id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.120 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200924.7 Arrest- Rolnummer: 120/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-09-25 Raadplegingen: 282 - laatst gezien 2026-06-20 14:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 285, 3°, en 288 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 11 april 2014 « tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerd en gesubsidieerd basis- en secundair onderwijs » schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 285 en 288 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 11 april 2014 « tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs », gesteld door de Raad van State. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Bekwaamheidsbewijzen en ambten - Gesubsidieerd basis- en secundair onderwijs - Tijdelijke personeelsleden - Toekenning van de algemene vakken lichamelijke opvoeding in de hogere graad van het secundair onderwijs - Nieuw decreet - Overgangsregeling. Tekst van de beslissing Rolnummers 7142 en 7143 Arrest nr. 120/2020 van 24 september 2020 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 285 en 288 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 11 april 2014 « tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij twee arresten, nrs. 243.839 en 243.838, van 28 februari 2019, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 14 en 15 maart 2019, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 285 en 288 van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de prioritaire tijdelijke personeelsleden in de zin van artikel 24 van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs die over een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoende bekwaamheidsbewijs A beschikken op de dag vóór de inwerkingtreding van dit decreet, toelaten de mogelijkheid te behouden om benoemd of in vast verband aangeworven te worden, alsook om aangesteld te worden in de hoedanigheid van prioritaire tijdelijke of beschermde personeelsleden onder de statutaire voorwaarden die golden vóór de inwerkingtreding van het decreet (1 september 2016) en meer bepaald, in zoverre zij dus toelaten dat, voor de lopende aanstellingen voor het jaar 2016-2017, de leerkrachten van het gesubsidieerd officieel onderwijs die houder zijn van een diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs (AESS - ‘ agrégé de l’enseignement secondaire supérieur ’) in de afdeling lichamelijke opvoeding en de leerkrachten van het gesubsidieerd officieel onderwijs die houder zijn van een diploma geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs (AESI - ‘ agrégé de l’enseignement secondaire inférieur ’) in de afdeling lichamelijke opvoeding, nog steeds op voet van gelijkheid worden geplaatst wat betreft de toekenning van de algemene vakken lichamelijke opvoeding in de hogere graad van het secundair onderwijs ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7142 en 7143 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - Pascal Mesmaeker, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Bourtembourg en Mr. F. Belleflamme, advocaten bij de balie te Brussel (in beide zaken); - Laurent Slongo (in de zaak nr. 7142); - Claude Hooreman (in de zaak nr. 7142); - Nadia Palumbo (in de zaak nr. 7142); - Gaël Fiore (in de zaak nr. 7143); - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel (in beide zaken). 3 Memories van antwoord zijn ingediend door : - Pascal Mesmaeker; - Laurent Slongo; - Claude Hooreman; - Nadia Palumbo; - Gaël Fiore. Bij beschikking van 17 juni 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 juli 2020 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 1 juli 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Bij twee verzoekschriften van 30 oktober 2017 werden bij de Raad van State beroepen tot nietigverklaring ingesteld tegen de benoemingen, tot leraar lichamelijke opvoeding in het hoger secundair onderwijs, van leerkrachten die houder zijn van een diploma voor het lager secundair onderwijs, en tegen de impliciete weigering om de verzoeker, die houder is van een diploma voor het hoger secundair onderwijs, te benoemen. De verwijzende rechter herinnert eraan dat, ingevolge de hervorming die werd doorgevoerd bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 11 april 2014 « tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs » (hierna : het decreet van 11 april 2014), de bijzondere vakken lichamelijke opvoeding algemene vakken zijn geworden en de vereiste bekwaamheidsbewijzen om die vakken te geven, voor het hoger secundair onderwijs, het diploma geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs (AESS : « agrégé de l’enseignement secondaire supérieur ») is geworden, in plaats van het diploma geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs (AESI : « agrégé de l’enseignement secondaire inférieur »). Het decreet van 11 april 2014 bevat evenwel overgangsbepalingen die, voor de lopende aanstellingen voor het jaar 2016-2017, een benoeming toestonden volgens de statutaire voorwaarden die golden vóór de inwerkingtreding van dat decreet. De houders van een AESS-diploma in de lichamelijke opvoeding en de houders van een AESI-diploma in de lichamelijke opvoeding werden bijgevolg nog steeds op voet van gelijkheid geplaatst voor de toekenning van de algemene vakken lichamelijke opvoeding in de hogere graad van het secundair onderwijs, terwijl de eerstgenoemden een langer academisch parcours hebben dan de laatstgenoemden. Aangezien hij van oordeel is dat de door de verzoekende partij opgeworpen discriminatie ertoe noopt eerst de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepalingen te onderzoeken, beslist de verwijzende rechter aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. 4 III. In rechte -A- A.1. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter is van mening dat het discriminerend is, wat betreft de toegang tot de ambten van leerkracht lichamelijke opvoeding voor de hogere graad van het secundair onderwijs, de leerkrachten die houder zijn van een AESI-diploma en die vóór 1 september 2016 prioritaire tijdelijke personeelsleden waren in de zin van artikel 24 van het decreet van 6 juni 1994 « tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs », en de leerkrachten die houder zijn van een AESS-diploma, vanaf het schooljaar 2016 op dezelfde manier te behandelen. Die twee categorieën van leerkrachten bevinden zich immers in objectief verschillende situaties : in tegenstelling tot de houders van een AESI-diploma, hebben de houders van een AESS-diploma een langere opleiding gevolgd en een bekwaamheidsbewijs verkregen dat rechtstreeks verband houdt met de in het geding zijnde ambten, dat gericht is op lesgeven aan een oudere doelgroep en dat gekoppeld is aan een hogere weddeschaal. A.2. De Franse Gemeenschapsregering herinnert eraan dat het decreet van 11 april 2014 de intentie weergeeft, aangekondigd bij artikel 12bis, § 2, ingevoegd in 1973, van de wet van 29 mei 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving » (de zogenoemde « Schoolpactwet »), om op uniforme wijze de vereiste bekwaamheidsbewijzen vast te stellen voor de onderwijsnetten, waarbij evenwel werd toegestaan een beroep te doen op houders van andere bekwaamheidsbewijzen in geval van schaarste van kandidaten die houder zijn van de vereiste bekwaamheidsbewijzen. Het doel van de in het geding zijnde overgangsmaatregelen bestaat erin de mogelijkheid te bieden, aan de personeelsleden die aanspraak konden maken op een aanstelling als prioritaire of beschermde tijdelijke volgens de regels die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van het decreet en die daarop geen aanspraak meer zouden kunnen maken met toepassing van de nieuwe decretale bepalingen, het voordeel te blijven genieten van de regels die tot dan toe van toepassing waren. Die maatregelen strekken dus ertoe een aantasting te voorkomen van de beginselen van voorzienbaarheid en gewettigd vertrouwen, door bepaalde verworven rechten of aspiraties te garanderen, om diegenen die het voordeel genoten van de aan de inwerkingtreding van het decreet van 11 april 2014 voorafgaande regeling niet in hun verwachtingen teleur te stellen. Dat doel is legitiem, en het is zelfs des te meer legitiem omdat de hervorming van de bekwaamheidsbewijzen en ambten die bij het decreet van 11 april 2014 werd doorgevoerd een zeer verregaande hervorming is, die de aanstellingsregels die tot dan toe golden grondig wijzigt. De in het geding zijnde overgangsregeling berust op een objectief criterium, in casu het feit reeds aangesteld of in dienst genomen zijn te zijn geweest naar rata van een gedeeltelijke of volledige opdracht, als prioritaire tijdelijke of niet-prioritaire tijdelijke met een zekere anciënniteit vóór de inwerkingtreding van het decreet van 11 april 2014, en dat criterium is pertinent rekening houdend met het doel dat erin bestaat geen afbreuk te doen aan verworven rechten of legitieme verwachtingen. De in het geding zijnde bepalingen doen niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de houders van een AESS-diploma in de lichamelijke opvoeding. Vóór de aanneming van het decreet van 11 april 2014 werden die leerkrachten immers reeds op gelijke voet behandeld met de houders van een AESI-diploma in de lichamelijke opvoeding, zodat de in het geding zijnde overgangsbepalingen, in zoverre zij die regeling verlengen, hun geen verworven recht of de legitieme verwachting om prioritair te worden aangesteld ten opzichte van de houders van een AESI-diploma in de lichamelijke opvoeding ontnemen. De Franse Gemeenschapsregering verzoekt het Hof dan ook de prejudiciële vragen ontkennend te beantwoorden. Elke andere conclusie zou erop neerkomen dat de invoering van een overgangsregeling discriminerend is doordat zij de personen die die regeling kunnen genieten en die welke het voordeel van de nieuwe regels genieten verschillend behandelt. A.3. De tussenkomende partijen voor de verwijzende rechter zetten uiteen dat niet het feit ter discussie staat dat, vóór het decreet van 11 april 2014, de houders van een AESI-diploma en die van een AESS-diploma op voet van gelijkheid werden geplaatst wat betreft de toegang tot het ambt van leraar lichamelijke opvoeding in het hoger secundair onderwijs, wat volgt uit het feit dat het vak lichamelijke opvoeding een bijzonder vak was. 5 De in het geding zijnde overgangsregeling heeft tot doel, op legitieme en redelijke wijze, de verworven situatie te vrijwaren van de personeelsleden die, vóór de inwerkingtreding van het decreet van 11 april 2014, reeds een aanzienlijke dienstanciënniteit hadden en die waren opgenomen in de rangschikking van de prioritaire tijdelijken waardoor zij uitzicht hadden op een benoeming. Die regeling benadeelt niet de personen die houder zijn van een AESS-diploma, die hun rangschikking behouden met het oog op een toekomstige benoeming en die kunnen worden benoemd vóór de houders van een AESS-diploma die hun loopbaan beginnen vanaf 1 september 2016. Voor het overige sluiten de tussenkomende partijen voor de verwijzende rechter zich aan bij de memorie van de Franse Gemeenschapsregering. A.4. In haar memorie van antwoord stelt de verzoekende partij voor de verwijzende rechter het Hof ervan in kennis dat zij werd benoemd voor een volledig lesrooster, bij besluit van het College van de Provincieraad van 11 april 2019, wat een invloed zou kunnen hebben op haar belang bij de beroepen die voor de Raad van State hangende zijn. Zij heeft eveneens de Raad van State in kennis gesteld van die nieuwe situatie. Ten gronde preciseert zij dat de opgeworpen discriminatie voortvloeit uit de in het geding zijnde overgangsbepalingen en dat de bij wijze van overgangsregeling gehandhaafde vroegere regeling in overeenstemming moet zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. De omstandigheid dat het vak lichamelijke opvoeding als een bijzonder vak werd beschouwd, verantwoordt niet dat in 2017, de houders van een AESS-diploma nog steeds op voet van gelijkheid werden geplaatst met de houders van een AESI-diploma. Die verantwoording is in elk geval niet meer pertinent aangezien de wetgever het vak lichamelijke opvoeding heeft heringedeeld bij de algemene vakken. -B- B.1. De prejudiciële vragen waarvan de bewoordingen identiek zijn, hebben betrekking op de artikelen 285 en 288 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 11 april 2014 « tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs » (hierna : het decreet van 11 april 2014). B.2.1. Het decreet van 11 april 2014 voert een hervorming door « die al meer dan 40 jaar werd aangekondigd », die de invoering met zich meebrengt « van een eenvormige regeling van bekwaamheidsbewijzen en ambten waarbij de voorrang wordt gegarandeerd aan de vereiste bekwaamheidsbewijzen boven de voldoende bekwaamheidsbewijzen en de invoering van een regeling van schaarstebekwaamheidsbewijzen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2013-2014, nr. 632/1, p. 9). Rekening houdend « met de omvang van de hervorming en de talrijke vertakkingen ervan » wordt in het decreet van 11 april 2014 in een « belangrijk hoofdstuk in verband met de overgangsbepalingen » (ibid., p. 15) voorzien. 6 De in het geding zijnde bepalingen staan in afdeling III (« Prioritaire/beschermde tijdelijke personeelsleden of niet-prioritaire tijdelijke personeelsleden met een anciënniteit bepaald in deze afdeling, naar rata van een gedeeltelijke of volledige opdracht ») van hoofdstuk II (« Overgangsbepalingen ») van titel III (« Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen ») van het decreet van 11 april 2014. B.2.2. Artikel 285 van het decreet van 11 april 2014 bepaalt : « De personeelsleden die titularis zijn van een gedeeltelijke of volledige opdracht, zoals bedoeld in deze afdeling, zijn de volgende : […] 3° de prioritaire tijdelijke personeelsleden in de zin van artikel 24 van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs die over een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoend bekwaamheidsbewijs A beschikken op de dag vóór de inwerkingtreding van dit decreet; […] ». In de oorspronkelijke versie ervan, vóór de wijziging ervan bij het decreet van 14 maart 2019 , bepaalde artikel 288 van het decreet van 11 april 2014 : « De personeelsleden bedoeld in deze afdeling behouden de mogelijkheid om benoemd of aangeworven in vast verband te worden, alsook om aangesteld te worden in de hoedanigheid van prioritaire tijdelijke of beschermde personeelsleden onder de statutaire voorwaarden die golden vóór de inwerkingtreding van dit decreet ». Krachtens artikel 294 ervan is het decreet van 11 april 2014 in werking getreden op 1 september 2016. B.3. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij het de prioritaire tijdelijke personeelsleden in de zin van artikel 24 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 juni 1994 « tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs » (hierna : het decreet van 6 juni 1994), die over een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoende bekwaamheidsbewijs A beschikken op de dag vóór de inwerkingtreding van het decreet van 11 april 2014, toelaten de mogelijkheid te behouden om benoemd of in vast verband aangeworven te worden, alsook om aangesteld te 7 worden in de hoedanigheid van prioritaire tijdelijke of beschermde personeelsleden onder de statutaire voorwaarden die golden vóór de inwerkingtreding op 1 september 2016 van het decreet van 11 april 2014 en meer bepaald in zoverre zij « toelaten dat, voor de lopende aanstellingen voor het jaar 2016-2017, de leerkrachten van het gesubsidieerd officieel onderwijs die houder zijn van een diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs (AESS ‘ agregé de l’enseignement secondaire supérieur ’) in de afdeling lichamelijke opvoeding en de leerkrachten van het gesubsidieerd officieel onderwijs die houder zijn van een diploma geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs (AESI ‘ agrégé de l’enseignement secondaire inférieur ’) in de afdeling lichamelijke opvoeding, nog steeds op voet van gelijkheid worden geplaatst wat betreft de toekenning van de algemene vakken lichamelijke opvoeding in de hogere graad van het secundair onderwijs ». B.4. Uit de feiten van de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak en uit de formulering van de prejudiciële vragen blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de overgangsregeling bedoeld in artikel 288 van het decreet van 11 april 2014, in zoverre die van toepassing is op de personeelsleden bedoeld in artikel 285, 3°, van hetzelfde decreet, voor de toekenning van de algemene vakken lichamelijke opvoeding in de hogere graad van het secundair onderwijs. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. B.5.1. In haar memorie van antwoord brengt de verzoekende partij voor de verwijzende rechter het Hof ervan op de hoogte dat zij benoemd is voor een volledig lesrooster, hetgeen invloed zou kunnen hebben op haar belang bij de voor de Raad van State hangende beroepen. B.5.2. In de regel komt het de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.5.3. Te dezen maken de door de verzoekende partij voor de verwijzende rechter aangehaalde nieuwe omstandigheid en de eventuele weerslag van die omstandigheid op het belang bij de voor de verwijzende rechter hangende beroepen het niet mogelijk ervan uit te gaan dat het antwoord op de gestelde prejudiciële vragen klaarblijkelijk niet langer nuttig is voor het oplossen van de geschillen. 8 B.6.1. Artikel 24, § 1, van het decreet van 6 juni 1994 bepaalt : « Voor elke aanstelling als tijdelijk personeelslid in een ambt waarvoor hij het in artikel 2 bepaalde bekwaamheidsbewijs bezit, is elk personeelslid prioritair in een inrichtende macht en komt het voor in een rangschikking binnen deze inrichtende macht als het 360 dagen werkelijk bewezen diensten in een ambt van de betrokken categorie als hoofdambt bij deze inrichtende macht kon doen gelden; deze diensten moeten gespreid zijn over minstens twee schooljaren en tijdens de laatste vijf schooljaren verstrekt zijn. […] De aanstellingen gebeuren met inachtneming van de rangschikking. Deze wordt, overeenkomstig artikel 34, op grond van het aantal dagen dienstanciënniteit berekend. […] ». Die bepaling voert een regeling in van prioritaire aanstelling binnen een inrichtende macht, op basis van een rangschikking, van de tijdelijke personeelsleden, die over de vereiste bekwaamheidsbewijzen of over de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen voor de uitoefening van het ambt beschikken en die een aantal dagen dienstanciënniteit bij die inrichtende macht kunnen doen gelden. B.6.2.1. Artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 « betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs georganiseerd in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar onderwijs en in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor normaalonderwijs » (hierna : het koninklijk besluit van 30 juli 1975), vóór de opheffing ervan, met ingang op 1 september 2016, door artikel 116 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 juni 2016 « waarbij het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs op de leermeesters en leraars godsdienst toepasselijk wordt gemaakt en houdende verschillende maatregelen inzake bekwaamheidsbewijzen en ambten » (hierna : het decreet van 30 juni 2016), bepaalde : « Onverminderd de beschikkingen genomen ter uitvoering van artikel 22 van de voornoemde wet van 11 juli 1973 : 9 1° kan een inrichtende macht, die voor een bepaald ambt een houder van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, ingedeeld in de groep B, aanwerft, voor dit personeelslid slechts een weddetoelage bekomen mits :
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.