijke en onevenredige financiële gevolgen voor de betrokken personeelsleden met zich mee. A.27.
- Het bij de wet bedoelde systeem is bovendien retroactief, aangezien het het voordeel van de pensioenregeling van vóór de bestreden wet enkel voorbehoudt aan de personeelsleden die vóór 30 november 2017 vast zijn benoemd. Op de dag van de bekendmaking van de wet kon geen enkele nuttige maatregel meer worden genomen door de betrokken openbare werkgevers. Geen enkele reden van algemeen belang verantwoordt die retroactiviteit van de wet. Door als criterium van onderscheid de datum van de vaste benoeming te kiezen, behandelt de wetgever ambtenaren die op alle punten vergelijkbaar zijn, verschillend wegens gebeurtenissen die volkomen los van hen staan. A.27.
- De tussenkomende partij besluit tot de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van de beginselen van niet-retroactiviteit en van gewettigd vertrouwen. A.28.
- De Ministerraad weerlegt allereerst het eerste middel van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7021, 7024 en
- A.28.
- Volgens hem is dat middel gedeeltelijk onontvankelijk bij gebrek aan grieven. Hoewel de verzoekende partijen de vernietiging van de gehele wet vorderen, formuleren zij enkel grieven ten aanzien van artikel 3, § 2, van de bestreden wet dat de datum bepaalt op grond waarvan de als contractueel personeelslid gewerkte periodes al dan niet in aanmerking kunnen worden genomen. In zoverre het de bestreden wet in haar geheel beoogt, is het middel gedeeltelijk onontvankelijk. A.28.
- De Ministerraad voert vervolgens aan dat de bepalingen van de bestreden wet niet retroactief zijn; zij zijn eenvoudigweg onmiddellijk van toepassing. Die begrippen mogen niet worden verward, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij doet. De bestreden wet is niet van toepassing op definitief voltrokken feiten, aangezien voor alle personeelsleden die vóór 1 mei 2018 gepensioneerd zijn, de vroegere wetgeving zal gelden. Overigens zijn de doelstellingen van het beginsel van niet-retroactiviteit van de wetten, met name 23 rechtsonzekerheid vermijden en de rechtzoekende in staat stellen de gevolgen van zijn handelingen te voorzien, te dezen volkomen bereikt. De maatregelen die door de bestreden wet ten uitvoer worden gelegd, waren immers reeds vermeld in het regeerakkoord en kwamen voor in algemene beleidsnota’s van de minister van Pensioenen. De spildatum van 30 november 2017 was dus gekend sinds oktober
- A.28.
- In ondergeschikte orde preciseert de Ministerraad dat de retroactiviteit noodzakelijk is om het doel van algemeen belang dat erin bestaat een toevloed van benoemingen te vermijden, te bereiken. Die vrees is niet hypothetisch, meer bepaald omdat het wetsontwerp ruim werd bekendgemaakt. De datum van 30 november 2017 is overigens het resultaat van sociaal overleg binnen het Comité A. A.28.
- De Ministerraad besluit dat het middel niet gegrond is. A.29.
- De Ministerraad weerlegt vervolgens het eerste middel in de zaak nr. 7028 met betrekking tot het onverantwoorde verschil in behandeling tussen ambtenaren die op 1 mei 2018 vast zijn benoemd naargelang zij vóór of na 30 november 2017 vast zijn benoemd. A.29.
- De Ministerraad merkt op dat het gehanteerde criterium van onderscheid, namelijk de datum van vaste benoeming van het personeelslid, objectief is. Hij geeft vervolgens aan dat de vier doelstellingen die de wetgever nastreeft (namelijk het wegwerken van een discriminatie tussen contractuele en statutaire personeelsleden en tussen contractuele personeelsleden die na verloop van tijd zijn benoemd en die welke niet zijn benoemd, het bestrijden van de praktijk van de niet-tijdige benoemingen, de administratieve vereenvoudiging en de duurzaamheid van de pensioenregeling) legitiem zijn. De verzoekende partijen laten na de meeste van die doelstellingen te vermelden en concentreren zich op het doel dat erin bestaat de verworven rechten te vrijwaren. Er dient evenwel rekening te worden gehouden met alle algemene doelstellingen die met de niet-gelijkstelling van de als contractueel personeelslid gewerkte periodes worden nagestreefd, en niet enkel met de doelstellingen die de keuze van de datum van 30 november 2017 hebben ingegeven, aangezien alle doelstellingen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. A.29.
- Volgens de Ministerraad is het onderscheid daarenboven relevant en redelijk verantwoord. A.29.
- Hij brengt allereerst in herinnering dat de statutaire personeelsleden geen verworven rechten hebben met betrekking tot de nadere regels van hun pensioen. Het feit dat zij benoemd zijn, houdt niet in dat zij kunnen verwachten dat de regeling van hun pensioen ongewijzigd blijft vóór hun pensionering. Vervolgens, wat betreft het doel om discriminaties weg te werken, maakt de bestreden wet het voortaan mogelijk de prestaties die als contractueel personeelslid bij een openbare werkgever zijn verricht, op dezelfde manier te behandelen, ongeacht of het personeelslid nadien al dan niet vast benoemd werd. Het is overigens onjuist te beweren dat de bestreden wet nieuwe discriminaties zou teweegbrengen. Het valt niet te ontkennen dat de bestreden wet de discriminatie tussen de contractuele personeelsleden opheft, naargelang zij al dan niet vóór het einde van hun loopbaan zijn benoemd. Het doel om de strijd aan te gaan tegen de niet-tijdige benoemingen wordt bereikt omdat niemand nog belang erbij heeft om contractuele personeelsleden niet tijdig te benoemen teneinde ze een overheidspensioen te laten genieten voor de jaren waarin zij als contractueel personeelslid werden tewerkgesteld. Het doel van administratieve vereenvoudiging wordt bereikt omdat het niet meer nodig is transfers uit te voeren tussen de verschillende pensioenregelingen. Ten slotte wordt het doel om de duurzaamheid van de verschillende pensioenregelingen te waarborgen, verwezenlijkt omdat het goedkoper is een pensioen te betalen in de pensioenregeling van de werknemers, dan een overheidspensioen, voor het gedeelte van de loopbaan dat als contractueel personeelslid werd gepresteerd. A.29.
- Wat in het bijzonder de keuze van de datum van 30 november 2017 betreft, wordt het doel dat erin bestaat het resultaat van het sociaal overleg in acht te nemen, eveneens bereikt. Hetzelfde geldt voor het doel een toevloed van benoemingen te vermijden. Aangezien veel ruchtbaarheid is gegeven aan het wetsontwerp en de wetgever een risico heeft genomen door de datum van het regeerakkoord niet als spildatum in aanmerking te nemen, was de vrees dat de lokale besturen zouden overgaan tot een toevloed van benoemingen, niet denkbeeldig. De datum van 30 november 2017 komt aldus tegemoet aan de verwachtingen van de personeelsleden die vóór die datum zijn benoemd, terwijl het doel een toevloed van benoemingen te vermijden wordt verwezenlijkt. Het behoud van de uiterste benoemingsdatum op 30 november 2017 en niet op 1 mei 2018 wordt echter niet verantwoord door de noodzaak om tegemoet te komen aan de verwachtingen van de personeelsleden. De 24 verzoekende partijen maken dus een verkeerde analyse door te onderzoeken of het verschil in behandeling adequaat is ten opzichte van dat doel. A.29.
- Stellen dat het doel een toevloed van benoemingen te vermijden louter politiek zou zijn, is een nadrukkelijke bewering. In werkelijkheid zou een toevloed van benoemingen de bij de wet nagestreefde doelstellingen teniet hebben gedaan. A.29.
- De Ministerraad beweert eveneens dat de verzoekende partijen de noodzaak van het verschil in behandeling niet in het geding kunnen brengen. Het is niet correct om aan te voeren dat een toevloed van benoemingen niet kon worden vermeden omdat het voorontwerp reeds vijftien maanden bekend was. Voor het overige komt het niet aan de Ministerraad toe om de budgettaire weerslag van de maatregel of nog het aantal benoemingen voor te leggen die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Het volstaat dat de wetgever vooruitloopt op een risico van een toevloed van benoemingen. A.29.
- Wat de evenredigheid van de maatregel betreft, preciseert de Ministerraad dat die niet enkel moet worden onderzocht, zoals de verzoekende partijen doen, in zoverre hij van toepassing is op de personen die tussen 30 november 2017 en 1 mei 2018 zijn benoemd. Hij voert vervolgens aan dat het verschil in behandeling evenredig is. De nieuwe wettelijke pensioenregeling heeft geen betrekking op de personeelsleden die vóór 30 november 2017 zijn benoemd, noch op de personen die reeds gepensioneerd zijn. Overigens blijven de contractuele personeelsleden die na 30 november 2017 zijn benoemd, een werknemerspensioen genieten voor de jaren waarin zij in die hoedanigheid hebben gewerkt. Thans wordt een gering percentage van de contractuele personeelsleden daadwerkelijk benoemd, onder meer omdat de regularisatiebijdrage die bepaalde lokale besturen moeten betalen, een niet-tijdige vaste benoeming ontmoedigt. De bestreden wet is louter een weerspiegeling van de realiteit, dat wil zeggen van het aantal jaren waarin is gewerkt als contractueel of statutair personeelslid. De gelijkstelling van het contractueel personeel met het statutair personeel voor het rustpensioen in geval van een latere benoeming van het personeelslid, die voortvloeide uit een zekere « administratieve rechtspraak », berustte overigens op geen enkele wettelijke grondslag. Het is eerder die « administratieve rechtspraak », die aanleiding gaf tot discriminatie tussen de contractuele personeelsleden die gedurende heel hun loopbaan in die hoedanigheid werkten en de contractuele personeelsleden die op een later tijdstip werden benoemd. Voor het overige schrapt de bestreden wet, die het voorwerp heeft uitgemaakt van sociaal overleg, de voorwaarde die vereist dat men over vijf jaar dienst moet beschikken om een pensioen van de overheidssector te kunnen genieten. Zij voert ook een uitzondering in voor de leden van het onderwijzend personeel aangezien zij lid zijn van het tijdelijk statutair personeel, op voorwaarde dat zij vast worden benoemd. Ten slotte stimuleert de bestreden wet de invoering van een aanvullend pensioen voor de contractuele personeelsleden en voorziet zij in financiële incentives voor de lokale besturen die een dergelijk pensioen wensen in te voeren. A.29.
- De Ministerraad betwist vervolgens enkele bijzondere argumenten van de verzoekende partijen in de zaak nr.
- Allereerst is de wet niet onevenredig omdat zij niet retroactief is. Zij is immers niet van toepassing op de personen die vóór 1 mei 2018 met pensioen zijn gegaan. Bovendien, gesteld dat er retroactiviteit zou zijn, zou zij worden verantwoord door een reden van algemeen belang. Het eigendomsrecht van de verzoekende partijen wordt evenmin aangetast, bij gebrek aan een definitieve beslissing waarbij te dezen een pensioen wordt toegekend. Vervolgens is de wet niet onevenredig in zoverre zij het de personeelsleden die tussen 30 november 2017 en 1 mei 2018 zijn benoemd, niet mogelijk zou maken om een aanvullend pensioen op te bouwen. Vele openbare werkgevers beschikten immers reeds over een aanvullende pensioenregeling vóór de bestreden wet, en een openbare werkgever kan aan zijn aanvullende pensioenregeling steeds terugwerkende kracht verlenen indien hij zulks wenst. Daarenboven heeft de minister van Pensioenen de parlementsleden inzage gegeven in rekensimulaties waarin een verschillende duur van dienst in contractueel verband en in statutair verband wordt overwogen, met verschillende bijdragevoeten voor het aanvullend pensioen. De rekensimulatie maakt het de parlementsleden mogelijk de weerslag van de bestreden wet te beoordelen. A.29.
- De Ministerraad besluit dat het middel niet gegrond is. A.30.
- De Ministerraad weerlegt vervolgens het tweede middel in de zaken nrs. 7021, 7024 en
- 25 A.30.
- Hij is van mening dat de personeelsleden die hun gehele loopbaan als contractueel personeelslid hebben volbracht en die welke maar een deel van hun loopbaan als contractueel personeelslid hebben volbracht alvorens te zijn benoemd, vergelijkbaar zijn. Zelfs onder de vorige regeling was de vaste benoeming van een contractueel personeelslid niet verplicht, zoals blijkt uit de voorwaarden die worden opgelegd door de administratieve praktijk teneinde een overheidspensioen te genieten dat is berekend op de gehele loopbaan, met inbegrip van de jaren waarin als contractueel personeelslid werd gewerkt. Daarenboven moet de bewering volgens welke de statutaire betrekking de norm is in het openbaar ambt, worden gerelativeerd. Er bestaan een groot aantal uitzonderingen op de statutaire aanwerving. In het Vlaamse Gewest worden de statutaire aanwerving en de contractuele aanwerving zelfs op gelijke voet geplaatst met betrekking tot de lokale besturen. Sommige overheidsbedrijven kunnen personeel enkel aanwerven met een arbeidsovereenkomst. De huidige trend gaat in alle gevallen in de richting van een normalisering van de contractuele aanwerving in het openbaar ambt. Om die redenen zijn de contractuele personeelsleden, ongeacht of zij later al dan niet zijn benoemd, vergelijkbaar. Aangezien zij hun ambt uitoefenen met een arbeidsovereenkomst en bijdragen in de werknemersregeling storten, is het logisch dat zij een pensioen in die regeling verkrijgen. A.30.
- De Ministerraad voert vervolgens aan dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie bij de toegang tot de openbare bedieningen niet is geschonden, aangezien dat beginsel niet inhoudt dat aan alle personeelsleden die zijn benoemd, een pensioen als statutair personeelslid moet worden gewaarborgd voor het geheel van hun loopbaan, ook voor de jaren waarin zij als contractueel personeelslid hebben gewerkt. Dat beginsel houdt evenmin in dat alle personeelsleden op identieke wijze moeten worden behandeld, met name met betrekking tot het bedrag van hun pensioen. Het beginsel is enkel van toepassing met betrekking tot de aanwerving. Artikel 107 van de Grondwet kent geen recht toe betreffende de wijze van aanwerving of het bedrag van het pensioen, zodat het niet is geschonden door de bestreden wet. Ten slotte heeft de wetgever het recht om wetten te wijzigen en een einde te maken aan een administratieve praktijk die mogelijk onbestaanbaar is met artikel 179 van de Grondwet. Het is ook onjuist om aan te voeren dat de discriminatie zou worden verergerd omdat de wetgever aan de openbare werkgevers niet de verplichting heeft opgelegd om een aanvullend pensioen in te voeren. De wetgever is niet bevoegd om een dergelijke verplichting in te voeren, met andere woorden om te beslissen over het loon van de personeelsleden van andere openbare werkgevers. A.30.
- De Ministerraad besluit dat het middel niet gegrond is. A.31.
- Ten slotte weerlegt de Ministerraad het enige middel in de zaak nr.
- A.31.
- In verband met het eerste onderdeel voert de Ministerraad in hoofdorde aan dat de lokale besturen die bij het Gesolidariseerde pensioenfonds zijn aangesloten en die welke niet erbij zijn aangesloten, niet vergelijkbaar zijn. De eerste hebben ervoor gekozen om de last van hun pensioen solidair te dragen, door een jaarlijkse bijdrage aan het Fonds te betalen en soms een responsabiliseringsbijdrage daarbovenop. De lokale besturen die niet bij het Fonds zijn aangesloten, storten die bijdragen niet maar dragen zelf de werkelijke last van de pensioenen van hun personeel. De filosofie en de werking van die twee pensioenregelingen zijn dus heel verschillend. A.31.
- In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat het verschil in behandeling niet discriminerend is. Het criterium van onderscheid is objectief en relevant. Het specifieke doel van het aanmoedigingsmechanisme bestaat immers erin de individuele responsabilisering van de openbare werkgevers die een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd zijn, te verfijnen. Het doel is dus niet zo uitgebreid als de verzoekende partij meent door aan te voeren dat het nagestreefde doel, algemener, erin bestaat dat alle lokale besturen een aanvullende pensioenregeling in werking stellen voor hun contractuele personeelsleden. Artikel 12 van de bestreden wet beperkt zich ertoe het opbouwen van aanvullende pensioenen alleen voor de lokale besturen die een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd zijn, aan te moedigen. Naast dat doel poogt de wetgever het doel te bereiken, dat reeds is nagestreefd bij de voormelde wet van 24 oktober 2011, om een zo ruim mogelijke aansluiting bij het Gesolidariseerde pensioenfonds te verkrijgen. 26 Bijgevolg, aangezien de lokale besturen die ertoe zijn gehouden een responsabiliseringsbijdrage te betalen en die een aanvullend pensioen invoeren, het bedrag van hun responsabiliseringsbijdrage, dankzij het betwiste mechanisme, zullen zien dalen, worden de beoogde lokale besturen ertoe aangezet een aanvullend pensioen in te voeren. Het doel om de lokale besturen ertoe aan te zetten een aanvullende pensioenregeling in te voeren wordt dus bereikt. A.31.
- Het onderscheid is bovendien evenredig, aangezien de gemeente Schaarbeek de vrije keuze heeft gemaakt om zelf de pensioenregeling van haar gewezen statutaire personeelsleden te financieren. Die keuze om zich niet bij het Gesolidariseerde pensioenfonds aan te sluiten, moet worden gedragen : zij kan geen aanspraak maken op de voordelen van de regeling zonder de nadelen ervan te moeten dragen. Daarenboven kan die verzoekende partij zich steeds aansluiten bij het voormelde Fonds. Zij kan eveneens een aanvullende pensioenregeling invoeren zonder zich vooraf bij het Fonds te moeten aansluiten. Zij kan haar personeel ook benoemen in een statutair ambt. De bij het Fonds aangesloten werkgevers die geen responsabiliseringsbijdrage verschuldigd zijn, genieten de betwiste financiële stimulans trouwens evenmin. Bovendien wordt de vermindering van de bijdrage in kwestie enkel toegekend indien de aanvullende pensioenregeling aan bepaalde voorwaarden voldoet. Ten slotte, indien de verzoekende partij de vermindering van de responsabiliseringsbijdrage niet geniet, zal zij evenmin de verhoging ervan dragen. A.31.
- De Ministerraad besluit dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is. A.31.
- In verband met het tweede onderdeel herhaalt hij in hoofdorde dat de door de verzoekende partij vergeleken categorieën niet vergelijkbaar zijn. In ondergeschikte orde geeft hij aan dat het verschil in behandeling verantwoord is. Het nagestreefde doel bestaat erin de financiële last te verminderen die op het Gesolidariseerde pensioenfonds rust, hetgeen legitiem is. Het verschil in behandeling is relevant om dat doel te bereiken. Ten aanzien van dat doel is het immers relevant om het voordeel van de toewijzing van een deel van de loonmatigingsbijdrage aan datzelfde Fonds voor te behouden aan de bij dat Fonds aangesloten werkgevers. A.31.
- Het onderscheid is bovendien evenredig. De verzoekende partij had, en heeft nog steeds, de mogelijkheid om zich aan te sluiten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds. Indien zij dat niet doet, dient zij de gevolgen ervan te dragen. Bovendien, aangezien de basis- en responsabiliseringsbijdragen in de komende jaren zullen stijgen, is het niet onevenredig om alleen aan de lokale besturen die ze moeten dragen, financiële ondersteuning aan te bieden. Ten slotte zijn zowel het Globaal Beheer van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als het Gesolidariseerde pensioenfonds solidaire regelingen. De bijdragen die erin worden gestort om die twee regelingen te financieren, hebben het karakter van collectieve middelen, zodat geen enkele werkgever of werknemer aanspraak kan maken op een deel van die financiële middelen. De federale Staat kan daarentegen beslissen om financiële middelen tussen beide regelingen over te dragen, in het algemeen belang. A.31.
- De Ministerraad besluit dat het middel niet gegrond is. A.32.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7021, 7024 en 7025 formuleren in hun memories van antwoord enkele inleidende opmerkingen over de relevantie van de bij de bestreden wet nagestreefde doelstellingen. A.32.
- Wat betreft het doel van de wetgever om een discriminatie tussen de personeelsleden af te schaffen naargelang zij als statutair dan wel als contractueel personeelslid met pensioen gaan, moduleert de bestreden wet de gevolgen van dat verschil in behandeling enkel en verwezenlijkt zij het nagestreefde doel niet. Vervolgens brengt het doel dat erin bestaat de courante praktijk van de niet-tijdige benoemingen te willen tegengaan, met zich mee dat de wetgever de personeelsleden van de overheidsdiensten de tekortkomingen en onrechtmatige praktijken van bepaalde administratieve overheden doet dragen. Die verantwoording is niet redelijk. Het doel van administratieve vereenvoudiging is niet van dien aard dat het op zichzelf de betwiste hervorming verantwoordt. De wil om de duurzaamheid van de regeling van de overheidspensioenen te verzekeren vormt het hoofddoel van de bestreden wet. De regeling van de gemengde pensioenen verhoogt in werkelijkheid echter de financiële last met betrekking tot het personeel die wordt gedragen door de overheid, aangezien zij, als tegenprestatie voor dat nieuwe systeem, ertoe strekt de inwerkingstelling van aanvullende pensioenen te bevorderen, die worden gefinancierd door de algemene begroting van elke overheid. Vervolgens, hoewel het een politieke keuze op zich betreft om voorrang te geven aan de stelsels van kapitalisatie en privatisering van de pensioenen van het personeel van het openbaar ambt, kan zij niet worden vastgelegd, zoals dat het geval is, bij wetsbepalingen die in strijd zijn met de Grondwet en met de bijzondere wetten tot hervorming der instellingen. 27 A.32.
- Daarenboven, door een financiële stimulans in het leven te roepen die bestemd is voor de lokale besturen, treedt de bestreden wet in conflict met het doel dat erin bestaat de duurzaamheid van de overheidspensioenen te willen verzekeren. Het mechanisme waarbij de lokale besturen ertoe worden aangezet aanvullende pensioenregelingen in te voeren voor hun contractueel personeel, brengt immers een aanzienlijke vermindering met zich mee van de responsabiliseringsbijdrage die wordt gestort in de regeling van de overheidspensioenen via het Gesolidariseerde pensioenfonds. Dat inkomstenverlies za