← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.122

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.122 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200924.9 Arrest- Rolnummer: 122/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-09-25 Raadplegingen: 765 - laatst gezien 2026-06-19 17:37 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 15 oktober 2018 « betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen », ingesteld door de feitelijke vereniging « Citoyens pour la vie / Burgers voor het leven » en anderen. Vrijwillige zwangerschapsafbreking (abortus) - Voorwaarden - Nieuwe regeling. Tekst van de beslissing Rolnummer 7168 Arrest nr. 122/2020 van 24 september 2020 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 15 oktober 2018 « betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen », ingesteld door de feitelijke vereniging « Citoyens pour la vie / Burgers voor het leven » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 april 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 april 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 15 oktober 2018 « betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2018) door de feitelijke vereniging « Citoyens pour la vie / Burgers voor het leven », Pascale Bultez, Jonatan Cortes, Thierry Fobe, Thierry Lethé, Henri Marechal, Georges Paraskevaidis en Vincent Piessevaux, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Janssens de Varebeke en Mr. L. Ponteville, advocaten bij de balie te Brussel. Memories zijn ingediend door : - de vzw « Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas », vertegenwoordigd door zijn voorzitter; - de vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Minsier en Mr. O. Venet, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. de Lophem, Mr. S. Depré, Mr. C. Pietquin en Mr. C. Nennen, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen »; - de Ministerraad. Bij beschikking van 22 april 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman, ter vervanging van ererechter J.-P. Snappe, en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 mei 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 mei 2020 de dag van de terechtzitting bepaald op 17 juni 2020. Op de openbare terechtzitting van 17 juni 2020 : - zijn verschenen : . Mr. L. Ponteville en Vincent Piessevaux, in eigen persoon, voor de verzoekende partijen; 3 . Henri Marechal, voorzitter van de vzw « Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas », in eigen persoon (tussenkomende partij); . Mr. O. Venet, voor de vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » (tussenkomende partijen); . Mr. E. de Lophem, tevens loco Mr. S. Depré, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1.1. De eerste verzoekende partij, « Citoyens pour la vie / Burgers voor het leven », is een feitelijke vereniging die verklaart te zijn opgericht om zich tegen de bestreden wet te verzetten. De zeven andere verzoekende partijen zijn natuurlijke personen die stellen dat ze in hun hoedanigheid van gehuwde man, vader of moeder, grootvader of grootmoeder, een belang hebben om in rechte te treden tegen een wet die hun dochters of kleindochters of, in voorkomend geval, hun echtgenotes in staat stelt te vragen om een zwangerschapsafbreking in omstandigheden die volgens hen in strijd zijn met verscheidene grondwettelijke bepalingen, afzonderlijk gelezen of in samenhang met verschillende verdragsbepalingen. A.1.2. De Ministerraad, de vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » betwisten het belang om in rechte te treden van de eerste verzoekende partij, die een feitelijke vereniging is en die, aangezien ze niet de hoedanigheid van een rechtspersoon heeft, niet voor het Hof in rechte kan treden. Ten aanzien van het eerste middel A.2.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en in het licht van artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de preambule van het Verdrag inzake de rechten van het kind en van artikel 6, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoekende partijen verwijten de bestreden wet in hoofdzaak dat ze het recht op leven aantast van het ongeboren kind, dat een levend en menselijk wezen is dat, volgens hen, op absolute wijze het recht op leven en het recht op menselijke waardigheid geniet, dat wordt gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet. Door in sommige omstandigheden de bescherming af te schaffen die het strafrecht biedt, is de wetgever niet tegemoetgekomen aan zijn plicht om het leven te beschermen, terwijl artikel 348 van het Strafwetboek dat leven wel beschermt door iedere persoon te straffen die een vrouw zonder haar toestemming tot abortus heeft gedwongen. 4 De verzoekende partijen zijn van mening dat er geen uitzondering mag bestaan op het recht op leven, tenzij dat recht in strijd is met het recht op leven van een ander menselijk wezen, in het bijzonder zijn moeder. Ze leiden eveneens een argument af uit het feit dat, in het kader van hun a contrario interpretatie van artikel 5, § 4, van de wet van 19 december 2003 « betreffende het Europees aanhoudingsbevel », een zwangerschapsafbreking die wordt uitgevoerd buiten de voorwaarden bepaald in artikel 2 van de bestreden wet zou worden aangemerkt als « doodslag ». Ze benadrukken niettemin dat een abortus, ook indien uitgevoerd onder de wettelijk bepaalde voorwaarden, als dusdanig het ongeboren kind zijn hoedanigheid van menselijk wezen niet kan ontnemen. Steunend op de afschaffing van de doodstraf in België en in sommige andere landen en op het absolute verbod op de doodstraf voor zwangere vrouwen, dat is vastgelegd in artikel 6, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, leiden zij daaruit af dat het niet logisch is te aanvaarden dat er een einde wordt gemaakt aan het leven van een ongeboren kind. Zij betwisten dat het opportuun zou zijn dat de wetgever in ethische kwesties over een ruime beoordelingsmarge beschikt en ze stellen dat een staat niet rechtmatig zou kunnen kiezen of het ongeboren kind al dan niet als een persoon wordt beschouwd, en aldus of zijn leven al dan niet wordt beschermd. A.2.2. De Ministerraad maakt twee voorafgaande opmerkingen : de bestreden wet werd aangenomen na een lang parlementair debat over een ethische kwestie, wat keuzes van politieke aard inhoudt. Verder heeft het beroep niet alleen tot doel de bestreden wet aan te vechten, maar meer fundamenteel de toelating van abortus waarin is voorzien sinds de aanneming van de wet van 3 april 1990 « betreffende de zwangerschapsafbreking, tot wijziging van de artikelen 348, 350, 351 en 352 van het Strafwetboek en tot opheffing van artikel 353 van hetzelfde Wetboek », opnieuw in vraag te stellen. De Ministerraad stelt dat er nooit is erkend, noch op nationaal noch op internationaal niveau, dat een ongeboren kind een « recht op leven » geniet, wat inzonderheid wordt bevestigd in de rechtspraak van het Hof en in die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Hetzelfde geldt voor het recht op menselijke waardigheid van het ongeboren kind. Het is in die context dat een goed evenwicht moet worden gezocht tussen de rechten van de vrouw op gezondheid, privéleven en zelfbeschikking en, indien ze erkend zouden worden, het recht op leven en op menselijke waardigheid van het ongeboren kind. Met betrekking tot de bescherming die wordt geboden door het strafrecht, benadrukt de Ministerraad dat het feit dat hij die een vruchtafdrijving veroorzaakt bij een vrouw die daarin heeft toegestemd, buiten de voorwaarden bepaald in artikel 2 van de bestreden wet, en de vrouw die opzettelijk een vruchtafdrijving laat verrichten buiten diezelfde voorwaarden, worden bestraft, verscheidene doelstellingen weergeeft. Het gaat erom ervoor te zorgen dat de voorwaarden van artikel 2 van de bestreden wet worden nageleefd, namelijk de zwangere vrouw beschermen tegen haar eigen beslissingen en het ongeboren kind beschermen. In die context is het logisch de vrouw te bestraffen die haar zwangerschap afbreekt buiten de wettelijke voorwaarden, terwijl ze over een voldoende lange termijn beschikte om dat te doen en over een wettelijk kader dat haar begeleiding bood bij haar wens de zwangerschap af te breken. Het is ook logisch dat de persoon die haar daarbij helpt, bestraft wordt. Uit die strafrechtelijke sancties kan dus niet eenvoudigweg worden afgeleid dat de wetgever als dusdanig zou hebben erkend dat het ongeboren kind een recht op leven heeft. Het eerste middel is niet gegrond. A.2.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » benadrukken, enerzijds, dat het beroep in werkelijkheid ertoe strekt het principe zelf van de zwangerschapsafbreking in vraag te stellen en, anderzijds, dat de wet slechts een keuze biedt : geen enkele vrouw wordt gedwongen tot een zwangerschapsafbreking. Ze stellen vervolgens dat het, in de huidige stand van het recht, niet mogelijk is om het recht op leven te erkennen vanaf de conceptie. Er moet een vrije keuze geboden worden aan de vrouw die een zwangerschapsafbreking wil laten uitvoeren in waardige en veilige gezondheidsomstandigheden. Ze verwijzen naar verscheidene bronnen van het internationale recht. 5 Ze zijn eveneens van mening dat de verzoekende partijen zich baseren op verkeerde en overdreven interpretaties van de strafwet, die niet verenigbaar zijn met het beginsel van restrictieve interpretatie van het strafrecht. Ze kunnen evenmin instemmen met de a contrario redenering van de verzoekende partijen van de wet van 19 december 2003 « betreffende het Europees aanhoudingsbevel ». Het eerste middel is niet gegrond. A.2.4. De vzw « Société Médicale Belge de Saint-Luc / Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas » bevestigt de nauwgezetheid en de wetenschappelijke exactheid van de uiteenzettingen van de verzoekende partijen, waaruit blijkt dat het levende wezen dat de zwangere vrouw in zich draagt, niets anders dan een menselijk wezen is. De tussenkomende vereniging bevestigt dat een adequaat preventiebeleid ervoor zou kunnen zorgen dat geen beroep moet worden gedaan op een wet die abortus toestaat. A.2.5. In zijn memorie van wederantwoord stelt de Ministerraad dat de verzoekende partijen het begrip menselijk wezen en dat van persoon in de juridische betekenis van het woord verwarren. Indien een Staat het ongeboren kind de status van persoon zou toekennen, zou hij ook de plicht hebben het een gepaste basisbescherming te bieden. Dat is te dezen niet het geval. Ten aanzien van het tweede middel A.3.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 4, 5 en 10 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en in het licht van de artikelen 1 en 3, lid 2, b), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 2, 6 en 17 van de Universele Verklaring inzake het menselijk genoom en de mensenrechten. De verzoekende partijen stellen dat artikel 2, 5°, van de bestreden wet in strijd is met het verbod op eugenetische praktijken, dat voortvloeit uit de gezamenlijke toepassing van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie, het recht op leven en het recht op menselijke waardigheid, in zoverre dat artikel het mogelijk maakt een einde te maken aan het leven van ongeboren kinderen met een handicap. Ze voegen eraan toe dat niets kan verantwoorden dat er een einde wordt gemaakt aan het leven van een menselijk wezen, wiens recht op leven en op waardigheid volledig los staat van de ernstige en ongeneeslijke aandoening waaraan het lijdt. Door het verbod op doden op te heffen, moedigt de wetgever noodzakelijkerwijs de medische zwangerschapsafbreking aan, waardoor de bestreden wet uiteindelijk hetzelfde effect heeft als een wet die de medische zwangerschapsafbreking verplicht maakt. Ze herinneren eraan dat niet alleen de waarborg van het recht op leven, maar ook artikel 3, lid 2, b), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie eugenetische praktijken zou verbieden, want, hoewel het niet van toepassing is te dezen, zou dat artikel gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, waaronder België, weergeven. De verzoekende partijen zijn van mening dat de bestreden bepaling in strijd is met artikel 2 van de Universele Verklaring inzake het menselijk genoom en de mensenrechten, dat stelt dat elk individu recht heeft op eerbiediging van zijn waardigheid en zijn rechten ongeacht zijn genetische kenmerken, en dat het unieke karakter van elk individu moet worden geëerbiedigd. Artikel 6 van die Verklaring wordt eveneens geschonden in zoverre het bepaalt dat niemand op grond van zijn genetische kenmerken mag worden gediscrimineerd met het doel of gevolg dat zijn individuele rechten en fundamentele vrijheden en de erkenning van zijn waardigheid worden aangetast. Ten slotte stellen ze zich vragen bij de inachtneming van artikel 17 van die Verklaring, dat bepaalt dat de Staten actieve solidariteit tussen individuen zouden moeten eerbiedigen en bevorderen. De verzoekende partijen baseren hun argumentatie ook op de artikelen 4, 5 en 10 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, die hun grondrechten garanderen en iedere discriminatie ten aanzien van hen verbieden. Zich baserend op twee aanbevelingen van het Comité voor de rechten van personen met een handicap beweren ze dat het ongeboren kind dat een handicap heeft, dezelfde bescherming moet genieten als het ongeboren kind dat in goede gezondheid verkeert. Ten slotte zijn zij van mening dat, indien zou worden geoordeeld dat de bestreden bepaling niet het verbod op eugenetische praktijken schendt, zij wel de andere in het middel beoogde bepalingen schendt. 6 A.3.2. De Ministerraad stelt dat het tweede middel niet gegrond is. In de eerste plaats bestaat er geen juridische definitie van het begrip eugenetische praktijken. Vervolgens strekt de bestreden wet noch ertoe een selectiesysteem voor personen te organiseren noch de zwangerschapsafbreking aan te moedigen en ten slotte verplicht te stellen. De Universele Verklaring inzake het menselijk genoom en de mensenrechten is geen bron in het licht waarvan het Hof een grondwettigheidscontrole kan uitoefenen. Hetzelfde geldt wat betreft het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, aangezien een ongeboren kind met een handicap niet gelijk is aan een persoon met een handicap. Voor zover de bestreden bepaling afbreuk doet aan een grondrecht is ze redelijkerwijs verantwoord. Het is verantwoord dat een zwangere vrouw geen termijn opgelegd krijgt om de belangrijke beslissing te nemen of zij de uitdaging aangaat een kind met een zware handicap op te voeden. De cijfers die de verzoekende partijen aanhalen, volgens welke « een positieve diagnose van trisomie 21 in de prenatale periode in 95,5 % van de gevallen tot zwangerschapsafbreking leidt », tonen alleen maar aan hoe belangrijk het is dat de potentiële toekomstige ouders zich klaar voelen om de uitdaging aan te gaan ouder te worden van een kind met een zware en ongeneeslijke handicap. Het is absoluut noodzakelijk dat het voornemen dat werkelijkheid wordt, goed doordacht is, ten volle gewenst is en met volle kennis van zaken wordt aanvaard. De realisatie ervan vereist immers een bijzondere betrokkenheid en een nog sterker engagement dan bij het verwelkomen en opvoeden van een gezond kind. A.3.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » betogen eveneens dat het middel niet gegrond is, aangezien de bepalingen die in het middel worden aangevoerd, slechts betrekking hebben op geboren personen die als dusdanig het recht op leven genieten, en niet op ongeboren kinderen. Voorts strekken meer recente internationale verbintenissen van België en de Europese Unie ertoe een wettelijk kader voor de zwangerschapsafbrekingen te verankeren. In meer ondergeschikte orde zien de tussenkomende partijen niet in welk opzicht de bestreden bepaling zou indruisen tegen de menselijke waardigheid. Integendeel, ze maakt het mogelijk om de doeltreffendheid van het recht op waardigheid van vrouwen die zwanger zijn, te waarborgen. Het begrip « eugenetische praktijken » is evenmin gedefinieerd. Overigens is er geen rechtstreeks verband tussen de kwestie van de niet-invasieve prenatale test en de bestreden bepaling. A.3.4. De verzoekende partijen antwoorden dat een wets- of verdragsbepaling niet afhankelijk is van de voorafgaande definitie van de termen die worden gebruikt in de bepaling. Dat geldt volgens hen voor « eugenetische praktijken ». Ze zijn ook verbaasd dat de Ministerraad niet erkent dat ongeboren kinderen personen zijn. Ten aanzien van het derde middel A.4.1. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen zijn van mening dat artikel 2, 7°, van de bestreden wet het recht op vrijheid van geweten van de artsen schendt, in zoverre het hen verplicht indirect mee te werken aan een vrijwillige zwangerschapsafbreking. Ze zijn van mening dat te dezen niet voldaan is aan de voorwaarden om een inmenging in de vrijheid van geweten te aanvaarden; de verplichting die aan artsen wordt opgelegd om door te verwijzen naar een collega wanneer zij zelf weigeren de zwangerschapsafbreking uit te voeren, zou bijdragen tot de marginalisering in de samenleving van zij die vinden dat abortus geen oplossing is voor een ongeplande zwangerschap. Die verplichting beantwoordt niet aan een dwingende maatschappelijke behoefte, is niet noodzakelijk in een democratische samenleving en doet afbreuk aan het pluralisme dat eigen is aan die samenleving. 7 A.4.2. De Ministerraad stelt dat de wetgever erover heeft gewaakt de vrijheid van geweten van de artsen in acht te nemen. Artikel 2, 7°, van de bestreden wet bepaalt dat « geen arts, geen verpleger of verpleegster, geen lid van het paramedisch personeel kan gedwongen worden medewerking te verlenen aan een zwangerschapsafbreking ». De wetgever heeft dus het recht op vrijheid van geweten van de arts willen erkennen en respecteert altijd diens wil om zelf geen abortus uit te voeren. De Ministerraad herinnert eraan dat bepaalde beperkingen van de vrijheid van geweten zijn toegestaan, op voorwaarde dat ze zijn vastgelegd in de wet (wat in dit geval niet wordt betwist), dat ze een legitiem doel nastreven en dat ze noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Te dezen werd de bestreden wet aangenomen om het recht van vrouwen om vrij over hun lichaam te beschikken en een zwangerschapsafbreking te laten uitvoeren indien zij dat nodig achten, beter te beschermen. Zowel de wet als de bestreden bepaling beantwoorden aan een doelstelling van volksgezondheid, door vrouwen in staat te stellen zonder risico een abortus te ondergaan. Dat is een legitiem doel. De bestreden bepaling brengt overigens een goed evenwicht tot stand tussen de belangen van, enerzijds, de arts en, anderzijds, de vrouw die een zwangerschapsafbreking wil laten uitvoeren. De wens van de arts om niet mee te werken aan de zwangerschapsafbreking wordt gerespecteerd, in het kader van zijn recht op vrijheid van geweten dat hem is toegekend, aangezien hij geen enkele verplichting heeft de medische handeling uit te voeren. Er wordt echter ook rekening gehouden met het recht van de vrouw op gezondheid, waaronder het recht om doorverwezen te worden naar een arts die haar kan helpen. Het derde middel is niet gegrond. A.4.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » besluiten dat het derde middel niet gegrond is. De tussenkomende partijen zijn van mening dat de keuze van de vrouw die een zwangerschapsafbreking wil laten uitvoeren, gerespecteerd moet worden. Als haar vertrouwde arts weigert een abortus uit te voeren zonder haar te informeren over de andere oplossingen, zou dat de wettelijke zwangerschapsafbreking in de feiten onmogelijk kunnen maken. De vrouw, die zich in een ernstige noodsituatie kan bevinden, moet snel over relevante informatie kunnen beschikken. In die context is de verplichting die aan de arts wordt opgelegd om de contactgegevens van een andere arts, een centrum voor zwangerschapsafbreking of een ziekenhuisdienst te bezorgen, onontbeerlijk en evenredig bij het zoeken naar een evenwicht tussen de rechten van de vrouw die een abortus wil en de gewetensvrijheid van de arts. A.4.4. De vzw « Société Médicale Belge de Saint-Luc / Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas » is het volledig eens met het standpunt van de verzoekende partijen, in zoverre zij aanvoeren dat artikel 2, 7°, van de bestreden wet het recht op vrijheid van geweten van de artsen ernstig aantast. De tussenkomende partij betreurt dat het Parlement niet is ingegaan op de bezwaren die tijdens de parlementaire debatten voorafgaand aan de goedkeuring van de voormelde wet van 3 april 1990 werden opgeworpen in verband met de verplichting de patiënte door te verwijzen naar een collega. Niets verantwoordt thans een andere beoordeling van de vrijheid van geweten van artsen. Om te besluiten herinnert ze aan de eed die haar leden hebben afgelegd wanneer ze toegang krijgen tot het beroep van arts. Ten aanzien van het vierde middel A.5.1. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en van artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Artikel 2, 7°, van de bestreden wet, bepaalt dat « geen arts, geen verpleger of verpleegster, geen lid van het paramedisch personeel kan gedwongen worden medewerking te verlenen aan een zwangerschapsafbreking », maar zegt niets over de apothekers. Abortussen aan het begin van de zwangerschap worden meestal voltrokken door middel van geneesmiddelen (of het nu gaat om de morning-afterpil, die verkrijgbaar is bij voor het publiek opengestelde apotheken, of om een vruchtafdrijvend geneesmiddel dat door een ziekenhuisapotheker wordt afgeleverd). 8 De verzoekende partijen voeren derhalve een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de apothekers anders behandeld zouden worden dan de dokters, verplegers en verpleegsters en het paramedisch personeel. Bovendien garandeert die bepaling niet het recht op vrijheid van geweten van de apothekers. A.5.2. De Ministerraad is van mening dat de door de verzoekende partijen beoogde categorieën niet vergelijkbaar zijn. De wet beschermt inderdaad de vrijheid van geweten van de artsen die de zwangerschapsafbreking daadwerkelijk moeten uitvoeren en apothekers bevinden zich niet in dat geval. Wat de schending van de vrijheid van geweten betreft verwijst de Ministerraad naar een beslissing van het Europees Hof voor de rechten van de mens (Pichon en Sajous/Frankrijk van 2 oktober 2001), waarin het Hof erkent dat, wanneer de verkoop van een product legaal is, de apothekers zich niet kunnen beroepen op hun vrijheid van geweten om de aflevering van het geneesmiddel te weigeren. De Ministerraad beweert ook dat de vergelijking die de verzoekende partijen maken met het recht op euthanasie te dezen niet relevant is. Het recht op euthanasie heeft betrekking op de afgifte van een geneesmiddel dat het mogelijk maakt het leven van een levend persoon te beëindigen, wat niet de situatie is van een embryo, waaraan nooit een recht op leven is toegekend. Het vierde middel is niet gegrond. A.5.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » vragen zich af welk belang de verzoekende partijen hebben bij hun kritiek, aangezien geen van hen apotheker is. De aangeklaagde discriminatie vindt niet haar oorsprong in het artikel waarvan de vernietiging wordt gevraagd, maar wel in het ontbreken van een gelijkwaardige bepaling die geldt voor apothekers. Er zou dus een optreden van de wetgever nodig zijn om de grondwettigheid te herstellen, zodat het Hof dit middel moet verwerpen. Ten slotte genieten ook de apothekers een « gewetensclausule », vastgelegd in artikel 32 van hun deontologische code. Het middel berust dus op de verkeerde premisse dat de apothekers niet dezelfde gewetensclausule zouden genieten. De deontologische gewetensclausule die op hen van toepassing is, is eenvoudigweg niet weergegeven in de bestreden wet, zoals die van de artsen dat is. Die situatie heeft echter geen nadelige gevolgen voor de apothekers en nog minder voor de verzoekende partijen. Het vierde middel is niet gegrond. A.5.4. Om redenen die vergelijkbaar zijn met de redenen die worden vermeld in het derde middel, is de vzw « Société Médicale Belge de Saint-Luc / Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas » van mening dat het recht op vrijheid van geweten aan de apothekers moet worden gewaarborgd. Die omissie is des te onbegrijpelijker daar artikel 11 van de Grondwet de wetgever een positieve verplichting oplegt om de rechten en vrijheden van ideologische en filosofische minderheden te waarborgen. Apothekers die zich tegen abortus verzetten, vormen, net als de artsen die ertegen zijn, een dergelijke ideologische of filosofische minderheid. Ten aanzien van het vijfde middel A.6.1. De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7, lid 1, en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 9 In het eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 3, tweede lid, van de bestreden wet het recht op vrije meningsuiting schendt dat wordt gegarandeerd door artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het bepaalt dat hij die probeert te verhinderen dat een vrouw vrije toegang heeft tot een instelling voor gezondheidszorg die zwangerschapsafbrekingen uitvoert, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar en tot een geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro. Het strafrechtelijk bestraffen van iemand die probeert een zwangere vrouw die zich naar een instelling voor abortus wil begeven, te overtuigen om af te zien van haar voornemen, is geen van de dwingende maatschappelijke behoeften die worden genoemd in artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en is niet nodig in een democratische samenleving. De verzoekende partijen zijn van mening dat verhinderen dat mensen « zich uiten » afbreuk doet aan het pluralisme dat een wezenlijk onderdeel is van elke democratische samenleving. In het tweede onderdeel voeren ze aan dat dezelfde bepaling eveneens het beginsel van de wettelijkheid van de tenlasteleggingen bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt. De bestreden bepaling voldoet niet aan de vereiste van nauwkeurigheid, duidelijkheid en rechtszekerheid die wordt opgelegd door de Europese rechtspraak. Uit de toelichting voorafgaand aan het wetsvoorstel blijkt dat het de bedoeling is de persoon te bestraffen die fysiek probeert te verhinderen dat een vrouw toegang krijgt tot een verzorgingsinstelling die zwangerschapsafbrekingen uitvoert. Er heerst dus onzekerheid over welk gedrag strafbaar is. A.6.2. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partijen uitgaan van een verkeerde lezing van de bestreden bepaling. Het doel van artikel 3, tweede lid, is immers niet strafrechtelijke vervolging in te stellen tegen iemand die probeert een zwangere vrouw te overtuigen haar zwangerschap niet af te breken. Het gaat erom al wie probeert te verhinderen dat een vrouw vrije toegang heeft tot een instelling die zwangerschapsafbrekingen uitvoert, strafrechtelijk te vervolgen. De parlementaire voorbereiding is duidelijk hieromtrent. Er wordt evenmin op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de vrijheid van meningsuiting. De bestreden bepaling komt tegemoet aan een dwingende maatschappelijke behoefte, zelfs aan verscheidene dwingende maatschappelijke behoeften die worden opgesomd in lid 2 van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het strafrechtelijk bestraffen van een persoon die fysiek probeert te verhinderen dat een zwangere vrouw toegang krijgt tot een instelling om haar zwangerschap te laten afbreken, is in een democratische samenleving een noodzakelijke maatregel ter vrijwaring van de openbare orde, ter bescherming van de gezondheid of de goede zeden en ter bescherming van de rechten van anderen, namelijk die van de zwangere vrouw. Met betrekking tot het tweede onderdeel is de Ministerraad van mening dat de verzoekende partijen aan de bestreden bepaling een draagwijdte toekennen die ze niet heeft. Hun interpretatie gaat in tegen de tekst en gaat voorbij aan de inhoud van de parlementaire voorbereiding, die de bepaling kon verduidelijken, ook al is dat strikt genomen niet nodig. Bovendien interpreteren de rechters de wet, met name op basis van de parlementaire voorbereiding, die te dezen de inhoud van de wet alleen maar verduidelijkt. Het vijfde middel is niet gegrond, zo besluit de Ministerraad. A.6.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » stellen, naar het voorbeeld van de Ministerraad en om dezelfde redenen, dat het eerste onderdeel van het middel uitgaat van een verkeerde lezing van de bestreden bepaling. De tussenkomende partijen hebben in wezen hetzelfde standpunt als de Ministerraad met betrekking tot het tweede onderdeel en concluderen eveneens dat het vijfde middel ongegrond is. Ten aanzien van het zesde middel A.7.1. De verzoekende partijen leiden een zesde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 10 De opheffing van het verbod op publiciteit voor vruchtafdrijvende middelen druist in tegen het recht op leven. Die opheffing zal tot gevolg hebben bij te dragen tot de banalisering en de commercialisering van abortus en afbreuk doen aan de wettelijke bescherming van het leven van het ongeboren kind. Zij voeren bijgevolg een schending van het recht op leven aan. A.7.2. De Ministerraad is in de eerste plaats van mening dat, gesteld dat een zeker recht op leven moet worden toegekend aan het ongeboren kind, de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht de opheffing van het verbod op publiciteit voor vruchtafdrijvende geneesmiddelen zou leiden tot een schending van dat recht. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is van oordeel dat artikel 2, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens de Staat ertoe dwingt zich te onthouden van het opzettelijk en wederrechtelijk veroorzaken van de dood, maar hem er ook toe verplicht om de nodige maatregelen te nemen om het leven te beschermen van de personen die onder zijn jurisdictie vallen. Op het gebied van de gezondheidszorg schrijft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overigens voor dat de lidstaten een regelgevend kader moeten vastleggen dat zowel particuliere als openbare ziekenhuizen ertoe verplicht maatregelen te nemen om het leven van de zieken te beschermen. De verzoekende partijen tonen niet aan in welk opzicht de opheffing van het verbod op publiciteit rechtstreekse gevolgen kan hebben voor het recht op leven van het ongeboren kind. De handhaving van dat verbod zal geenszins een beperking van het aantal abortussen tot gevolg hebben. In de parlementaire voorbereiding wordt herhaaldelijk onderstreept dat het aantal uitgevoerde abortussen niet beïnvloed wordt door het legale of illegale karakter ervan. Het wettelijke karakter maakt het alleen mogelijk dat de abortus in de best mogelijke omstandigheden gebeurt, zowel vanuit medisch, sociaal als psychologisch oogpunt. Voor het overige waren de geschrapte bepalingen bijzonder restrictief, zelfs in die mate dat ze tot gevolg hadden dat het merendeel van de ziekenhuizen en centra waar zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, in de illegaliteit belandden. De opheffing van dat verbod kwam veeleer voort uit de behoefte aan informatieverstrekking dan uit de wil publiciteit te maken in de commerciële zin van het woord. De Ministerraad merkt ook op dat publiciteit voor farmaceutische producten sterk gereglementeerd is, wat ertoe strekt een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen en tot doel heeft te streven naar een rationeel gebruik van geneesmiddelen. De opheffing van het verbod op publiciteit blijft dus evenredig. Het zesde middel is niet gegrond. A.7.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » verwijzen naar de uiteenzetting die het eerste middel (recht op leven) en het derde middel (recht op toegang tot informatie) weerlegt. De tussenkomende partijen zijn van mening dat de opheffing van het verbod op iedere vorm van publiciteit voor vruchtafdrijvende middelen een effectieve uitoefening van het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, dat is vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, mogelijk maakt. Om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in antwoord op het eerste en het derde middel, is het zesde middel ongegrond. Ten aanzien van het zevende middel A.8.1. De verzoekende partijen leiden, in ondergeschikte orde, een zevende middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In uiterst ondergeschikte orde, indien het Hof het eerste middel verwerpt, stellen ze dat de wetgever het billijke evenwicht heeft verbroken tussen het recht op leven van het ongeboren kind en het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw, dat hij had ingevoerd met de aanneming van de wet van 3 april 1990. Die verbreking van het evenwicht volgt uit een combinatie van verschillende elementen. 11 Ze vloeit in de eerste plaats voort uit de afschaffing van de wettelijke voorwaarde van de « noodsituatie » van de zwangere vrouw, die voordien vereist was in artikel 350 van het Strafwetboek. Volgens de verzoekende partijen stelde het bestaan van die wettelijke voorwaarde de zwangere vrouw in staat na te denken over haar situatie door ze te objectiveren in een gesprek met haar arts. De afschaffing van die voorwaarde betekent dat er een moment van reflectie en objectivering met een derde persoon (de arts) verdwijnt, wat in dat kader leidt tot de « banalisering van abortus ». Dat zal leiden tot een stijging van het aantal vrouwen dat spijt krijgt van de zwangerschapsafbreking en dus een stijging van het aantal « verloren levens ». Vervolgens, door de echtgenoot of partner, bloedverwant, vriend of vriendin van een zwangere vrouw die naar een instelling wil gaan voor een abortus, te bestraffen wanneer die persoon de zwangere vrouw mondeling of schriftelijk, bijvoorbeeld door middel van een sms of een e-mail, tracht te overtuigen om af te zien van haar voornemen, verhindert de wetgever volgens de verzoekende partijen dat de abortus in vraag wordt gesteld, draagt hij bij tot de banalisering ervan en doet hij afbreuk aan de wettelijke bescherming van het leven van het ongeboren kind. Ten slotte, door het verbod op te heffen op publiciteit voor geneesmiddelen die tot doel hebben een zwangerschapsafbreking te veroorzaken en voor de andere vruchtafdrijvende middelen, heeft de wetgever een « essentiële barrière die beschermde tegen de commercialisering van abortus » weggenomen. De verzoekende partijen zijn overigens van mening dat de bestreden wet indruist tegen de doelstelling van de wet van 13 augustus 1990 « houdende oprichting van een commissie voor de evaluatie van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking, tot wijziging van de artikelen 348, 350, 351 en 352 van het Strafwetboek en tot opheffing van artikel 353 van hetzelfde Wetboek », die niet is opgeheven en waarvan een van de doelstellingen was het aantal zwangerschapsafbrekingen te verminderen. Zij verzoeken het Hof derhalve de hele bestreden wet te vernietigen, met inbegrip van de bepalingen tot intrekking of tot wijziging van de artikelen 350, 351, 352 en 383 van het Strafwetboek. A.8.2. De Ministerraad merkt op dat de verzoekende partijen zich vergissen als ze van mening zijn dat de noodsituatie, die voordien vereist werd in artikel 350 van het Strafwetboek, de zwangere vrouw in staat stelde na te denken over haar situatie door ze te objectiveren in een gesprek met haar arts en dat de afschaffing van die voorwaarde leidt tot een banalisering van abortus. De bestreden wet legt in artikel 2, 3°, ervan nog altijd een bedenktermijn van zes dagen na de eerste raadpleging op en de arts heeft nog altijd de plicht de vrouw uitvoerig voor te lichten en in gesprek met haar te treden. De Ministerraad herinnert ook eraan dat de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa heeft aangegeven dat de wettelijkheid van abortus geen invloed heeft op de behoefte van de vrouw te kiezen voor abortus, maar alleen op haar toegang tot een abortus zonder risico en dat een verbod op abortus niet leidt tot een vermindering van het aantal abortussen : dat leidt alleen tot clandestiene abortussen, die traumatischer zijn, en draagt bij tot de toename van de moedersterfte. Voor het overige wordt verwezen naar de argumenten die werden uiteengezet bij het eerste, vijfde en zesde middel. Het zevende middel is niet gegrond, zo besluit de Ministerraad. A.8.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » betogen in de eerste plaats dat de noodsituatie geen « objectief » element is dat de vrouw helpt een beslissing te nemen en na te denken over haar keuze. Het gaat integendeel om een zuiver subjectief begrip. De afschaffing van de voorwaarde van de noodsituatie heeft tot doel vrouwen die kiezen voor abortus, niet te stigmatiseren. Verscheidene deskundigen die werden gehoord in het kader van de parlementaire voorbereiding, drongen overigens aan op afschaffing van dat begrip, met name vanwege het vage, subjectieve en paternalistische karakter ervan. Vervolgens blijkt uit de weerlegging van het vijfde middel dat het iedereen uiteraard vrij staat zijn standpunt uiteen te zetten, vragen te stellen of nog vrouwen trachten ervan te overtuigen af te zien van abortus. De vrees van de verzoekende partijen is dus ongegrond. 12 Er werd ook aan herinnerd dat de opheffing van het verbod op « publiciteit » erop gericht is het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op zelfbeschikking van de vrouwen nog effectiever te maken. De tussenkomende partijen zien niet in welk opzicht dat doel de in het middel aangevoerde bepalingen zou schenden, de verzoekende partijen ongunstig zou raken en abortus zou « banaliseren », zodat vrouwen vaker ervoor zouden kiezen. Meer algemeen kunnen de tussenkomende partijen moeilijk aanvaarden dat de verzoekende partijen veronderstellen welke keuze de vrouwen zullen maken indien ze geconfronteerd worden met de mogelijkheid om al dan niet over te gaan tot zwangerschapsafbreking, of veronderstellen dat ze die keuze op een ondoordachte manier zullen maken. Het zevende middel is niet gegrond, zo besluiten de tussenkomende partijen. A.8.4. Met betrekking tot het zevende middel deelt de vzw « Société Médicale Belge de Saint- Luc / Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas » de mening van de verzoekende partijen en ze betreurt dat de wetgever de noodsituatie als voorwaarde heeft afgeschaft. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.1. De wet van 15 oktober 2018 « betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen » (hierna : de bestreden wet) wijzigt onder meer de wetgeving inzake zwangerschapsafbreking, die voorheen geregeld was in de artikelen 348 en volgende van het Strafwetboek. B.1.2. De bestreden wet bepaalt onder meer het volgende : « HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden en procedure Art. 2. De zwangere vrouw mag een arts verzoeken om haar zwangerschap af te breken onder de volgende voorwaarden : 1° De zwangerschapsafbreking moet :

  1. a)onverminderd de bepalingen onder 3° en onder 5°, plaatsvinden voor het einde van de twaalfde week na de bevruchting; 13
  2. b)onder medisch verantwoorde omstandigheden door een arts worden verricht in een instelling voor gezondheidszorg waaraan een voorlichtingsdienst is verbonden die de zwangere vrouw opvangt en haar omstandig inlicht inzonderheid over de rechten, de bijstand en de voordelen, bij wet en decreet gewaarborgd aan de gezinnen, aan de al dan niet gehuwde moeders en hun kinderen, alsook over de mogelijkheden om het kind dat geboren zal worden te laten adopteren; en die, op verzoek van de arts of van de vrouw, haar hulp en raad geeft over de middelen waarop zij een beroep zal kunnen doen voor de oplossing van de psychologische en maatschappelijke problemen welke door haar toestand zijn ontstaan. 2° De arts tot wie een vrouw zich wendt om haar zwangerschap te laten afbreken, moet :
  3. a)de vrouw inlichten over de onmiddellijke of toekomstige medische risico's waaraan zij zich blootstelt door het afbreken van de zwangerschap;
  4. b)de verschillende opvangmogelijkheden voor het kind dat geboren zal worden in herinnering brengen en, in voorkomend geval, een beroep doen op het personeel van de voorlichtingsdienst bedoeld in de bepaling onder 1°, b), om de daar bepaalde hulp en raad te geven;
  5. c)zich vergewissen van de vaste wil van de vrouw om haar zwangerschap te laten afbreken. De appreciatie over de vaste wil van de zwangere vrouw, op basis waarvan de arts aanvaardt de ingreep uit te voeren, kan niet meer worden aangevochten indien is voldaan aan de in dit artikel bepaalde voorwaarden. 3° De arts kan de zwangerschapsafbreking niet eerder verrichten dan zes dagen na de eerste raadpleging, behoudens indien er voor de vrouw een dringende medische reden bestaat om de zwangerschapsafbreking te bespoedigen. Indien de eerste raadpleging plaatsvindt minder dan zes dagen voor het einde van de termijn bedoeld in de bepaling onder 1°, a), wordt deze termijn verlengd prorata het aantal niet verstreken dagen van de termijn van zes dagen. Indien de laatste dag van die verlenging evenwel op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag valt, kan de zwangerschapsafbreking op de eerstvolgende werkdag worden verricht. 4° De ingreep kan pas worden uitgevoerd nadat de vrouw, de dag van de ingreep, schriftelijk te kennen heeft gegeven dat ze vastbesloten is de ingreep te ondergaan. Deze verklaring moet bij het medisch dossier worden gevoegd. 5° Na de termijn van twaalf weken, desgevallend verlengd overeenkomstig 3°, kan de zwangerschap onder de voorwaarden bepaald in de bepalingen onder 1°, b), en 2° tot 4°, slechts vrijwillig worden afgebroken, indien het voltooien van de zwangerschap een ernstig gevaar inhoudt voor de gezondheid van de vrouw of indien vaststaat dat het kind dat geboren zal worden, zal lijden aan een uiterst zware kwaal die als ongeneeslijk wordt erkend op het ogenblik van de diagnose. In dat geval moet de arts tot wie de vrouw zich heeft gewend, de medewerking vragen van een tweede arts, wiens advies bij het dossier wordt gevoegd. 6° De arts of een andere bevoegde persoon van de instelling voor gezondheidszorg waar de ingreep is verricht, moet aan de vrouw de nodige voorlichting verstrekken inzake contraceptiva. 14 7° Geen arts, geen verpleger of verpleegster, geen lid van het paramedisch personeel kan gedwongen worden medewerking te verlenen aan een zwangerschapsafbreking. De aangezochte arts is gehouden de vrouw bij haar eerste bezoek in kennis te stellen van zijn weigering. Hij vermeldt in dat geval de contactgegevens van een andere arts, van een centrum voor zwangerschapsafbreking of van een ziekenhuisdienst waar ze terecht kan met een nieuw verzoek tot zwangerschapsafbreking. De arts die de vrijwillige afbreking weigert uit te voeren, stuurt het medisch dossier door naar de nieuwe arts die de vrouw raadpleegt. HOOFDSTUK 3. – Strafbepaling Art. 3. Hij die een vruchtafdrijving veroorzaakt bij een vrouw die daarmee heeft toegestemd, buiten de voorwaarden bepaald in artikel 2, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar en tot een geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro. Hij die probeert te verhinderen dat een vrouw vrije toegang heeft tot een instelling voor gezondheidszorg die vrijwillige zwangerschapsafbrekingen uitvoert, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar en tot een geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro. De vrouw die opzettelijk een vruchtafdrijving laat verrichten buiten de voorwaarden bepaald in artikel 2, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van vijftig euro tot tweehonderd euro. Wanneer de middelen, gebruikt met het oogmerk om vruchtafdrijving te verwekken, de dood tot gevolg hebben, wordt hij die ze met dat oogmerk heeft aangewend of aangewezen, veroordeeld tot opsluiting van vijf jaar tot tien jaar indien de vrouw daarin weliswaar heeft toegestemd doch de ingreep werd verricht buiten de voorwaarden bepaald in artikel 2. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de in deze wet bedoelde misdrijven. […] HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Strafwetboek Art. 5. De artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, vervangen bij de wet van 3 april 1990 en gewijzigd bij de wet van 26 juni 2000, worden opgeheven. Art. 6. Artikel 352 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 januari 2003, wordt vervangen als volgt : ‘ Art. 352. Wanneer de middelen, gebruikt met het oogmerk om vruchtafdrijving te verwekken bij een vrouw die er niet in heeft toegestemd, de dood tot gevolg hebben, wordt hij die ze met dat oogmerk heeft aangewend of aangewezen, veroordeeld tot opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar. ’. 15 Art. 7. In artikel 383 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 juni 2000, worden de zinnen ‘ Hij die, hetzij door het tentoonstellen, verkopen of verspreiden van geschriften, al dan niet gedrukt, hetzij door enig ander publiciteitsmiddel, het gebruik van enig middel om vruchtafdrijving te veroorzaken aanprijst, aanwijzingen verstrekt omtrent de wijze waarop het wordt aangeschaft of gebruikt, of personen die het toepassen, doet kennen met het doel hen aan te bevelen ’ en ‘ Hij die artsenijen of tuigen, speciaal bestemd om vruchtafdrijving te veroorzaken of als zodanig voorgesteld, tentoonstelt, verkoopt, verspreidt, vervaardigt of doet vervaardigen, doet invoeren, doet vervoeren, aan een vervoer- of een distributieagent overhandigt, door enig publiciteitsmiddel bekendmaakt; ’ opgeheven ». B.1.3. De bestreden wet wijzigt de wetgeving op volgende punten : de vrijwillige zwangerschapsafbreking wordt geschrapt in het Strafwetboek en wordt overgeheveld naar een specifieke wet voor de vrijwillige zwangerschapsafbreking, met behoud van strafsancties; het vereiste van « noodsituatie » van de zwangere vrouw wordt geschrapt; de wachttermijn van zes dagen wordt genuanceerd; er wordt een doorverwijsplicht ingevoerd; er wordt voorzien in een nieuw misdrijf voor diegene die een vrouw de vrije toegang verhindert tot een instelling voor gezondheidszorg; en het verbod op publiciteit wordt geschrapt. De bepalingen die betrekking hebben op zwangerschapsafbreking zonder de toestemming van de vrouw blijven in het Strafwetboek behouden (zie de artikelen 348, 349 en 352 van het Strafwetboek). Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.2. De eerste verzoekende partij « Citoyens pour la vie / Burgers voor het leven » is een feitelijke vereniging. Een dergelijke vereniging bezit niet de bekwaamheid om een beroep tot vernietiging bij het Hof in te stellen. De zeven andere verzoekende partijen zijn natuurlijke personen die doen gelden dat de bestreden wet hen rechtstreeks raakt in hun hoedanigheid van gehuwde man, vader of moeder, grootvader of grootmoeder, aangezien zij hun huidige of toekomstige dochters of kleindochters, of, in voorkomend geval, hun echtgenotes, de mogelijkheid biedt om te verzoeken om een zwangerschapsafbreking of aangezien zij de toegang ertoe gemakkelijker maakt. 16 In de mate dat zij de vrijwillige zwangerschapsafbreking regelt, is de bestreden wetgeving van die aard dat zij het familiaal leven van die verzoekende partijen rechtstreeks kan raken. Die verzoekende partijen doen blijken van het vereiste belang. Ten gronde Wat het eerste middel betreft B.3. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en in het licht van artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de preambule van het Verdrag inzake de rechten van het kind en van artikel 6, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoekende partijen betogen in essentie dat door in sommige omstandigheden de strafrechtelijke bescherming op te heffen waarin voor een ongeboren kind is voorzien, de wetgever afbreuk zou hebben gedaan aan het recht van dat ongeboren kind op leven en op menselijke waardigheid. Zij betwisten het feit dat de wetgever in ethische aangelegenheden over een ruime beoordelingsmarge beschikt. B.4. Artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Het recht van eenieder op het leven wordt beschermd door de wet. Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd, tenzij bij wege van tenuitvoerlegging van een vonnis, dat is uitgesproken door een rechtbank, wegens een misdrijf waarop de wet de doodstraf heeft gesteld. 2. De beroving van het leven wordt niet geacht in strijd met dit artikel te zijn geschied, ingeval zij het gevolg is van geweld, dat absoluut noodzakelijk is :
  6. a)ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig geweld;
  7. b)teneinde een rechtmatige arrestatie te verrichten of het ontsnappen van iemand, die op rechtmatige wijze gevangen wordt gehouden, te voorkomen;
  8. c)teneinde, door middel van wettige maatregelen, een oproer of opstand te onderdrukken ». 17 Artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt : « De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd ». Artikel 6, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « De doodstraf mag niet worden opgelegd voor misdrijven die zijn gepleegd door personen beneden de leeftijd van achttien jaar en mag niet worden voltrokken aan zwangere vrouwen ». B.5.1. Noch de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, noch de in het middel aangevoerde internationale bepalingen, bepalen als zodanig dat de mens al vanaf zijn verwekking de bescherming zou genieten die zij waarborgen. Uit de bepalingen van het internationaal verdragsrecht waarop de verzoekende partijen zich beroepen kan in het bijzonder niet worden afgeleid dat de instemming die de Belgische Staat ermee heeft betuigd de grondwettelijke waarborg van identieke rechten voor levende personen en ongeboren kinderen inhoudt. Weliswaar houden sommige bepalingen, die voorkomen in verscheidene verdragen waarop de verzoekende partijen zich beroepen, voor de verdragsluitende staten de verplichting in om maatregelen te nemen waardoor een zwangerschap in optimale omstandigheden normaal tot een eind kan worden gebracht. Bovendien bestaan, meer bepaald in het Belgisch burgerlijk en sociaal recht, wetsbepalingen die de belangen en de gezondheid van het ongeboren kind beschermen vanaf zijn verwekking. Hoewel de verplichting het menselijk leven te eerbiedigen de wetgever verplicht maatregelen te treffen om ook het ongeboren leven te beschermen, kan hieruit nochtans niet worden afgeleid dat de wetgever, op straffe van schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zou verplicht zijn om het geboren en het ongeboren kind op dezelfde wijze te behandelen. 18 Bij haar arrest Vo t. Frankrijk van 8 juli 2004 heeft de grote kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld : « 80. Uit dat overzicht van de rechtspraak blijkt dat in de thans door de organen van het Verdrag onderzochte omstandigheden, namelijk de wetgevingen met betrekking tot abortus, het ongeboren kind niet wordt beschouwd als een ‘ persoon ’ die rechtstreeks het voordeel van artikel 2 van het Verdrag geniet en dat zijn ‘ recht ’ op ‘ leven ’, zo het al bestaat, impliciet wordt beperkt door de rechten en de belangen van zijn moeder. De organen van het Verdrag sluiten echter niet uit dat in bepaalde omstandigheden waarborgen kunnen worden erkend ten voordele van het nog niet geboren kind; dat lijkt de Commissie te hebben overwogen wanneer zij ervan is uitgegaan dat ‘ artikel 8, lid 1, niet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het betekent dat zwangerschap en de afbreking ervan principieel uitsluitend tot het privéleven van de moeder behoren ’ (Brüggemann en Scheuten voormeld, pp. 138-139, § 61), alsook het Hof in de voormelde beslissing Boso. Uit het onderzoek van die zaken volgt daarenboven dat de gegeven oplossing steeds voortkomt uit de confrontatie van verschillende, soms tegenstrijdige, door een vrouw, een moeder of een vader opgeëiste rechten of vrijheden tussen elkaar of tegenover het ongeboren kind. […] 82. […] Daaruit volgt dat het vertrekpunt van het recht op leven tot de beoordelingsmarge van de Staten behoort, waarbij het Hof van oordeel lijkt te zijn dat zij hun in dat domein moet worden toegekend, zelfs in het kader van een evolutieve interpretatie van het Verdrag dat ‘ een levend instrument is dat moet worden geïnterpreteerd in het licht van de huidige omstandigheden ’ (zie het arrest Tyrer t. Verenigd Koninkrijk van 25 april 1978, reeks A, nr. 26, pp. 15-16, § 31, en de latere rechtspraak). […] 85. […] het Hof is ervan overtuigd dat het niet wenselijk, en thans zelfs niet mogelijk is in abstracto te antwoorden op de vraag of het ongeboren kind een ‘ persoon ’ is in de zin van artikel 2 van het Verdrag […] » (EHRM, grote kamer, 8 juli 2004, Vo t. Frankrijk, §§ 80, 82 en 85; zie ook grote kamer, 16 december 2010, A, B en C t. Ierland, §§ 229-237). De artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet houden niet de verplichting in om een ongeboren kind op juridisch vlak in elk opzicht gelijk te beschouwen met een geboren en levende persoon. 19 B.5.2. Artikel 5, § 4, van de wet van 19 december 2003 « betreffende het Europees aanhoudingsbevel », dat de gevallen van vrijwillige zwangerschapsafbreking en euthanasie van de kwalificatie « opzettelijke doodslag » uitsluit, is, zoals is vermeld in het advies van de Raad van State over het voorontwerp van die wet, erop gericht « rekening te houden met de wil die op Europees niveau is geuit om die strafbare feiten te schrappen van de lijst omschreven in artikel 2, § 2, van het kaderbesluit [2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 ‘ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten ’], zelfs ingeval die wil niet expliciet is weergegeven in het kaderbesluit » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-279/001, pp. 14-15). In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen voorhouden, zou uit een interpretatie a contrario van die bepaling niet afgeleid kunnen worden dat de wetgever een zwangerschapsafbreking die buiten de wettelijke voorwaarden is uitgevoerd, als doodslag zou hebben willen beschouwen. Dezelfde vaststelling geldt in verband met de interpretatie a contrario die de verzoekende partijen formuleren met betrekking tot het voormelde artikel 6, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.6. Het eerste middel is niet gegrond. Wat het tweede middel betreft B.7. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 4, 5 en 10 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en in het licht van de artikelen 1 en 3, lid 2, b), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in het licht van de artikelen 2, 6 en 17 van de Universele Verklaring inzake het menselijk genoom en de mensenrechten. 20 De verzoekende partijen betogen dat artikel 2, 5°, van de bestreden wet een selectie tussen mensen zou toestaan naargelang zij al dan niet aan een zware en ongeneeslijke kwaal lijden, hetgeen het verbod op eugenetische praktijken alsook de verdragsrechtelijke bepalingen die de rechten van personen met een handicap beschermen, zou schenden. B.8. Het Hof is niet bevoegd om wetskrachtige normen te toetsen aan internationale bepalingen die België niet binden. Zulks is het geval voor de Universele Verklaring inzake het menselijk genoom en de mensenrechten, waarvan de schending door de verzoekende partijen wordt aangevoerd, alsook voor de aanbevelingen van het Comité voor de rechten van personen met een handicap. B.9.1. Het Verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap bepaalt : « […] Artikel 4 Algemene verplichtingen 1. De Staten die Partij zijn verplichten zich te waarborgen en bevorderen dat alle personen met een handicap zonder enige vorm van discriminatie op grond van hun handicap ten volle alle mensenrechten en fundamentele vrijheden kunnen uitoefenen. […] Artikel 5 Gelijkheid en non-discriminatie […] 2. De Staten die Partij zijn, verbieden alle discriminatie op grond van handicap en garanderen personen met een handicap op voet van gelijkheid daadwerkelijke wettelijke bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook. […] Artikel 10 Recht op leven De Staten die Partij zijn bevestigen opnieuw dat eenieder beschikt over het inherente recht op leven en nemen alle noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat personen met een handicap hiervan op voet van gelijkheid met anderen ten volle kunnen genieten. […] ». 21 B.9.2. Uit hetgeen is vermeld in B.5.1, volgt dat de in B.9.1 vermelde bepalingen te dezen niet van toepassing zijn en dat zij niet als referentienormen kunnen worden ingeroepen om de geldigheid van de bestreden bepaling te toetsen. B.10. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen betogen inzake het verbod op eugenetische praktijken, strekt de bestreden bepaling niet ertoe zwangerschapsafbreking aan te moedigen of verplicht te maken. Zij strekt evenmin ertoe een systeem van selectie van mensen te organiseren. De bestreden bepaling bestaat alleen erin een zwangere vrouw de mogelijkheid te bieden individueel te beslissen om haar zwangerschap al dan niet te beëindigen indien vaststaat dat het kind dat geboren zal worden, zal lijden aan een uiterst zware kwaal die als ongeneeslijk wordt erkend op het ogenblik van de prenatale diagnose. B.11. Het tweede middel is niet gegrond. Wat het derde middel betreft B.12. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen klagen in essentie aan dat het bestreden artikel 2, 7°, het recht op gewetensvrijheid van de artsen schendt, in zoverre het hen ertoe zou verplichten indirect medewerking te verlenen aan het uitvoeren van een zwangerschapsafbreking. B.13. Artikel 19 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ». 22 Artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften. 2. De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.14.1. Allereerst dient te worden opgemerkt dat artikel 2, 7°, van de bestreden wet bepaalt dat « geen arts, geen verpleger of verpleegster, geen lid van het paramedisch personeel […] gedwongen [kan] worden medewerking te verlenen aan een zwangerschapsafbreking ». B.14.2. Door te bepalen dat in het geval dat de arts geen zwangerschapsafbreking wenst uit te voeren, hij de vrouw die hem om een ingreep verzoekt, van zijn weigering in kennis moet stellen en vervolgens de contactgegevens moet vermelden van een andere arts die zij zou kunnen raadplegen, eerbiedigt de wetgever het recht van die vrouw om, indien zij dat wenst, om een zwangerschapsafbreking te verzoeken die zonder risico in een veilige medische omgeving wordt uitgevoerd. Zodoende beantwoordt de bestreden bepaling ook aan een wettige doelstelling van volksgezondheid. In de parlementaire voorbereiding wordt het volgende vermeld : « Betreffende de gewetensclausule bestaat het uitgangspunt erin dat niemand kan gedwongen worden om een zwangerschapsafbreking uit te voeren als dat ingaat tegen zijn of haar geweten. […] Thans bestaan er verschillende juridische documenten zoals de International Covenant on Civil and Political Rights (ICCPR) die wijzen op het belang van een goede afweging tussen enerzijds het respect voor de gewetensclausule en anderzijds de vrijwaring van de individuele keuzevrijheid » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3216/003, pp. 50-51). « Dat de gewetensbezwaarde arts verplicht is de patiënte naar een collega door te verwijzen, is niet meer dan logisch. De wet kan niemand ertoe verplichten een abortus uit te voeren, maar voor de patiënte is het belangrijk dat zij effectief wordt doorverwezen naar een andere arts. Een vrouw de mogelijkheid tot vrijwillige zwangerschapsafbreking ontzeggen, zal voortaan strafbaar zijn » (ibid., p. 27). 23 « Mogelijk gewetensbezwaar van de arts of het verplegend personeel moet in acht worden genomen, maar een dergelijk bezwaar mag er niet toe leiden dat een vrouw wordt verhinderd een zwangerschap af te breken, mits zij de bij de wet bepaalde voorwaarden nakomt. Het is derhalve belangrijk dat een arts die weigert bij een vrouw een vrijwillige zwangerschapsafbreking uit te voeren, haar gegevens bezorgt omtrent andere artsen die een dergelijke ingreep wellicht wél kunnen uitvoeren » (ibid., p. 29). B.14.3. Daaruit volgt dat, met de bestreden bepaling, de wetgever de gewetensvrijheid van de arts heeft willen eerbiedigen zonder ten aanzien van de vrouw die zich in de door de wet bepaalde voorwaarden bevindt, het recht op medische hulpverlening in het gedrang te brengen. De wetgever kon redelijkerwijze eisen dat degene die de intentie heeft om te weigeren een zwangerschapsafbreking uit te voeren, niet wacht om dat te zeggen en ertoe gehouden is de nuttige informatie te geven die het mogelijk maakt over te gaan tot een zwangerschapsafbreking met kwaliteitsvolle medische hulpverlening. Die verplichting is legitiem, noodzakelijk en evenredig met de doelstellingen van de bestreden wet. Daarbij worden de gewetensvrijheid van de arts en zijn keuze om de zwangerschapsafbreking niet uit te voeren en tegelijkertijd de rechten van de vrouw geëerbiedigd. B.15. Het derde middel is niet gegrond. Wat het vierde middel betreft B.16. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en van artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen klagen aan dat in artikel 2, 7°, van de bestreden wet de apothekers niet worden vermeld, terwijl abortussen in het begin van de zwangerschap worden uitgevoerd door middel van geneesmiddelen. Daaruit zou een discriminatie volgen tussen de in die bepaling beoogde artsen en leden van het paramedisch personeel, die de mogelijkheid zouden hebben te weigeren een abortus uit te voeren of er medewerking aan te verlenen, en de apothekers, die niet over die mogelijkheid zouden beschikken. 24 B.17. Ook al wordt de eerste door de verzoekende partijen beoogde categorie ertoe gebracht daadwerkelijk de medische handeling van een zwangerschapsafbreking te verrichten, hetgeen niet het geval is voor de apothekers, volstaat het vast te stellen dat de gewetensvrijheid van die laatsten in niets wordt geraakt door een wetsbepaling die hen niet beoogt en die hen dus geen enkele verplichting oplegt ten aanzien van de bestreden wet. Voor het overige waarborgt artikel 35 van de Code van farmaceutische plichtenleer een gewetensclausule ten voordele van de apotheker die, om die reden, een geneesmiddel niet aan een patiënt kan afleveren. Bij die bepaling wordt echter voorzien in de verplichting voor de apotheker om de patiënt op de hoogte te brengen van de apotheek waar hij dat geneesmiddel afgeleverd kan krijgen. B.18. Het vierde middel is niet gegrond. Wat het vijfde middel betreft B.19. Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7, lid 1, en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen klagen in essentie aan dat degene die zou proberen een zwangere vrouw ervan te overtuigen af te zien van haar voornemen om een zwangerschapsafbreking te laten uitvoeren, bij artikel 3, tweede lid, van de bestreden wet strafrechtelijk wordt bestraft, en dat de bestreden bepaling niet voldoet aan de bij het wettigheidsbeginsel in strafzaken opgelegde vereiste van nauwkeurigheid, duidelijkheid en rechtszekerheid. B.20.1. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ». 25 Artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was ». B.20.2. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepaling en internationale bepaling voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten voor welke handelingen en welke verzuimen hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden. 26 B.21. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen voorhouden, bestraft het bestreden artikel 3, tweede lid, niet de persoon die probeert een vrouw ervan te overtuigen niet over te gaan tot zwangerschapsafbreking. Het bestraft alleen de persoon die fysiek verhindert dat een vrouw toegang heeft tot een instelling voor gezondheidszorg die zwangerschapsafbrekingen uitvoert. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Het wetsvoorstel voorziet eveneens in een bestraffing van de persoon die fysiek probeert een vrouw de toegang tot een zorginstelling die zwangerschapsafbrekingen uitvoert te verhinderen » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3216/001, p. 4). « Er komt zelfs een straf voor degene die de vrouw verhindert zich naar de plaats te begeven waar een abortus legaal kan worden uitgevoerd. Wat vroeger een misdrijf was, wordt vandaag een door de wet gegarandeerd recht en gegarandeerde vrijheid » (Hand., Kamer, 2017-2018, 4 oktober 2018, p. 71). Daaruit volgt dat de verzoekende partijen aan de bestreden bepaling een draagwijdte toekennen die zij klaarblijkelijk niet heeft en haar een interpretatie geven die in tegenspraak is met de tekst ervan, zoals hij in de parlementaire voorbereiding is uitgelegd. B.22. Het vijfde middel is niet gegrond. Wat het zesde middel betreft B.23. Het zesde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen voeren aan dat de opheffing, bij artikel 7 van de bestreden wet, van het verbod op publiciteit voor de methodes van zwangerschapsafbreking in strijd zou zijn met het recht op leven. Zij gaan ervan uit dat die opheffing tot gevolg zou hebben bij te dragen tot de banalisering en de commercialisering van abortus en de wettelijke bescherming van het leven van het ongeboren kind zou verminderen. 27 B.24. De verzoekende partijen geven niet aan hoe de opheffing van het verbod op publiciteit voor abortieve geneesmiddelen een directe weerslag kan hebben op het recht op leven, in de veronderstelling dat het erkend is, van het ongeboren kind. Zij tonen evenmin aan hoe het behoud van dat verbod tot gevolg zou hebben zwangerschapsafbrekingen te beperken. De opheffing van het verbod op publiciteit voor abortieve geneesmiddelen heeft ten doel vrouwen kwaliteitsvolle informatie te verstrekken en hen aldus de mogelijkheid te bieden het voordeel van kwaliteitsvolle zorgverlening te genieten. Die opheffing komt dus voort uit een nood aan informatie en niet uit de wil om publiciteit te maken voor geneesmiddelen in de commerciële en mercantiele betekenis van het woord. Tot slot dient te worden opgemerkt dat publiciteit met betrekking tot farmaceutische producten het voorwerp uitmaakt van regelgeving in de wet van 25 maart 1964 « op de geneesmiddelen » en in het koninklijk besluit van 7 april 1995 « betreffende de voorlichting en de reclame inzake geneesmiddelen voor menselijk gebruik ». B.25. Het zesde middel is niet gegrond. Wat het zevende middel betreft B.26. Het zevende middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen werpen dat middel in uiterst ondergeschikte orde op, indien het Hof het eerste middel zou verwerpen. Zij voeren aan dat, met de bestreden wet, de wetgever het billijke evenwicht zou hebben verbroken dat de wet van 3 april 1990 « betreffende de zwangerschapsafbreking, tot wijziging van de artikelen 348, 350, 351 en 352 van het Strafwetboek en tot opheffing van artikel 353 van hetzelfde Wetboek » had ingesteld tussen het recht op leven van het ongeboren kind en het recht op zelfbeschikking van de vrouw. 28 De verzoekende partijen bekritiseren in het bijzonder de afschaffing van de wettelijke voorwaarde van « noodsituatie » van de zwangere vrouw, die vroeger vereist was bij artikel 350 van het Strafwetboek. Zij klagen ook aan dat de wet diegene bestraft die een vrouw « probeert ervan te overtuigen » af te zien van haar voornemen en tot slot bekritiseren zij de afschaffing van het verbod op publiciteit voor abortieve geneesmiddelen. B.27.1. Bij haar arrest A, B en C t. Ierland van 16 december 2010 heeft de grote kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld : « 212. Het Hof merkt op dat het begrip ‘ privéleven ’ in de zin van artikel 8 van het Verdrag een ruim begrip is, dat onder meer het recht op persoonlijke autonomie en het recht op persoonlijke ontplooiing omvat (Pretty, voormeld, § 61). Het omvat elementen zoals, bijvoorbeeld, de seksuele identificatie, de seksuele geaardheid en het seksuele leven (zie, bijvoorbeeld, Dudgeon t. Verenigd Koninkrijk, 22 oktober 1981, § 41, reeks A nr. 45, en Laskey, Jaggard en Brown t. Verenigd Koninkrijk, 19 februari 1997, § 36, Jur. 1997-I), de fysieke en morele integriteit van de persoon (Tysiąc, voormeld, § 107), alsook het recht op eerbiediging van de beslissingen om al dan niet ouder te worden, inzonderheid in de genetische betekenis van het woord (Evans, voormeld, § 71). 213. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de voormalige Commissie, heeft het Hof in eerdere zaken geconcludeerd dat de wetgeving met betrekking tot zwangerschapsafbreking de persoonlijke levenssfeer van de zwangere vrouw raakt. Het heeft onderstreept dat artikel 8, lid 1, niet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat het betekent dat zwangerschap en de afbreking ervan uitsluitend tot het privéleven van de aanstaande moeder behoren, aangezien het privéleven van een zwangere vrouw nauw verbonden wordt met de zich ontwikkelende foetus. Het is van oordeel dat het recht van de zwangere vrouw op eerbiediging van haar privéleven zou moeten worden afgemeten aan andere concurrerende rechten en vrijheden, met inbegrip van die van het ongeboren kind (Tysiac, voormeld, § 106, en Vo, voormeld, §§ 76, 80 en 82) » (EHRM, grote kamer, 16 december 2010, A, B en C t. Ierland, §§ 212-213). B.27.2. In de parlementaire voorbereiding wordt vermeld : « Abortus [valt] niet langer […] onder ‘ misdrijven tegen de gezinsorde en de openbare zedelijkheid ’, maar onder de bescherming van de persoon. Abortus mag niet langer worden beschouwd als een ‘ misdrijf behoudens uitzondering ’ » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3216/001, p. 4). « Na zoveel jaar, [zal] een nieuwe belangrijke stap kunnen worden gezet in de depenalisering van abortus : het recht op abortus wordt een feit, mits het respecteren van bepaalde voorwaarden. Men moet immers vermijden dat er ontsporingen zouden ontstaan en erop toezien dat de evenwichten worden gerespecteerd tussen, enerzijds, het onbetwistbaar recht van vrouwen om over hun eigen lichaam te beschikken en de vrijheid om te beslissen wanneer zij moeder worden, en de ethische dimensie, anderzijds. 29 Het wetsvoorstel betekent een grote vooruitgang voor alle vrouwen die ooit de keuze voor een abortus zullen maken. Het zorgt er tevens voor dat een dergelijke moeilijke beslissing, die nooit lichtzinnig wordt genomen, geen aanleiding meer is voor aanwijzing van schuld » (ibid., DOC 54-3216/003, p. 14). « Door zwangerschapsafbreking uit het strafrecht te halen worden de waardigheid en de autonomie van de vrouw geëerbiedigd en wordt zwangerschapsafbreking een recht van de vrouw. […] [Dankzij] de schrapping van de eis tot het aantonen van een noodsituatie, [zullen] vrouwen zich in de toekomst niet langer […] moeten verantwoorden. Ook hier gaat het om een grotere erkenning van de individuele keuzevrijheid » (ibid., p. 26). « [Het] wetsvoorstel [zorgt] voor een mooi evenwicht […] tussen de bescherming van het ongeboren kind en het leven en de bescherming van de vrouw. Het wetsvoorstel […] zal [ertoe] leiden dat vrouwen minder gestigmatiseerd zullen worden. Anderzijds wordt abortus door het wetsvoorstel ook niet gebanaliseerd. Abortus wordt uit het Strafwetboek gehaald maar de strafsancties blijven wel bestaan. Als de voorwaarden niet worden vervuld, kunnen er dus nog steeds strafsancties worden opgelegd » (ibid., pp. 29-30). B.27.3. De wetgever heeft met de bestreden wet een evenwicht gezocht tussen, enerzijds, de grondrechten van de zwangere vrouw en, anderzijds, de ethische bezorgdheden die een Staat moet waarborgen. B.27.4. De afschaffing van de wettelijke voorwaarde van de « noodsituatie » is verantwoord door het feit dat dat element niet objectief was en dat het de vrouw niet hielp om haar beslissing te nemen en om over haar keuze na te denken. In haar advies L.19.407/9, dat op 27 oktober 1989 is gegeven over een ander wetsvoorstel betreffende de zwangerschapsafbreking, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt : « Bijgevolg dient het begrip ‘ noodsituatie ’, dat niet nauwkeurig en objectief kan worden gedefinieerd en dus geen enkele rechtsinhoud heeft, te vervallen in de hierboven aangehaalde teksten van het voorstel ». De wetgever heeft aldus dat begrip geschrapt en het vervangen door de enkele weloverwogen en intieme wil van de vrouw die tot een zwangerschapsafbreking wenst over te gaan. 30 In verscheidene passages van de parlementaire voorbereiding is aangegeven waarom die voorwaarde is geschrapt, inzonderheid : « Evenals de indieners van elk van die zes door politieke partijen ingediende voorstellen waarvan [de spreker] weet heeft, vindt hij dat het begrip ‘ noodsituatie ’ moet worden afgeschaft en worden vervangen door de vaststelling dat de vrouw vastbesloten is dat zij haar zwangerschap wil beëindigen, zonder dat op haar enige druk van buitenaf wordt uitgeoefend ». « De spreker pleit ervoor om het begrip ‘ noodsituatie ’ niet meer te gebruiken omdat het niet kwantificeerbaar is ». « Het begrip ‘ noodsituatie ’ moet verdwijnen en [worden] vervangen door ‘ verantwoord ouderschap ’ - ‘ Noodsituatie ’ is juridisch zeer onduidelijk, is betuttelend en wakkert het schuldgevoel aan ». « Eén van de criteria om tot een zwangerschapsafbreking te mogen overgaan, is volgens de wet van 1990 het bestaan van een noodsituatie, maar dat begrip is vaag en subjectief. De noodsituatie is een continuüm dat gaat van een gevoel van kwetsbaarheid, verdriet of angst tot ernstigere symptomen zoals een beklemmingsgevoel, paniekaanvallen of een depressie. Dat begrip berust ook op een heel paternalistische opvatting. De verwijzing naar de ‘ noodsituatie ’ zou dan ook moeten verdwijnen » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3216/003, respectievelijk, pp. 53, 74, 85 en 126-127). B.27.5. Ten aanzien van de sanctie die van toepassing is in geval van belemmering van de toegang tot een instelling die zwangerschapsafbrekingen uitvoert, is het middel niet gegrond om de redenen vermeld in B.21. B.27.6. In zoverre de afschaffing van het verbod op publiciteit voor abortieve geneesmiddelen wordt beoogd, is het middel niet gegrond om de redenen vermeld in B.24. B.28. Het zevende middel is niet gegrond. 31 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 september 2020. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.122 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.