← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.118

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 september 2020 ECLI

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 206 tot 208 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie » (« Wijziging van de artikelen 508/13

508/19 van het Gerechtelijk Wetboek »), ingesteld door E.M. Gerechtelijk recht - Juridische tweedelijnsbijstand - Machtiging aan de Koning -

  1. Vergoeding van de advocaten -
  2. Persoonsgegevens -
  3. Retroactief karakter van de nieuwe maatregelen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7094 Arrest nr. 118/2020 van 24 september 2020 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 206 tot 208 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie » (« Wijziging van de artikelen 508/13

508/19 van het Gerechtelijk Wetboek »), ingesteld door E.M. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût

A. Alen,

de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman

M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep

rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 januari 2019 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 11 januari 2019, heeft E.M., bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. R. Fonteyn, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 206 tot 208 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie » (« Wijziging van de artikelen 508/13

508/19 van het Gerechtelijk Wetboek »), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2018. Memories

memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. S. Sarolea

Mr. J. Hardy, advocaten bij de balie van Waals-Brabant; - de Orde van Vlaamse balies, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. F. Judo

Mr. T. Souverijns, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan

vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, Mr. E. de Lophem

Mr. M. Lambert de Rouvroit, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 18 maart 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul

T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord,

dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 22 april 2020

de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 mei 2020 de dag van de terechtzitting bepaald op 17 juni 2020. Op de openbare terechtzitting van 17 juni 2020 : - zijn verschenen : . E.M., in eigen persoon; . Mr. S. Sarolea, voor de « Ordre des barreaux francophones et germanophone »; . Mr. N. Goethals, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Orde van Vlaamse balies; . Mr. E. de Lophem, tevens loco Mr. S. Depré, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul

T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1. De verzoekende partij verantwoordt haar belang

erzijds door het feit dat ze de juridische tweedelijnsbijstand niet langer geniet als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 6 juli 2016 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand » (hierna : de wet van 6 juli 2016)

anderzijds door de weerslag van de bestreden bepalingen op de beroepen tot vernietiging die zij voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft ingediend tegen het koninklijk besluit van 21 juli 2016 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 december 1999 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de vergoeding die aan advocaten wordt toegekend in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand

inzake de subsidie voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand » (hierna : het koninklijk besluit van 21 juli 2016)

het koninklijk besluit van 3 augustus 2016 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand

de rechtsbijstand » (hierna : het koninklijk besluit van 3 augustus 2016). Immers, de bestreden bepalingen verlenen met terugwerkende kracht een rechtsgrond aan bepalingen van die besluiten die nog geen rechtsgrond hadden. A.2. De Ministerraad is van mening dat de bestreden bepalingen niet van toepassing zijn op de verzoekende partij

slechts een onrechtstreekse weerslag hebben op haar situatie gelet op de beroepen die zij heeft ingesteld bij de Raad van State. De bestreden bepalingen hebben tevens slechts een hypothetische weerslag op haar situatie, aangezien alleen de verzoekende partij veronderstelt dat ze een effect hebben op de procedures die hangende zijn voor de Raad van State. A.3. De Orde van Vlaamse balies (hierna : de OVB) is van mening dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het beroep of, op zijn minst, zulks niet aantoont. Allereerst bewijst ze niet dat de bestaansmiddelen waarover zij beschikt ontoereikend zijn in de zin van artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek of dat zij dat in het verleden waren. Het is derhalve niet zeker dat de in het geding zijnde bepalingen een directe invloed hebben op haar persoonlijke situatie. Het bestreden artikel 207 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie » (hierna : de wet van 21 december 2018) heeft trouwens uitsluitend betrekking op de vergoeding van de advocaten die juridische tweedelijnsbijstand verrichten. De verzoekende partij toont ook niet aan in hoeverre zij belang zou hebben bij de vernietiging van artikel 208 van de wet van 21 december 2018, dat een terugwerkende kracht toekent aan de artikelen 206

207 van dezelfde wet. Ten slotte legt ze evenmin uit in welke zin die terugwerkende kracht een invloed zou hebben op de procedures die hangende zijn voor de Raad van State. A.4. De verzoekende partij antwoordt dat het Hof in zijn arresten nrs. 32/2017

77/2018 haar belang bij het beroep al heeft erkend. Ze legt ook verscheidene stukken voor om haar staat van geldgebrek, op grond waarvan de Raad van State rechtsbijstand aan haar heeft toegekend, aan te tonen. A.

  1. De Ministerraad repliceert niet te begrijpen in welk opzicht het relevant zou zijn dat de verzoekende partij het voordeel van de juridische tweedelijnsbijstand zou hebben verloren als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 6 juli 2016, die niet het voorwerp uitmaakt van het beroep. Bovendien heeft de verzoekende partij voor de Raad van State middelen aangevoerd die geen betrekking hebben op de aan de Koning verleende machtiging. De bestreden bepalingen brengen dus niet noodzakelijk de kansen op slagen van de verzoekende partij voor de Raad van State in het gedrang. 4 A.
  2. De OVB repliceert dat de stukken die de verzoekende partij heeft ingediend, niet volstaan om haar belang bij het beroep te verantwoorden.

erzijds weerspiegelen ze niet de actuele financiële situatie van de verzoekende partij

anderzijds blijkt daaruit niet dat de verzoekende partij effectief kosteloze juridische bijstand kan genieten. De arresten van het Hof waarnaar de verzoekende partij verwijst, hebben ofwel geen betrekking op de kosteloze juridische bijstand, ofwel betrekking op zaken waarin het Hof niet uitdrukkelijk het belang van de verzoekende partij heeft onderzocht. De verzoekende partij is geen advocaat

heeft in ieder geval geen belang bij het bekritiseren van de bepaling die de vergoeding van de advocaten regelt. Ten slotte levert de verzoekende partij geen concrete informatie met betrekking tot de procedures die hangende zijn voor de Raad van State. Ten aanzien van de tussenkomsten A.7. De « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (hierna : de OBFG) beweert te beschikken over een belang om tussen te komen omdat het onderhavige beroep betrekking heeft op de organisatie van de juridische bijstand, die valt onder haar wettelijke opdracht, de vergoeding van de advocaten

de verdediging van de rechtsonderhorigen. De bestreden bepalingen hebben dus een duidelijke invloed op de uitoefening van de opdrachten van de OBFG. A.

  1. De OVB verantwoordt haar belang om tussen te komen door het feit dat het te wijzen arrest rechtstreeks betrekking heeft op de belangen die zij verdedigt op grond van artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek. Ten gronde Wat het eerste middel betreft A.9.
  2. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 13

23, eerste lid, tweede lid

derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33, 105

108 van de Grondwet, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met de algemene beginselen van wettigheid, gewettigd vertrouwen

rechtszekerheid, in zoverre de machtiging die aan de Koning verleend wordt door het bestreden artikel 207 van de wet van 21 december 2018, dat artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek wijzigt, onvoldoende nauwkeurig is. A.9.

  1. Ten eerste worden, volgens de verzoekende partij, de uitvoeringsbepalingen waartoe de Koning gemachtigd is, onvoldoende afgebakend door het gebruik van het woord « inzonderheid » in het nieuwe artikel 508/19, §
  2. Een delegatie aan de uitvoerende macht moet echter voldoende nauwkeurig omschreven worden

betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf werden vastgelegd door de wetgever. A.9.3. Ten tweede heeft de wetgever aan de Koning de zorg overgelaten om de essentiële elementen te bepalen van de vergoeding van de advocaten, die een essentieel aspect is van het recht op juridische bijstand, namelijk het bepalen van de criteria voor het toekennen, het niet toekennen of het verminderen van punten, de berekeningswijze van de waarde van een punt, de voorwaarden voor de indiening van een vergoedingsaanvraag, de nadere regels

voorwaarden voor de betaling van de vergoeding. A.9.4. Ten derde waarborgen de bestreden bepalingen niet de effectiviteit van de vergoeding van de advocaten

derhalve ook niet de inachtneming van het recht op kosteloze rechtsbijstand bedoeld in artikel 6, lid 3, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.9.5. Ten vierde doen de bestreden bepalingen een niet verantwoord verschil in behandeling ontstaan tussen de rechtzoekenden die het voordeel van de juridische tweedelijnsbijstand kunnen genieten

de andere rechtzoekenden, waarbij de tweeden, in tegenstelling tot de eersten, de essentiële voorwaarden van het contract dat hen aan hun advocaat bindt, bij de wet bepaald zien, namelijk de burgerlijke wet

het contractenrecht. A.10.

  1. De Ministerraad preciseert dat het middel uitsluitend betrekking heeft op artikel 207, 2°, van de wet van 21 december
  2. 5 A.10.
  3. Hij merkt vervolgens op dat de bestreden bepalingen het recht op juridische bijstand niet veranderen

dus niet aantasten. A.10.3. De Ministerraad stelt dat artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek de essentiële beginselen bevat van de vergoeding van de advocaten die juridische tweedelijnsbijstand verlenen. De wetgever heeft aan de Koning echter de zorg overgelaten om de uitvoeringsbepalingen vast te stellen, wat noch het recht op juridische bijstand, noch het recht van de advocaat op een vergoeding voor de verleende diensten aantast. De uitvoeringsbepalingen berusten uitsluitend op de aan de Koning verleende bevoegdheid om de praktische aspecten van de vergoeding van de advocaat vast te stellen. De aan de Koning verleende machtiging is bovendien nauwkeurig, ondanks het begrip « inzonderheid » in artikel 508/19, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning blijft trouwens bevoegd om, op grond van zijn algemene uitvoeringsbevoegdheid die voortvloeit uit artikel 108 van de Grondwet, uitvoeringsmaatregelen voor artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek te nemen. Aangezien de aan de Koning gedelegeerde elementen niet voorbehouden zijn aan de wetgever, faalt het middel dat is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 33, 105

108 ervan, ten slotte in rechte. A.10.

  1. Nog altijd volgens de Ministerraad wordt het recht op kosteloze juridische bijstand bedoeld in artikel 6, lid 3, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet op de helling gezet door het bestreden artikel 207, 2°, van de wet van 21 december
  2. A.10.
  3. Met betrekking tot de vermeende discriminatie voert de Ministerraad aan dat de regels van het burgerlijk recht

van het contractenrecht inderdaad niet van toepassing zijn op de relatie tussen de advocaat

de begunstigde van de juridische bijstand. De Ministerraad begrijpt echter niet in welk opzicht dat feit laakbaar is. A.11. De OBFG beweert dat artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek de Koning ermee belast uitsluitend de nadere regels vast te stellen voor het opmaken van de lijst met de punten per prestatie van een advocaat die juridische tweedelijnsbijstand verleent, onverminderd de bevoegdheden die werden toevertrouwd aan de bureaus voor juridische bijstand

de ordes van advocaten. Doordat de wet niet meer in detail treedt

de bevoegdheid van de Koning beperkt tot het vastleggen van sommige nadere regels, zijn de ordes

de bureaus voor juridische bijstand in staat de opdrachten die de artikelen 495, 496

508/19 van het Gerechtelijk Wetboek aan hen toevertrouwen, uit te voeren. Het aangeklaagde verschil in behandeling is dus niet het gevolg van het bestreden artikel 207 van de wet van 21 december 2018, maar van de voormelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ze bestonden vóór het bestreden artikel 207. A.12.1. De OVB is van mening dat het middel gedeeltelijk onontvankelijk is omdat,

erzijds, de artikelen 33, 105

108 van de Grondwet geen deel uitmaken van de bepalingen waarvan het Hof de naleving kan waarborgen

, anderzijds, de verzoekende partij niet aantoont in welk opzicht artikel 13 van de Grondwet geschonden wordt. A.12.2. Wat het eerste onderdeel betreft, is de OVB van mening dat de grondwettigheid van de delegatie aan de Koning in het bestreden artikel 207 van de wet van 18 december 2018 uitsluitend moet worden onderzocht in het licht van artikel 23 van de Grondwet, dat een specifiekere bepaling is dan de artikelen 105

108 van de Grondwet. Artikel 23 van de Grondwet verplicht de wetgever niet alle essentiële elementen van het recht op juridische bijstand te bepalen. De lering uit het arrest van het Hof nr. 77/2018 van 21 juni 2018 kan worden toegepast op het onderhavige beroep. Te dezen heeft de wetgever precies beschreven welke maatregelen de Koning moest aannemen. Het woord « inzonderheid » in artikel 508/19, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek beoogt uitsluitend te bepalen welke materies de Koning moet regelen. Zoals in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het voormelde arrest nr. 77/2018, gaat het hier ten slotte om een technische materie die wordt gekenmerkt door een groot onderscheid tussen de verschillende situaties. A.12.3. Wat het tweede onderdeel betreft, voert de OVB aan dat de delegatie aan de Koning de essentie van de vergoeding van de advocaten

dus de essentie van het recht op juridische bijstand niet aantast. De verzoekende partij toont niet aan dat die delegatie zou leiden tot een verlaging van de vergoeding van de advocaten, die, indien ze reëel is, de waarborg van het recht op juridische bijstand kan verminderen. Bovendien komt het op grond van artikel 174 van de Grondwet de wetgever

niet de Koning toe de begroting voor de vergoeding van de advocaten die juridische tweedelijnsbijstand verlenen, vast te leggen. De Koning moet trouwens zelf het recht op juridische bijstand, bepaald in artikel 23 van de Grondwet, eerbiedigen bij de 6 uitvoering van artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek. Het staat in voorkomend geval aan de bevoegde rechter om te controleren of de Koning heeft voorzien in een correcte vergoeding van de advocaten

de standstill-verplichting in acht heeft genomen. Zelfs als de nadere regels inzake de vergoeding van de advocaten essentiële elementen van het recht op juridische bijstand zouden zijn, blijft de delegatie te dezen bestaanbaar met artikel 23 van de Grondwet. Immers, de aard

de omvang van de bestaansmiddelen waarmee rekening moet worden gehouden voor de toekenning van de juridische bijstand, raken in grotere mate het recht op juridische bijstand dan de vergoeding van de advocaten. A.12.

  1. Wat het derde onderdeel betreft, herinnert de OVB eraan dat de delegatie aan de Koning om de nadere regels in verband met de vergoeding van de advocaten vast te leggen, geen afbreuk doet aan het recht op juridische bijstand, gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.12.
  2. Ten aanzien van het vierde onderdeel voert de OVB aan dat het verschil in behandeling onder rechtzoekenden berust op een verkeerd uitgangspunt. Immers, de manier waarop de advocaten worden vergoed, wordt niet bepaald bij de wet, aangezien het de advocaat

zijn cliënt vrijstaat zelf de vergoeding van de advocaat overeen te komen. Het is derhalve niet juist te stellen dat een rechtsonderhorige die geen beroep kan doen op juridische bijstand, meer wettelijke waarborgen zou genieten dan een rechtsonderhorige die wel juridische bijstand geniet. Hoe dan ook is het verschil in behandeling verantwoord in het licht van het recht op toegang tot de rechter

het recht op een eerlijk proces,

vloeit het niet voort uit de bestreden bepalingen, maar bestond het voordien al. A.13.

  1. De verzoekende partij herhaalt, in het eerste onderdeel, dat het woord « inzonderheid » in het nieuwe artikel 508, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek tot gevolg heeft dat de uitvoeringsbepalingen waartoe de Koning gemachtigd is, niet voldoende omschreven zijn. A.13.
  2. Met betrekking tot het tweede onderdeel antwoordt de verzoekende partij dat artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek het niet mogelijk maakt de beginselen vast te leggen volgens welke het bureau voor juridische bijstand zou kunnen beslissen om voor bepaalde prestaties geen punten toe te kennen of de punten te verminderen. A.13.
  3. In het derde onderdeel stelt de verzoekende partij dat de « waarborg » die artikel 23 van de Grondwet vereist, een effectieve bekrachtiging bij wet van de gedelegeerde maatregelen oplegt. Zij haalt vervolgens een studie uit de rechtsleer aan inzake de benadering van het Hof in verband met de delegaties die de wetgever toekent aan de uitvoerende macht. A.14.
  4. De Ministerraad antwoordt, wat het eerste onderdeel betreft, dat in zoverre de Koning ertoe gemachtigd is de praktische

technische aspecten van de vergoeding van de advocaten te regelen, er meer flexibiliteit is voor het vaststellen

later wijzigen van die uitvoeringsbepalingen. Het woord « inzonderheid » belet niet dat het voorwerp van de machtiging beperkt blijft tot de praktische uitvoeringsbepalingen van artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek. In ondergeschikte orde zou alleen het begrip « inzonderheid » moeten worden vernietigd. A.14.

  1. Wat het tweede onderdeel betreft, antwoordt de Ministerraad dat, aangezien de wetgever zelf heeft voorzien in de mogelijkheid om punten niet toe te kennen of om die te verminderen, de aan de Koning verleende machtiging slechts een uitvoeringsmaatregel betreft. A.14.
  2. De Ministerraad merkt ten slotte op dat het derde onderdeel van de verzoekende partij in haar memorie van antwoord een nieuw middel vormt

geen grief bevat. Het is derhalve onontvankelijk. A.

  1. De OBFG antwoordt dat van de wetgever niet kan worden verwacht dat hij een exhaustieve lijst bijhoudt van de uitvoeringsbepalingen waartoe de Koning gemachtigd is (eerste onderdeel). Hetzelfde geldt voor de criteria voor de toekenning van de punten. De wetgever kan niet in alle mogelijke hypothesen voorzien die afhankelijk zijn van de uitvoeringsbepalingen van de regeling (tweede onderdeel). A.
  2. De OVB repliceert, wat het eerste onderdeel betreft, dat de wetgever geen exhaustieve opsomming moet geven van alle elementen die uitvoeringsmaatregelen van de juridische bijstand vormen. Het feit dat het gaat om een technische

ingewikkelde materie verantwoordt overigens dat de Koning snel kan ingrijpen om de nodige wijzigingen aan te brengen. In heel ondergeschikte orde moet alleen het woord « inzonderheid » worden vernietigd. 7 A.17. Met betrekking tot het tweede onderdeel voert de OVB aan dat het recht op juridische bijstand niet vereist dat de wetgever alle essentiële elementen vastlegt. De rechtspraak die de verzoekende partij aanhaalt, heeft betrekking op artikel 22 van de Grondwet

doet dus niet ter zake. Het is zelfs belangrijk dat de bestreden wet niet zelf vastlegt in welke gevallen een advocaat niet kan worden vergoed. De studie uit de rechtsleer die de verzoekende partij aanhaalt, bevestigt veeleer,

erzijds, de soepele interpretatie door het Hof van artikel 23 van de Grondwet

, anderzijds, dat die grondwetsbepaling zich niet verzet tegen een delegatie aan de Koning. De artikelen 105

108 van de Grondwet, die algemene delegatiebepalingen zijn, moeten overigens wijken voor artikel 23 van de Grondwet, dat een specifieke delegatiebepaling is. Wat het tweede middel betreft A.18.1. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10, 11

22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 160 van de Grondwet, met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8

52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

met de verordening nr. 2016/679 van het Europees Parlement

de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens

betreffende het vrije verkeer van die gegevens

tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de algemene verordening gegevensbescherming), door het bestreden artikel 206 van de wet van 21 december 2018, dat het derde lid van artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek aanvult. A.18.

  1. In een eerste onderdeel bekritiseert de verzoekende partij het feit dat de bestreden bepaling de in het middel beoogde bepalingen schendt aangezien ze niet voorziet in een mogelijkheid tot verificatie of rechtzetting van de verzamelde gegevens, noch in voorwaarden voor de bewaring ervan. A.18.
  2. In een tweede onderdeel bekritiseert de verzoekende partij het feit dat het wetsontwerp dat geleid heeft tot de bestreden bepaling, niet is voorgelegd aan de Toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens in de zin van de wet van 3 december 2017 « tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit ». Zo heeft de wetgever een categorie van rechtzoekenden, namelijk zij die juridische tweedelijnsbijstand aanvragen, de waarborg ontnomen dat de verwerking van hun persoonsgegevens gepaard gaat met de voorzorgsmaatregelen bepaald in de algemene verordening gegevensbescherming. A.18.
  3. In een derde onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de wetgever, door de bestreden bepalingen niet te onderwerpen aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, een categorie van rechtzoekenden, namelijk zij die juridische tweedelijnsbijstand aanvragen, de waarborg heeft ontnomen dat een wet die betrekking heeft op de verwerking van hun persoonsgegevens, gepaard gaat met dezelfde voorzorgsmaatregelen op het vlak van de totstandkoming ervan als die voor de wetten die de verwerking van persoonsgegevens van andere rechtzoekenden regelen. A.19.
  4. Wat het eerste onderdeel betreft, is de Ministerraad van mening, op basis van het arrest van het Hof nr. 77/2018, dat het bestreden artikel 206 van de wet van 21 december 2018 artikel 22 van de Grondwet niet schendt. A.19.
  5. Hij voert vervolgens aan dat de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht de algemene verordening gegevensbescherming niet in acht zou zijn genomen. De verwerking

bewaring van de bewijsstukken die het bureau voor juridische bijstand kan vragen aan de rechtsonderhorige of aan derden, worden geregeld in artikel 508/13, derde lid, eerste zin,

vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat te dezen niet bestreden wordt. Bovendien verzamelt het bureau voor juridische bijstand slechts informatie met het doel na te gaan of voldaan is aan de voorwaarden inzake de kosteloosheid van de juridische bijstand. De verwerking van die gegevens is bepaald in de wet

past in de wettelijke opdrachten van het bureau voor juridische bijstand, overeenkomstig artikel 6 van de voormelde verordening. De verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 13

volgende van de algemene verordening gegevensbescherming

de wet van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens » zijn rechtstreeks van toepassing op de bureaus voor juridische bijstand, zonder dat de bestreden bepalingen ze uitdrukkelijk moeten overnemen. Ten slotte is het de Koning die de nadere regels voor het verzamelen van persoonsgegevens bij de rechtsonderhorige of derden moet bepalen. 8 A.19.3. Wat het tweede

derde onderdeel betreft, merkt de Ministerraad op dat de verzoekende partij het Hof verzoekt de grondwettigheid van het totstandkomingsproces van het bestreden artikel 207 te controleren, waarvoor het Hof echter niet bevoegd is. A.20.1. Volgens de OVB is het tweede middel niet ontvankelijk, aangezien de verzoekende partij niet aantoont in welk opzicht de in het middel beoogde bepalingen zouden zijn geschonden. Het bestreden artikel 206 van de wet van 21 december 2018 kan de algemene verordening gegevensbescherming trouwens niet schenden, aangezien het niet in het materieel toepassingsgebied daarvan valt. Immers, het bestreden artikel 206 bevat slechts een aan de Koning verleende delegatie

regelt niet zelf een volledig of gedeeltelijk automatische verwerking van persoonsgegevens. De gegevensverwerking door de bureaus voor juridische bijstand is regelmatig in de zin van artikel 6 van de algemene verordening gegevensbescherming. Het middel is ook niet ontvankelijk in zoverre de verzoekende partij niet aantoont in welk opzicht het bestreden artikel 206 de artikelen 7, 8

52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

artikel 22, tweede lid, van de Grondwet zou schenden. Ten slotte mag het bestreden artikel 206 niet aldus worden opgevat dat de Koning ertoe gemachtigd wordt het recht op eerbiediging van het privéleven van de rechtsonderhorige die een beroep doet op juridische tweedelijnsbijstand, niet in acht te nemen. Die bepaling leidt derhalve niet tot een onverantwoorde inmenging in dat grondrecht. A.20.2. In het tweede

het derde onderdeel voert de OVB aan dat het Hof geen controlebevoegdheid heeft over het wetgevingsproces. Het middel is dus onontvankelijk. Amendementen zoals die welke hebben geleid tot de bestreden bepalingen, moeten overigens niet verplicht worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. A.20.3. De OVB besluit dat het middel ongegrond is. A.21.1. In het eerste onderdeel antwoordt de verzoekende partij dat, gesteld dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven onvermijdelijk is

verantwoord wordt door het doel het recht op toegang tot de rechter

het recht op een eerlijk proces te waarborgen, die inmenging moet worden geregeld bij een wet die de voorrang van het recht van de Europese Unie eerbiedigt, wat niet het geval is. A.21.2. In het tweede onderdeel antwoordt de verzoekende partij dat het aan het Hof staat om de strijdigheid van de bestreden norm met het recht van de Europese Unie vast te stellen

daaraan gevolgen te verbinden. Het niet raadplegen van de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit beïnvloedt overigens de regelmatigheid van de inhoud van de bestreden norm

niet het totstandkomingsproces ervan. A.21.3. De verzoekende partij vraagt dat het Hof een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om na te gaan of de toelating die gegeven wordt aan de bureaus voor juridische bijstand om bewijsstukken te vragen aan derden, een gegevensverwerking vormt in de zin van de algemene verordening gegevensbescherming

, indien zulks het geval is, of die verwerking een hoog risico kan vormen voor de rechten

vrijheden van de natuurlijke personen. A.21.

  1. In het derde onderdeel herhaalt de verzoekende partij dat het vermeende grondwettigheidsgebrek geen betrekking heeft op de eerbiediging van de uitvoeringsbepalingen van de norm maar wel op een discriminatie onder rechtzoekenden. A.22.
  2. De Ministerraad houdt staande dat de verzoekende partij niet aantoont in welk opzicht het bestreden artikel 206 noch de vele bepalingen van de algemene verordening gegevensbescherming, noch artikel 22, tweede lid, van de Grondwet zou eerbiedigen. Wat het tweede

het derde onderdeel betreft, antwoordt de Ministerraad dat de verzoekende partij geen

kele grief uiteenzet met betrekking tot de inhoud van de bestreden bepaling, maar wel het totstandkomingsproces ervan bekritiseert. Het feit dat aan die kritiek een kritiek in verband met een vermeende discriminatie wordt verbonden, verandert daar niets aan. Aangezien het tweede onderdeel van het tweede middel ontsnapt aan de bevoegdheid van het Hof, is het niet relevant een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.22.2. De OVB is van mening dat het middel niet ontvankelijk is wat het eerste

het tweede onderdeel betreft, omdat de verzoekende partij niet aantoont in welk opzicht het beginsel van de voorrang van het recht van de Europese Unie of de andere in het middel beoogde bepalingen geschonden zouden zijn. Het staat overigens aan de administratieve

justitiële rechters te controleren of de Koning

de bureaus voor juridische bijstand de bepalingen van de algemene verordening gegevensbescherming in acht te nemen. 9 A.22.3. De OVB voert vervolgens aan dat er geen reden is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Om te beginnen is het Hof van Justitie niet bevoegd om uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van een nationale bepaling met het recht van de Europese Unie. Vervolgens is de vraag niet relevant, want de eventuele machtiging die wordt verleend aan de bureaus voor juridische bijstand, zal worden gegeven door de Koning

vindt haar oorsprong niet in de bestreden bepalingen. Ook al zou de machtiging rechtstreeks uit het Gerechtelijk Wetboek voortvloeien, dan nog zou ze voortvloeien uit bepalingen die niet werden gewijzigd door de bestreden bepalingen, zodat de kritiek het kader van het onderhavige beroep overschrijdt. Aangezien het Hof het wetgevingsproces dat geleid heeft tot de aanneming van de bestreden bepalingen, niet kan controleren, is het ook niet nodig een prejudiciële vraag te stellen. Ten slotte moet aan het Hof van Justitie van de Europese Unie geen prejudiciële vraag worden gesteld omdat het duidelijk is dat de algemene verordening gegevensbescherming niet van toepassing is op de bestreden bepalingen. Wat het derde middel betreft A.23. De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11

13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de algemene beginselen van rechtszekerheid, van de rechten van verdediging, van niet-retroactiviteit

van de eerbiediging van andermans gewettigde verwachtingen, in zoverre het bestreden artikel 208 van de wet van 21 december 2018 terugwerkende kracht verleent aan de bestreden artikelen 206

207. De bestreden bepalingen zijn van toepassing op situaties die al bestonden voor de inwerkingtreding ervan

hebben tot gevolg dat de uitkomst van verschillende rechtsprocedures, waaronder die welke zijn ingesteld door de verzoekende partij, in een bepaalde richting wordt beïnvloed. De motieven die de wetgever opgeeft, volstaan niet om de aantasting van de rechten van de bestuurden als gevolg van de terugwerkende kracht van de bestreden bepalingen te verantwoorden. A.24.1. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat het beginsel van niet-retroactiviteit van de wetten geen referentienorm is waarvan het Hof de naleving kan verzekeren. Bovendien geeft de verzoekende partij niet aan in welk opzicht het bestreden artikel 208 van de wet van 21 december 2018 in strijd zou zijn met de artikelen 10, 11

13 van de Grondwet. Het middel faalt dus naar in rechte. A.24.2. In ondergeschikte orde betwist de Ministerraad niet dat de aanneming van de bestreden artikelen 206

207, met terugwerkende kracht, een impact kan hebben op de hangende rechtsprocedures tegen de koninklijke besluiten van 21 juli 2016

van 3 augustus 2016. Het was echter nodig terugwerkende kracht te geven aan de bestreden bepalingen teneinde de rechtszekerheid te waarborgen

de goede werking

de continuïteit van het systeem van de juridische tweedelijnsbijstand te verzekeren. Het zou nefaste gevolgen hebben voor de rechtzoekenden die kosteloze juridische bijstand genieten

voor het systeem van de vergoeding van de advocaten, als die koninklijke besluiten in het geding worden gebracht. De terugwerkende kracht berust dus op uitzonderlijke omstandigheden

is verantwoord door motieven van algemeen belang. Ten slotte bevestigen de bestreden bepalingen die terugwerkende kracht hebben,

kel de bepalingen van de koninklijke besluiten van 21 juli 2016

3 augustus

  1. A.25.
  2. De OBFG zet uiteen dat het ondermijnen van het systeem van de juridische bijstand, zoals gewijzigd bij de bestreden bepalingen, zou betekenen dat de advocaten de vergoedingen die ze in 2018 ontvangen hebben voor dossiers die werden afgesloten in de loop van het gerechtelijk jaar 2016-2017, zouden moeten terugbetalen; dat de bureaus voor juridische bijstand de subsidie voor de werkingskosten van de betrokken periode zouden moeten teruggeven; dat de slotverslagen met de door de advocaten verrichte prestaties zouden moeten worden heropend; dat het informaticasysteem dat die operaties mogelijk maakt, zou moeten worden aangepast; dat onzekerheid zou ontstaan over de vergoeding van de betrokken advocaten met schending van artikel 4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; dat alle prestaties opnieuw zouden moeten worden ingevoerd door de advocaten

ook opnieuw zouden moeten worden gecontroleerd. De terugwerkende kracht wordt derhalve verantwoord met het oog op het handhaven van de rechtszekerheid, van het voordeel van de juridische bijstand voor de rechtzoekenden aan wie sinds 1 september 2016 een advocaat werd toegewezen

van de vergoeding van de advocaten,

het vermijden van de dramatische impact die het opnieuw op de helling zetten van het systeem zou hebben voor de rechtzoekenden, de advocaten, de ordes

de bureaus voor juridische bijstand. 10 A.25.2. De OBFG ziet bovendien niet welk belang de verzoekende partij heeft bij de vernietiging van de bestreden bepalingen. De verzoekende partij preciseert niet in welk opzicht die bepalingen de uitkomst van de procedures die zij heeft ingesteld voor de Raad van State, in een bepaalde richting zouden beïnvloeden. De kritiek van de verzoekende partij heeft geen betrekking op de bestreden bepalingen, maar op de voordien bestaande wetgeving, namelijk de artikelen 495, 496

508/19 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ze golden vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen. De toepassing met terugwerkende kracht van de bestreden bepalingen heeft overigens een weerslag op slechts een van de middelen die de verzoekende partij aanvoert voor de Raad van State, namelijk het middel betreffende de aan de Koning verleende machtiging. De verzoekende partij zal zich nog altijd kunnen beroepen op de andere middelen die ze heeft aangevoerd voor de Raad van State

op haar recht op juridische bijstand. De vernietiging die de verzoekende partij vordert voor de Raad van State, zou haar tot slot niet het minste vooruitzicht bieden op het verkrijgen van juridische tweedelijnsbijstand, wat zij beoogt. A.25.

  1. De OBFG concludeert dat het middel niet gegrond is. A.
  2. De OVB is van mening dat de terugwerkende kracht van de bestreden bepalingen verantwoord is. De vernietiging van de koninklijke besluiten van 21 juli 2016

3 augustus 2016

van het ministerieel besluit van 19 juli 2016 « tot vaststelling van de nomenclatuur van de punten voor prestaties verricht door advocaten belast met gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand », die belangrijke aspecten van de juridische tweedelijnsbijstand regelen, zou ernstige gevolgen hebben voor de regelmatigheid van de beslissingen die de bureaus voor juridische bijstand in het verleden genomen hebben,

voor de vergoeding die al betaald is aan de betrokken advocaten. Dat zijn uitzonderlijke omstandigheden. De terugwerkende kracht belet dus nadelige budgettaire gevolgen

een ernstige administratieve desorganisatie als gevolg van de onregelmatigheid van het systeem van de vergoeding van de advocaten. De omstandigheid dat de terugwerkende kracht de procedures die de verzoekende partij heeft ingesteld voor de Raad van State, beïnvloedt, kan niet leiden tot een andere conclusie. De verzoekende partij kan de terugwerkende kracht altijd aanvechten voor het Hof, hetgeen ze gedaan heeft. De bestreden bepalingen hebben overigens niet tot doel de procedures die de verzoekende partij heeft ingesteld voor de Raad van State te dwarsbomen. De wetgever heeft slechts willen reageren op kritiek van de auditeur, die stelt dat de Koning geen voldoende nauwkeurige delegatie heeft uitgevoerd. De verzoekende partij heeft niet het recht te eisen dat een door de auditeur vastgestelde onregelmatigheid in het reglementaire kader behouden blijft. A.27. De Ministerraad stelt vast dat de verzoekende partij niet betwist dat de terugwerkende kracht de rechtszekerheid waarborgt

de goede werking

de continuïteit van het systeem van de juridische tweedelijnsbijstand verzekert. A.

  1. De OBFG repliceert dat het belang van de verzoekende partij niet kan worden verantwoord in het licht van de procedures die hangende zijn voor de Raad van State, aangezien die partij zich niet verzet tegen de eis om de gevolgen te handhaven. Een dergelijke handhaving van de gevolgen zou van invloed zijn op het middel dat wordt aangevoerd voor de Raad van State met betrekking tot het ontbreken van een rechtsgrond voor de bestreden besluiten. Ten aanzien van het verzoek de gevolgen te handhaven A.
  2. De OBFG vraagt in ondergeschikte orde om de handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen tot de inwerkingtreding van nieuwe bepalingen. A.
  3. De OVB vordert in ondergeschikte orde de handhaving van de gevolgen, op zijn minst voor het verleden, om de organisatorische, administratieve

financiële gevolgen van een vernietiging van de bestreden bepalingen op te vangen. A.

  1. De verzoekende partij verzet zich niet tegen een handhaving van de gevolgen van de bestreden bepalingen tot de inwerkingtreding, uiterlijk zes maanden na het te wijzen arrest, van een wet die een einde zou maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid. 11 A.
  2. In zijn memorie van antwoord vraagt de Ministerraad in ondergeschikte orde de gevolgen van de bestreden bepalingen te handhaven. Die maken het mogelijk, met terugwerkende kracht, de goede werking van heel het systeem van de juridische tweedelijnsbijstand te verzekeren, zowel wat betreft de controle van de voorwaarden inzake kosteloosheid als wat betreft de vergoeding van de advocaat. Een vernietiging van de bestreden artikelen 206

208 zou tot gevolg hebben dat de bureaus voor juridische bijstand niet in staat zijn bij derden de omvang van de bestaansmiddelen van de rechtzoekenden te controleren

snel het voordeel van de kosteloze juridische bijstand toe te kennen. De toewijzingen die al hebben plaatsgevonden op basis van bewijsstukken die werden verstrekt door derden, zouden dan dreigen hun geldigheid te verliezen. De vernietiging van de bestreden artikelen 207, 2°,

208 zou tot gevolg hebben dat heel de procedure voor de vergoeding van de advocaten die juridische tweedelijnsbijstand hebben verricht, moet worden gewijzigd

dat de vergoedingen die al uitbetaald zijn in 2017

2018, moeten worden herberekend. De balies zouden bovendien de werkingssubsidies moeten teruggeven die hun op basis van artikel 508/19bis van het Gerechtelijk Wetboek werden toegewezen. Om die nefaste gevolgen te voorkomen, moeten de gevolgen van de bestreden bepalingen worden gehandhaafd tot er nieuwe bepalingen zijn aangenomen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen

de context ervan B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 206, 207

208 van de wet van 21 december 2018 « houdende diverse bepalingen betreffende justitie » (hierna : de wet van 21 december 2018). B.1.2. De artikelen 206

207 van de wet van 21 december 2018 wijzigen de artikelen 508/13

508/19 van het Gerechtelijk Wetboek, die deel uitmaken van boek IIIbis « Juridische eerste-

tweedelijnsbijstand ». Artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek regelt de gedeeltelijke of volledige kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand. Artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek heeft betrekking op de vergoeding van de advocaten die de juridische tweedelijnsbijstand verlenen. De juridische tweedelijnsbijstand wordt bij artikel 508/1, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek als volgt gedefinieerd : « de juridische bijstand die wordt verleend aan een natuurlijke persoon in de vorm van een omstandig juridisch advies, bijstand al dan niet in het kader van een procedure of bijstand bij een geding met inbegrip van de vertegenwoordiging in de zin van artikel 728 ». B.1.3. Artikel 208 van de wet van 21 december 2018 bepaalt dat « de artikelen 206

207 […] uitwerking [hebben] met ingang van 1 september 2016 ». 12 De datum van 1 september 2016 stemt overeen met de inwerkingtreding van de laatste hervorming van het systeem van de kosteloze juridische bijstand, die is doorgevoerd bij de wet van 6 juli 2016 « tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand » (hierna : de wet van 6 juli 2016), bij het koninklijk besluit van 21 juli 2016 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 december 1999 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de vergoeding die aan advocaten wordt toegekend in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand

inzake de subsidie voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand » (hierna : het koninklijk besluit van 21 juli 2016), bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2016 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand

de rechtsbijstand » (hierna : het koninklijk besluit van 3 augustus 2016)

bij het ministerieel besluit van 19 juli 2016 « tot vaststelling van de nomenclatuur van de punten voor prestaties verricht door advocaten belast met gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand » (hierna : het ministerieel besluit van 19 juli 2016). B.1.4.1. De koninklijke besluiten van 21 juli 2016

3 augustus 2016, alsook het ministerieel besluit van 19 juli 2016 maken thans het voorwerp uit van een of meer beroepen tot nietigverklaring die bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hangende zijn. Twee van die beroepen zijn door de verzoekende partij ingesteld. B.1.4.2. Steunend op de adviezen nrs. 59.718/3

59.719/3 van de afdeling wetgeving van de Raad van State bij de ontwerpen die hebben geleid tot de voormelde uitvoeringsbesluiten, is het auditoraat in zijn verslagen ervan uitgegaan dat verscheidene bepalingen van de voormelde koninklijke besluiten van 21 juli 2016

3 augustus 2016, een wettelijke grondslag misten. 13 B.1.5. De bestreden bepalingen zijn via amendement aangenomen teneinde de Koning een voldoende nauwkeurige machtiging te verlenen « met het oog op de uitvoering van de bepalingen op grond waarvan het bureau voor juridische bijstand kan nagaan of voldaan is aan de voorwaarden inzake kosteloosheid in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand »

« met het oog op de uitvoering van de bepalingen met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen inzake de vergoeding die aan advocaten wordt toegekend in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand », aangezien die twee machtigingen niet in de wet van 6 juli 2016 zijn vervat (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3303/010, pp. 32-34). Daarenboven werden de machtigingen aan de Koning verleend met terugwerkende kracht om « [te waarborgen] dat de reglementaire bepalingen genomen zonder machtiging aan de Koning niet ter discussie worden gesteld, aangezien zij de grondslag vormen voor de implementatie van het systeem van de juridische tweedelijnsbijstand

inzonderheid van het puntensysteem voor de vergoeding van de advocaten, de nomenclatuur op basis waarvan de punten werden toegekend

de berekeningswijze van de waarde van het punt » (ibid., p. 35). B.1.6. Sinds de wijziging ervan bij het bestreden artikel 206 van de wet van 21 december 2018 bepaalt artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek : « De juridische tweedelijnsbijstand kan gedeeltelijk of volledig kosteloos zijn voor wie over ontoereikende bestaansmiddelen beschikt

voor de met hen gelijkgestelde personen. De juridische tweedelijnsbijstand wordt niet toegekend als

in de mate dat de begunstigde een beroep kan doen op de tussenkomst van een derde betaler. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de omvang van die bestaansmiddelen, de over te leggen bewijsstukken

wie gelijkgesteld wordt met de personen met ontoereikende bestaansmiddelen. Het bureau gaat na of voldaan is aan de voorwaarden inzake kosteloosheid. Daartoe machtigt de Koning het bureau voor juridische bijstand ertoe niet alleen aan de rechtzoekende maar ook aan derden bewijsstukken te vragen volgens de nadere regels die Hij bepaalt. […] ». B.1.7. Sinds de wijziging ervan bij het bestreden artikel 207 van de wet van 21 december 2018 bepaalt artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek : 14 « § 1. De advocaat int de aan de begunstigde toegekende rechtsplegingsvergoeding

betaalt de eigen bijdrage bedoeld in artikel 508/17, § 1, tweede

derde lid,

§ 2

terug aan de rechtzoekende voor zover de rechtsplegingsvergoeding de vergoeding berekend op basis van punten bedoeld in artikel 508/19, § 2, tweede lid, overtreft. § 2. De advocaten belast met de gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand doen verslag aan het bureau over elke behandelde zaak waarvoor zij in dit raam prestaties hebben verricht. Dit verslag vermeldt eveneens de door de advocaat geïnde rechtsplegingsvergoeding

de vergoedingen geïnd overeenkomstig artikel 508/19ter alsook de bijdragen bedoeld in artikel 508/17, § 1, tweede

derde lid,

§ 2

. Het bureau voor juridische bijstand kent voor die prestaties op grond van een lijst met de punten die voor bepaalde uurprestaties worden aangerekend, waarvan de nadere regels worden bepaald door de Koning, aan de advocaten punten toe

doet hierover verslag aan de stafhouder. Het bureau voor juridische bijstand kent geen punten toe of vermindert de punten, in voorkomend geval, voor de prestaties waarvoor geldsommen werden geïnd op grond van de artikelen 508/17, § 1, tweede

derde lid,

§ 2

, 508/19, § 1,

508/19ter of voor de prestaties voor dewelke de advocaat afziet van de inning van geldsommen op grond van artikel 508/17, §

  1. De stafhouder deelt het totaal van de punten van de balie mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden die het totaal van de punten van alle balies meedelen aan de Minister van Justitie. §
  2. Zodra hij de mededeling heeft ontvangen van de informatie bedoeld in § 2, kan de Minister van Justitie een controle laten uitvoeren op de wijze die hij bepaalt na raadpleging van de in artikel 488 bedoelde overheden. Hij gelast de betaling van de vergoeding aan die overheden die in voorkomend geval via de Ordes van Advocaten voor de verdeling ervan zorgen. §
  3. De Koning bepaalt de uitvoeringsbepalingen van dit artikel, inzonderheid de criteria inzake toekenning, niet-toekenning of vermindering van de punten, de berekeningswijze van de waarde van het punt, de voorwaarden inzake indiening van de aanvraag tot vergoeding

de nadere regels

voorwaarden inzake betaling van de vergoeding ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2. De Ministerraad

de tussenkomende partijen betwisten het belang van de verzoekende partij bij het beroep. 15 B.3. De Grondwet

de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks

ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.4.1. Zoals in B.1.4.1 is vermeld, heeft de verzoekende partij bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State twee beroepen tot nietigverklaring ingesteld, respectievelijk tegen de koninklijke besluiten van 21 juli 2016

3 augustus 2016, waaraan bij de bestreden bepalingen een wettelijke grondslag wordt gegeven. In zoverre de bestreden bepalingen van invloed zijn op de procedures die door de verzoekende partij bij de Raad van State zijn ingesteld, heeft die partij klaarblijkelijk belang erbij bij het Hof de vernietiging ervan te vorderen. B.4.2. De excepties worden verworpen. Ten gronde Wat het eerste middel betreft B.5. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 13

23, eerste lid, tweede lid

derde lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 33, 105

108 van de Grondwet, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

met de algemene beginselen van wettigheid, gewettigd vertrouwen

rechtszekerheid, in zoverre de machtiging die aan de Koning is verleend bij het bestreden artikel 207 van de wet van 21 december 2018, dat artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek wijzigt, niet voldoende nauwkeurig is. B.6. Bij het bestreden artikel 207 worden in artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek twee delegaties aan de Koning ingevoegd : 16 -

erzijds, een delegatie om de nadere regels te bepalen met betrekking tot de lijst met de punten die worden aangerekend voor bepaalde uurprestaties die worden verricht door de advocaten die de juridische tweedelijnsbijstand verlenen (het bestreden artikel 207, 1°, van de wet van 21 december 2018, waarbij artikel 508/19, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld);

- anderzijds, een delegatie om de uitvoeringsbepalingen van artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek vast te stellen, « inzonderheid de criteria inzake toekenning, niet-toekenning of vermindering van de punten, de berekeningswijze van de waarde van het punt, de voorwaarden inzake indiening van de aanvraag tot vergoeding

de nadere regels

voorwaarden inzake betaling van de vergoeding » (het bestreden artikel 207, 2°, van de wet van 21 december 2018, waarbij in artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek een paragraaf 4 wordt ingevoegd). B.7. De Ministerraad betoogt dat het middel alleen tegen het bestreden artikel 207, 2°, van de wet van 21 december 2018 is gericht

niet tegen artikel 207, 1°, van dezelfde wet. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij tegelijkertijd het te vage

te ruime karakter bekritiseert van de bij het bestreden artikel 207, 2°, aan de Koning verleende machtiging

het verschil in behandeling tussen de rechtzoekenden die het voordeel van de juridische tweedelijnsbijstand kunnen genieten, wier relatie met de advocaat hoofdzakelijk reglementair wordt geregeld,

erzijds,

de andere rechtzoekenden, wier relatie met de advocaat hoofdzakelijk bij de wet wordt bepaald, anderzijds. Aangezien het niet is uitgesloten dat die laatste kritiek ook het bestreden artikel 207, 1°, van de wet van 21 december 2018 kan beogen, heeft de toetsing door het Hof betrekking op artikel 207, 1°

2°, van die wet. B.8.1. Het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust

het redelijk verantwoord is. 17 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel

de gevolgen van de betwiste maatregel

met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid

niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen

het beoogde doel. B.8.2. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale

culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : […] 2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid

sociale, geneeskundige

juridische bijstand; […] ». B.9. Artikel 23, tweede lid

derde lid, 2°, van de Grondwet verplicht de bevoegde wetgever om het recht op juridische bijstand te waarborgen

de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht te bepalen. Die grondwetsbepaling verbiedt die wetgever echter niet machtigingen te verlenen aan de uitvoerende macht, voor zover die machtigingen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de wetgever het onderwerp heeft aangegeven. B.10. Door de Koning ertoe te machtigen,

erzijds, « de criteria inzake toekenning, niet-toekenning of vermindering van de punten, de berekeningswijze van de waarde van het punt, de voorwaarden inzake indiening van de aanvraag tot vergoeding

de nadere regels

voorwaarden inzake betaling van de vergoeding » te bepalen

, anderzijds, de nadere regels te bepalen met betrekking tot de lijst met de punten die worden aangerekend voor uurprestaties verricht door de advocaten die juridische tweedelijnsbijstand verstrekken, heeft de wetgever het onderwerp bepaald van de door de Koning te nemen maatregelen. 18 B.11. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij betoogt, maakt het feit dat het vastleggen van de nadere regels

de voorwaarden voor de vergoeding van de advocaat aan de Koning is gedelegeerd, het niet mogelijk te veronderstellen dat die vergoeding niet daadwerkelijk zou zijn gewaarborgd. Een eventuele ontstentenis van vergoeding van de advocaten voor hun prestaties inzake juridische tweedelijnsbijstand zou trouwens getuigen van een gebrekkige uitvoering of inwerkingstelling van artikel 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij het bestreden artikel 207, hetgeen niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. B.12. Tot slot berust het aangeklaagde verschil in behandeling tussen de rechtzoekenden « die het voordeel van de juridische tweedelijnsbijstand kunnen genieten

de andere rechtzoekenden, waarbij de tweeden, in tegenstelling tot de eersten, de essentiële voorwaarden van het contract dat hen aan hun advocaat bindt, bij de wet bepaald zien (te dezen de burgerlijke wet

het contractenrecht) » op een verkeerd uitgangspunt. Buiten het kader van de juridische tweedelijnsbijstand wordt de vergoeding van de advocaat immers geenszins bij de wet geregeld. Die vergoeding maakt het voorwerp uit van het contract dat vrij wordt overeengekomen tussen de advocaat

zijn cliënt behoudens de beperkingen vastgesteld in artikel 446ter van het Gerechtelijk Wetboek. B.

  1. Het eerste middel is niet gegrond. Wat het tweede middel betreft B.
  2. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending, door artikel 206 van de wet van 21 december 2018, van de artikelen 10, 11

22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 160 van de Grondwet, met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8

52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

met de verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement

de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van 19 natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens

betreffende het vrije verkeer van die gegevens

tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de algemene verordening gegevensbescherming). Eerste onderdeel B.15. In het eerste onderdeel ervan betoogt de verzoekende partij dat het bestreden artikel 206 van de wet van 21 december 2018 de artikelen 5, 6, 9, 10, 13, 14

32 van de algemene verordening gegevensbescherming

, bijgevolg, de artikelen 7, 8

52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

artikel 22, tweede lid, van de Grondwet schendt, in zoverre de bestreden bepaling niet voorziet in de mogelijkheid van controle of rechtzetting van de verzamelde gegevens, noch in voorwaarden met betrekking tot de bewaring ervan. B.16. De bestreden bepaling vult het derde lid van artikel 508/13 van het Gerechtelijk Wetboek aan teneinde de Koning ertoe te machtigen de bureaus voor juridische bijstand toe te staan aan de rechtzoekende

aan derden bewijsstukken te vragen die het mogelijk maken na te gaan of de rechtzoekende voldoet aan de voorwaarden voor kosteloosheid,

de nadere regels ervan te bepalen. Sinds die wijziging bepaalt artikel 508/13, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek : « Het bureau gaat na of voldaan is aan de voorwaarden inzake kosteloosheid. Daartoe machtigt de Koning het bureau voor juridische bijstand ertoe niet alleen aan de rechtzoekende maar ook aan derden bewijsstukken te vragen volgens de nadere regels die Hij bepaalt ». B.17.

  1. De algemene verordening gegevensbescherming is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen (artikel 2, lid 1, van de voormelde verordening). 20 B.17.
  2. Persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk

transparant is (artikel 5, lid 1, a), van de algemene verordening gegevensbescherming). Zij moeten juist zijn

zo nodig worden geactualiseerd

worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is, behoudens uitzonderingen (artikel 5, lid 1, d)

e), van de algemene verordening gegevensbescherming). Daarenboven moet de verwerkingsverantwoordelijke een aantal gegevens verstrekken, die zijn bepaald bij artikel 13 van de algemene verordening gegevensbescherming, wanneer de persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld (artikel 13),

die zijn bepaald bij artikel 14 van dezelfde verordening, wanneer de persoonsgegevens bij derden worden verzameld (artikel 14). De « verwerkingsverantwoordelijke » is een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van

de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van

de middelen voor die verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria die wordt aangewezen (artikel 4, 7), van de verordening). De persoon wiens persoonsgegevens worden verwerkt, heeft een recht van inzage in de hem betreffende gegevens (artikel 15)

een recht op rectificatie van die gegevens (artikel 16). B.18.1. De algemene verordening gegevensbescherming is in het interne recht rechtstreeks van toepassing op de verwerkingen van persoonsgegevens. Aldus zijn de verplichtingen die daarbij ten laste van de verwerkingsverantwoordelijke worden gelegd

de rechten die daarbij aan de betrokkene worden verleend, rechtstreeks van toepassing op de verwerkingen van persoonsgegevens die door de bureaus voor juridische bijstand worden verricht. 21 Bijgevolg kan de bestreden bepaling niet worden verweten niet te voorzien in de mogelijkheid om de persoonsgegevens te controleren

te rectificeren of nog dat zij de voorwaarden voor het bewaren van die gegevens niet bepaalt. In voorkomend geval machtigt de bestreden bepaling de Koning daartoe. B.18.2. Voor het overige toont de verzoekende partij niet aan in welk opzicht het recht op eerbiediging van het privéleven, dat wordt gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens

artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, op een andere wijze zou zijn geschonden dan in zoverre de artikelen 5, 6, 9, 10, 13, 14

32 van de algemene verordening gegevensbescherming zouden zijn geschonden. B.19. Daaruit volgt dat de bestreden bepaling, die zich ertoe beperkt aan de Koning een machtiging te verlenen om de bureaus voor juridische bijstand toe te staan over te gaan tot een bepaalde verwerking van persoonsgegevens

de nadere regels ervan te organiseren, de artikelen 10, 11

22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de voormelde bepalingen van de algemene verordening gegevensbescherming, met de artikelen 7, 8

52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. Tweede

derde onderdeel B.20. In het tweede

derde onderdeel van het tweede middel voert de verzoekende partij aan dat het bestreden artikel 206 van de wet van 21 december 2018, dat is ingevoerd via amendement, niet is onderworpen aan de Toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens die is ingesteld bij de wet van 3 december 2017 « tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit », noch aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. 22 B.21.1. Wanneer de verwerking van persoonsgegevens waarschijnlijk een « hoog risico » inhoudt « voor de rechten

vrijheden van natuurlijke personen », moet de verwerkingsverantwoordelijke, overeenkomstig artikel 35 van de algemene verordening gegevensbescherming, vóór de verwerking een beoordeling uitvoeren van het effect van de beoogde verwerkingsactiviteiten op de bescherming van persoonsgegevens. Vervolgens moet, krachtens artikel 36 van dezelfde verordening, de verwerkingsverantwoordelijke voorafgaand aan de verwerking de toezichthoudende autoriteit raadplegen, wanneer uit de effectbeoordeling blijkt dat de verwerking een hoog risico zou opleveren indien de verwerkingsverantwoordelijke geen maatregelen neemt om het risico te beperken. B.21.2. Zonder zich uit te spreken over de bevoegdheid van het Hof om kennis te nemen van grieven met betrekking tot de wijze van of de nadere regels inzake de totstandkoming van de bestreden bepaling, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet aangeeft in welk opzicht de aan de bureaus voor juridische bijstand gegeven toelating om aan derden bewijsstukken te vragen, een « hoog risico voor de rechten

vrijheden van natuurlijke personen » in de zin van de algemene verordening gegevensbescherming zou inhouden. B.21.3. Het tweede

het derde onderdeel van het tweede middel zijn niet gegrond. B.

  1. Bijgevolg is het tweede middel niet gegrond. Wat het derde middel betreft B.
  2. De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11

13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de algemene beginselen van rechtszekerheid, van de rechten van verdediging, van niet-retroactiviteit

van de inachtneming van de gewettigde verwachtingen van anderen, in zoverre bij het bestreden artikel 208 van de wet van 21 december 2018 aan de artikelen 206

207 van dezelfde wet een retroactieve werking wordt verleend. B.24. Het bestreden artikel 208 van de wet van 21 december 2018 bepaalt dat « de artikelen 206

207 […] uitwerking [hebben] met ingang van 1 september 2016 ». 23 De artikelen 206 tot 208 van de wet van 21 december 2018 verlenen aan de koninklijke besluiten van 21 juli 2016

3 augustus 2016

aan het ministerieel besluit van 19 juli 2016 een wettelijke grondslag, met terugwerkende kracht tot 1 september

  1. De artikelen 206 tot 208 van de wet van 21 december 2018 moeten dus als een wettelijke validatie worden beschouwd. B.
  2. De niet-retroactiviteit van de wetten is een waarborg die tot doel heeft rechtsonzekerheid te voorkomen. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar

toegankelijk is, zodat de rechtzoekende de gevolgen van een bepaalde handeling in redelijke mate kan voorzien op het ogenblik dat die handeling wordt gesteld. De terugwerkende kracht is

kel verantwoord indien die absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Indien blijkt dat de terugwerkende kracht bovendien tot doel of tot gevolg heeft dat de afloop van gerechtelijke procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat de rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken over een welbepaalde rechtsvraag, vereist de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang het optreden van de wetgever verantwoorden, dat, ten nadele van een categorie van burgers, afbreuk doet aan de aan allen geboden jurisdictionele waarborgen. B.26.1. Zoals blijkt uit B.1.4.1 tot B.1.5, hebben de bestreden bepalingen niet

kel tot doel maar ook tot gevolg, dat de bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hangende procedures, die onder meer door de verzoekende partij zijn ingesteld, in een welbepaalde zin worden beïnvloed. Het Hof moet dus onderzoeken of er uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang bestaan welke die inmenging van de wetgevende macht in lopende gerechtelijke procedures verantwoorden. B.26.2. De retroactieve werking die bij de bestreden bepaling aan de artikelen 206

207 van de wet van 21 december 2018 wordt verleend, wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : 24 « Aan de artikelen 201

202 wordt terugwerkende kracht verleend. Die terugwerkende kracht is verantwoord omdat het absoluut noodzakelijk is om de rechtszekerheid, de goede werking

de continuïteit van het systeem van de juridische tweedelijnsbijstand te waarborgen. Er moet immers worden gewaarborgd dat de reglementaire bepalingen genomen zonder machtiging aan de Koning niet ter discussie worden gesteld, aangezien zij de grondslag vormen voor de implementatie van het systeem van de juridische tweedelijnsbijstand

inzonderheid van het puntensysteem voor de vergoeding van de advocaten, de nomenclatuur op basis waarvan de punten werden toegekend

de berekeningswijze van de waarde van het punt. Als de genomen bepalingen ter discussie zouden worden gesteld, zouden de berekeningswijze

de toekenning van de vergoedingen van de advocaten in het verleden

in de toekomst in gevaar kunnen worden gebracht, wat een aanzienlijke financiële impact zou hebben

het functioneren van het volledige systeem van de juridische tweedelijnsbijstand zou verhinderen. De terugwerkende kracht is derhalve verantwoord wegens deze uitzonderlijke omstandigheden, zulks teneinde de rechtszekerheid te waarborgen » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3303/010, p. 35). B.26.3. Een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen die het bureau voor juridische bijstand de mogelijkheid bieden aan derden, met inbegrip van overheidsinstanties, alle informatie te vragen die nuttig wordt geacht om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden voor de toegang tot de juridische tweedelijnsbijstand

de rechtsbijstand,

die de grondslagen organiseren van het systeem van vergoeding van de advocaten die juridische tweedelijnsbijstand verlenen, waaronder het principe van de toekenning van de punten per prestatie op basis van een lijst, de mogelijkheid van een vermindering van de waarde van het punt

de berekening van de waarde van het punt, zou een grote rechtsonzekerheid doen ontstaan. De vernietiging van die bepalingen zou immers voor de periode van de inwerkingtreding van die bepalingen op 1 september 2016 tot de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen op 10 januari 2019, zijnde tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, leiden tot de ongeldigverklaring van de beslissingen van de bureaus voor juridische bijstand om op grond van de bij derden verkregen bewijsstukken een advocaat aan te wijzen of die aanwijzing te weigeren. Zodoende zou die vernietiging het recht op toegang tot de rechter voor de meest behoeftige rechtzoekenden belemmeren, aangezien de juridische tweedelijnsbijstand ertoe strekt de uitoefening door die rechtzoekenden van dat fundamentele recht te waarborgen. 25 Daarenboven zou een dergelijke vernietiging de vergoeding ongeldig maken van de advocaten die tussen 1 september 2016

10 januari 2019 juridische tweedelijnsbijstand hebben verleend

zou zij bijgevolg de juridische bijstand die door die advocaten aan de meest behoeftige rechtzoekenden wordt verleend, aanzienlijk verstoren, hetgeen eveneens gevolgen heeft voor het recht op toegang tot de rechter. Tot slot heeft de validatie waarin is voorzien bij de bestreden bepalingen een beperkte draagwijdte, aangezien die bepalingen zich ertoe beperken aan de door de Koning reeds genomen

in B.1.3 beoogde reglementaire maatregelen een wettelijke grondslag te verlenen,

de inhoud van de rechtsordening niet wijzigen. Die retroactieve validatie draagt te dezen bij tot de rechtszekerheid, aangezien de toegankelijkheid

de voorzienbaarheid van de regeling van juridische tweedelijnsbijstand verzekerd zijn. B.26.4. Om een dergelijke rechtsonzekerheid te vermijden, die de werking van het systeem van de juridische tweedelijnsbijstand, waarbij de doeltreffendheid wordt verzekerd van het in artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht op juridische bijstand

van het in artikel 13 van de Grondwet gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, sterk zou hebben verstoord, kon de wetgever redelijkerwijs van mening zijn dat er dwingende redenen van algemeen belang bestonden die het noodzakelijk maakten retroactief een wettelijke basis te verlenen aan sommige bepalingen van de koninklijke besluiten van 21 juli 2016

3 augustus 2016

, aldus, de uitkomst van de bij de Raad van State hangende procedures die tegen die besluiten zijn ingesteld, niet af te wachten. B.

  1. Het derde middel is niet gegrond. Over het verzoek om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen te stellen B.
  2. In haar memorie nodigt de verzoekende partij het Hof uit om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie twee prejudiciële vragen te stellen teneinde te bepalen of de toestemming die bij het bestreden artikel 206 aan de bureaus voor juridische bijstand is verleend om aan derden bewijsstukken te vragen, een « verwerking » vormt in de zin van de algemene verordening gegevensbescherming

, zo ja, of die verwerking waarschijnlijk een 26 « hoog risico » inhoudt « voor de rechten

vrijheden van natuurlijke personen » in de zin van de artikelen 35

36 van de voormelde verordening. B.29. Zonder dat het Hof van Justitie bevoegd is om zich rechtstreeks uit te spreken over de bestaanbaarheid van een internrechtelijke bepaling met het recht van de Europese Unie, verleent artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie het Hof van Justitie de bevoegdheid om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over zowel de uitlegging van de verdragen

van de handelingen van de instellingen van de Europese Unie als de geldigheid van die handelingen. Indien een vraag ten dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig voor een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden (artikel 267, derde alinea, van hetzelfde Verdrag), tenzij zij vaststelt « dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken gemeenschapsbepaling reeds door het Hof [van Justitie] is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan » (HvJ, 6 oktober 1982, C-283/81, CILFIT). B.30. Aangezien het tweede middel niet gegrond is

aangezien het antwoord op de prejudiciële vragen dus geen invloed kan hebben op het onderzoek van de in B.28 vermelde grieven door het Hof, dienen de door de verzoekende partij voorgestelde prejudiciële vragen niet aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te worden gesteld. 27 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands

het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 september 2020. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.