id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.119 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200924.6 Arrest- Rolnummer: 119/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-09-25 Raadplegingen: 427 - laatst gezien 2026-06-19 17:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2018 « tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming », ingesteld door de vzw « Hubertusvereniging - Vlaanderen » en door August Hendrickx en David Hendrickx. Bescherming en welzijn van dieren - Vlaams Gewest - Houden van dieren - Verboden handelingen - Gebruik bij honden van elektrische halsbanden. Tekst van de beslissing Rolnummers 7122 en 7124 Arrest nr. 119/2020 van 24 september 2020 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2018 « tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming », ingesteld door de vzw « Hubertusvereniging - Vlaanderen » en door August Hendrickx en David Hendrickx. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 februari 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 februari 2019, heeft de vzw « Hubertusvereniging – Vlaanderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Walbrecht, advocaat bij de balie te Antwerpen, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 4, 1°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2018 « tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 augustus 2018). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 februari 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 februari 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 4 van hetzelfde decreet door August Hendrickx en David Hendrickx. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7122 en 7124 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Godfroid, advocaat bij de balie te Antwerpen; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-F. De Bock en Mr. V. De Schepper, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. De vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA) heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 4 maart 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 18 maart 2020 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Vlaamse Regering om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 mei 2020 de dag van de terechtzitting bepaald op 16 juni
- Op de openbare terechtzitting van 16 juni 2020 : - zijn verschenen : . Mr. T. Walbrecht, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 7122; . Mr. A. Godfroid, voor de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA) (tussenkomende partij); 3 . Mr. V. De Schepper, tevens loco Mr. J.-F. De Bock, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging A.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7122 en 7124 vorderen de gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2018 « tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming » (hierna : het decreet van 13 juli 2018). A.2.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7122, de vzw « Hubertusvereniging - Vlaanderen », stelt dat zij een belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepaling. Haar statutair doel strekt onder meer uit tot de bevordering, ontwikkeling en verdediging van de weidelijke jacht. Daartoe kan zij initiatieven nemen, zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk, om nutteloze en contraproductieve jachtbeperkingen tegen te gaan. Gelet op haar statutair doel heeft zij belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling, die een algemeen verbod invoert voor het gebruik bij honden, met inbegrip van jachthonden, van halsbanden die elektrische schokken kunnen toedienen. Voor jagers is het noodzakelijk om een hardleerse hond terug te kunnen roepen via een elektrische schok, in het belang van de veiligheid van derden en de jachthond zelf. A.2.
- De Vlaamse Regering betwist dat de verzoekende partij in de zaak nr. 7122 een belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepaling. De toepassing van de bestreden bepaling heeft immers geen weerslag op de bevordering, ontwikkeling en verdediging van de weidelijke jacht. Evenmin toont de verzoekende partij aan dat het statutair doel dat zij nastreeft, kan worden geraakt door het te wijzen arrest. De bestreden bepaling voorziet immers in de mogelijkheid om afwijkingen toe te staan voor het gebruik van die halsbanden bij opleiding of gedragstherapie, bijvoorbeeld indien honden hardleers zijn. A.2.
- De vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA), tussenkomende partij in de zaken nrs. 7122 en 7124, betwist evenzeer het belang van de verzoekende partij in de zaak nr.
- Zij toont niet aan dat het behoud van de mogelijkheid om de halsbanden ook na de opleiding te gebruiken, kadert in het statutair doel van de bevordering, ontwikkeling en verdediging van de weidelijke jacht. De bestreden bepaling is overigens nog niet in werking getreden, zodat haar belang thans nog hypothetisch is. A.3.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7124 beschikken beiden over een jachtverlof. Zij beweren dat hun situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Aangezien zij jagen op een jachtterrein vlakbij een autosnelweg, moeten de jachthonden die zij gebruiken snel tot de orde kunnen worden geroepen, zowel voor hun eigen veiligheid als voor de verkeersveiligheid. Zij moeten goed worden afgericht en daarvoor is het gebruik van een halsband die elektrische schokken kan toedienen van cruciaal belang. 4 A.3.
- De Vlaamse Regering stelt dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7124 niet aantonen hoe de bestreden bepaling de uitoefening van hun jachtrecht in die mate bemoeilijkt dat zij een belang zouden hebben bij het aanvechten van de bestreden bepaling. Overigens zal het verbod pas in werking treden op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum, zodat een jachthond van de verzoekende partijen de nodige opleidingen en gedragstherapie kan volgen. Voorts zetten de verzoekende partijen niet uiteen in welk opzicht artikel 4, 2° tot 4°, van het decreet van 13 juli 2018 de aangevoerde referentienormen zou schenden. In zoverre de vernietiging van artikel 4, 2° tot 4°, gevorderd wordt, is het beroep in de zaak nr. 7122 dan ook niet ontvankelijk. A.3.
- De vzw « GAIA » meent dat het belang van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7124 louter hypothetisch en niet legitiem is, aangezien elektrische halsbanden geen noodoplossing zijn voor eigenaars van honden die in gebreke blijven en inbreuk maken op het algemeen politiereglement. Het gebruik van elektrische halsbanden als paralyseertoestel is overigens een vorm van misbruik. A.
- De vzw « GAIA » stelt dat zij belang heeft om tussen te komen in de zaken nrs. 7122 en 7124, aangezien de vernietiging van de bestreden bepaling het door haar nagestreefde statutair doel negatief zou raken. Artikel 4 van haar statuten bepaalt onder meer dat de vereniging tot doel heeft te ijveren voor regelgeving die steeds beter tegemoetkomt aan de belangen en de rechten van dieren. De bestreden bepaling beoogt het welzijn van honden te verbeteren door elektrische halsbanden te verbieden. A.
- Naast het gebrek aan belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7122 en 7124 is de Vlaamse Regering van oordeel dat het enige middel in beide verzoekschriften onontvankelijk is doordat niet op afdoende wijze wordt uiteengezet in welk opzicht de referentienormen door de bestreden bepaling zouden worden geschonden. In de zaak nr. 7122 is de uiteenzetting van het enige middel dermate beperkt, dat het niet ontvankelijk moet worden geacht. In de zaak nr. 7124 wordt nagelaten uiteen te zetten op welke wijze de bestreden bepaling artikel 16 van de Grondwet of artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou schenden. Ten gronde Wat betreft het enige middel in de zaak nr. 7122 A.6.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 7122, de vzw « Hubertusvereniging - Vlaanderen », leidt een middel af uit de schending, door artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het een algemeen verbod instelt op het gebruik bij honden van halsbanden die elektrische schokken kunnen toedienen, zonder een onderscheid te maken tussen honden in het algemeen en jachthonden die worden ingezet bij de beoefening van de jacht. A.6.
- Vooreerst merkt de verzoekende partij in de zaak nr. 7122 op dat de decreetgever in de mogelijkheid voorziet voor de Vlaamse Regering om afwijkingen toe te staan voor het gebruik van de elektrische halsband bij opleiding of gedragstherapie. Het is duidelijk dat de decreetgever is uitgegaan van de situatie waarbij elektrische halsbanden gebruikt worden door trainers en gedragstherapeuten, maar geen oog heeft gehad voor het gebruik tijdens de uitoefening van de jacht. Overigens werd de vzw « Hubertusvereniging - Vlaanderen » niet geraadpleegd bij de totstandkoming van het decreet. A.6.
- Jagers die een jachthond inzetten bij de uitoefening van de jacht bevinden zich in een situatie die wezenlijk verschilt van die van andere houders van een hond. Jachthonden lopen immers in de vrije natuur los om wild op te sporen en te achtervolgen, alsook om gedode dieren te apporteren. Zij worden evenwel op identieke wijze behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. De decreetgever gaat eraan voorbij dat de bestreden maatregel tot gevolg heeft dat jagers, evenals bewakings- en veiligheidsagenten, via een elektrische stoot geen prikkel meer zullen kunnen toedienen met het uitsluitende doel om de veiligheid van derden, zoals weggebruikers, en die van de hond te waarborgen. Ieder jaar worden tientallen jachthonden tijdens jachtactiviteiten op de Vlaamse wegen doodgereden. Het gebruik van een elektrische halsband bij jachthonden is een doeltreffend en noodzakelijk middel in het belang van de veiligheid van derden en van de hond. Er zijn immers geen alternatieven voorhanden voor het gebruik van een elektrische halsband tijdens de jacht, aangezien een jachthond uit zijn aard vrij rondloopt. 5 A.7.
- De Vlaamse Regering merkt op dat jagers die een hond inzetten en andere houders van een hond zich ten aanzien van de bestreden bepaling niet in wezenlijk verschillende situaties bevinden. Aangezien beide categorieën van personen voldoende vergelijkbaar zijn, kan een gelijke behandeling geen schending van het gelijkheidsbeginsel inhouden. A.7.
- In ondergeschikte orde stelt de Vlaamse Regering dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel. De Vlaamse decreetgever kan op basis van zijn discretionaire bevoegdheid elektrische halsbanden bij honden verbieden. Gelet op de problemen die zich voordoen met elektrische halsbanden, is dat een legitieme beleidskeuze. De afdeling wetgeving van de Raad van State erkent dat ook in haar advies. Die beleidskeuze is bovendien unaniem onderschreven door de aanwezige parlementsleden bij de stemming over het decreet in het Vlaams Parlement. Het is niet de taak van de overheid om de verzoekende partij te faciliteren bij het onder controle houden van honden. Indien de verzoekende partij wenst dat honden worden ingezet bij de jacht, dienen de eigenaars of bewakers van die honden in te staan voor de veiligheid. Het gebruiken van een elektrische halsband is geenszins een verworven recht. Wel bestaat de mogelijkheid nog voor eigenaars of bewakers om hun honden te trainen of te laten trainen via een elektrische halsband, opdat ze kunnen worden ingezet voor de jacht. Daarenboven is wetenschappelijk aangetoond dat via positieve beloningstraining de hond even goed kan worden opgeleid. Indien de honden niet over de vereiste capaciteiten beschikken, is het aan de eigenaars of bewakers om de honden niet in te zetten, ofwel om de gevolgen ervan te dragen. Wat betreft het enige middel in de zaak nr. 7124 A.8.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7124 leiden een middel af uit de schending, door artikel 4 van het decreet van 13 juli 2018, van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 544 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek en met de artikelen 4, § 1, en 36, 3°, van de wet van 14 augustus 1986 « betreffende de bescherming en het welzijn der dieren » (hierna : de Dierenwelzijnswet). De bestreden bepaling voert volgens de verzoekende partijen een niet-verantwoord verschil in behandeling in tussen de eigenaars en bewakers van honden en die van andere dieren, zoals grootvee (eerste onderdeel), evenals tussen de eigenaars en bewakers van jachthonden die deelnemen aan jachtactiviteiten en zij die honden opleiden en hen gedragstherapie geven (tweede onderdeel). A.8.
- Algemeen stellen zij dat het jachtrecht deel uitmaakt van het eigendomsrecht, overeenkomstig de artikelen 544 en 715 van het Burgerlijk Wetboek, en dat dieren geen drager zijn van subjectieve rechten in het Burgerlijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek is de eigenaar van een dier of, terwijl hij het in gebruik heeft, degene die zich ervan bedient, aansprakelijk voor de schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt was. Een jager die met zijn hond jaagt is bijgevolg objectief aansprakelijk indien zijn hond buiten controle geraakt en daardoor schade veroorzaakt. A.9.
- In het eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7124 aan dat de bestreden bepaling het gebruik verbiedt van elektrische halsbanden in het kader van de jachtuitoefening, terwijl het gebruik van elektrische apparatuur voor andere dieren niet verboden is, zoals het gebruik van elektrische veedrijvers of veeprikkers voor het bijeendrijven van vee. Nochtans beogen die elektrische hulpmiddelen in beide gevallen de openbare veiligheid te beschermen tegen het uitbreken van dieren en op een manier die in grotere mate rekening houdt met hun welzijn. A.9.
- Hoewel het verbod op elektrische halsbanden is ingegeven door het dierenwelzijn, tast het net het welzijn van jachthonden aan. Dat verbod verhoogt bij de jachtuitoefening aanzienlijk het risico op aanrijdingen, met ernstige kwetsuren of de dood van de hond als gevolg. Uit de studie aangehaald in de parlementaire voorbereiding blijkt dat het welzijn van de hond niet vermindert bij een correct gebruik van elektrische halsbanden. Bovendien werd geen aandacht besteed aan de problematiek van het gebruik van elektrische halsbanden bij jachthonden. Er bestaat dan ook geen redelijk verband van evenredigheid tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. A.9.
- Daarenboven verplicht artikel 4, § 1, van de Dierenwelzijnswet eenieder die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft ertoe de nodige maatregelen te nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domesticatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. Aan die zorgplicht kan nog moeilijk worden voldaan met de bestreden bepaling. Jachthonden hebben een ethologische behoefte om te jagen. Aan eigenaars en bewakers van jachthonden wordt de mogelijkheid ontzegd om hun jachthonden tijdens de jachtbeoefening tegen hun passie te beschermen. 6 A.9.
- Voorts verhoogt de bestreden bepaling aanzienlijk het risico op schadegevallen, daar de noodstopfunctie van elektrische halsbanden niet meer wettig kan worden gebruikt. Dat verhoogde risico is niet redelijk verantwoord in het licht van de vaststelling dat de eigenaar of de bewaker van een jachthond objectief aansprakelijk is voor de volledige schade die het gevolg is van het verlies van controle op zijn jachthond overeenkomstig artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek. In het licht van het verhoogde aansprakelijkheidsrisico bemoeilijkt de bestreden bepaling zonder afdoende verantwoording de uitoefening van het eigendomsrecht ten aanzien van jachthonden, zoals gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet. In de afweging van de in het geding zijnde belangen, weegt de verplichting onder artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens om de bevolking te beschermen tegen loslopende honden (EHRM, 26 juli 2011, Georgel en Georgeta Stoicescu t. Roemenië, § 62) in ieder geval zwaarder door dan het belang van dierenwelzijn. A.10.
- De Vlaamse Regering stelt dat eigenaars en bewakers van honden en die van andere dieren niet voldoende vergelijkbaar zijn. Elektrische halsbanden bestaan immers uitsluitend voor honden. Elektrische apparatuur voor het bijeendrijven van vee, zoals elektrische veedrijvers en veeprikkers, is niet vergelijkbaar met elektrische halsbanden voor honden, die geenszins bestemd zijn om de openbare veiligheid te beschermen. Voorts kan vee niet in dezelfde mate worden opgeleid als honden, die aan een complexere en intensievere training kunnen worden onderworpen. De overheid dient dus geenszins toe te staan dat de apparatuur die mag worden gebruikt om vee te begeleiden gelijk zou zijn aan die welke bij honden mag worden gebruikt. Het gebruik van de prikkelaar bij vee is overigens geregeld op Europees niveau door de verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 « inzake de bescherming van dieren bij het doden ». De veeprikkers mogen slechts beperkt gebruikt worden en enkel op de spieren van de achterpoten van het betrokken dier. Het dier heeft de mogelijkheid de prikken te ontwijken door zich ervan weg te trekken. Dit is niet het geval bij een elektrische halsband. Daarenboven gaat het bij de prikkelaar over zeer beperkte gevallen van stroomstoten, terwijl het bij de elektrische halsband over een frequent gebruik gaat. A.10.
- Zelfs indien het Hof van oordeel zou zijn dat de beide categorieën voldoende vergelijkbaar zijn, dan nog is het onderscheid objectief en redelijk verantwoord. De bestreden bepaling beoogt het welzijn van honden te verbeteren. Het gebruik van elektrische halsbanden bij honden is immers al lang controversieel wegens de negatieve implicaties ervan voor het dierenwelzijn. Door de gebruikte stroomsterkte ervaart de hond pijn en angst. De belangrijkste factor die bepaalt of het gebruik van een elektrische halsband een belangrijk risico voor het dierenwelzijn inhoudt, is de persoon die de afstandsbediening vasthoudt. Het is cruciaal dat de prikkel wordt aangepast aan de individuele hond en dat hij op het juiste moment wordt gegeven. De afdeling wetgeving van de Raad van State stelt tevens dat het een legitieme beleidskeuze van de Vlaamse decreetgever is om het verbod te beperken tot de enige diersoort waarvoor het probleem rijst. Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaars of bewakers van honden, inclusief jachthonden, om ervoor te zorgen dat hun honden zich veilig gedragen. De overheid heeft geenszins de plicht om dit te faciliteren door middel van het beschikbaar stellen van elektrische halsbanden. A.10.
- Voorts is de Vlaamse Regering van mening dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet in het geding is, omdat de aangehaalde zaak Georgel en Georgeta Stoicescu t. Roemenië niet relevant is. Die zaak gaat immers over bescherming tegen straathonden, die beschouwd worden als een res nullius. Ze zijn dus geenszins te vergelijken met honden die aan een eigenaar of bewaker toebehoren. Er is dan ook geen enkel verband tussen het verbod op het gebruik van elektrische halsbanden en die rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. A.10.
- De bestreden bepaling is tevens evenredig met de nagestreefde doelstelling. Het bestreden verbod is geen absoluut verbod, daar afwijkingen mogelijk zijn voor het gebruik bij opleidingen of gedragstherapie. Wetenschappelijk onderzoek toont overigens aan dat met beloningstraining dezelfde resultaten kunnen worden bereikt als met een elektrische halsband. 7 A.
- In het tweede onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen in de zaak nr. 7124 het verschil in behandeling tussen eigenaars en bewakers van honden tijdens de jachtbeoefening en zij die honden opleiden of gedragstherapie geven. De bestreden bepaling verbiedt op absolute wijze het gebruik van elektrische halsbanden in het kader van de jachtbeoefening, maar voorziet wel dat de Vlaamse Regering nadere regels kan bepalen om afwijkingen van dat verbod toe te staan voor het gebruik bij opleiding of gedragstherapie voor honden. De verzoekende partijen stellen dat er voor dat onderscheid evenmin een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel en steunen hiervoor op dezelfde argumenten als in het eerste onderdeel van hun enige middel. A.12.
- De Vlaamse Regering merkt op dat afwijkingen op het verbod inderdaad kunnen worden toegestaan voor het gebruik van elektrische halsbanden bij opleidingen of gedragstherapie voor honden. Hieruit vloeit geenszins een categorie voort van eigenaars en bewakers van honden die honden opleiden of gedragstherapie geven. Evenmin worden zij anders behandeld dan eigenaars en bewakers van honden tijdens de jachtbeoefening. Het staat eenieder vrij om zijn hond te laten opleiden of gedragstherapie te laten volgen. Daarenboven voorziet de bepaling niet in een afwijking op het verbod, maar laat ze enkel toe dat een besluit van de uitvoerende macht in een afwijking voorziet. Als er al sprake zou zijn van een verschil in behandeling, vloeit dat voort uit een akte van de uitvoerende macht en kan die niet aan het Hof worden voorgelegd. A.12.
- De Vlaamse Regering onderstreept dat niet voorzien in de mogelijkheid om af te wijken van het verbod op elektrische halsbanden bij honden tijdens de jachtbeoefening, geen onredelijke gevolgen heeft. Bij de jachtbeoefening zijn de negatieve risico’s voor het welzijn van de honden immers zeer groot. De Vlaamse Regering benadrukt in dat licht nogmaals het controversiële karakter van elektrische halsbanden en de verantwoordelijkheid van eigenaars of bewakers van honden, met inbegrip van jachthonden, om ervoor te zorgen dat hun honden zich veilig gedragen. A.13.
- De vzw « GAIA », tussenkomende partij in de zaken nrs. 7122 en 7124, betwist dat houders van jachthonden vergelijkbaar zijn met gedragstherapeuten en trainers van honden. Bij een opleiding of gedragstherapie wenst men de hond iets aan te leren, terwijl het gebruik van halsbanden bij reeds opgeleide jachthonden enkel bedoeld is om ze gewelddadig tot stilstaan te brengen. A.13.
- Zelfs indien het Hof van oordeel zou zijn dat beide categorieën van houders van honden vergelijkbaar zijn, dient te worden aangenomen dat het onderscheid op redelijke gronden berust en pertinent is om de verbetering van het dierenwelzijn te benaarstigen. Het houden van honden brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Wie niet in staat is om zijn hond onder controle te houden, maakt het zich gemakkelijk door de hond permanent een elektrische halsband om te doen. Via een algemeen verbod met beperkte uitzonderingen geeft de decreetgever aan, in navolging van Denemarken, Cyprus, Tsjechië, Noorwegen en Zweden, dat het mogelijk is om honden op te leiden via positieve methodes in plaats van een gebrek aan opleiding te compenseren met toestellen die pijn of angst veroorzaken. A.13.
- Evenmin schendt de bestreden bepaling artikel 16 van de Grondwet, aangezien de bestreden norm het gebruik van elektrische halsbanden regelt en het niet onmogelijk maakt om jachthonden te houden. De Dierenwelzijnswet bevat overigens een heel aantal artikelen die terecht excessen verhinderen die de toepassing van het eigendomsrecht op dieren zouden teweegbrengen. De Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, heeft hieromtrent in zijn arrest nr. 241.978 van 28 juni 2018 geoordeeld dat de Dierenwelzijnswet een beperking op het volstrekt persoonlijk genot van het eigendomsrecht vormt die in overeenstemming is met artikel 1, tweede alinea, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 8 -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7122 en 7124 vorderen de gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2018 « tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren in het kader van de zesde staatshervorming » (hierna : het decreet van 13 juli 2018), doordat die bepaling een verbod invoert op het gebruik bij honden van halsbanden die elektrische schokken kunnen toedienen (hierna : elektrische halsbanden). B.2.
- Het decreet van 13 juli 2018 wijzigt de wet van 14 augustus 1986 « betreffende de bescherming en het welzijn der dieren » (hierna : de Dierenwelzijnswet) teneinde de terminologie in overeenstemming te brengen met de regionalisering van het dierenwelzijnsbeleid en om bepaalde beleidswijzigingen door te voeren (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1555/1, p. 3). B.2.
- Artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018 voert een verbod in op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden, met de mogelijkheid voor de Vlaamse Regering om afwijkingen toe te staan voor het gebruik ervan bij opleiding of gedragstherapie. De parlementaire voorbereiding vermeldt dat in België tot dan geen wetgeving over elektrische halsbanden bij honden bestond en het gebruik en de verkoop ervan vrij waren. Met de bestreden bepaling wenst de decreetgever, ter bevordering van het dierenwelzijn, een principieel verbod op het gebruik van dergelijke halsbanden in te voeren, in navolging van verscheidene andere Europese landen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1555/1, p. 5). B.3.
- Artikel 4 van het decreet van 13 juli 2018 bepaalt : « In artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een paragraaf 2/2 ingevoegd, die luidt als volgt : 9 ‘ § 2/
- Het gebruik bij honden van halsbanden die elektrische schokken kunnen toedienen, is verboden. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen om afwijkingen van dit verbod toe te staan voor het gebruik bij opleiding of gedragstherapie voor honden. ’; 2° in paragraaf 4 wordt tussen de zinsnede ‘ §§ 2 ’ en de zinsnede ‘ en 3, ’ de zinsnede ‘ 2/1, 2/2 ’ ingevoegd; 3° in paragraaf 4 wordt het woord ‘ Koning ’ vervangen door de woorden ‘ Vlaamse Regering ’; 4° in paragraaf 5 wordt tussen de zinsnede ‘ §§ 1, 2, ’ en de zinsnede ‘ 3 en 4 ’ de zinsnede ‘ 2/1, 2/2, ’ ingevoegd ». B.3.
- Ingevolge die wijzigingen bepaalt artikel 4 van de Dierenwelzijnswet voor het Vlaamse Gewest : « §
- Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domesticatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. §
- Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld. Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften. § 2/
- De paardachtigen die buiten worden gehouden, kunnen opgestald worden of, indien dit niet het geval is, beschikken over een natuurlijke beschutting of een schuilhok. § 2/
- Het gebruik bij honden van halsbanden die elektrische schokken kunnen toedienen, is verboden. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen om afwijkingen van dit verbod toe te staan voor het gebruik bij opleiding of gedragstherapie voor honden. §
- De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van de soort. §
- Ter uitvoering van §§ 2, 2/1, 2/2 en 3, en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk VIII kan de Vlaamse Regering voor de verschillende soorten en categorieën van dieren nadere regelen stellen. 10 §
- De in artikel [34] bedoelde overheidspersonen zijn gemachtigd de nodige maatregelen te treffen of op te leggen om de verplichtingen voortvloeiend uit de §§ 1, 2, 2/1, 2/2, 3 en 4 onverwijld te doen naleven ». B.3.
- Ten aanzien van de inwerkingtreding van artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018, bepaalt artikel 42 van dat decreet : « Artikel 4, 1°, van dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging B.4.
- Volgens de Vlaamse Regering en volgens de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA), die optreedt als tussenkomende partij, zouden de verzoekende partijen niet doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van de bestreden bepaling. B.4.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.4.
- De vzw « Hubertusvereniging - Vlaanderen », verzoekende partij in de zaak nr. 7122, beschouwt het decretaal verbod op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden als een jachtbeperking. Overeenkomstig haar statuten en haar activiteiten, beoogt zij onder meer de bevordering, ontwikkeling en verdediging van de weidelijke jacht. B.4.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7124 beschikken beiden over een jachtverlof en maken voor de jacht gebruik van elektrische halsbanden bij jachthonden. 11 B.4.
- De verzoekende partijen in de beide zaken doen derhalve blijken van een belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling, die een verbod invoert op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden. B.4.
- De exceptie wordt verworpen. B.5.
- De Vlaamse Regering voert vervolgens aan dat het enige middel in beide zaken niet ontvankelijk zou zijn doordat niet op afdoende wijze wordt uiteengezet in welk opzicht de referentienormen door de bestreden bepaling zouden worden geschonden. Daarenboven stelt de Vlaamse Regering dat het enige middel in de zaak nr. 7124 niet ontvankelijk is in zoverre het Hof wordt gevraagd de bestreden bepaling te toetsen aan de artikelen 544 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek en aan de artikelen 4, § 1, en 36, 3°, van de Dierenwelzijnswet. B.5.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.5.
- Uit de memories van de Vlaamse Regering blijkt dat zij op adequate wijze heeft kunnen antwoorden op de grieven van de verzoekende partijen zodat de exceptio obscuri libelli dient te worden verworpen. B.5.
- Daar het Hof niet bevoegd is om decretale bepalingen te toetsen aan andere wettelijke bepalingen die geen bevoegdheidverdelende regels zijn, is het enige middel in de zaak nr. 7124, in zoverre het is afgeleid uit een schending van de artikelen 544 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 4, § 1, en 36, 3°, van de Dierenwelzijnswet, niet ontvankelijk. 12 B.6.
- Ten slotte is de Vlaamse Regering van oordeel dat, in het licht van de grieven van de verzoekende partijen, het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 7124 slechts ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018, dat een paragraaf 2/2 invoegt in artikel 4 van de Dierenwelzijnswet. B.6.
- Het Hof bepaalt de omvang van het beroep tot vernietiging aan de hand van de inhoud van het verzoekschrift en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van het middel. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepaling waartegen daadwerkelijk grieven zijn aangevoerd. Uit de uiteenzetting van het enige middel blijkt dat de kritiek van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7124 uitsluitend gericht is tegen artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018, dat een verbod invoert op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot die bepaling. Die vaststelling neemt niet weg dat, mocht het Hof beslissen tot de vernietiging van artikel 4, 1°, van het bestreden decreet, die vernietiging zich zou moeten uitstrekken tot de artikelen 4, 2° tot 4°, in zoverre die bepalingen naar de bestreden bepaling verwijzen. Ten gronde B.7.
- Het enige middel in de zaak nr. 7122 is afgeleid uit de schending, door artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het een algemeen verbod instelt op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden, zonder te voorzien in een uitzondering voor jachthonden die worden ingezet bij de beoefening van de jacht. 13 B.7.
- Het enige middel in de zaak nr. 7124 is afgeleid uit de schending, door artikel 4, 1°, van het decreet van 13 juli 2018, van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het zonder redelijke verantwoording een verschil in behandeling zou invoeren tussen de eigenaars en de bewakers van honden en die van andere dieren, zoals grootvee (eerste onderdeel), evenals tussen de eigenaars en de bewakers van jachthonden die deelnemen aan jachtactiviteiten, en zij die honden opleiden en die hen gedragstherapie geven (tweede onderdeel). B.8.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet zich overigens ertegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.8.
- Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». B.8.
- Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 14
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.9.
- Met betrekking tot de invoering van de bestreden bepaling vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Het gebruik bij honden van elektrische halsbanden is dikwijls controversieel. Enerzijds zijn er trainers en gedragstherapeuten die geen bezwaar hebben tegen het gebruik van een elektrische halsband om gedragsproblemen op te lossen. Als voordelen worden het gebruik over grotere afstanden en minder risico op verwondingen aangehaald. Anderzijds zijn er tegenstanders die argumenteren dat de door de schok veroorzaakte pijn (en angst) dieronvriendelijk, onethisch en onnodig is ten aanzien van de ernst of de aard van het gedragsprobleem dat men wenst op te lossen. In opdracht van de Raad voor Dierenwelzijn werd er in België in 2010 in het kader van een wetenschappelijk rapport uitvoerig onderzoek gedaan naar de welzijnsaspecten bij het gebruik van elektrische halsbanden bij honden. Het rapport ging na of een elektrische schok beschouwd moest worden als een negatieve situatie waaraan een dier zich kan aanpassen met een minimale kost en bijgevolg geen wijziging van zijn welzijn veroorzaakt of als negatieve situatie die een belangrijke aanpassing van het dier vergt waardoor zijn welzijn vermindert. Als algemene conclusie kan in het rapport gelezen worden dat het dierenwelzijn van de hond afhankelijk is van de persoon die de afstandsbediening hanteert » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2017, nr. 1555/1, p. 5). B.9.
- Aan de afdeling wetgeving van de Raad van State verklaarde de gemachtigde van de Vlaamse Regering : « Het gebruik van elektrische halsbanden bij honden is al lang controversieel omwille van de dierenwelzijnsimplicaties die hiermee gepaard gaan. In verschillende Europese landen, zoals Denemarken, Duitsland, Luxemburg en Roemenië, geldt op dit moment al een totaal verbod op het gebruik van dergelijke halsbanden, in andere landen (Cyprus, Tsjechië, Noorwegen, Zweden en Zwitserland) is het gebruik beperkt. Er gaan meer en meer stemmen op om ook in Vlaanderen het gebruik van en de handel in deze toestellen aan banden te leggen. De negatieve welzijnsimplicaties hangen niet enkel samen met de gebruikte stroomsterkte en de pijn en angst die het dier hierdoor ervaart. De belangrijkste factor die bepaalt of het gebruik van een stroomhalsband een belangrijk risico voor het dierenwelzijn inhoudt, is de persoon die de afstandsbediening vasthoudt. 15 Bij verkeerd gebruik hebben elektrische halsbanden een sterke negatieve impact op het dierenwelzijn en kunnen zij o.a. gedragsproblemen (vnl. angstgerelateerd) veroorzaken. Het is immers cruciaal enerzijds dat de prikkel aangepast wordt aan het individuele dier (o.a. afhankelijk van de dikte van de vacht) en anderzijds dat de prikkel op het juiste moment gegeven wordt, zodat de hond de link legt tussen de prikkel en zijn gedrag, en dat het dier begrijpt wat van hem verwacht wordt. Jammer genoeg loopt het hierbij al te vaak fout. Bovendien blijkt uit onderzoek dat met training met positive reinforcement (beloning) dezelfde resultaten bereikt kunnen worden als met gebruik van een elektrische halsband, zodat dergelijke halsbanden niet onontbeerlijk zijn. Een verbod op het algemene gebruik van deze toestellen kan dan ook verantwoord worden vanuit een dierenwelzijnsperspectief. Bij deskundig gebruik kunnen elektrische halsbanden in bepaalde gevallen wel een hulpmiddel zijn om honden op te leiden of gedragsproblemen te behandelen. Daarom wordt de Vlaamse Regering gemachtigd om afwijkingen toe te staan voor gebruik bij opleiding of gedragstherapie voor honden » (Raad van State, afdeling wetgeving, advies nr. 62.825/3 van 5 maart 2018, Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2017, nr. 1555/1, pp. 42-43). B.10.
- Uit de vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat, met het invoeren van een verbod op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden, het welzijn van die dieren wordt beoogd. Ter ondersteuning van die beleidskeuze wordt verwezen naar wetenschappelijke studies en adviezen en naar de praktijken in andere landen. B.10.
- De bescherming van het dierenwelzijn is een legitiem doel van algemeen belang, waarvan het belang met name reeds tot uitdrukking is gekomen in de vaststelling, door de Europese lidstaten, van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol nr. 33 « betreffende de bescherming en het welzijn van dieren » (Pb. 1997, C 340, p. 110), waarvan de inhoud grotendeels is overgenomen in artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. B.11.
- Volgens de verzoekende partijen is een verbod op het gebruik van elektrische halsbanden niet noodzakelijk omdat niet zou vaststaan dat de halsbanden die thans worden gebruikt het welzijn van de honden aantasten. Ze menen integendeel dat het verbod nadelen met zich kan meebrengen voor het dierenwelzijn, doordat loslopende honden, en meer specifiek jachthonden, het slachtoffer kunnen worden van verkeersongevallen indien een dergelijke halsband niet mag worden gebruikt. 16 B.11.
- De in B.9 vermelde parlementaire voorbereiding vermeldt dat er een zekere controverse bestaat omtrent de schadelijke gevolgen van het gebruik van elektrische halsbanden. De beoordeling van de pijnperceptie bij dieren komt in de eerste plaats toe aan deskundigen in de dierlijke fysiologie. Het komt de decreetgever toe, wanneer hij maatregelen neemt van dierenwelzijn, om zich ervan te vergewissen dat de noodzaak daartoe is aangetoond en om de in het geding zijnde belangen zorgvuldig af te wegen. B.
- De bestreden bepaling voert een verbod in op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden. De Vlaamse Regering kan evenwel afwijkingen op dat verbod toestaan in het kader van de opleiding en gedragstherapie voor honden. B.13.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7124 verwijten de bestreden bepaling in de eerste plaats dat ze het gebruik verbiedt van elektrische halsbanden bij honden, terwijl het gebruik van bepaalde elektrische apparatuur bij andere dieren niet is verboden, zoals het gebruik van elektrische veedrijvers of veeprikkers voor het bijeendrijven van vee. Aldus zou de bestreden bepaling leiden tot een verschil in behandeling onder de eigenaars of bewakers van dieren. B.13.
- Volgens de Vlaamse Regering zouden de voormelde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn en zou de bestreden bepaling om die reden de artikelen 10 en 11 van het Grondwet niet schenden. B.13.
- Op de vraag van de afdeling wetgeving van de Raad van State waarom het verbod op het gebruik van elektrische halsbanden enkel geldt voor honden en niet voor andere dieren, antwoordde de gemachtigde van de Vlaamse Regering : « Honden en andere diersoorten zijn in deze niet vergelijkbaar daar dergelijke elektrische halsbanden uitsluitend bestaan voor en gebruikt worden bij honden. Enkel voor honden is dan ook aangetoond dat het vrije gebruik van deze systemen een belangrijk risico voor het dierenwelzijn inhoudt. Bovendien is de mate waarin en de soort en complexiteit van de training waaraan honden onderworpen worden niet te vergelijken met training bij andere diersoorten, voor zover die al gebeurt. Bijgevolg gaat het hier om duidelijk verschillende situaties » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1555/1, p. 43). 17 B.13.
- De bestreden bepaling regelt het gebruik van elektrische halsbanden bij honden. Een elektrische veedrijver, ook wel veeprikker genoemd, wordt gehanteerd om vee op te drijven. In tegenstelling tot een elektrische halsband bij honden, wordt een elektrische veedrijver niet vastgemaakt op het dier. Dat instrument wordt gebruikt om een kortstondige en eenmalige elektrische schok op de spieren van de achterpoten toe te dienen voor vee dat zich weigert te verplaatsen. B.13.
- Hoewel beide instrumenten elektrische schokken kunnen toedienen aan dieren en mogelijk hun welzijn kunnen beïnvloeden, zijn de kenmerken en de impact ervan evenals de omstandigheden waarin zij worden gebruikt zeer verschillend. Het gebruik van elektrische halsbanden bij honden kan derhalve niet op nuttige wijze worden vergeleken met het gebruik van elektrische veedrijvers. Voor het overige preciseren de verzoekende partijen niet met welke andere apparaten het gebruik van elektrische halsbanden bij honden wordt vergeleken. B.
- Het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7124 is niet gegrond. B.
- De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepaling voorts dat zij niet in de mogelijkheid voorziet om ook een afwijking te voorzien bij het gebruik van jachthonden tijdens de jacht. Aldus zouden de houders van jachthonden, enerzijds, ten onrechte op dezelfde wijze worden behandeld als de houders van andere honden en zouden zij, anderzijds, ten onrechte anders worden behandeld dan de personen die instaan voor de opleiding en gedragstherapie bij honden, voor wie wel een uitzondering kan worden gemaakt. B.16.
- In het licht van de door de decreetgever nagestreefde doelstelling om het dierenwelzijn te bevorderen, is het niet zonder redelijke verantwoording om het verbod op het gebruik van een elektrische halsband in beginsel van toepassing te verklaren voor alle honden, daar hun welzijn op dezelfde wijze kan worden beïnvloed door het gebruik van een dergelijke halsband. 18 B.16.
- De verzoekende partijen zijn evenwel van oordeel dat om meerdere redenen in een uitzondering zou moeten worden voorzien voor het gebruik van jachthonden tijdens de jacht. In de eerste plaats zou het gebruik van een elektrische halsband moeten verhinderen dat die honden, door het jachtinstinct dat hen eigen is, het wild blijven opjagen. Voorts moet worden vermeden dat die honden, doordat ze loslopen, zich te ver verwijderen en aldus verkeersongevallen kunnen veroorzaken, met de aansprakelijkheid van de eigenaar of de houder van het dier tot gevolg. B.16.
- Artikel 1385 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De eigenaar van een dier, of, terwijl hij het in gebruik heeft, degene die zich ervan bedient, is aansprakelijk voor de schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt was ». Die aansprakelijkheid geldt op algemene wijze voor de eigenaar of bewaker van een hond. Aangezien het risico dat een hond ontsnapt en mogelijk een verkeersongeval veroorzaakt niet enkel bestaat in het kader van de jacht, kan de aansprakelijkheid die daarvan het gevolg is, niet ertoe noodzaken dat, wat het gebruik van een elektrische halsband betreft, een onderscheid moet worden gemaakt tussen een jachthond en andere honden. B.17.
- Met de verzoekende partijen kan worden aangenomen dat een jachthond die wordt ingezet tijdens de jacht verschilt van andere honden, doordat zijn jachtinstinct hem ertoe brengt wild op te jagen en te blijven achtervolgen, zodat de eigenaar of bewaker het gedrag van de hond moet corrigeren. Uit die vaststelling kan evenwel niet worden afgeleid dat de decreetgever om die reden voor jachthonden in een afwijking op het verbod van het gebruik van elektrische halsbanden moest voorzien. Ook vóór dat het gebruik van dergelijke halsbanden ingang vond, behoorde het immers tot de verantwoordelijkheid van de eigenaars van jachthonden om hun dieren zodanig op te leiden of te laten opleiden dat hun jachtinstinct wordt beteugeld, waartoe bepaalde trainingstechnieken konden worden aangewend. B.17.
- Wat de opleiding of gedragstherapie van honden betreft, voorziet de bestreden bepaling in de mogelijkheid voor de Vlaamse Regering om in een uitzondering op het verbod van het gebruik van de elektrische halsband te voorzien. Indien een dergelijke uitzondering wordt ingevoerd, kunnen ook eigenaars van jachthonden er gebruik van maken. 19 B.
- Uit de in B.9 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de keuze om het gebruik van elektrische halsbanden enkel toe te laten voor personen die instaan voor de opleiding of gedragstherapie, is ingegeven door de vaststelling dat het welzijn van de hond afhankelijk wordt geacht van de deskundigheid van de persoon die de afstandsbediening van de elektrische halsband hanteert. Het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit tussen dergelijke gekwalificeerde personen en de eigenaars of houders van jachthonden die niet over dezelfde deskundigheid beschikken, is niet zonder redelijke verantwoording, in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling om het dierenwelzijn te bevorderen. B.
- De verzoekende partijen voeren nog aan dat het verbod op het gebruik van een elektrische halsband een schending zou inhouden van artikel 16 van de Grondwet, doordat die maatregel een verhoogd aansprakelijkheidsrisico voor de eigenaar van een jachthond met zich meebrengt en aldus zijn eigendomsrecht zou aantasten. B.20.
- Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in artikel 16 van de Grondwet, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepaling, ermee rekening houdt. B.20.
- Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea). B.20.
- Volgens artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol tast de bescherming van het eigendomsrecht op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang. Een billijk evenwicht dient tot stand te worden gebracht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het eigendomsrecht. 20 B.20.
- Zoals in B.10.2 is vermeld, vormt de bescherming van het dierenwelzijn een legitiem doel van algemeen belang. Een verbod op het gebruik van elektrische halsbanden dat het welzijn van honden beoogt, vormt een beperking op het genot van het eigendomsrecht die in overeenstemming is met artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. De vergoeding waartoe de eigenaar van een hond kan verplicht worden wegens schade die door het dier is veroorzaakt, is het gevolg van de burgerlijke aansprakelijkheid die voor eenieder geldt en kan niet als een aantasting van het eigendomsrecht worden beschouwd. B.21.
- Ten slotte voeren de verzoekende partijen nog aan dat het verbod op het gebruik van elektrische halsbanden bij honden ook problematisch is in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat zou vereisen dat de overheid positieve maatregelen neemt tegen loslopende jachthonden teneinde de fysieke integriteit van de bevolking te beschermen. B.21.
- De verzoekende partijen verwijzen ter ondersteuning van hun grief naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 26 juli 2011 (EHRM, 26 juli 2011, Goergel en Georgeta Stoicescu t. Roemenië, §§ 48-63). In die zaak werd de Roemeense Staat veroordeeld wegens een schending van het voormelde artikel 8, omdat hij onvoldoende maatregelen had genomen tegen het gevaar dat werd veroorzaakt door grote aantallen agressieve zwerfhonden, die zeer talrijke personen hadden verwond. B.21.
- Uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en uit de voormelde rechtspraak kan evenwel geen positieve verplichting van de overheid worden afgeleid om het gebruik van elektrische halsbanden bij jachthonden toe te staan in het kader van jachtactiviteiten ter bescherming van de fysieke integriteit van personen. Het komt immers aan de eigenaar van de hond toe de nodige maatregelen te nemen teneinde te vermijden dat het dier dat onder zijn bewaking staat personen zou verwonden. Het staat niet vast dat het gebruik van een elektrische halsband daartoe noodzakelijk zou zijn, daar ook andere middelen en trainingstechnieken ter beschikking staan van de eigenaar. B.
- Het enige middel in de zaak nr. 7122 en het tweede onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7124 zijn niet gegrond. 21 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof, op 24 september
- De griffier, De voorzitter P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.119 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div