id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.114 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200924.1 Arrest- Rolnummer: 114/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-09-24 Raadplegingen: 1157 - laatst gezien 2026-06-20 12:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof 1° vernietigt, in de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » : - de tweede zin van artikel 47, § 1, 2°, in zoverre hij van toepassing is op de advocaten; - in artikel 49, tweede lid, de verwijzing naar artikel 5, § 1, 28°; 2° onder voorbehoud van de in B.21 vermelde interpretatie, verwerpt de beroepen voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », door de Orde van Vlaamse balies en door het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten en anderen. Strafrecht - Bestrijding van het witwassen van geld - Omzetting van een Europese richtlijn - Meedelen van gegevens aan de Cel voor financiële informatieverwerking - 1. Advocaten - Verplichting tot melding van vermoedens - Optreden van de stafhouder - Beroepsgeheim - 2. Werknemers of vertegenwoordigers van advocaten die al dan niet de hoedanigheid van advocaat hebben - 3. Externe accountants / Externe belastingconsulenten. Wettelijke bepalingen: Wet - 18-09-2017 - 47,§1,2° - 06 ELI link Pub nr 2017013368 Wet - 18-09-2017 - 49,L2 - 06 ELI link Pub nr 2017013368 Tekst van de beslissing Rolnummers 6888, 6895 en 6898 Arrest nr. 114/2020 van 24 september 2020 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », door de Orde van Vlaamse balies en door het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 maart 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 maart 2018, heeft de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Krenc, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 49 van de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 oktober 2017). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 april 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 april 2018, heeft de Orde van Vlaamse balies, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. E. Storme, advocaat bij de balie te Gent, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 47, § 1, 2°, tweede zin, 49, tweede lid, en 52, eerste lid, van dezelfde wet. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 april 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 april 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 5 van dezelfde wet door het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, Benoît Vanderstichelen en Bart Van Coile, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Judo en Mr. M. Vanderstraeten, advocaten bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6888, 6895 en 6898 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de ivzw « Raad van Europese balies », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Peeters en Mr. L. Champoeva, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 4 maart 2020 heeft het Hof de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 24 maart 2020. Bij beschikking van 18 maart 2020 heeft het Hof een richtlijn aangenomen (« Richtlijn betreffende de bijzondere proceduremaatregelen van het Grondwettelijk Hof in het kader van de coronaviruscrisis »), waarbij werd bepaald dat tot nader order geen enkele terechtzitting zou worden vastgesteld en dat de zaken die reeds vastgesteld waren voor de terechtzitting van 24 maart 2020 (de zaken met de rolnummers 6888, 6895 en 6898), sine die worden verdaagd. Bij beschikking van 31 maart 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist : - dat de zaken in staat van wijzen zijn, 3 - de partijen uit te nodigen om, in een aanvullende memorie die uiterlijk op 24 april 2020 moet worden ingediend en binnen dezelfde termijn moet worden uitgewisseld, hun standpunt in verband met de volgende punten mee te delen aan het Hof : «
- a)De samenhang van de krachtens de artikelen 52 en 53 van de wet van 18 september 2017 aan de advocaten opgelegde verplichtingen. Berust de controle van de naleving van de voorwaarden bedoeld in artikel 53 alleen bij de stafhouder, krachtens artikel 52, tweede lid, en/of bij de advocaat, krachtens artikel 53 (in voorkomend geval vooraleer die enige informatie doorgeeft aan de stafhouder, krachtens artikel 52, eerste lid) ?
- b)Alle relevante informatie met betrekking tot de toepassing van de bestreden wet op de advocaten sinds de inwerkingtreding ervan. »; - het de partijen mogelijk te maken om te antwoorden op de ingediende aanvullende memories, in een aanvullende memorie van antwoord die uiterlijk op 11 mei 2020 moet worden ingediend en binnen dezelfde termijn moet worden uitgewisseld; - dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking, een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 13 mei 2020 en de zaken in beraad zullen worden genomen; - dat de in de voormelde richtlijn van het Hof van 18 maart 2020 bedoelde schorsing van de termijnen niet van toepassing is op de termijnen die in die beschikking zijn vastgesteld; - dat die beschikking de voormelde beschikking tot ingereedheidbrenging van 4 maart 2020 annuleert en vervangt. Aanvullende memories en aanvullende memories van antwoord zijn ingediend door : - de verzoekende partij in de zaak nr. 6888; - de verzoekende partij in de zaak nr. 6895; - de Ministerraad. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 13 mei 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.1. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone », verzoekende partij in de zaak nr. 6888, en de Orde van Vlaamse balies, verzoekende partij in de zaak nr. 6895, zetten uiteen dat zij er belang bij hebben de vernietiging te vorderen van bepalingen die afbreuk doen aan het beroepsgeheim van de advocaten en die de rechtzoekenden ongunstig kunnen raken. Zij verwijzen naar artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek en naar de arresten van het Hof nrs. 46/2000, 10/2008, 102/2008, 126/2005 en 127/2013. A.1.2. Het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten, eerste verzoekende partij in de zaak nr. 6898, zet uiteen dat het, gelet op zijn wettelijke opdracht, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet van 22 april 1999 « betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen » (hierna : de wet van 22 april 1999), er belang bij heeft de vernietiging te vorderen van bepalingen die het beroep van belastingconsulent betreffen en die de situatie van de aan de toepassing van de wet van 22 april 1999 onderworpen belastingconsulenten ongunstig kunnen raken. De tweede en de derde verzoekende partij in de zaak nr. 6898 zijn natuurlijke personen die respectievelijk het beroep van extern accountant en dat van extern belastingconsulent uitoefenen in de zin van artikel 5, § 1, van de wet van 22 april 1999. Zij verantwoorden hun belang bij het beroep door het feit dat zij zijn onderworpen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de bestreden wet, terwijl andere beroepsbeoefenaars inzake fiscaal advies met wie zij in concurrentie treden, dat niet zijn. A.1.3. Ter staving van zijn belang om tussen te komen, doet de Raad van Europese balies gelden dat de bestreden bepalingen aanzienlijke repercussies hebben op de uitoefening van het beroep van advocaat. Hij wijst erop dat het Hof, bij het arrest nr. 126/2005 van 13 juli 2005, zijn belang om in rechte te treden wanneer de rechten en vrijheden van de rechtzoekenden en van de advocaten in het geding zijn, reeds heeft erkend. A.1.4. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van de beroepen niet, noch die van de tussenkomst. Ten gronde Wat de context van de bestreden wet betreft A.2.1. De Ministerraad zet uiteen dat de bestreden wet de richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 « inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/849) omzet. Hij voegt eraan toe dat de bestreden wet daarenboven ertoe strekt de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met de in 2012 door de internationale Financiële Actiegroep (hierna : de FAG) aangenomen veertig aanbevelingen met betrekking tot de « internationale normen ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en proliferatie », die bindende internationale normen vormen. A.2.2. De Orde van Vlaamse balies betwist het internationaalrechtelijk bindend karakter van de aanbevelingen van de FAG. Volgens de Orde van Vlaamse balies kunnen die aanbevelingen enkel dezelfde werking hebben als de richtlijn (EU) 2015/849, in zoverre zij in de richtlijn zijn vermeld. 5 Wat artikel 5 van de bestreden wet betreft (enig middel in de zaak nr. 6898) A.3.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 6898 vorderen de vernietiging van artikel 5 van de bestreden wet in zoverre het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn (EU) 2015/849, in het bijzonder met artikel 2, lid 1, ervan. Zij zetten uiteen dat aangezien de bestreden wet enkel van toepassing is op de fiscale beroepsbeoefenaars die onder de wet van 22 april 1999 vallen, zij zonder redelijke verantwoording, enerzijds, de externe accountants of de externe belastingconsulenten die onderworpen zijn aan de toepassing van de wet van 22 april 1999 en, anderzijds, de andere externe beroepsbeoefenaars inzake fiscaal advies die niet onder de toepassing van de wet van 22 april 1999 vallen, verschillend behandelt, in zoverre alleen de eersten de « antiwitwas »-verplichtingen in acht dienen te nemen waarin bij de bestreden wet is voorzien. Allereerst moeten de begrippen « externe accountant » en « belastingconsulent », die in de richtlijn (EU) 2015/849 niet zijn gedefinieerd, worden begrepen in het licht van de doelstelling van die richtlijn, die erin bestaat beroepen te dekken waarvan de activiteiten zich in het bijzonder lenen om voor witwassen te worden gebruikt. Het centrale karakter van het begrip « activiteit » als belastingconsulent, los van de kwalificatie en de reglementering in het interne recht van de beroepen die aan een dergelijke activiteit zijn gewijd, wordt bevestigd door een voorstel van richtlijn dat ertoe strekt de richtlijn (EU) 2015/849 te wijzigen. Vervolgens is de vooronderstelling van de wetgever volgens welke een beroep aan de controle van een beroepsorgaan moet zijn onderworpen om onder de bestreden wet te vallen, in strijd met de richtlijn (EU) 2015/849. Ten eerste hebben de lidstaten de mogelijkheid een zelfregulerend orgaan dat de leden van een beroep vertegenwoordigt, aan te wijzen als autoriteit die op de hoogte moet worden gebracht in de plaats van de financiële inlichtingeneenheid (FIE), maar het gaat niet om een verplichting (artikelen 3, punt 5), 33 en 34 van de richtlijn). Ten tweede dienen de lidstaten toezichthoudende bevoegdheden toe te vertrouwen aan bevoegde autoriteiten, die niet noodzakelijk zelfregulerende organen moeten zijn (artikel 48 van de richtlijn). Ten derde wijst artikel 85 van de bestreden wet de toezichtautoriteiten aan die bevoegd zijn wanneer de onderworpen entiteit niet over een zelfregulerend orgaan beschikt. Tot slot verstrekken zowel de belastingadviseurs die aan de toepassing van de wet van 22 april 1999 zijn onderworpen als de belastingadviseurs die niet aan de toepassing van die wet zijn onderworpen, advies op belastinggebied dat een risico van misbruik van hun diensten voor witwasdoeleinden oplevert. Het feit dat een beroep gereglementeerd is en door een zelfregulerend orgaan wordt gecontroleerd, vormt geen relevant criterium om te bepalen of dat beroep al dan niet aan de verplichtingen van de bestreden wet moet worden onderworpen. Het verschil in behandeling tussen de twee categorieën van belastingadviseurs is niet redelijk verantwoord. A.3.2. De Ministerraad betoogt dat het enige middel enkel is gericht tegen artikel 5, § 1, 24°, van de bestreden wet. Hij merkt op dat zowel de vroegere richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 « tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme » als de huidige richtlijn (EU) 2015/849 de « belastingadviseurs » beogen, zonder evenwel dat begrip te definiëren. Hij is van mening dat een voorstel van richtlijn tot wijziging van de richtlijn (EU) 2015/849 aantoont dat het begrip « belastingadviseur » thans « iedere persoon die advies op belastinggebied verleent » niet dekt. Hij wijst erop dat de Belgische wetgever de wijziging van de richtlijn (EU) 2015/849 zal omzetten wanneer die effectief zal zijn, door de bestreden wet en, in voorkomend geval, de wet van 22 april 1999 te wijzigen. De Ministerraad doet gelden dat vereist is dat de beroepen die onder de bestreden wet vallen, aan de controle door een beroepsorgaan worden onderworpen om te waarborgen, enerzijds, dat de bestreden wet daadwerkelijk wordt toegepast en, anderzijds, dat de persoon die een melding van een vermoeden indient, de hoedanigheid van onderworpen entiteit heeft. Bovendien lijdt het geen twijfel dat de personen bedoeld in artikel 5, § 1, 24°, van de bestreden wet aan de « antiwitwas »-verplichtingen zijn onderworpen. De Ministerraad leidt daaruit af dat een vernietiging van die bepaling niet in overeenstemming is met het internationaal recht, noch met het Europees recht en dat de verzoekende partijen met hun beroep proberen zich te onttrekken aan de verplichtingen die op hen rusten. 6 Tot slot betoogt de Ministerraad dat de belastingadviseurs, bedoeld in de wet van 22 april 1999, en de personen die advies geven op belastinggebied, zich niet in vergelijkbare situaties bevinden. De belastingadviseurs, van wie het beroep is gereglementeerd, zijn onderworpen aan een verplichting tot onafhankelijkheid en beroepsgeheim teneinde een opdracht van algemeen belang uit te oefenen die hun bij de wet is toevertrouwd. De personen die een niet-gereglementeerd beroep van advies op belastinggebied uitoefenen, zijn daarentegen niet onderworpen aan het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek. Zij genieten evenmin het voordeel van de afwijkingen van de « antiwitwas »-verplichtingen die voor de gereglementeerde beroepen bestaan. De Ministerraad leidt daaruit af dat indien die personen aan de bestreden wet zouden worden onderworpen, zij zouden kunnen doen gelden dat zij op hun beurt discriminerend worden behandeld ten opzichte van de gereglementeerde beroepen. Daarenboven is de keuze van de wetgever om zelfregulerende organen aan te wijzen, in overeenstemming met de richtlijn (EU) 2015/849. A.3.3. De verzoekende partijen merken op dat de Ministerraad niet betwist dat elke activiteit van belastingadvies het risico om voor witwasdoeleinden te worden gebruikt met zich meebrengt, net zomin als hij de objectieve reden uiteenzet die zou verantwoorden het begrip « belastingadviseur », bedoeld in artikel 2 van de richtlijn (EU) 2015/849, op beperkende wijze te interpreteren. Het voorstel tot wijziging van de richtlijn (EU) 2015/849 moet worden geïnterpreteerd als een verduidelijking van het huidige toepassingsgebied ervan, en niet als een uitbreiding ervan. De richtlijn (EU) 2015/849 verbiedt in elk geval niet alle beroepen van belastingadviseur aan de toepassing ervan te onderwerpen en de lidstaten beschikken dienaangaande over een beoordelingsmarge. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag te stellen : « Dient artikel 2, lid 1, punt 3), punt a), van de richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, vóór de wijziging ervan bij de richtlijn 2018/843 van 30 mei 2018, en in voorkomend geval in samenhang gelezen met het beginsel van gelijke behandeling verankerd in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in die zin te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling die het toepassingsgebied ervan zou beperken tot de auditors, externe accountants en belastingadviseurs die onder een zelfregulerend orgaan (in de zin van artikel 3, punt 5), van de richtlijn) ressorteren, zonder de belastingadviseurs te beogen die ervoor gekozen hebben zich niet te onderwerpen aan het gezag van een dergelijk orgaan en die niettemin activiteiten van belastingadvies uitoefenen die een risico vertonen van misbruik met het oog op het witwassen van de opbrengsten van criminele activiteiten of terrorismefinanciering ? ». De verzoekende partijen voegen eraan toe dat zij een lacune in de bestreden wet aanklagen, in zoverre die laatste niet van toepassing is op de belastingadviseurs van wie het beroep niet gereglementeerd is, en dat die lacune in strijd is met de richtlijn (EU) 2015/849. Zij trachten niet de belastingadviseurs van wie het beroep gereglementeerd is, van het toepassingsgebied van de bestreden wet uit te sluiten. Volgens de verzoekende partijen vormt de omstandigheid dat de gereglementeerde beroepen aan deontologische regels zijn onderworpen, geen relevant criterium van onderscheid wat het persoonlijk toepassingsgebied van de strijd tegen het witwassen betreft. Integendeel, het feit dat de niet-gereglementeerde beroepen niet aan deontologische regels zijn onderworpen, brengt meer risico’s met zich mee dat hun activiteit wordt gebruikt voor witwasdoeleinden, hetgeen verantwoordt dat zij onder het toepassingsgebied van de bestreden wet vallen. De verzoekende partijen betogen dat een persoon die een beroep uitoefent dat niet gereglementeerd is en niet aan het beroepsgeheim onderworpen is, geen discriminatie zou kunnen aanklagen ten aanzien van de toepassing van de uitzonderingen op de « antiwitwas »-verplichtingen en dat de moeilijkheden in verband met de uitbreiding van het toepassingsgebied van de bestreden wet tot de niet-reglementeerde beroepen voortvloeien uit de taak van de wetgever. Tot slot bevestigt het feit dat de gereglementeerde en niet-reglementeerde beroepen vergelijkbare activiteiten uitoefenen wat de toepassing van de uitzonderingen op de « antiwitwas »-verplichtingen betreft, dat de uitsluiting van de niet-gereglementeerde beroepsbeoefenaars uit het toepassingsgebied van de bestreden wet zonder verantwoording is. 7 A.3.4. De Ministerraad doet gelden dat uit de parlementaire voorbereiding van de richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 « tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU » blijkt dat die richtlijn het toepassingsgebied van de richtlijn (EU) 2015/849 heeft uitgebreid tot « iedere persoon die zich ertoe verbindt […] bijstand of advies op belastinggebied te verlenen ». De Ministerraad leidt daaruit af dat de richtlijn (EU) 2015/849, zoals zij van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de richtlijn (EU) 2018/843, niet elke activiteit van belastingadvies beoogt en dat artikel 5, § 1, 24°, van de bestreden wet in overeenstemming is met die versie van de richtlijn en geen lacune bevat die daarmee in strijd is. Hij is van mening dat de verzoekende partijen er geen belang bij hebben de vernietiging van artikel 5 van de bestreden wet te vorderen, die tot gevolg zou hebben dat het nationale recht niet in overeenstemming met de richtlijn (EU) 2015/849 wordt gemaakt. De Ministerraad voegt eraan toe dat de wetgever niet verplicht was het toepassingsgebied van de bestreden wet uit te breiden tot personen die advies op belastinggebied geven, aangezien die personen niet onderworpen zijn aan de toepassing van de richtlijn (EU) 2015/849. Wat artikel 47 van de bestreden wet betreft (eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6895) A.4.1. De Orde van Vlaamse balies is van mening dat artikel 47, § 1, 2°, tweede zin, van de bestreden wet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in de interpretatie dat de advocaat aan de meldingsplicht is onderworpen wanneer de cliënt advies wenst te verkrijgen over een financiële of vastgoedverrichting die objectief gezien beschouwd zou kunnen worden als witwassen van geld of financiering van terrorisme, maar de cliënt afziet van een dergelijke verrichting ingevolge het advies van de advocaat. De Orde van Vlaamse balies betoogt dat een meldingsplicht in dergelijke omstandigheden noch relevant, noch noodzakelijk is om het wettig doel te bereiken dat erin bestaat het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te voorkomen. Zij besluit dat de bestreden bepaling dient te worden vernietigd in zoverre zij van toepassing is op advocaten, maar dat het Hof zou kunnen opteren voor een grondwetsconforme interpretatie van de bestreden bepaling. A.4.2. De Ministerraad doet gelden dat er geen meldingsplicht bestaat in geval van een eenvoudige discussie over de draagwijdte van de bestreden wet die bij de advocaat geen enkel vermoeden doet ontstaan dat de verrichtingen in kwestie verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme. Omgekeerd is de meldingsplicht van toepassing wanneer de advocaat vermoedt dat verrichtingen of pogingen tot verrichtingen verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, zelfs indien de cliënt aan zijn advocaat heeft gezegd dat hij niet langer de intentie heeft die verrichtingen uit te voeren, aangezien de advocaat nooit de zekerheid heeft dat de cliënt werkelijk beslist heeft een verdachte verrichting niet voort te zetten. De meldingsplicht geldt ook wanneer de cliënt heeft gepoogd verrichtingen uit te voeren die verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, zonder ze werkelijk te hebben uitgevoerd. Die maatregelen, die gepaard gaan met de nodige waarborgen om het beroepsgeheim te beschermen, zijn noodzakelijk en legitiem, gelet op de doelstelling van preventie die met de bestreden wet wordt nagestreefd. Volgens de Ministerraad is artikel 53 van de bestreden wet een getrouwe weergave van het arrest van het Hof nr. 10/2008 van 23 januari 2008. Uit die bepaling vloeit immers voort dat het juridisch advies door het beroepsgeheim gedekt blijft, tenzij de advocaat zelf deelneemt aan witwasactiviteiten of activiteiten voor de financiering van terrorisme, juridisch advies voor dergelijke doeleinden verstrekt, of weet dat zijn cliënt juridisch advies wenst voor dergelijke doeleinden. In dergelijke gevallen heeft de meldingsplicht een legitiem doel en blijft het toepassingsgebied ervan zeer beperkt. Bovendien heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bij zijn arrest C-305/05 van 26 juni 2007 voor recht gezegd dat het recht op een eerlijk proces niet is geschonden door de aan de advocaten opgelegde verplichtingen om de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van het witwassen van geld, te informeren en met hen samen te werken, rekening houdend met de bij de richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 « tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld », die de richtlijn (EU) 2015/849 is geworden, opgelegde of toegestane beperkingen van die verplichtingen. A.4.3. De Orde van Vlaamse balies is van mening dat de situatie waarin de cliënt veinst dat hij de verrichting niet zal uitvoeren, niet wordt beoogd in de bestreden bepaling, die de situatie betreft waarin de cliënt beslist de verrichting niet uit te voeren. Uit het arrest van het Hof nr. 10/2008 blijkt dat de meldingsplicht die aan de advocaten is opgelegd, evenredig is, voor zover zij van toepassing is op de situatie waarin de advocaat vaststelt dat hij niet erin geslaagd is de cliënt te doen afzien van de verrichting (B.13.5). 8 A.4.4. De Ministerraad betoogt dat de situatie waarin de cliënt veinst dat hij de verrichting niet zal uitvoeren, onder de toepassing van de bestreden bepaling valt, aangezien zolang de cliënt veinst de verrichting niet uit te voeren, hij beslist ze niet te doen. Hij is van mening dat de meldingsplicht, die ook van toepassing is in geval van niet-uitvoering van de verrichting, een maatregel is die evenredig is met de bij de bestreden wet nagestreefde doelstelling van preventie. De Ministerraad betwist de door de verzoekende partij verdedigde interpretatie van het arrest van het Hof nr. 10/2008 (B.13.5). Hij zet uiteen dat de bestreden bepaling het toepassingsgebied van de meldingsplicht heeft uitgebreid tot de situatie waarin de advocaat vaststelt dat hij zijn cliënt ervan heeft kunnen overtuigen af te zien van de verrichting, en dat die uitbreiding evenredig is, want zij versterkt het voorkomen van het witwassen van geld. Wat artikel 49 van de bestreden wet betreft (enig middel in de zaak nr. 6888), in samenhang gelezen met artikel 52 van dezelfde wet (tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6895) A.5.1. In de zaak nr. 6888 vordert de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » de vernietiging van artikel 49 van de bestreden wet in zoverre het de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zij zet uiteen dat artikel 49 aangetast is door een drievoudige ongrondwettigheid. Ten eerste verplicht artikel 49, op straffe van sancties, het personeelslid van de advocaat of zijn vertegenwoordiger ertoe de informatie of inlichtingen die door het beroepsgeheim zouden zijn gedekt, aan de Cel voor financiële informatieverwerking (hierna : de CFI) te melden. Artikel 53 van de bestreden wet, dat de door het beroepsgeheim gedekte informatie en inlichtingen aan de meldingsplicht onttrekt, beoogt immers niet artikel 49. Omgekeerd verwijst artikel 49 niet naar artikel 53. Ten tweede doet artikel 49 afbreuk aan de filter van het optreden van de stafhouder, waarin is voorzien in artikel 52 van de bestreden wet, die nochtans een voorwaarde is voor de grondwettigheid en de overeenstemming met de verdragen van de meldingsplicht die op de advocaat rust, zoals met name blijkt uit het arrest van het Hof nr. 10/2008 van 23 januari 2008. Ten derde verplicht artikel 49 een persoon die buiten de tussen de advocaat en zijn cliënt aangeknoopte vertrouwensrelatie staat, ertoe informatie of inlichtingen met betrekking tot die cliënt rechtstreeks aan de CFI mede te delen. Evenmin kan worden aanvaard dat een « lid van het kantoor » van de advocaat, zelfs indien dat lid zelf advocaat is, zich tot de CFI richt in de plaats van de advocaat die de vertrouwensrelatie met de cliënt heeft aangeknoopt. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » verwijst opnieuw naar het arrest van het Hof nr. 10/2008. In ondergeschikte orde verzoekt de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag te stellen : « Schendt een nationale bepaling die ertoe strekt de omzetting te verzekeren van de richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 ‘ inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie ’ de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die het beroepsgeheim van de advocaat waarborgen, in zoverre die nationale bepaling een persoon die buiten de relatie tussen de advocaat en zijn cliënt staat, ertoe verplicht informatie of inlichtingen met betrekking tot die cliënt persoonlijk bij de nationale financiële inlichtingeneenheid te melden ? ». A.5.2. Wat de eerste grief betreft, zet de Ministerraad uiteen dat uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet blijkt dat de meldingsplicht van een vermoeden niet is uitgebreid tot de bedienden van de advocatenkantoren, aangezien die niet de hoedanigheid van de onderworpen entiteit hebben. Daarenboven moet artikel 49 niet verwijzen naar artikel 53, aangezien artikel 49 de persoon bepaalt die ertoe gemachtigd is de informatie aan de CFI door te geven, en niet de omvang van de meldingsplicht en de uitzonderingen daarop, die zijn bepaald bij de artikelen 47, 48, 53 en 54. Wat de tweede grief betreft, betoogt de Ministerraad dat artikel 49 van de bestreden wet geen afbreuk doet aan de filter van het optreden van de stafhouder, aangezien de toepassing van die filter wordt gewaarborgd bij artikel 52 dat, zoals artikel 49, verwijst naar artikel 47, hetwelk de eigenlijke meldingsplicht beoogt. 9 Wat de derde grief betreft, doet de Ministerraad gelden dat krachtens artikel 49 van de bestreden wet, het melden en het doorgeven van informatie aan de CFI in principe wordt verricht door de krachtens artikel 9, § 2, aangewezen antiwitwasverantwoordelijke (in het Engels ook « Anti-Money Laundering Compliance Officer » of « AMLCO » genoemd). Wanneer de onderworpen entiteit een natuurlijke persoon is en noch het aantal personen die zij tewerkstelt, noch de omvang van de activiteiten ervan de aanwijzing van een AMLCO verantwoorden, worden de functies van de AMLCO uitgeoefend door de advocaat zelf. Wanneer die procedure niet kan worden gevolgd, gaat elke bediende of elke vertegenwoordiger van de onderworpen entiteit die zelf de hoedanigheid van onderworpen entiteit heeft, persoonlijk over tot het doorgeven van informatie aan de CFI. Voor de aan het beroepsgeheim onderworpen niet-financiële beroepen die worden beoogd in artikel 5, § 1, 23° tot 28°, van de bestreden wet, wordt bepaald dat de « beoefenaar van het beroep » de melding zelf moet verrichten, wanneer de AMLCO verhinderd is dat te doen. Het begrip « bediende » betreft alleen de beoefenaars van een cijferberoep die hun beroep kunnen uitoefenen in de hoedanigheid van werknemer, en niet de advocaten, die altijd een zelfstandigenstatuut hebben. Tot slot kan alleen een vertegenwoordiger van de advocaat die zelf de hoedanigheid van advocaat heeft en die deel uitmaakt van hetzelfde kantoor, overgaan tot een melding van een vermoeden. Anders zou het verbod op mededeling aan derden bedoeld in artikel 55 van de bestreden wet niet in acht worden genomen, aangezien dat verbod, krachtens artikel 56, 4°, a), van de bestreden wet, niet van toepassing is binnen eenzelfde advocatenkantoor. De Ministerraad besluit dat het middel niet gegrond is en dat het niet nodig is aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een vraag te stellen. A.5.3. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » doet gelden dat de minister van Financiën, bij een brief van 6 december 2017, zich ertoe heeft verbonden de in het enige middel aangeklaagde ongrondwettigheid te corrigeren. Zij is van mening dat noch de aanbevelingen van de FAG, noch de richtlijn (EU) 2015/849 de in het middel bedoelde ongrondwettigheid kunnen verantwoorden. Wat de eerste grief betreft, betoogt de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » dat niet is voldaan aan de vereiste van voorzienbaarheid die voortvloeit uit de referentienormen, aangezien de inachtneming van het beroepsgeheim niet uitdrukkelijk is opgelegd aan de persoon die ertoe gehouden is persoonlijk melding te doen aan de CFI op grond van artikel 49 van de bestreden wet. Wat de tweede grief betreft, betoogt de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » dat artikel 49 niet verwijst naar artikel 52, dat voorziet in het onmiddellijk op de hoogte brengen van de stafhouder, en omgekeerd. Artikel 49 bepaalt integendeel dat een melding « persoonlijk » wordt verricht door het personeelslid van de advocaat of door zijn vertegenwoordiger. Zij besluit dat niet is voldaan aan de vereiste van voorzienbaarheid, aangezien elke inmenging in het beroepsgeheim van de advocaat strikt moet worden afgebakend. Wat de derde grief betreft, betoogt de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » dat andere onderworpen entiteiten dan advocaten binnen een kantoor werkzaam kunnen zijn. Zij is van mening dat de Ministerraad in zijn memorie bevestigt dat een persoon die buiten de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt staat, zij het een advocaat, ertoe gehouden is de desbetreffende informatie of inlichtingen persoonlijk aan de CFI te melden, telkens wanneer de advocaat die de vertrouwensrelatie met die cliënt heeft en die houder is van het beroepsgeheim, een dergelijke melding niet zou hebben verricht. Volgens de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » is die situatie strijdig met het beginsel van het beroepsgeheim, met het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof nr. 10/2008 (B.15.3) en met het rechtszekerheidsbeginsel. A.5.4. Wat de eerste grief betreft, zet de Ministerraad uiteen dat, aangezien de artikelen 47, 48, 53 en 54 van de bestreden wet gedekt zijn door artikel 53, de inachtneming van het beroepsgeheim is opgelegd in alle gevallen van meldingsplicht. De Ministerraad leidt daaruit af dat is voldaan aan de vereiste van voorzienbaarheid en dat de eerste grief feitelijke grondslag mist. Wat de tweede grief betreft, wijst de Ministerraad erop dat uit de artikelen 47 en 52 van de bestreden wet voortvloeit dat een zaak, krachtens artikel 47, slechts rechtsgeldig bij de CFI aanhangig is gemaakt wanneer de informatie haar, krachtens artikel 52, is doorgegeven door de stafhouder. Hij voegt eraan toe dat artikel 52 is gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018 « houdende diverse financiële bepalingen » (hierna : de wet van 30 juli 2018), teneinde elke verkeerde interpretatie van de wet te vermijden. De Ministerraad besluit dat de tweede grief feitelijke grondslag mist of dat zij zonder voorwerp is geworden. 10 Wat de derde grief betreft, is de Ministerraad van mening dat bij artikel 49 van de bestreden wet het arrest van het Hof nr. 10/2008 in acht wordt genomen, aangezien de bedienden van de advocaten niet onderworpen zijn aan de verplichting om door het beroepsgeheim gedekte informatie persoonlijk aan de CFI door te geven, aangezien de artikelen 47, 48 en 54 gedekt zijn door artikel 53 en aangezien artikel 49 niet identiek is aan de bepaling die vernietigd is bij het arrest nr. 10/2008. Daarenboven doet de Ministerraad gelden dat in de situatie waarin een advocaat zou hebben geoordeeld dat informatie niet aan de CFI kan worden medegedeeld omdat zij door het beroepsgeheim is gedekt, een andere advocaat van hetzelfde kantoor die informatie niet rechtstreeks en persoonlijk aan de CFI kan doorgeven, omdat anders de artikelen 52 en 53 van de bestreden wet worden geschonden. De Ministerraad besluit dat de derde grief feitelijke grondslag mist. A.6.1. In de zaak nr. 6895 betoogt de Orde van Vlaamse balies dat artikel 49, tweede lid, van de bestreden wet, in samenhang gelezen met artikel 52, eerste lid, van dezelfde wet, de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre de filter van het optreden van de stafhouder vereist is voor de meldingen verricht door de advocaat zelf, maar niet voor de meldingen verricht door zijn personeelsleden. Bij het arrest nr. 10/2008 heeft het Hof een vergelijkbare bepaling echter vernietigd nadat het aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een vraag had gesteld. Het is dus niet nodig, noch nuttig het Hof van Justitie opnieuw een prejudiciële vraag te stellen. A.6.2. De Ministerraad neemt de argumentatie over die is uiteengezet in zijn memorie in de zaak nr. 6888. A.6.3. De Orde van Vlaamse balies leidt uit de memorie van de Ministerraad af dat die ervan uitgaat dat de term « bediende » uitsluitend verwijst naar de personeelsleden die een bediendenstatuut hebben bij andere beroepen dan het beroep van advocaat. Zij verzoekt dat die interpretatie wordt bevestigd door een gemoduleerde vernietiging van de bestreden bepaling of door de vaststelling van een grondwetsconforme interpretatie. A.6.4. De Ministerraad neemt de argumentatie over die is uiteengezet in zijn memorie van wederantwoord in de zaak nr. 6888. A.7. De Raad van Europese balies neemt de argumentatie over die is uiteengezet door de verzoekende partij in de zaak nr. 6888. Hij leidt uit artikel 52 van de bestreden wet, zoals het is gewijzigd bij artikel 112 van de wet van 30 juli 2018, af dat de artikelen 49 en 52 van de bestreden wet zoals zij van toepassing waren vóór die wijziging, dienen te worden vernietigd, in zoverre zij het personeelslid of de vertegenwoordiger van de advocaat ertoe verplichten zich rechtstreeks en persoonlijk tot de CFI te richten, zonder via de stafhouder te gaan. Wat artikel 52, tweede lid, tweede zin, van de bestreden wet betreft (derde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6895) A.8.1. De Orde van Vlaamse balies betoogt dat artikel 52, tweede lid, tweede zin, van de bestreden wet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in zoverre het aan de stafhouder opgelegde verbod om de gegevens die dienen te worden doorgegeven, te filteren, strijdig is met de filterfunctie van de stafhouder die, volgens de rechtspraak van het Hof, nodig is om het beroepsgeheim te beschermen. A.8.2. De Ministerraad doet gelden dat, krachtens artikel 52 van de bestreden wet, de stafhouder moet controleren of de melding van een vermoeden onder de toepassing van de wet valt en of daarbij de voorwaarden bedoeld in de artikelen 5, § 1, 28°, en 53 van de bestreden wet worden nageleefd. Indien hij vaststelt dat zulks niet het geval is, dient hij zich ervan te onthouden de informatie die hem is medegedeeld aan de CFI door te geven. In het tegenovergestelde geval geeft hij de informatie die hem door de advocaat is medegedeeld ongefilterd aan de CFI door. Het optreden van de stafhouder is een essentiële waarborg voor de advocaten en voor hun cliënten, die het mogelijk maakt dat aan het beroepsgeheim enkel afbreuk wordt gedaan in de gevallen die strikt bij de wet zijn bepaald. De verzoekende partij legt overigens niet uit in welke omstandigheden de informatie zou moeten worden ingetrokken, noch welk soort van informatie door de stafhouder zou moeten worden gefilterd voor die aan de CFI wordt doorgegeven. De rol van de stafhouder bestaat niet erin de inhoud van de door de advocaat doorgegeven informatie, noch de gegrondheid van diens vermoedens te beoordelen. Noch uit de richtlijn (EU) 2015/849, noch uit de aanbevelingen van de FAG, noch uit het arrest van het Hof nr. 10/2008 vloeit voort dat de stafhouder een dergelijke rol zou moeten worden toebedeeld. 11 A.8.3. De Orde van Vlaamse balies is van mening dat de interpretatie van de Ministerraad erop neerkomt ervan uit te gaan dat de advocaat de gegevens zelf mag en moet filteren die hij aan de stafhouder mededeelt, waarna die laatste de ongefilterde gegevens zou moeten doorgeven indien de toepassingsvoorwaarden van de meldingsplicht vervuld zijn. Volgens de Orde van Vlaamse balies is een dergelijke interpretatie zinledig. Zij ontneemt de stafhouder elke nuttige functie, aangezien in dat geval de advocaat zelf reeds zou moeten controleren of aan de toepassingsvoorwaarden van de meldingsplicht is voldaan. Daarenboven zou een dergelijke interpretatie in strijd zijn met de loyauteitsverplichting van de advocaat jegens zijn stafhouder. A.8.4. De Ministerraad neemt in zijn memorie van wederantwoord de argumentatie over die hij in zijn memorie had uiteengezet. A.9. De Raad van Europese balies is van mening dat artikel 52, tweede lid, van de bestreden wet onevenredig afbreuk doet aan het beroepsgeheim. Hij verzoekt het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag te stellen : « Schendt een nationale bepaling die ertoe strekt de omzetting te verzekeren van de richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die het beroepsgeheim van de advocaat waarborgen, in zoverre die nationale bepaling de stafhouder ertoe verplicht de informatie ongefilterd aan de nationale financiële inlichtingeneenheid door te geven ? ». Wat de onderlinge samenhang van de artikelen 52 en 53 van de bestreden wet betreft (eerste vraag die krachtens artikel 90 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 aan de partijen is gericht) A.10.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 6888 wijst erop dat de advocaat en de stafhouder de plicht hebben de naleving van de voorwaarden bedoeld in artikel 53 te controleren. Overeenkomstig artikel 4.85 van de door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » aangenomen Deontologische Code van de Advocaat vergewist de advocaat zich in alle omstandigheden van de inachtneming van zijn beroepsgeheim. Bij twijfel raadpleegt hij de stafhouder. A.10.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 6895 wijst erop dat zowel de advocaat, alvorens de stafhouder op de hoogte te brengen, als de stafhouder, alvorens de CFI op de hoogte te brengen, de plicht hebben om de naleving van de voorwaarden bedoeld in artikel 53 van de bestreden wet te controleren. Indien de advocaat van mening is dat de voorwaarden van artikel 53 niet vervuld zijn, moet hij de stafhouder niet op de hoogte brengen. In het tegenovergestelde geval brengt de advocaat de stafhouder op de hoogte. Het staat dan aan de stafhouder om in tweede lijn te controleren of de voorwaarden van artikel 53 zijn nageleefd. Indien hij van mening is dat zulks het geval is, geeft de stafhouder de informatie « ongefilterd » door aan de CFI. Volgens de verzoekende partij moet de stafhouder de inhoud van de van de advocaat ontvangen informatie echter kunnen filteren alvorens die door te geven aan de CFI. Bij twijfel raadpleegt de advocaat de stafhouder. Die interpretatie wordt bevestigd door de toepassing van artikel 53 op de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 23° tot 27°, van de bestreden wet en door artikel 36 van bijlage I bij de door de Orde van Vlaamse balies aangenomen Codex Deontologie voor Advocaten. A.10.3. De Ministerraad zet uiteen dat de controle waarin is voorzien in artikel 53 van de bestreden wet in de eerste plaats op de advocaat rust. Indien de advocaat, luidens die bepaling, verplicht is informatie door te geven, moet hij dat, krachtens artikel 52, aan zijn stafhouder doen. Vervolgens gaat de stafhouder op zijn beurt na of alle wettelijke voorwaarden vervuld zijn, waaronder die waarin is voorzien bij artikel 53, alvorens de informatie door te geven aan de CFI. Die interpretatie wordt bevestigd door de rechtsleer en door de richtlijnen van de Orde van Vlaamse balies. 12 Wat de toepassing van de bestreden wet op de advocaten betreft (tweede vraag die krachtens artikel 90 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 aan de partijen is gericht) A.11.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 6888 verwijst naar de artikelen 4.85 tot 4.89 van de door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » aangenomen Deontologische Code van de Advocaat en naar het aciviteitenverslag 2018 van de CFI, luidens hetwelk haar in 2016 vier meldingen van vermoedens werden doorgegeven, tien in 2017 en acht in 2018, wat de advocaten betreft. A.11.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 6895 verwijst naar afdeling III.1.2 van de door de Orde van Vlaamse balies aangenomen Codex Deontologie voor Advocaten en naar bijlage 1 ervan. A.11.3. De Ministerraad geeft aan dat hij geen kennis heeft van bijzondere moeilijkheden in verband met de toepassing van de bestreden bepalingen op de advocaten. A.11.4. De verzoekende partij in de zaak nr. 6888 geeft aan dat de bestreden bepalingen het voorwerp uitmaken van moeilijkheden, dat de ontstentenis van betwisting met betrekking tot de toepassing van de norm geen criterium van grondwettigheid is en dat het voor haar onmogelijk is kennis te nemen van de informatie die rechtstreeks aan de CFI wordt doorgegeven met toepassing van artikel 49, tweede lid, van de bestreden wet, aangezien de stafhouder daarvan niet op de hoogte wordt gebracht. Indien zou blijken dat in de praktijk geen enkele melding rechtstreeks aan de CFI wordt gedaan door een persoon die buiten de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt staat, zou men zich vragen dienen te stellen over het nut van artikel 49, tweede lid. Tot slot heeft de opheffing van de filter van de stafhouder niet het voorwerp uitgemaakt van enige verantwoording, noch van het aantonen dat die maatregel het beroepsgeheim van de advocaat en de fundamentele rechten van de rechtzoekenden op meer adequate wijze zou waarborgen. A.11.5. De Ministerraad zet uiteen dat in de door de verzoekende partij in de zaak nr. 6888 medegedeelde stukken geen melding wordt gemaakt van enige bijzondere moeilijkheid met betrekking tot de toepassing van artikel 49 van de bestreden wet op de advocaten. -B- Ten aanzien van de bestreden wet B.1. De wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (hierna : de wet van 18 september 2017) actualiseert het preventieve arsenaal inzake de strijd tegen het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, naar aanleiding van de ontwikkelingen die zich ter zake hebben voorgedaan op Europees en internationaal niveau (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2566/001, p. 5). 13 De wet van 18 september 2017 strekt ertoe de richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 « inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie » (ook « vierde antiwitwasrichtlijn » genoemd, hierna : de richtlijn (EU) 2015/849) en de internationale normen van de Financiële Actiegroep (FAG) « ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en proliferatie », zoals herzien in februari 2012, in Belgisch recht om te zetten (ibid., pp. 5-24). Zij heft de wet van 11 januari 1993 « tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme » (hierna : de wet van 11 januari 1993) op en vervangt ze. De wet van 18 september 2017 vult de repressieve benadering van het witwassen van geld en van de financiering van terrorisme aan met preventieve maatregelen (ibid., pp. 24-25), waaraan administratieve sancties (artikelen 132 tot 135) en strafrechtelijke sancties (artikelen 136 tot 138) zijn gekoppeld. De aan de onderworpen entiteiten opgelegde verplichtingen inzake de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme zijn opgenomen in de artikelen 8 tot 65 van de wet van 18 september 2017, die boek II van de wet vormen : « De structuur van de ontwerpwet verschilt zowel van die van de wet van 11 januari 1993 als van die van Richtlijn 849/2015. Zo wordt hier voorgesteld om in een specifiek boek van de wet (Boek II) alle verplichtingen samen te brengen die door deze wet worden opgelegd aan de onderworpen entiteiten, om hen een vollediger inzicht te verschaffen in deze verplichtingen. De voorgestelde nieuwe structuur laat de onderlinge samenhang tussen deze verplichtingen bovendien beter uitkomen, alsook de intrinsieke logica van deze samenhang en van het algemeen mechanisme ter voorkoming van WG/FT, waarvan elk van deze verplichtingen een bouwsteen vormt. 14 Deze nieuwe structuur onderscheidt zich tevens van die van de wet van 11 januari 1993 en die van Richtlijn 849/2015, in de mate dat zij in de eerste plaats de verplichtingen opsomt inzake organisatie en interne controle vooraleer een opsomming te geven van de operationele verplichtingen waaraan de onderworpen entiteiten moeten voldoen. De hier voorgestelde keuze heeft tot doel om duidelijker te wijzen op het primordiale belang voor de onderworpen entiteiten om te voldoen aan hun verplichtingen inzake organisatie en interne controle (Titel 1), door zich te baseren op hun algemene risicobeoordeling (Titel 2), teneinde te kunnen voldoen aan hun operationele waakzaamheidsverplichtingen met betrekking tot de cliënten en de verrichtingen (Titel 3), wat een essentiële voorwaarde is om aan hun verplichtingen inzake melding van verdachte verrichtingen te kunnen voldoen (Titel 4). Voor dit mechanisme in zijn geheel is het voorts essentieel dat ook de verplichtingen inzake bewaring en bescherming van gegevens en documenten worden nageleefd (Titel 5) » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2566/001, p. 61). De wet van 18 september 2017 is in werking getreden op 16 oktober 2017. Ten aanzien van het onderzoek van de middelen B.2. Het Hof onderzoekt eerst de grieven die de toepassing betreffen van de bestreden wet op de advocaten (zaken nrs. 6888 en 6895). Het onderzoekt vervolgens de grief die de toepassing betreft van de bestreden wet op de externe accountants en op de externe belastingconsulenten (zaak nr. 6898). Ten aanzien van de toepassing van de bestreden wet op de advocaten (zaken nrs. 6888 en 6895) Wat het voorwerp van de kritiek betreft B.3. De verzoekende partij in de zaak nr. 6888 is van mening dat artikel 49 van de bestreden wet het beroepsgeheim van de advocaat als essentieel onderdeel van het recht op eerbiediging van het privéleven en van het recht op een eerlijk proces schendt. De verzoekende partij in de zaak nr. 6895 formuleert dezelfde grief ten aanzien van, ten eerste, artikel 47, § 1, 2°, tweede zin, van de bestreden wet, ten tweede, artikel 49, tweede lid, van de bestreden wet, in samenhang gelezen met artikel 52, eerste lid, ervan, en, ten derde, artikel 52, tweede lid, tweede zin, van de bestreden wet. 15 Wat de bestreden en de daarmee verbonden bepalingen betreft B.4.1. Artikel 5, § 1, 28°, van de bestreden wet bepaalt : « § 1. De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de volgende onderworpen entiteiten, handelend in het kader van hun beroepsactiviteiten : […] 28° de advocaten :
- a)wanneer zij hun cliënt bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van verrichtingen in verband met :
- i)de aan- en verkoop van onroerend goed of bedrijven;
- ii)het beheren van diens geld, waardepapieren of andere activa; iii) de opening of het beheer van bank-, spaar- of effectenrekeningen;
- iv)het organiseren van de inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer van vennootschappen;
- v)de oprichting, de exploitatie of het beheer van fiducieën of trusts, vennootschappen, stichtingen of soortgelijke structuren;
- b)of wanneer zij optreden in naam en voor rekening van hun cliënt in enigerlei financiële verrichtingen of verrichtingen in onroerend goed; ». B.4.2. Artikel 9 van dezelfde wet bepaalt : « § 1. De onderworpen entiteiten die rechtspersonen zijn, wijzen, onder de leden van hun wettelijk bestuursorgaan of, in voorkomend geval, van hun effectieve leiding, de verantwoordelijke persoon aan, op het hoogste niveau, om te waken over de toepassing en de naleving van de bepalingen van deze wet en de besluiten en reglementen genomen ter uitvoering ervan en, in voorkomend geval, van de bestuursrechtelijke beslissingen genomen op grond van deze bepalingen, van de Europese verordening betreffende geldovermakingen en van de beperkende maatregelen bedoeld in artikel 8, § 1, 3°. Wanneer de onderworpen entiteit een natuurlijke persoon is, worden de in het eerste lid bedoelde functies door die persoon uitgeoefend. 16 § 2. Onverminderd paragraaf 3, wijzen de onderworpen entiteiten daarnaast binnen hun entiteit één of meerdere personen aan die belast zijn met het toezicht op de tenuitvoerlegging van de gedragslijnen, procedures en internecontrolemaatregelen bedoeld in artikel 8, met de analyse van de atypische verrichtingen en met de opstelling van de desbetreffende schriftelijke verslagen overeenkomstig de artikelen 45 en 46 teneinde er zo nodig een passend gevolg aan te geven krachtens artikel 47, en met de mededeling van de informatie bedoeld in artikel 54. Deze personen zorgen bovendien voor de sensibilisering en de opleiding van het personeel en, in voorkomend geval, van de agenten en distributeurs overeenkomstig artikel 11. Als de onderworpen entiteit een rechtspersoon is, wordt of worden de in het eerste lid bedoelde persoon of personen aangewezen door haar wettelijk bestuursorgaan of haar effectieve leiding. […] § 3. Als dit verantwoord is om rekening te houden met de aard en de omvang van de onderworpen entiteit, met name wat haar rechtsvorm, haar beleidsstructuur of haar personeelsbestand betreft, kunnen de functies bedoeld in paragraaf 2 worden uitgeoefend door de persoon bedoeld in paragraaf 1. […] ». B.4.3. Artikel 47 van dezelfde wet bepaalt : « § 1. De onderworpen entiteiten melden aan de CFI, wanneer ze weten, vermoeden of redelijke gronden hebben om te vermoeden : 1° dat geldmiddelen, ongeacht het bedrag, verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme; 2° dat verrichtingen of pogingen tot verrichtingen verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme. Deze verplichting tot melding is eveneens van toepassing wanneer de cliënt beslist de voorgenomen verrichting niet uit te voeren; 3° buiten de gevallen bedoeld in 1° en 2°, dat een feit waarvan ze kennis hebben, verband houdt met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme. De verplichting tot melding aan de CFI met toepassing van 1° tot en met 3°, houdt niet in dat de onderworpen entiteit de onderliggende criminele activiteit van het witwassen van geld dient te identificeren. § 2. De onderworpen entiteiten melden eveneens aan de CFI de verdachte geldmiddelen, verrichtingen of pogingen tot verrichtingen en feiten, als bedoeld in paragraaf 1, waarvan ze kennis krijgen in het kader van de activiteiten die ze uitoefenen in een andere lidstaat zonder daar te beschikken over een dochteronderneming, een bijkantoor of een andere vestigingsvorm via agenten of distributeurs die hen daar vertegenwoordigen. 17 § 3. De onderworpen entiteiten melden aan de CFI alle geldmiddelen, verrichtingen en feiten bepaald door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen op advies van de CFI. § 4. De onderworpen entiteiten melden aan de CFI, met toepassing van de paragrafen 1 tot en met 3, binnen de termijnen bedoeld in artikel 51 ». B.4.4. Artikel 48 van dezelfde wet bepaalt : « De onderworpen entiteiten geven gevolg aan de verzoeken tot bijkomende inlichtingen die aan hen worden gericht door de CFI, in toepassing van artikel 81, binnen de door haar bepaalde termijnen ». B.4.5. Artikel 49 van dezelfde wet bepaalt : « In principe wordt elke informatie of elke inlichting bedoeld in de artikelen 47 en 48 gemeld aan de CFI door de persoon of personen aangewezen krachtens artikel 9, § 2. Elke bestuurder, personeelslid, agent of distributeur van een onderworpen entiteit bedoeld in artikel 5, § 1, 1° tot en met 22°, en 29° tot en met 33°, evenals elk personeelslid of vertegenwoordiger van een onderworpen entiteit bedoeld in artikel 5, § 1, 23° tot en met 28°, die zelf de hoedanigheid heeft van onderworpen entiteit, meldt evenwel persoonlijk de desbetreffende informatie of inlichtingen aan de CFI telkens wanneer de in het eerste lid bedoelde procedure niet kan worden gevolgd ». B.4.6.1. Artikel 52, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 112 van de wet van 30 juli 2018 « houdende diverse financiële bepalingen », luidde : « In afwijking van artikel 47, moeten de advocaten die bij de uitoefening van de activiteiten opgesomd in artikel 5, § 1, 28°, worden geconfronteerd met geldmiddelen, uit te voeren verrichtingen, of feiten als bedoeld in hetzelfde artikel 47, de Stafhouder van de Orde waartoe zij behoren daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen. De Stafhouder controleert of de voorwaarden bedoeld in de artikelen 5, § 1, 28°, en 53 zijn nageleefd. In voorkomend geval geeft hij de informatie in overeenstemming met de artikelen 50 en 51, en ongefilterd, door aan de CFI ». 18 B.4.6.2. Artikel 52 van de bestreden wet, zoals gewijzigd bij artikel 112 van de voormelde wet van 30 juli 2018, bepaalt : « In afwijking van de artikelen 47 en 49, moeten de advocaten die bij de uitoefening van de activiteiten opgesomd in artikel 5, § 1, 28°, worden geconfronteerd met geldmiddelen, uit te voeren verrichtingen, of feiten als bedoeld in hetzelfde artikel 47, de Stafhouder van de Orde waartoe zij behoren daarvan onmiddellijk op de hoogte brengen. De Stafhouder controleert of de voorwaarden bedoeld in de artikelen 5, § 1, 28°, en 53 zijn nageleefd. In voorkomend geval geeft hij de informatie in overeenstemming met de artikelen 50 en 51, en ongefilterd, door aan de CFI ». Die bepaling is in werking getreden op 20 augustus 2018 (artikel 134 van de wet van 30 juli 2018). Bij de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 juli 2018 wordt de verwijzing, bij het nieuwe artikel 52 van de wet van 18 september 2017, naar artikel 49 ervan, verantwoord door de wil om elke verwarring te vermijden wat de verplichte filterrol van de stafhouder betreft : « Dit artikel brengt een materiële correctie aan in artikel 52 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten door een verwijzing naar artikel 49 toe te voegen. Op deze wijze wordt expliciet in artikel 52 van voornoemde wet de verplichte filterrol van de stafhouder vermeld om zo elke verwarring en interpretatieproblemen te vermijden » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3172/001, pp. 125-126). B.4.6.3. Het staat aan het Hof zich uit te spreken over de grondwettigheid van artikel 52 van de bestreden wet zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 juli 2018, dat rechtsgevolgen heeft gehad vanaf de inwerkingtreding ervan op 16 oktober 2017 tot 20 augustus 2018. 19 B.4.7. Artikel 53 van de bestreden wet bepaalt : « In afwijking van de artikelen 47, 48 en 54, delen de onderworpen entiteiten bedoeld in artikel 5, § 1, 23° tot en met 28°, de informatie en inlichtingen in genoemde artikelen niet mee, in het geval zij deze van één van hun cliënten ontvangen of over één van hun cliënten verkrijgen wanneer zij de rechtspositie van deze cliënt bepalen, dan wel die cliënt in of in verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke informatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen, tenzij de bedoelde onderworpen entiteiten zelf hebben deelgenomen aan de witwasactiviteiten of de activiteiten voor financiering van terrorisme, zij juridisch advies voor witwasdoeleinden of voor financiering van terrorisme hebben verstrekt, of zij weten dat hun cliënt juridisch advies wenst voor witwasdoeleinden of voor financiering van terrorisme ». B.5.1. Artikel 5, § 1, 28°, van de bestreden wet bepaalt dat de verplichtingen van de bestreden wet van toepassing zijn op de advocaten wanneer zij optreden in een aantal limitatief opgesomde aangelegenheden. B.5.2. Artikel 47 van de bestreden wet betreft de verplichting voor de onderworpen entiteiten om aan de Cel voor financiële informatieverwerking (hierna : de CFI) melding te doen van vermoedens van het witwassen van geld of van de financiering van terrorisme, op grond waarvan eventueel strafrechtelijke vervolging zal kunnen worden ingesteld (artikel 82 van dezelfde wet). Artikel 47, § 1, bepaalt dat de onderworpen entiteiten aan de CFI de « geldmiddelen », de « verrichtingen of pogingen tot verrichtingen » en de « feiten » melden waarvan zij weten, vermoeden of redelijke gronden hebben om te vermoeden dat zij verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme. Bij artikel 47, § 1, 2°, dat betrekking heeft op de te melden « verrichtingen of pogingen tot verrichtingen », wordt, in de tweede zin ervan, gepreciseerd dat « deze verplichting tot melding […] eveneens van toepassing [is] wanneer de cliënt beslist de voorgenomen verrichting niet uit te voeren ». Artikel 47 wordt onderzocht in B.13 tot B.18. B.5.3. Artikel 48 betreft de verplichting voor de onderworpen entiteiten om te antwoorden op de verzoeken om bijkomende inlichtingen van de CFI. 20 B.5.4. Bij artikel 49 worden, binnen de onderworpen entiteiten, de personen aangewezen die ertoe gemachtigd zijn de in de artikelen 47 en 48 beoogde informatie aan de CFI door te geven. Artikel 49 wordt onderzocht in B.19 tot B.25. B.5.5. Artikel 52 van de bestreden wet, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij de wet van 30 juli 2018, bepaalde dat in afwijking van artikel 47, de advocaten die bij de uitoefening van de activiteiten opgesomd in artikel 5, § 1, 28°, werden geconfronteerd met geldmiddelen, verrichtingen of feiten als bedoeld in artikel 47, de stafhouder daarvan onmiddellijk op de hoogte moesten brengen, waarbij de stafhouder ermee belast was die informatie « ongefilterd » aan de CFI door te geven indien de in de artikelen 5, § 1, 28°, en 53 van de bestreden wet bedoelde wettelijke voorwaarden voor de toepassing van de meldingsplicht vervuld waren. Artikel 52 wordt onderzocht in B.26 tot B.31. B.5.6. Bij artikel 53 worden de informatie en de inlichtingen die gedekt zijn door het beroepsgeheim van de beoefenaars van een cijferberoep, de notarissen, de gerechtsdeurwaarders en de advocaten, aan de verplichting tot melding van vermoedens en aan de verplichting om te antwoorden op de verzoeken om bijkomende inlichtingen van de CFI onttrokken, onder voorbehoud van drie uitzonderingen. Luidens die bepaling delen de advocaten de in de artikelen 47, 48 en 54 beoogde informatie en inlichtingen niet mee wanneer die zijn ontvangen of verkregen in twee situaties : enerzijds, wanneer zij de rechtspositie van de cliënt bepalen en, anderzijds, die cliënt in of in verband met een rechtsgeding verdedigen of vertegenwoordigen, « met inbegrip van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of dergelijke informatie vóór, gedurende of na een dergelijk geding wordt ontvangen of verkregen ». 21 Met toepassing van artikel 53, in fine, is die regel echter niet van toepassing indien de advocaten « zelf hebben deelgenomen aan de witwasactiviteiten of de activiteiten voor financiering van terrorisme, zij juridisch advies voor witwasdoeleinden of voor financiering van terrorisme hebben verstrekt, of zij weten dat hun cliënt juridisch advies wenst voor witwasdoeleinden of voor financiering van terrorisme ». Bijgevolg blijft de advocaat in die drie situaties onderworpen aan de in artikel 47 bedoelde verplichting tot melding van vermoedens en aan de in artikel 48 bedoelde verplichting om te antwoorden op de verzoeken om bijkomende inlichtingen van de CFI, zelfs indien hij van de betrokken informatie en inlichtingen kennis heeft naar aanleiding van de uitoefening van zijn activiteit inzake het bepalen van de rechtspositie van de cliënt of van zijn activiteit inzake het in rechte verdedigen of vertegenwoordigen van die cliënt. B.6.1. Bij artikel 5, § 1, 28°, artikel 9, artikel 47, artikel 49, artikel 52 en artikel 53 van de bestreden wet worden respectievelijk artikel 2, lid 1, punt 3), b), artikel 8, lid 4, a), artikel 33, lid 1, eerste alinea, a), en tweede alinea, artikel 33, lid 2, artikel 34, lid 1, en artikel 34, lid 2, van de richtlijn (EU) 2015/849 omgezet (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2566/001, pp. 40, 157, 163, 166, 168 en 169), die bepalen : « Artikel 2 1. Deze richtlijn is van toepassing op de volgende meldingsplichtige entiteiten : […] 3. de volgende natuurlijke of rechtspersonen handelend in het kader van hun beroepsactiviteiten : […]
- b)notarissen en andere onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen wanneer zij deelnemen, hetzij door op te treden in naam en voor rekening van hun cliënt in enigerlei financiële of onroerendgoedtransactie, hetzij door het verlenen van bijstand bij het voorbereiden of uitvoeren van transacties voor hun cliënt in verband met :
- i)de aan- en verkoop van onroerend goed of bedrijven;
- ii)het beheren van diens geld, waardepapieren of andere activa; iii) de opening of het beheer van bank-, spaar- of effectenrekeningen; 22
- iv)het organiseren van de inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer van vennootschappen;
- v)de oprichting, de exploitatie of het beheer van trusts, vennootschappen, stichtingen of soortgelijke structuren; […] ». « Artikel 8 […] 4. De in lid 3 bedoelde gedragslijnen, controlemaatregelen en procedures omvatten :
- a)de ontwikkeling van interne gedragslijnen, controlemaatregelen en procedures, daaronder begrepen model-risicobeheerpraktijken, cliëntenonderzoek, rapportage, bewaring van bewijsstukken, interne controle, nalevingsbeheer (daaronder begrepen, voor zover passend gezien de omvang en de aard van het bedrijf, de aanstelling van een nalevingsfunctionaris op managementniveau) en doorlichting van medewerkers; […] ». « Artikel 33 1. De lidstaten verlangen dat de meldingsplichtige entiteiten en, in voorkomend geval, de bestuurders en werknemers daarvan, ten volle samenwerken door :
- a)de FIE onmiddellijk en uit eigen beweging in te lichten, inclusief door het doen van een melding, indien de meldingsplichtige entiteit weet, vermoedt of redelijkerwijs kan vermoeden dat geldmiddelen, ongeacht het bedrag, opbrengsten van criminele activiteiten zijn of met terrorismefinanciering verband houden en door het in dergelijke gevallen onmiddellijk reageren op verzoeken van de FIE om bijkomende informatie, en
- b)de FIE op haar verzoek onmiddellijk rechtstreeks of indirect alle noodzakelijke informatie te verstrekken, overeenkomstig de in het toepasselijke recht vastgestelde procedures. Alle verdachte transacties, met inbegrip van transactiepogingen, worden gemeld. 2. De persoon die overeenkomstig artikel 8, lid 4, onder a), is aangesteld, stuurt de in lid 1 bedoelde informatie door aan de FIE van de lidstaat op het grondgebied waarvan de meldingsplichtige entiteit die de informatie doorstuurt, gevestigd is ». 23 « Artikel 34 1. In afwijking van artikel 33, lid 1, kunnen de lidstaten, in het geval van de in artikel 2, lid 1, punt 3), onder a),
- b)en d), bedoelde meldingsplichtige entiteiten, een passend zelfregulerend orgaan van de relevante beroepsgroep aanwijzen als de autoriteit die de in artikel 33, lid 1, bedoelde informatie ontvangt. Onverminderd lid 2 geeft het aangewezen zelfregulerend orgaan in de in de eerste alinea van dit lid bedoelde gevallen de informatie onverwijld en ongefilterd aan de FIE door. 2. De lidstaten passen de in artikel 33, lid 1, neergelegde verplichtingen niet toe op notarissen, andere onafhankelijke beoefenaars van juridische beroepen, auditors, externe accountants en belastingadviseurs, alleen voor zover die uitzondering betrekking heeft op de inlichtingen die zij van een van hun cliënten ontvangen, of over een van hun cliënten verkrijgen, tijdens het bepalen van de rechtspositie van hun cliënt of bij het verrichten van hun taak van verdediging of vertegenwoordiging van die cliënt in het kader van of in verband met een rechtsgeding, daaronder begrepen advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding, ongeacht of die inlichtingen vóór, gedurende of na een dergelijk geding worden ontvangen of verkregen ». De bewoordingen van artikel 53, in fine, van de bestreden wet zijn overgenomen uit de overwegingen 9, in fine, en 10 van de richtlijn (EU) 2015/849, die bepalen : «
(9)Beoefenaren van juridische beroepen, zoals gedefinieerd door de lidstaten, moeten onder deze richtlijn vallen wanneer zij deelnemen aan financiële of vennootschapsrechtelijke transacties, ook wanneer zij belastingadvies verstrekken, waarbij het grootste risico bestaat dat de diensten van deze beroepsbeoefenaren worden misbruikt om de opbrengsten van criminele activiteiten wit te wassen of terrorisme te financieren. Er moet evenwel vrijstelling zijn van enige verplichting tot melding van informatie die is verkregen vóór, tijdens of na een gerechtelijke procedure, of bij het bepalen van de rechtspositie van een cliënt. Juridisch advies dient bijgevolg aan de professionele geheimhoudingsplicht onderworpen te blijven, behalve wanneer de juridisch adviseur deelneemt aan witwaspraktijken of terrorismefinanciering, het juridisch advies voor witwasdoeleinden of terrorismefinanciering wordt verstrekt, of tenzij de beoefenaar van het juridisch beroep weet dat zijn cliënt juridisch advies wenst voor witwasdoeleinden of terrorismefinanciering.
(10)Rechtstreeks vergelijkbare diensten moeten op dezelfde wijze worden behandeld ongeacht welke onder deze richtlijn vallende beroepsbeoefenaren de diensten verstrekken. Met het oog op de eerbiediging van de bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het ‘ Handvest ’) gewaarborgde rechten mag, in het geval van bedrijfsrevisoren, externe accountants en belastingadviseurs, die in sommige lidstaten gemachtigd zijn een cliënt in rechte te verdedigen of te vertegenwoordigen, of zijn rechtspositie te bepalen, de informatie die zij bij de uitoefening van deze taken ontvangen, niet onder de in deze richtlijn neergelegde meldingsplicht vallen ». 24 B.6.2. In de overwegingen 27, 39 en 40 van de richtlijn wordt vermeld : «
(27)Bij de toepassing van deze richtlijn is het dienstig rekening te houden met de kenmerken en behoeften van kleinere meldingsplichtige entiteiten die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en deze entiteiten een aan hun specifieke behoeften en aan de aard van de bedrijfsactiviteit aangepaste behandeling te garanderen. […]
(39)De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om voor bepaalde meldingsplichtige entiteiten een passend zelfregulerend orgaan aan te wijzen als de autoriteit die in plaats van de FIE in eerste instantie op de hoogte moet worden gesteld. Overeenkomstig de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vormt een systeem waarbij in eerste instantie aan een zelfregulerend orgaan melding wordt gedaan een belangrijke waarborg voor het handhaven van de bescherming van de grondrechten waar het gaat om de meldingsplicht van advocaten. De lidstaten moeten bepalen met welke middelen en op welke wijze de bescherming van het beroepsgeheim, de vertrouwelijkheid en de persoonlijke levenssfeer wordt bewerkstelligd.
(40)Wanneer een lidstaat besluit een zelfregulerend orgaan aan te wijzen, kan hij dat orgaan toestaan of de verplichting opleggen om aan de FIE geen inlichtingen door te geven die het heeft verkregen van personen dat het vertegenwoordigt, in zoverre laatstgenoemde personen die inlichtingen van een van hun cliënten hebben ontvangen of verkregen, tijdens het bepalen van de rechtspositie van hun cliënt of bij het verrichten van hun taak van verdediging of vertegenwoordiging van die cliënt in het kader van of in verband met een rechtsgeding, daaronder begrepen advies over het instellen of vermijden van zulk rechtsgeding, ongeacht of die inlichtingen vóór, gedurende of na een dergelijk geding worden ontvangen of verkregen ». Wat de referentienormen betreft B.
- Het enige middel in de zaak nr. 6888 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het enige middel in de zaak nr. 6895 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Gelet op de grieven die in het verzoekschrift worden uiteengezet, moet de verwijzing naar artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gelezen als een verwijzing naar artikel 8 van dat Verdrag. 25 B.8.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.8.
- Artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgen het recht op eerbiediging van het privéleven. Die twee bepalingen vormen een onlosmakelijk geheel. B.8.
- Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens beschermt het recht op een eerlijk proces. B.8.
- Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt : « Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie ». Artikel 47 van hetzelfde Handvest bepaalt : « Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen ». De verenigbaarheid van wetsbepalingen met de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet en met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, kan door het Hof slechts worden onderzocht in zoverre die bepalingen het Unierecht in werking stellen. In zoverre de bestreden bepalingen artikel 33, lid 1, eerste alinea, a), en tweede alinea, artikel 33, lid 2, en artikel 34, lid 1, voormeld, van de richtlijn (EU) 2015/849 omzetten, vallen zij onder het toepassingsgebied van het recht van de Unie. 26 Het recht op eerbiediging van het privéleven zoals het is gewaarborgd bij artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte gewaarborgd bij artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten, met toepassing van artikel 52, lid 3, ervan, worden gedefinieerd onder verwijzing naar de inhoud en de reikwijdte die door het Europees Verdrag voor de rechten van de mens eraan worden toegekend. Uit de toelichting bij artikel 7 van het Handvest blijkt dat dat artikel gebaseerd is op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Uit de toelichting bij artikel 47 van het Handvest blijkt dat de tweede alinea van dat artikel overeenstemt met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, behoudens in zoverre in het recht van de Unie het recht op toegang tot de rechter niet alleen van toepassing is op geschillen inzake burgerlijke rechten en verplichtingen of op strafvervolging. B.9.
- Het beroepsgeheim van de advocaat is een essentieel bestanddeel van het recht op eerbiediging van het privéleven en van het recht op een eerlijk proces. Het beroepsgeheim van de advocaat heeft immers hoofdzakelijk tot doel het fundamentele recht op eerbiediging van het privéleven te beschermen van diegene die iemand in vertrouwen neemt, soms over iets heel persoonlijks. De effectiviteit van de rechten van verdediging van iedere rechtzoekende veronderstelt daarenboven noodzakelijkerwijs dat een vertrouwensrelatie tot stand kan komen tussen die persoon en de advocaat die hem raad geeft en hem verdedigt. Die noodzakelijke vertrouwensrelatie kan alleen tot stand komen en behouden blijven indien de rechtzoekende de waarborg heeft dat wat hij aan zijn advocaat toevertrouwt door die laatstgenoemde niet openbaar zal worden gemaakt. Hieruit volgt dat de aan de advocaat opgelegde regel van het beroepsgeheim een fundamenteel element van de rechten van verdediging is. Zoals het Hof van Cassatie erop wijst, « [berust] het beroepsgeheim waaraan de leden van de balie zijn onderworpen, […] op de noodzaak volledige veiligheid te verzekeren aan diegenen die zich aan hen toevertrouwen » (Cass., 13 juli 2010, Arr. Cass., 2010, nr. 480; zie ook Cass., 9 juni 2004, Arr. Cass., 2004, nr. 313). 27 Ook al is het « niet onaantastbaar », het beroepsgeheim van de advocaat vormt « een van de grondbeginselen waarop de organisatie van het gerecht in een democratische samenleving berust » (EHRM, 6 december 2012, Michaud t. Frankrijk, § 123). B.9.
- Dat geldt des te meer in strafzaken, waarin het recht om zichzelf niet te beschuldigen, onrechtstreeks maar noodzakelijkerwijs afhangt van de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt en van de vertrouwelijkheid van hun uitwisseling (ibid., § 118). B.
- Wanneer de verplichtingen niet worden nageleefd die boek II van de wet van 18 september 2017 aan de advocaten oplegt, wordt die niet-naleving bestraft met een administratieve geldboete. Die geldboete kan oplopen tot 1 250 000 euro (artikel 132, § 2, tweede lid) en heeft een overheersend repressief karakter, zodat de omschrijving van die niet-naleving moet voldoen aan het algemeen beginsel van de voorzienbaarheid van de strafbaarstelling. Bovendien kunnen de advocaten met een strafrechtelijke geldboete van 150 euro tot 5 000 euro worden gestraft in het geval dat zij zich verzetten tegen inspecties en verificaties van de stafhouder, weigeren inlichtingen mee te delen of opzettelijk onjuiste of onvolledige inlichtingen meedelen (artikel 136, 3°). B.
- Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de grondwettigheid van de bestreden bepalingen dient te worden beoordeeld rekening houdend met het feit dat het beroepsgeheim van de advocaat een algemeen beginsel is dat verband houdt met de naleving van de fundamentele rechten, dat de regels die van dat geheim afwijken om die reden en met toepassing van het algemeen beginsel van de voorzienbaarheid van de strafbaarstelling slechts strikt kunnen worden geïnterpreteerd en dat rekening dient te worden gehouden met de wijze waarop het beroep van advocaat in de interne rechtsorde is geregeld. Aldus dient de regel van het beroepsgeheim maar te wijken indien zulks kan worden verantwoord door een dwingende reden van algemeen belang en indien het opheffen van het geheim strikt evenredig is. 28 B.
- Bij zijn arrest nr. 10/2008 van 23 januari 2008 heeft het Hof zich uitgesproken over de grondwettigheid van de artikelen 2ter en 14bis, § 3, van de wet van 11 januari 1993, zoals zij zijn ingevoegd bij de wet van 12 januari 2004 « tot wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs », met betrekking tot de verplichting voor de advocaten om in het kader van de strijd tegen het witwassen informatie aan de autoriteiten door te geven. Bij dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat krachtens de voormelde bepalingen, de gegevens die ter kennis worden gebracht van de advocaat, enerzijds, in het kader van zijn activiteit bestaande in de verdediging en de vertegenwoordiging in rechte, en, anderzijds, wanneer hij de rechtspositie van zijn cliënt bepaalt, door het beroepsgeheim gedekt zijn (B.9.2 en B.9.3). Daarenboven heeft het Hof gepreciseerd dat het begrip « bepaling van de rechtspositie » van de cliënt het begrip « juridische advisering » omvat (B.9.4). Het heeft geoordeeld dat de activiteit bestaande in het verstrekken van juridisch advies ertoe strekt « de cliënt te informeren over de staat van de wetgeving die van toepassing is op zijn persoonlijke situatie of op de verrichting die hij overweegt, of hem te adviseren over de wijze waarop die verrichting binnen het wettelijk kader kan worden uitgevoerd » en « altijd tot doel [heeft] het de cliënt mogelijk te maken een rechtsgeding met betrekking tot die verrichting te vermijden » (B.9.5). Het Hof heeft de beroepen tot vernietiging verworpen, onder voorbehoud dat artikel 2ter in die zin wordt geïnterpreteerd : « - dat de gegevens die de advocaat verneemt tijdens de uitoefening van de wezenlijke activiteiten van zijn beroep, met inbegrip van de materies die zijn opgesomd in dat artikel 2ter, namelijk het verdedigen of vertegenwoordigen in rechte van de cliënt en het verlenen van juridisch advies, zelfs buiten elk rechtsgeding, door het beroepsgeheim gedekt blijven en dus niet ter kennis kunnen worden gebracht van de overheden, en - dat alleen wanneer de advocaat een activiteit uitoefent, in één van de materies die zijn opgesomd in het voormelde artikel 2ter, die verder gaat dan zijn specifieke opdracht van verdediging of vertegenwoordiging in rechte en verlening van juridisch advies, hij kan worden onderworpen aan de verplichting om de gegevens waarvan hij kennis heeft, aan de overheden mee te delen ». 29 Wat betreft de verplichting tot melding van vermoedens wanneer de cliënt, ingevolge het advies van zijn advocaat, van een verdachte verrichting afziet (eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6895) B.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 6895 is van mening dat artikel 47, § 1, 2°, tweede zin, van de bestreden wet het beroepsgeheim van de advocaat en bijgevolg de in B.7 vermelde referentienormen schendt, in de interpretatie volgens welke de advocaat zou zijn onderworpen aan de verplichting tot melding van vermoedens, inclusief wanneer zijn cliënt, ingevolge zijn advies, van een verdachte verrichting afziet. B.14.
- Bij de parlementaire voorbereiding is gepreciseerd dat artikel 47 van de bestreden wet « de verplichtingen tot melding van vermoedens die momenteel zijn opgenomen in de artikelen 23 tot en met 26 van de wet van 11 januari 1993 [overneemt] en […] ze [consolideert], zonder enige inhoudelijke wijzigingen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2566/001, p. 157). B.14.
- Wat de toepassing van de bestreden wet op de advocaten betreft, wordt in de memorie van toelichting vermeld dat zij « onderworpen [blijven] aan het wetgevend kader zonder wijziging » (ibid., p. 44). Bovendien is gepreciseerd dat de interpretaties van de omvang van de aan de advocaten opgelegde verplichtingen die het gevolg zijn van het voormelde arrest nr. 10/2008 « van toepassing [blijven] » (ibid., p. 166). B.
- Bij het arrest nr. 10/2008 heeft het Hof geoordeeld dat « indien de advocaat vaststelt dat hij zijn cliënt ervan heeft overtuigd af te zien van de uitvoering van of van de deelname aan een onwettige verrichting, […] niets [belet] dat de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt blijft bestaan, vermits in dat geval geen gegevens met betrekking tot hem moeten worden meegedeeld aan de Cel voor financiële informatieverwerking » (B.13.5). 30 B.
- Uit de artikelen 5, § 1, 28°, 47, 52 en 53 van de bestreden wet blijkt duidelijk dat alleen de gegevens die de advocaat verneemt in de materies die zijn opgesomd in artikel 5, § 1, 28°, buiten zijn specifieke opdracht van verdediging of vertegenwoordiging in rechte en van het verlenen van juridisch advies, aan de verplichting van het beroepsgeheim ontsnappen en, via de stafhouder, aan de CFI ter kennis kunnen worden gebracht. Daarentegen blijven alle gegevens die de advocaat verneemt tijdens de uitoefening van de wezenlijke activiteiten van zijn beroep, ook in de materies die zijn opgesomd in het voormelde artikel 5, § 1, 28°, namelijk het bijstaan en het verdedigen in rechte van de cliënt, en het juridisch advies, zelfs buiten elk rechtsgeding, door het beroepsgeheim gedekt en kunnen zij niet, via de stafhouder, ter kennis worden gebracht van de CFI - behalve in de drie in artikel 53, in fine, opgesomde gevallen. B.
- De gegevens waarvan de advocaat kennis heeft in verband met een verdachte verrichting of in verband met een poging tot een verdachte verrichting, waarbij zijn cliënt ingevolge zijn advies ervan afziet die verrichting uit te voeren, worden door de advocaat vernomen tijdens de uitoefening van zijn activiteit van juridisch advies zoals gedefinieerd in B.
- Bijgevolg zijn die gegevens door het beroepsgeheim gedekt en ontsnappen zij, krachtens artikel 53 van de bestreden wet, aan de in artikel 47 bedoelde verplichting tot melding van vermoedens. B.
- Daaruit volgt dat de mededelingsplicht waarin is voorzien bij artikel 47, § 1, 2°, tweede zin, van de wet van 18 september 2017 zonder redelijke verantwoording is en dat zij dient te worden vernietigd in zoverre zij de advocaten betreft. Het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6895 is in die mate gegrond. 31 Wat de personen betreft die ertoe gemachtigd zijn de informatie aan de CFI door te geven (enig middel in de zaak nr. 6888 en tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6895) B.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 6888 klaagt aan dat artikel 49 van de bestreden wet een persoon die buiten de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt staat, de mogelijkheid biedt informatie rechtstreeks en persoonlijk aan de CFI mee te delen (derde grief), zelfs indien die door het beroepsgeheim is gedekt (eerste grief), zonder via de stafhouder te gaan (tweede grief). De verzoekende partij in de zaak nr. 6895 klaagt aan dat bij artikel 49, tweede lid, van de bestreden wet, in samenhang gelezen met artikel 52, eerste lid, van dezelfde wet, wordt voorzien in het optreden van de stafhouder voor meldingen gedaan door de advocaat, maar niet voor meldingen gedaan door zijn personeelsleden. B.20.
- Bij het voormelde artikel 49 wordt bepaald welke persoon binnen de onderworpen entiteit ertoe gemachtigd is de melding van vermoedens bedoeld in artikel 47 of het antwoord op een verzoek om bijkomende inlichtingen bedoeld in artikel 48 aan de CFI door te geven. B.20.
- Krachtens artikel 49, eerste lid, is het in principe door « de persoon of personen aangewezen krachtens artikel 9, § 2 », dat die informatie of die inlichtingen aan de CFI worden doorgegeven. Bij het voormelde artikel 9, § 2, van de bestreden wet wordt aan de onderworpen entiteiten voorgeschreven « antiwitwasverantwoordelijken » (ook « Anti-Money Laundering Compliance Officers » of « AMLCO » genoemd) aan te wijzen, dat wil zeggen één of meer personen die verantwoordelijk zijn voor de concrete tenuitvoerlegging van de internecontrolemaatregelen en die met name ermee belast zijn de meldingen van vermoedens aan de CFI door te geven (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2566/001, pp. 70-71). 32 B.20.
- Met betrekking tot sommige onderworpen entiteiten, waaronder de in artikel 5, § 1, 28°, van de wet bedoelde advocaten, wordt in artikel 49, tweede lid, eraan toegevoegd : « […] elk personeelslid of vertegenwoordiger van een onderworpen entiteit bedoeld in artikel 5, § 1, 23° tot en met 28°, die zelf de hoedanigheid heeft van onderworpen entiteit, meldt evenwel persoonlijk de desbetreffende informatie of inlichtingen aan de CFI telkens wanneer de in het eerste lid bedoelde procedure niet kan worden gevolgd ». B.21.
- Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 49 van de bestreden wet (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2566/001, pp. 163-164) blijkt dat de wetgever heeft gewild dat alle aan de wet onderworpen entiteiten een antiwitwasverantwoordelijke (AMLCO) aanwijzen, die in beginsel, krachtens artikel 49, eerste lid, ermee belast is de melding van vermoedens of de door de CFI gevraagde bijkomende inlichtingen aan haar door te geven. B.21.
- Onder verwijzing naar artikel 9 van de bestreden wet, preciseert de Ministerraad dat, wat de advocaten betreft, de antiwitwasverantwoordelijke, die in beginsel, krachtens artikel 49, eerste lid, belast is met het doorgeven van de informatie of de inlichtingen aan de CFI, de voor het dossier verantwoordelijke advocaat of advocaten is of zijn. B.21.
- Onder voorbehoud van die interpretatie, doet artikel 49, eerste lid, niet op onevenredige wijze afbreuk aan het beroepsgeheim van de advocaat. B.22.
- Uit die parlementaire voorbereiding blijkt ook dat artikel 49, tweede lid, ertoe strekt de medewerkers en de vertegenwoordigers van de onderworpen entiteit de mogelijkheid te bieden om ook zelf over te gaan tot het doorsturen van informatie naar de CFI « telkens wanneer de normale procedure, i.e. via de AMLCO, niet kan worden gevolgd » en dat « dit […] het geval [kan] zijn wanneer, bijvoorbeeld, de AMLCO niet tijdig bereikbaar is of wanneer de bestuurders van de onderworpen entiteiten betrokken lijken te zijn in een witwasactiviteit of een geval van financiering van terrorisme en aldus een hinderpaal zouden vormen voor het doorsturen van informatie […] ». Gepreciseerd wordt echter dat, voor de niet-financiële 33 beroepen die aan het beroepsgeheim zijn onderworpen, met name de advocaten, alleen « de titularis belast met het dossier » of « een lid van het kabinet die titularis is van het bedoelde beroep », krachtens artikel 49, tweede lid, kan overgaan tot het doorsturen van informatie naar de CFI, met uitsluiting van de werknemers van die beroepsbeoefenaars, teneinde rekening te houden met de specificiteit van die beroepen en met het arrest van het Hof nr. 10/2008 (ibid., p. 163). B.22.
- De Ministerraad merkt op dat de bewoordingen « die zelf de hoedanigheid heeft van onderworpen entiteit » in artikel 49, tweede lid, de uitdrukking zijn van die intentie van de wetgever om de werknemers van de advocaten uit te sluiten van de verplichting om informatie aan de CFI mee te delen waarin bij die bepaling is voorzien. Zo dient alleen het personeelslid of de vertegenwoordiger « die zelf de hoedanigheid heeft van onderworpen entiteit » over te gaan tot het doorgeven van informatie aan de CFI wanneer de gewone procedure van artikel 49, eerste lid, niet kan worden gevolgd. Aangezien de personeelsleden van de advocatenkantoren zelf niet de hoedanigheid van onderworpen entiteit hebben, zijn zij aan die verplichting niet onderworpen. De Ministerraad voegt eraan toe dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet en uit het in artikel 55 van dezelfde wet bedoelde verbod op mededeling aan derden blijkt dat, krachtens artikel 49, tweede lid, alleen een vertegenwoordiger van de advocaat die zelf de hoedanigheid van advocaat heeft en die « noodzakelijkerwijs deel uitmaakt van hetzelfde kantoor » informatie of inlichtingen aan de CFI kan doorgeven wanneer de gewone procedure van artikel 49, eerste lid, niet kan worden gevolgd. B.22.
- Bij zijn arrest nr. 10/2008 heeft het Hof geoordeeld : « B.15.
- De verzoekers verwijten artikel 30, 2°, van de bestreden wet, dat artikel 18, tweede lid, van de wet van 11 januari 1993 wijzigt, het elke werknemer of vertegenwoordiger van de advocaten mogelijk te maken gegevens persoonlijk mee te delen aan de Cel telkens als de normale procedure niet kon worden gevolgd, met andere woorden telkens als de informatie niet door de advocaat zelf kon worden meegedeeld, waardoor het beroepsgeheim en derhalve de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zouden zijn geschonden. 34 B.15.
- In de memorie van toelichting wordt gepreciseerd dat die bepaling ertoe strekt ‘ het […] mogelijk [te] maken dat de bedienden en vertegenwoordigers van deze beroepspersonen zelf zouden kunnen melden, wanneer de beroepstitularissen niet in staat zijn deze verplichting na te komen of wanneer ze er zich uit kwade trouw zouden willen aan onttrekken ’ (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0383/001, p. 50). B.15.
- De Ministerraad preciseert dat het evident is dat die bepaling moet worden gelezen in samenhang met de bepalingen die in die wetgeving zijn ingevoegd om rekening te houden met het specifieke karakter van het beroep van advocaat. Zelfs in die interpretatie van de bepaling zou niets kunnen verantwoorden dat een persoon die buiten de relatie tussen de advocaat en zijn cliënt staat, gegevens betreffende die cliënt aan de overheden zou kunnen bezorgen. Dat geldt des te meer daar de werknemers van de advocaat mogelijk over geen enkele juridische kwalificatie of bevoegdheid beschikken en niet wordt ingezien hoe zij zouden kunnen oordelen of is voldaan aan de voorwaarden inzake de toepassing van de wet op de advocaat bij wie zij zijn tewerkgesteld of die zij vertegenwoordigen. B.15.
- In zoverre het toestaat dat iedere werknemer en iedere vertegenwoordiger van de advocaten gegevens persoonlijk aan de Cel bezorgt, zelfs via de stafhouder van de orde, doet artikel 30 van de wet van 12 januari 2004 op onverantwoorde wijze afbreuk aan het beroepsgeheim van de advocaat en schendt het hierdoor de in het middel vermelde bepalingen. B.15.
- In artikel 18, tweede lid, van de wet van 11 januari 1993, gewijzigd bij artikel 30, 2°, van de wet van 12 januari 2004, dienen de woorden ‘ en 2ter ’ te worden vernietigd ». B.22.
- Zelfs in de interpretatie dat de werknemers van de advocaten niet aan de in artikel 49, tweede lid, bedoelde verplichting tot melding aan de CFI zouden zijn onderworpen en om dezelfde redenen als die van het arrest nr. 10/2008, verantwoordt niets dat een persoon die buiten de relatie tussen de advocaat en zijn cliënt staat, zelfs indien hij zelf een advocaat is, informatie met betrekking tot die cliënt aan de autoriteiten kan doorgeven. B.22.
- In artikel 49, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 dient de verwijzing naar artikel 5, § 1, 28°, van dezelfde wet te worden vernietigd. Ingevolge die vernietiging moeten in artikel 49, tweede lid, van de wet van 18 september 2017 de bewoordingen « elk personeelslid of vertegenwoordiger van een onderworpen entiteit bedoeld in artikel 5, § 1, 23° tot en met 28°, die zelf de hoedanigheid heeft van onderworpen entiteit » worden gelezen als « elk personeelslid of vertegenwoordiger van een onderworpen entiteit bedoeld in artikel 5, § 1, 23° tot en met 27°, die zelf de hoedanigheid heeft van onderworpen entiteit ». 35 B.
- Die vernietiging doet geen afbreuk aan de verplichting voor de advocaten om, krachtens de artikelen 47 en 49, eerste lid, een melding van vermoedens aan de CFI door te geven, onder voorbehoud van de in B.21 gemaakte interpretatie, met inachtneming van de waarborgen waarin is voorzien in de artikelen 52 en
- B.
- Die vernietiging doet geen afbreuk aan de volledige omzetting van het voormelde artikel 33, lid 2, van de richtlijn (EU) nr. 2015/849 in het interne recht. De door de verzoekende partij in de zaak nr. 6888 en door de tussenkomende partij voorgestelde prejudiciële vraag dient niet te worden voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. B.
- De andere grieven die tegen artikel 49, tweede lid, zijn gericht, dienen niet te worden onderzocht, aangezien die niet tot een ruimere vernietiging zouden kunnen leiden. Wat het door de stafhouder « ongefilterd » doorgeven van informatie aan de CFI betreft (derde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6895) B.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 6895 klaagt aan dat de stafhouder, bij artikel 52, tweede lid, tweede zin, van de bestreden wet, de verplichting wordt opgelegd de informatie die hem door de advocaat is meegedeeld « ongefilterd » aan de CFI door te geven. B.27.
- Bij de artikelen 52, eerste lid, en 53 van de wet wordt aan de advocaat de verplichting opgelegd de stafhouder op de hoogte te brengen zodra hij, binnen het toepassingsgebied van artikel 5, § 1, 28°, van de wet en buiten zijn opdracht van verdediging en vertegenwoordiging in rechte en buiten zijn opdracht van juridisch advies, feiten vaststelt waarvan hij vermoedt dat zij verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme. 36 Bij artikel 52, tweede lid, van de wet wordt aan de stafhouder de verplichting opgelegd na te gaan of de advocaat handelt binnen het toepassingsgebied van artikel 5, § 1, 28°, van de wet en buiten zijn opdracht van verdediging en vertegenwoordiging in rechte en buiten zijn opdracht van juridisch advies in de zin van artikel
- Indien aan die voorwaarden is voldaan, geeft hij de melding van vermoedens van de advocaat « ongefilterd » door aan de CFI. In dat geval brengt de stafhouder de advocaat op de hoogte van het doorgeven van de informatie aan de CFI en maakt de advocaat een einde aan zijn optreden zonder de redenen daarvoor aan zijn cliënt mee te delen (in die zin, artikel 55, § 1, van de bestreden wet, alsook artikel 70, § 4, van de Codex Deontologie voor Advocaten van de Orde van Vlaamse balies en artikel 4.87, eerste lid, van de Deontologische Code van de Advocaat van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone »). Indien de stafhouder vaststelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 5, § 1, 28°, en 53, geeft hij de van de advocaat ontvangen informatie niet door aan de CFI. B.27.
- In zoverre het vereist dat indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, de stafhouder de informatie ongefilterd aan de CFI doorgeeft, neemt artikel 52, tweede lid, van de bestreden wet de bewoordingen over van artikel 34, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn (EU) 2015/
- B.
- Bij het voormelde arrest nr. 10/2008 (B.14.2) heeft het Hof geoordeeld : « Het optreden van de stafhouder bij het meedelen van gegevens door de advocaten aan de Cel voor financiële informatieverwerking is een wezenlijke waarborg, zowel voor de advocaten als voor hun cliënten, die de zekerheid biedt dat alleen in de gevallen waarin de wet op strikte wijze voorziet, het beroepsgeheim zal worden geschonden. De rol van de stafhouder bestaat erin na te gaan of wel degelijk is voldaan aan de wettelijke toepassingsvoorwaarden van de meldingsplicht en indien hij vaststelt dat zulks niet het geval is, moet hij ervan afzien de aan hem meegedeelde informatie door te geven. De richtlijn heeft voorzien in het optreden van een zelfregulerend beroepsorgaan ‘ met het oog op de eerbiediging van de geheimhoudingsplicht van [de advocaten] jegens hun cliënten ’ (richtlijn 2001/97/EG, overweging 20). Het optreden van de stafhouder is opgevat als ‘ een filter ’ tussen de advocaten en de gerechtelijke overheden ‘ om elke inbreuk op de fundamentele rechten van verdediging te vermijden ’ (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0383/001, p. 17) ». 37 Bij hetzelfde arrest heeft het Hof de beroepen verworpen, onder voorbehoud dat artikel 15, § 1, 1°, van dezelfde wet van 11 januari 1993, vervangen bij artikel 27 van de wet van 12 januari 2004, in die zin wordt geïnterpreteerd dat iedere mededeling van informatie aan de CFI via de stafhouder verloopt. B.29.
- In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij betoogt, zet de in het voormelde artikel 52 geformuleerde precisering dat de van de advocaat ontvangen informatie door de stafhouder « ongefilterd » wordt doorgegeven, de controleopdracht niet op losse schroeven die is erkend bij het voormelde arrest nr. 10/2008, waarin het Hof heeft geoordeeld dat het optreden van de stafhouder was opgevat « als ‘ een filter ’ tussen de advocaten en de gerechtelijke overheden ». De stafhouder oefent een wettigheidscontrole uit. Zijn rol bestaat immers alleen erin na te gaan of is voldaan aan de wettelijke voorwaarden inzake de toepassing van de meldingsplicht zoals bedoeld in de artikelen 5, § 1, 28°, en 53, en niet het vermoeden van de advocaat te beoordelen (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2566/001, p. 166). B.29.
- Het verplichte optreden van de stafhouder zoals bedoeld in artikel 52 van de bestreden wet, zelfs beperkt tot een wettigheidstoetsing, waarborgt de verificatie, door de stafhouder, dat de melding door de advocaat gebeurt binnen het door de artikelen 5, § 1, 28°, en 53 van de wet strikt beperkte toepassingsgebied van de verplichting tot melding. Zoals in B.27.1 is vermeld, geeft de stafhouder, indien hij vaststelt dat aan die voorwaarden niet is voldaan, de van de advocaat ontvangen informatie niet door aan de CFI. Bijgevolg biedt een dergelijke controle de stafhouder de mogelijkheid erover te waken dat, zoals in B.16 is vermeld, alle gegevens die de advocaat verneemt in het kader van de uitoefening van de wezenlijke activiteiten van zijn beroep, ook in de materies die zijn opgesomd in artikel 5, § 1, 28°, door het beroepsgeheim gedekt blijven en niet worden doorgegeven aan de CFI. Bijgevolg doet de bestreden maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk aan het beroepsgeheim van de advocaat. B.
- Het derde onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 6895 is niet gegrond. 38 B.
- De tussenkomende partij verzoekt het Hof aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van de bestreden bepaling met de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Nu uit het onderzoek van het middel blijkt dat de aangevoerde grief kennelijk niet gegrond is, bestaat er geen aanleiding voor een prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie. Ten aanzien van de toepassing van de bestreden wet op de externe accountants en de externe belastingconsulenten (zaak nr. 6898) B.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 6898 zijn van mening dat artikel 5 van de bestreden wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn (EU) 2015/849, in het bijzonder artikel 2, lid 1, ervan, in zoverre die bepaling alleen de externe accountants en de externe belastingconsulenten die zijn onderworpen aan de wet van 22 april 1999 « betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen » (hierna : de wet van 22 april 1999), aan de bestreden wet onderwerpt. Zij betwisten het feit dat personen die een activiteit van belastingadvies uitoefenen van wie het beroep niet is geregeld bij de wet van 22 april 1999, ontsnappen aan de preventieve maatregelen ter bestrijding van het witwassen van geld waarin is voorzien bij de bestreden wet, terwijl zij eveneens belastingadvies verstrekken waarbij een risico bestaat dat hun diensten worden misbruikt om geld wit te wassen. B.
- Uit het verzoekschrift blijkt dat de grieven alleen zijn gericht tegen artikel 5, § 1, 24°, van de bestreden wet. Het Hof beperkt zijn toetsing bijgevolg tot die bepaling, die bepaalt : « De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de volgende onderworpen entiteiten, handelend in het kader van hun beroepsactiviteiten : […] 24° de natuurlijke personen of rechtspersonen ingeschreven op de lijst van de externe accountants en op de lijst van de externe belastingconsulenten bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 22 april 1999 betreffende boekhoudkundige en fiscale beroepen, alsook de natuurlijke personen ingeschreven op de lijst van de stagiairs accountants en op de lijst van de stagiairs belastingconsulenten bedoeld in artikel 4 van voormelde wet ». 39 Artikel 4, eerste lid, 3°, en artikel 5, § 1, eerste lid, van de wet van 22 april 1999 bepalen : « Art.
- Van het Instituut [van de Accountants en de Belastingconsulenten] zijn lid : […] 3° de stagiair-accountant, de stagiair-belastingconsulent en de stagiair-accountant-belastingconsulent. […] Art.
- §
- Het Instituut stelt het tableau vast van de leden. Dit tableau bevat een lijst van de accountants en een lijst van de belastingconsulenten. Een lid met de hoedanigheid van accountant en van belastingconsulent, wordt ingeschreven op beide lijsten. De lijst van de accountants bevat, in een deellijst, de externe accountants bedoeld in de artikelen 35 en
- De lijst van de belastingconsulenten bevat, in een deellijst, de externe belastingconsulenten bedoeld in de artikelen 39 en
- […] ». De externe accountants en de externe belastingconsulenten zijn de natuurlijke personen die, buiten het kader van een arbeidsovereenkomst of een door de overheid bezoldigde betrekking, het beroep van accountant of van belastingconsulent uitoefenen waarvan de titel is beschermd bij de wet van 22 april 1999 (artikelen 35 en 39 van die wet). B.34.
- Artikel 5, § 1, 24°, van de bestreden wet zet artikel 2, lid 1, punt 3), a), van de richtlijn (EU) 2015/849 in Belgisch recht om, dat, vóór de vervanging ervan bij artikel 1, punt 1), a), van de richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 « tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU », bepaalde : «
- Deze richtlijn is van toepassing op de volgende meldingsplichtige entiteiten : […]
- de volgende natuurlijke of rechtspersonen handelend in het kader van hun beroepsactiviteiten : a) auditors, externe accountants en belastingadviseurs; 40 […] ». B.34.
- Artikel 2, lid 1, punt 3), a), van de richtlijn (EU) 2015/849, zoals het is vervangen bij artikel 1, punt 1), a), van de richtlijn (EU) 2018/843, bepaalt : «
- Deze richtlijn is van toepassing op de volgende meldingsplichtige entiteiten : […]
- de volgende natuurlijke of rechtspersonen handelend in het kader van hun beroepsactiviteiten : a) auditors, externe accountants en belastingadviseurs, alsmede iedere persoon die zich ertoe verbindt als voornaamste bedrijfs- of beroepsactiviteit, rechtstreeks of via andere met hem gelieerde personen materiële hulp, bijstand of advies op belastinggebied te verlenen; […] ». De richtlijn (EU) 2018/843 is in werking getreden op 9 juli 2018 (artikel 5 van die richtlijn). De omzettingstermijn van de richtlijn is verstreken op 10 januari 2020 (artikel 4, lid 1). B.
- De grondwettigheid van artikel 5, § 1, 24°, van de bestreden wet dient aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te worden getoetst, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, punt 3), a), van de richtlijn (EU) 2015/849, zoals het van toepassing was vóór de vervanging ervan bij artikel 1, punt 1), a), van de richtlijn (EU) 2018/
- B.
- Rekening houdend met het recht van de Europese Unie, beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid om de categorieën van onderworpen entiteiten te bepalen waarop de verplichtingen inzake de strijd tegen het witwassen van geld en de financiering van terrorisme van toepassing zijn. Het Hof vermag een dergelijke beleidskeuze, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij niet redelijk verantwoord zijn. 41 B.37.
- Bij artikel 5, § 1, 24°, van de bestreden wet worden de externe accountants en de externe belastingconsulenten aan de toepassing van de bestreden wet onderworpen in bewoordingen die identiek zijn aan hetgeen is bepaald bij artikel 3, 4°, van de wet van 11 januari 1993, behalve in zoverre de stagiairs van die twee beroepsgroepen onder het toepassingsgebied van de bestreden wet vallen (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54- 2566/001, p. 42). B.37.
- In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad betoogt, bevinden de externe accountants en de externe belastingconsulenten die zijn onderworpen aan de wet van 22 april 1999, enerzijds, en de personen die een werkzaamheid van belastingadvies uitoefenen van wie het beroep niet is geregeld bij de wet van 22 april 1999, anderzijds, zich ten aanzien van de bestreden maatregel in vergelijkbare situaties, aangezien zij allen activiteiten uitoefenen die in voorkomend geval voor witwasdoeleinden zouden kunnen worden misbruikt. B.38.
- De definitie van de onderworpen entiteiten opgesomd in artikel 5, § 1, van de bestreden wet onder verwijzing naar de toezichtswetten of naar de wetten die de organisatie van hun beroep regelen, is ingegeven door de zorg om de doeltreffendheid te waarborgen van de preventieve maatregelen ter bestrijding van het witwassen van geld : « Net als in de wet van 11 januari 1993, worden de onderworpen entiteiten in artikel 5, § 1, van de ontwerpwet uitsluitend gedefinieerd onder verwijzing naar hun toezichtswetten of naar de wetten die de organisatie van hun beroepen regelen. Deze keuze wordt vooral gerechtvaardigd door de noodzaak om een bevoegde toezichtautoriteit aan te wijzen voor elk van de categorieën van onderworpen entiteiten » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2566/001, p. 41). Insgelijks kan de Koning, krachtens artikel 5, § 1, 22°, en § 4, van de bestreden wet, het toepassingsgebied van de bestreden wet of een deel ervan uitbreiden tot nieuwe categorieën van onderworpen entiteiten. Artikel 85, § 2, van de bestreden wet bepaalt dat in dat geval de Koning de autoriteiten aanwijst die bevoegd zijn voor het toezicht op die nieuwe categorieën van onderworpen entiteiten, rekening houdend met « de noodzaak om deze nieuwe categorieën te onderwerpen aan het toezicht van een autoriteit om de doeltreffendheid van deze uitbreiding te garanderen » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2566/001, pp. 246-247; zie ook p. 42). 42 B.38.
- Het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten is de toezichtautoriteit die bevoegd is ten aanzien van de externe accountants en de externe belastingconsulenten bedoeld in artikel 5, § 1, 24°, van de bestreden wet (artikel 85, § 1, 7°, van de bestreden wet). B.39.
- Het verschil in behandeling tussen de externe accountants en de externe belastingconsulenten, enerzijds, en de andere externe beroepsbeoefenaars die belastingadvies verstrekken maar die niet onder de wet van 22 april 1999 ressorteren, anderzijds, berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet ingeschreven zijn van die beroepsbeoefenaars op de lijst van de externe accountants en/of op de lijst van de externe belastingconsulenten bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 22 april
- B.39.
- Een dergelijk criterium is bovendien relevant ten aanzien van de doelstelling van de wetgever om de doeltreffendheid te verzekeren van de preventieve maatregelen ter bestrijding van het witwassen van geld. De aanwijzing van de aan de bestreden wet onderworpen entiteiten onder verwijzing naar de toezichtswetten of naar de wetten die de organisatie van hun beroep regelen, maakt het mogelijk die te onderwerpen aan het toezicht van de toezichtautoriteiten, die een belangrijke rol spelen in de toepassing van de bestreden wet. Zij zijn het immers die op basis van een risicobeoordeling (artikel 87) toezicht houden op de naleving van de bepalingen van boek II van de bestreden wet door de onderworpen entiteiten die onder hun bevoegdheid ressorteren (artikel 85, § 1, van de bestreden wet). Zij kunnen reglementen uitvaardigen die van toepassing zijn op de onder hun bevoegdheid vallende onderworpen entiteiten teneinde de bepalingen van boek II en boek III van de bestreden wet op technisch vlak te vervolledigen (artikel 86, § 1). Zij stellen een toezichtregeling vast om de naleving, door de onderworpen entiteiten, van de bepalingen van boek II van de bestreden wet en van artikel 66, § 2, tweede en derde lid, van de bestreden wet te verzekeren (artikel 117). In geval van inbreuk kunnen zij ten aanzien van de betrokken onderworpen entiteit maatregelen nemen (publieke verklaring, bevel, intrekking of schorsing van de vergunning, tijdelijk verbod om managementfuncties uit te oefenen) (artikel 118, § 1) en administratieve geldboetes opleggen (artikel 132, § 2, tweede lid). 43 De toezichtautoriteiten delen bovendien aan de CFI de informatie mee met betrekking tot « geldmiddelen, verrichtingen of feiten […] waarvan ze weten, vermoeden of redelijke gronden hebben om te vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of de financiering van terrorisme » vastgesteld tijdens de inspecties verricht bij de onderworpen entiteiten die onder hun bevoegdheid vallen, dan wel op enigerlei andere wijze (artikel 79, § 2, 1°). B.
- Er moet nog worden nagegaan of de keuze van de wetgever om alleen de externe accountants en de externe belastingconsulenten die aan de wet van 22 april 1999 zijn onderworpen, aan de bestreden wet te onderwerpen, voor die beroepsbeoefenaars geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt. B.41.
- De richtlijn (EU) 2015/849, zoals zij van toepassing was alvorens te worden gewijzigd bij de richtlijn (EU) 2018/843, bepaalt dat de lidstaten van de bevoegde autoriteiten verlangen dat zij effectief toezien op de naleving van de richtlijn en dat zij de nodige maatregelen nemen om die naleving te waarborgen (artikel 48, lid 1). In het geval van de in artikel 2, lid 1, punt 3), a), van de richtlijn bedoelde externe accountants en belastingconsulenten kunnen de lidstaten toestaan dat die taken worden verricht door een « zelfregulerend orgaan » (artikel 48, lid 9). Een zelfregulerend orgaan is « een orgaan dat leden van een beroepsgroep vertegenwoordigt en betrokken is bij de opstelling en handhaving van regels voor die leden en bepaalde toezichthoudende of controlerende functies uitoefent » (artikel 3, punt 5). In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat het zelfregulerend orgaan over adequate bevoegdheden beschikt, met inbegrip van de bevoegdheid om het verstrekken van elke informatie die van belang is voor het toezicht op de naleving en het uitvoeren van controles af te dwingen, en over toereikende financiële, personele en technische middelen om zijn taken te vervullen. De lidstaten zorgen ervoor dat het personeel van dat orgaan hoge professionele normen, daaronder begrepen normen inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, handhaaft, zeer integer is en over de nodige vaardigheden beschikt (artikel 48, leden 2 en 9). 44 B.41.
- Door de externe accountants en de externe belastingconsulenten die zijn onderworpen aan de wet van 22 april 1999, aan de bestreden wet te onderwerpen, heeft de Belgische wetgever dus gebruikgemaakt van de beoordelingsmarge die hem bij de richtlijn (EU) 2015/849 is gelaten teneinde die beroepsbeoefenaars aan het toezicht door het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten te onderwerpen. Dat beroepsinstituut is een zelfregulerend orgaan in de zin van artikel 3, punt 5), van de richtlijn (EU) 2015/849 waarvan de rol en de bevoegdheden, bepaald in de artikelen 2 tot en met 15 en 27 tot en met 33 van de wet van 22 april 1999, voldoen aan de vereisten bedoeld in het voormelde artikel 48, leden 2 en 9, van die richtlijn. Het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten ziet onder meer erop toe dat de beroepen van extern accountant en van extern belastingconsulent behoorlijk worden uitgevoerd door specialisten, met inachtneming van de regels die van toepassing zijn inzake toegang tot en uitoefening van die beroepen en, in het bijzonder, met inachtneming van de beroepsgeheimhoudingsplicht (artikelen 3 en 58, vierde lid, van de wet van 22 april 1999). B.41.
- In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen betogen, staat die versie van de richtlijn niet eraan in de weg dat een lidstaat stapsgewijs te werk gaat wanneer hij maatregelen neemt die ertoe strekken het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te bestrijden en dat hij eerst de externe accountants en de externe belastingconsulenten die onder de bevoegdheid van een zelfregulerend orgaan vallen, in het toepassingsgebied van de nationale wet tot omzetting van die richtlijn insluit. B.41.
- De omstandigheid dat artikel 2, lid 1, punt 3), a), van de richtlijn (EU) 2015/849, zoals het is vervangen bij het in B.34.2 hiervoor vermelde artikel 1 van de richtlijn (EU) 2018/843, bepaalt dat de herziene richtlijn (EU) 2015/849 van toepassing is op « iedere persoon die zich ertoe verbindt als voornaamste bedrijfs- of beroepsactiviteit, rechtstreeks of via andere met hem gelieerde personen materiële hulp, bijstand of advies op belastinggebied te verlenen », heeft niet tot gevolg dat de bestreden bepaling onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2, lid 1, punt 3), a), van de richtlijn (EU) 2015/849, zoals het van toepassing was vóór de vervangi