id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.122 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200924.9 Arrest- Rolnummer: 122/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-09-25 Raadplegingen: 765 - laatst gezien 2026-06-19 17:37 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 15 oktober 2018 « betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen », ingesteld door de feitelijke vereniging « Citoyens pour la vie / Burgers voor het leven » en anderen. Vrijwillige zwangerschapsafbreking (abortus) - Voorwaarden - Nieuwe regeling. Tekst van de beslissing Rolnummer 7168 Arrest nr. 122/2020 van 24 september 2020 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 15 oktober 2018 « betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen », ingesteld door de feitelijke vereniging « Citoyens pour la vie / Burgers voor het leven » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 april 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 april 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 15 oktober 2018 « betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 oktober 2018) door de feitelijke vereniging « Citoyens pour la vie / Burgers voor het leven », Pascale Bultez, Jonatan Cortes, Thierry Fobe, Thierry Lethé, Henri Marechal, Georges Paraskevaidis en Vincent Piessevaux, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Janssens de Varebeke en Mr. L. Ponteville, advocaten bij de balie te Brussel. Memories zijn ingediend door : - de vzw « Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas », vertegenwoordigd door zijn voorzitter; - de vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Minsier en Mr. O. Venet, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. de Lophem, Mr. S. Depré, Mr. C. Pietquin en Mr. C. Nennen, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen »; - de Ministerraad. Bij beschikking van 22 april 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman, ter vervanging van ererechter J.-P. Snappe, en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 6 mei 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 20 mei 2020 de dag van de terechtzitting bepaald op 17 juni 2020. Op de openbare terechtzitting van 17 juni 2020 : - zijn verschenen : . Mr. L. Ponteville en Vincent Piessevaux, in eigen persoon, voor de verzoekende partijen; 3 . Henri Marechal, voorzitter van de vzw « Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas », in eigen persoon (tussenkomende partij); . Mr. O. Venet, voor de vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » (tussenkomende partijen); . Mr. E. de Lophem, tevens loco Mr. S. Depré, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1.1. De eerste verzoekende partij, « Citoyens pour la vie / Burgers voor het leven », is een feitelijke vereniging die verklaart te zijn opgericht om zich tegen de bestreden wet te verzetten. De zeven andere verzoekende partijen zijn natuurlijke personen die stellen dat ze in hun hoedanigheid van gehuwde man, vader of moeder, grootvader of grootmoeder, een belang hebben om in rechte te treden tegen een wet die hun dochters of kleindochters of, in voorkomend geval, hun echtgenotes in staat stelt te vragen om een zwangerschapsafbreking in omstandigheden die volgens hen in strijd zijn met verscheidene grondwettelijke bepalingen, afzonderlijk gelezen of in samenhang met verschillende verdragsbepalingen. A.1.2. De Ministerraad, de vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » betwisten het belang om in rechte te treden van de eerste verzoekende partij, die een feitelijke vereniging is en die, aangezien ze niet de hoedanigheid van een rechtspersoon heeft, niet voor het Hof in rechte kan treden. Ten aanzien van het eerste middel A.2.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en in het licht van artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de preambule van het Verdrag inzake de rechten van het kind en van artikel 6, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoekende partijen verwijten de bestreden wet in hoofdzaak dat ze het recht op leven aantast van het ongeboren kind, dat een levend en menselijk wezen is dat, volgens hen, op absolute wijze het recht op leven en het recht op menselijke waardigheid geniet, dat wordt gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet. Door in sommige omstandigheden de bescherming af te schaffen die het strafrecht biedt, is de wetgever niet tegemoetgekomen aan zijn plicht om het leven te beschermen, terwijl artikel 348 van het Strafwetboek dat leven wel beschermt door iedere persoon te straffen die een vrouw zonder haar toestemming tot abortus heeft gedwongen. 4 De verzoekende partijen zijn van mening dat er geen uitzondering mag bestaan op het recht op leven, tenzij dat recht in strijd is met het recht op leven van een ander menselijk wezen, in het bijzonder zijn moeder. Ze leiden eveneens een argument af uit het feit dat, in het kader van hun a contrario interpretatie van artikel 5, § 4, van de wet van 19 december 2003 « betreffende het Europees aanhoudingsbevel », een zwangerschapsafbreking die wordt uitgevoerd buiten de voorwaarden bepaald in artikel 2 van de bestreden wet zou worden aangemerkt als « doodslag ». Ze benadrukken niettemin dat een abortus, ook indien uitgevoerd onder de wettelijk bepaalde voorwaarden, als dusdanig het ongeboren kind zijn hoedanigheid van menselijk wezen niet kan ontnemen. Steunend op de afschaffing van de doodstraf in België en in sommige andere landen en op het absolute verbod op de doodstraf voor zwangere vrouwen, dat is vastgelegd in artikel 6, lid 5, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, leiden zij daaruit af dat het niet logisch is te aanvaarden dat er een einde wordt gemaakt aan het leven van een ongeboren kind. Zij betwisten dat het opportuun zou zijn dat de wetgever in ethische kwesties over een ruime beoordelingsmarge beschikt en ze stellen dat een staat niet rechtmatig zou kunnen kiezen of het ongeboren kind al dan niet als een persoon wordt beschouwd, en aldus of zijn leven al dan niet wordt beschermd. A.2.2. De Ministerraad maakt twee voorafgaande opmerkingen : de bestreden wet werd aangenomen na een lang parlementair debat over een ethische kwestie, wat keuzes van politieke aard inhoudt. Verder heeft het beroep niet alleen tot doel de bestreden wet aan te vechten, maar meer fundamenteel de toelating van abortus waarin is voorzien sinds de aanneming van de wet van 3 april 1990 « betreffende de zwangerschapsafbreking, tot wijziging van de artikelen 348, 350, 351 en 352 van het Strafwetboek en tot opheffing van artikel 353 van hetzelfde Wetboek », opnieuw in vraag te stellen. De Ministerraad stelt dat er nooit is erkend, noch op nationaal noch op internationaal niveau, dat een ongeboren kind een « recht op leven » geniet, wat inzonderheid wordt bevestigd in de rechtspraak van het Hof en in die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Hetzelfde geldt voor het recht op menselijke waardigheid van het ongeboren kind. Het is in die context dat een goed evenwicht moet worden gezocht tussen de rechten van de vrouw op gezondheid, privéleven en zelfbeschikking en, indien ze erkend zouden worden, het recht op leven en op menselijke waardigheid van het ongeboren kind. Met betrekking tot de bescherming die wordt geboden door het strafrecht, benadrukt de Ministerraad dat het feit dat hij die een vruchtafdrijving veroorzaakt bij een vrouw die daarin heeft toegestemd, buiten de voorwaarden bepaald in artikel 2 van de bestreden wet, en de vrouw die opzettelijk een vruchtafdrijving laat verrichten buiten diezelfde voorwaarden, worden bestraft, verscheidene doelstellingen weergeeft. Het gaat erom ervoor te zorgen dat de voorwaarden van artikel 2 van de bestreden wet worden nageleefd, namelijk de zwangere vrouw beschermen tegen haar eigen beslissingen en het ongeboren kind beschermen. In die context is het logisch de vrouw te bestraffen die haar zwangerschap afbreekt buiten de wettelijke voorwaarden, terwijl ze over een voldoende lange termijn beschikte om dat te doen en over een wettelijk kader dat haar begeleiding bood bij haar wens de zwangerschap af te breken. Het is ook logisch dat de persoon die haar daarbij helpt, bestraft wordt. Uit die strafrechtelijke sancties kan dus niet eenvoudigweg worden afgeleid dat de wetgever als dusdanig zou hebben erkend dat het ongeboren kind een recht op leven heeft. Het eerste middel is niet gegrond. A.2.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » benadrukken, enerzijds, dat het beroep in werkelijkheid ertoe strekt het principe zelf van de zwangerschapsafbreking in vraag te stellen en, anderzijds, dat de wet slechts een keuze biedt : geen enkele vrouw wordt gedwongen tot een zwangerschapsafbreking. Ze stellen vervolgens dat het, in de huidige stand van het recht, niet mogelijk is om het recht op leven te erkennen vanaf de conceptie. Er moet een vrije keuze geboden worden aan de vrouw die een zwangerschapsafbreking wil laten uitvoeren in waardige en veilige gezondheidsomstandigheden. Ze verwijzen naar verscheidene bronnen van het internationale recht. 5 Ze zijn eveneens van mening dat de verzoekende partijen zich baseren op verkeerde en overdreven interpretaties van de strafwet, die niet verenigbaar zijn met het beginsel van restrictieve interpretatie van het strafrecht. Ze kunnen evenmin instemmen met de a contrario redenering van de verzoekende partijen van de wet van 19 december 2003 « betreffende het Europees aanhoudingsbevel ». Het eerste middel is niet gegrond. A.2.4. De vzw « Société Médicale Belge de Saint-Luc / Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas » bevestigt de nauwgezetheid en de wetenschappelijke exactheid van de uiteenzettingen van de verzoekende partijen, waaruit blijkt dat het levende wezen dat de zwangere vrouw in zich draagt, niets anders dan een menselijk wezen is. De tussenkomende vereniging bevestigt dat een adequaat preventiebeleid ervoor zou kunnen zorgen dat geen beroep moet worden gedaan op een wet die abortus toestaat. A.2.5. In zijn memorie van wederantwoord stelt de Ministerraad dat de verzoekende partijen het begrip menselijk wezen en dat van persoon in de juridische betekenis van het woord verwarren. Indien een Staat het ongeboren kind de status van persoon zou toekennen, zou hij ook de plicht hebben het een gepaste basisbescherming te bieden. Dat is te dezen niet het geval. Ten aanzien van het tweede middel A.3.1. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 4, 5 en 10 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en in het licht van de artikelen 1 en 3, lid 2, b), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 2, 6 en 17 van de Universele Verklaring inzake het menselijk genoom en de mensenrechten. De verzoekende partijen stellen dat artikel 2, 5°, van de bestreden wet in strijd is met het verbod op eugenetische praktijken, dat voortvloeit uit de gezamenlijke toepassing van het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie, het recht op leven en het recht op menselijke waardigheid, in zoverre dat artikel het mogelijk maakt een einde te maken aan het leven van ongeboren kinderen met een handicap. Ze voegen eraan toe dat niets kan verantwoorden dat er een einde wordt gemaakt aan het leven van een menselijk wezen, wiens recht op leven en op waardigheid volledig los staat van de ernstige en ongeneeslijke aandoening waaraan het lijdt. Door het verbod op doden op te heffen, moedigt de wetgever noodzakelijkerwijs de medische zwangerschapsafbreking aan, waardoor de bestreden wet uiteindelijk hetzelfde effect heeft als een wet die de medische zwangerschapsafbreking verplicht maakt. Ze herinneren eraan dat niet alleen de waarborg van het recht op leven, maar ook artikel 3, lid 2, b), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie eugenetische praktijken zou verbieden, want, hoewel het niet van toepassing is te dezen, zou dat artikel gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, waaronder België, weergeven. De verzoekende partijen zijn van mening dat de bestreden bepaling in strijd is met artikel 2 van de Universele Verklaring inzake het menselijk genoom en de mensenrechten, dat stelt dat elk individu recht heeft op eerbiediging van zijn waardigheid en zijn rechten ongeacht zijn genetische kenmerken, en dat het unieke karakter van elk individu moet worden geëerbiedigd. Artikel 6 van die Verklaring wordt eveneens geschonden in zoverre het bepaalt dat niemand op grond van zijn genetische kenmerken mag worden gediscrimineerd met het doel of gevolg dat zijn individuele rechten en fundamentele vrijheden en de erkenning van zijn waardigheid worden aangetast. Ten slotte stellen ze zich vragen bij de inachtneming van artikel 17 van die Verklaring, dat bepaalt dat de Staten actieve solidariteit tussen individuen zouden moeten eerbiedigen en bevorderen. De verzoekende partijen baseren hun argumentatie ook op de artikelen 4, 5 en 10 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, die hun grondrechten garanderen en iedere discriminatie ten aanzien van hen verbieden. Zich baserend op twee aanbevelingen van het Comité voor de rechten van personen met een handicap beweren ze dat het ongeboren kind dat een handicap heeft, dezelfde bescherming moet genieten als het ongeboren kind dat in goede gezondheid verkeert. Ten slotte zijn zij van mening dat, indien zou worden geoordeeld dat de bestreden bepaling niet het verbod op eugenetische praktijken schendt, zij wel de andere in het middel beoogde bepalingen schendt. 6 A.3.2. De Ministerraad stelt dat het tweede middel niet gegrond is. In de eerste plaats bestaat er geen juridische definitie van het begrip eugenetische praktijken. Vervolgens strekt de bestreden wet noch ertoe een selectiesysteem voor personen te organiseren noch de zwangerschapsafbreking aan te moedigen en ten slotte verplicht te stellen. De Universele Verklaring inzake het menselijk genoom en de mensenrechten is geen bron in het licht waarvan het Hof een grondwettigheidscontrole kan uitoefenen. Hetzelfde geldt wat betreft het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, aangezien een ongeboren kind met een handicap niet gelijk is aan een persoon met een handicap. Voor zover de bestreden bepaling afbreuk doet aan een grondrecht is ze redelijkerwijs verantwoord. Het is verantwoord dat een zwangere vrouw geen termijn opgelegd krijgt om de belangrijke beslissing te nemen of zij de uitdaging aangaat een kind met een zware handicap op te voeden. De cijfers die de verzoekende partijen aanhalen, volgens welke « een positieve diagnose van trisomie 21 in de prenatale periode in 95,5 % van de gevallen tot zwangerschapsafbreking leidt », tonen alleen maar aan hoe belangrijk het is dat de potentiële toekomstige ouders zich klaar voelen om de uitdaging aan te gaan ouder te worden van een kind met een zware en ongeneeslijke handicap. Het is absoluut noodzakelijk dat het voornemen dat werkelijkheid wordt, goed doordacht is, ten volle gewenst is en met volle kennis van zaken wordt aanvaard. De realisatie ervan vereist immers een bijzondere betrokkenheid en een nog sterker engagement dan bij het verwelkomen en opvoeden van een gezond kind. A.3.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » betogen eveneens dat het middel niet gegrond is, aangezien de bepalingen die in het middel worden aangevoerd, slechts betrekking hebben op geboren personen die als dusdanig het recht op leven genieten, en niet op ongeboren kinderen. Voorts strekken meer recente internationale verbintenissen van België en de Europese Unie ertoe een wettelijk kader voor de zwangerschapsafbrekingen te verankeren. In meer ondergeschikte orde zien de tussenkomende partijen niet in welk opzicht de bestreden bepaling zou indruisen tegen de menselijke waardigheid. Integendeel, ze maakt het mogelijk om de doeltreffendheid van het recht op waardigheid van vrouwen die zwanger zijn, te waarborgen. Het begrip « eugenetische praktijken » is evenmin gedefinieerd. Overigens is er geen rechtstreeks verband tussen de kwestie van de niet-invasieve prenatale test en de bestreden bepaling. A.3.4. De verzoekende partijen antwoorden dat een wets- of verdragsbepaling niet afhankelijk is van de voorafgaande definitie van de termen die worden gebruikt in de bepaling. Dat geldt volgens hen voor « eugenetische praktijken ». Ze zijn ook verbaasd dat de Ministerraad niet erkent dat ongeboren kinderen personen zijn. Ten aanzien van het derde middel A.4.1. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen zijn van mening dat artikel 2, 7°, van de bestreden wet het recht op vrijheid van geweten van de artsen schendt, in zoverre het hen verplicht indirect mee te werken aan een vrijwillige zwangerschapsafbreking. Ze zijn van mening dat te dezen niet voldaan is aan de voorwaarden om een inmenging in de vrijheid van geweten te aanvaarden; de verplichting die aan artsen wordt opgelegd om door te verwijzen naar een collega wanneer zij zelf weigeren de zwangerschapsafbreking uit te voeren, zou bijdragen tot de marginalisering in de samenleving van zij die vinden dat abortus geen oplossing is voor een ongeplande zwangerschap. Die verplichting beantwoordt niet aan een dwingende maatschappelijke behoefte, is niet noodzakelijk in een democratische samenleving en doet afbreuk aan het pluralisme dat eigen is aan die samenleving. 7 A.4.2. De Ministerraad stelt dat de wetgever erover heeft gewaakt de vrijheid van geweten van de artsen in acht te nemen. Artikel 2, 7°, van de bestreden wet bepaalt dat « geen arts, geen verpleger of verpleegster, geen lid van het paramedisch personeel kan gedwongen worden medewerking te verlenen aan een zwangerschapsafbreking ». De wetgever heeft dus het recht op vrijheid van geweten van de arts willen erkennen en respecteert altijd diens wil om zelf geen abortus uit te voeren. De Ministerraad herinnert eraan dat bepaalde beperkingen van de vrijheid van geweten zijn toegestaan, op voorwaarde dat ze zijn vastgelegd in de wet (wat in dit geval niet wordt betwist), dat ze een legitiem doel nastreven en dat ze noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Te dezen werd de bestreden wet aangenomen om het recht van vrouwen om vrij over hun lichaam te beschikken en een zwangerschapsafbreking te laten uitvoeren indien zij dat nodig achten, beter te beschermen. Zowel de wet als de bestreden bepaling beantwoorden aan een doelstelling van volksgezondheid, door vrouwen in staat te stellen zonder risico een abortus te ondergaan. Dat is een legitiem doel. De bestreden bepaling brengt overigens een goed evenwicht tot stand tussen de belangen van, enerzijds, de arts en, anderzijds, de vrouw die een zwangerschapsafbreking wil laten uitvoeren. De wens van de arts om niet mee te werken aan de zwangerschapsafbreking wordt gerespecteerd, in het kader van zijn recht op vrijheid van geweten dat hem is toegekend, aangezien hij geen enkele verplichting heeft de medische handeling uit te voeren. Er wordt echter ook rekening gehouden met het recht van de vrouw op gezondheid, waaronder het recht om doorverwezen te worden naar een arts die haar kan helpen. Het derde middel is niet gegrond. A.4.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » besluiten dat het derde middel niet gegrond is. De tussenkomende partijen zijn van mening dat de keuze van de vrouw die een zwangerschapsafbreking wil laten uitvoeren, gerespecteerd moet worden. Als haar vertrouwde arts weigert een abortus uit te voeren zonder haar te informeren over de andere oplossingen, zou dat de wettelijke zwangerschapsafbreking in de feiten onmogelijk kunnen maken. De vrouw, die zich in een ernstige noodsituatie kan bevinden, moet snel over relevante informatie kunnen beschikken. In die context is de verplichting die aan de arts wordt opgelegd om de contactgegevens van een andere arts, een centrum voor zwangerschapsafbreking of een ziekenhuisdienst te bezorgen, onontbeerlijk en evenredig bij het zoeken naar een evenwicht tussen de rechten van de vrouw die een abortus wil en de gewetensvrijheid van de arts. A.4.4. De vzw « Société Médicale Belge de Saint-Luc / Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas » is het volledig eens met het standpunt van de verzoekende partijen, in zoverre zij aanvoeren dat artikel 2, 7°, van de bestreden wet het recht op vrijheid van geweten van de artsen ernstig aantast. De tussenkomende partij betreurt dat het Parlement niet is ingegaan op de bezwaren die tijdens de parlementaire debatten voorafgaand aan de goedkeuring van de voormelde wet van 3 april 1990 werden opgeworpen in verband met de verplichting de patiënte door te verwijzen naar een collega. Niets verantwoordt thans een andere beoordeling van de vrijheid van geweten van artsen. Om te besluiten herinnert ze aan de eed die haar leden hebben afgelegd wanneer ze toegang krijgen tot het beroep van arts. Ten aanzien van het vierde middel A.5.1. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en van artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Artikel 2, 7°, van de bestreden wet, bepaalt dat « geen arts, geen verpleger of verpleegster, geen lid van het paramedisch personeel kan gedwongen worden medewerking te verlenen aan een zwangerschapsafbreking », maar zegt niets over de apothekers. Abortussen aan het begin van de zwangerschap worden meestal voltrokken door middel van geneesmiddelen (of het nu gaat om de morning-afterpil, die verkrijgbaar is bij voor het publiek opengestelde apotheken, of om een vruchtafdrijvend geneesmiddel dat door een ziekenhuisapotheker wordt afgeleverd). 8 De verzoekende partijen voeren derhalve een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de apothekers anders behandeld zouden worden dan de dokters, verplegers en verpleegsters en het paramedisch personeel. Bovendien garandeert die bepaling niet het recht op vrijheid van geweten van de apothekers. A.5.2. De Ministerraad is van mening dat de door de verzoekende partijen beoogde categorieën niet vergelijkbaar zijn. De wet beschermt inderdaad de vrijheid van geweten van de artsen die de zwangerschapsafbreking daadwerkelijk moeten uitvoeren en apothekers bevinden zich niet in dat geval. Wat de schending van de vrijheid van geweten betreft verwijst de Ministerraad naar een beslissing van het Europees Hof voor de rechten van de mens (Pichon en Sajous/Frankrijk van 2 oktober 2001), waarin het Hof erkent dat, wanneer de verkoop van een product legaal is, de apothekers zich niet kunnen beroepen op hun vrijheid van geweten om de aflevering van het geneesmiddel te weigeren. De Ministerraad beweert ook dat de vergelijking die de verzoekende partijen maken met het recht op euthanasie te dezen niet relevant is. Het recht op euthanasie heeft betrekking op de afgifte van een geneesmiddel dat het mogelijk maakt het leven van een levend persoon te beëindigen, wat niet de situatie is van een embryo, waaraan nooit een recht op leven is toegekend. Het vierde middel is niet gegrond. A.5.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » vragen zich af welk belang de verzoekende partijen hebben bij hun kritiek, aangezien geen van hen apotheker is. De aangeklaagde discriminatie vindt niet haar oorsprong in het artikel waarvan de vernietiging wordt gevraagd, maar wel in het ontbreken van een gelijkwaardige bepaling die geldt voor apothekers. Er zou dus een optreden van de wetgever nodig zijn om de grondwettigheid te herstellen, zodat het Hof dit middel moet verwerpen. Ten slotte genieten ook de apothekers een « gewetensclausule », vastgelegd in artikel 32 van hun deontologische code. Het middel berust dus op de verkeerde premisse dat de apothekers niet dezelfde gewetensclausule zouden genieten. De deontologische gewetensclausule die op hen van toepassing is, is eenvoudigweg niet weergegeven in de bestreden wet, zoals die van de artsen dat is. Die situatie heeft echter geen nadelige gevolgen voor de apothekers en nog minder voor de verzoekende partijen. Het vierde middel is niet gegrond. A.5.4. Om redenen die vergelijkbaar zijn met de redenen die worden vermeld in het derde middel, is de vzw « Société Médicale Belge de Saint-Luc / Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas » van mening dat het recht op vrijheid van geweten aan de apothekers moet worden gewaarborgd. Die omissie is des te onbegrijpelijker daar artikel 11 van de Grondwet de wetgever een positieve verplichting oplegt om de rechten en vrijheden van ideologische en filosofische minderheden te waarborgen. Apothekers die zich tegen abortus verzetten, vormen, net als de artsen die ertegen zijn, een dergelijke ideologische of filosofische minderheid. Ten aanzien van het vijfde middel A.6.1. De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, tweede lid, en 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7, lid 1, en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 9 In het eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 3, tweede lid, van de bestreden wet het recht op vrije meningsuiting schendt dat wordt gegarandeerd door artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het bepaalt dat hij die probeert te verhinderen dat een vrouw vrije toegang heeft tot een instelling voor gezondheidszorg die zwangerschapsafbrekingen uitvoert, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden tot een jaar en tot een geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro. Het strafrechtelijk bestraffen van iemand die probeert een zwangere vrouw die zich naar een instelling voor abortus wil begeven, te overtuigen om af te zien van haar voornemen, is geen van de dwingende maatschappelijke behoeften die worden genoemd in artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en is niet nodig in een democratische samenleving. De verzoekende partijen zijn van mening dat verhinderen dat mensen « zich uiten » afbreuk doet aan het pluralisme dat een wezenlijk onderdeel is van elke democratische samenleving. In het tweede onderdeel voeren ze aan dat dezelfde bepaling eveneens het beginsel van de wettelijkheid van de tenlasteleggingen bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt. De bestreden bepaling voldoet niet aan de vereiste van nauwkeurigheid, duidelijkheid en rechtszekerheid die wordt opgelegd door de Europese rechtspraak. Uit de toelichting voorafgaand aan het wetsvoorstel blijkt dat het de bedoeling is de persoon te bestraffen die fysiek probeert te verhinderen dat een vrouw toegang krijgt tot een verzorgingsinstelling die zwangerschapsafbrekingen uitvoert. Er heerst dus onzekerheid over welk gedrag strafbaar is. A.6.2. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partijen uitgaan van een verkeerde lezing van de bestreden bepaling. Het doel van artikel 3, tweede lid, is immers niet strafrechtelijke vervolging in te stellen tegen iemand die probeert een zwangere vrouw te overtuigen haar zwangerschap niet af te breken. Het gaat erom al wie probeert te verhinderen dat een vrouw vrije toegang heeft tot een instelling die zwangerschapsafbrekingen uitvoert, strafrechtelijk te vervolgen. De parlementaire voorbereiding is duidelijk hieromtrent. Er wordt evenmin op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de vrijheid van meningsuiting. De bestreden bepaling komt tegemoet aan een dwingende maatschappelijke behoefte, zelfs aan verscheidene dwingende maatschappelijke behoeften die worden opgesomd in lid 2 van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het strafrechtelijk bestraffen van een persoon die fysiek probeert te verhinderen dat een zwangere vrouw toegang krijgt tot een instelling om haar zwangerschap te laten afbreken, is in een democratische samenleving een noodzakelijke maatregel ter vrijwaring van de openbare orde, ter bescherming van de gezondheid of de goede zeden en ter bescherming van de rechten van anderen, namelijk die van de zwangere vrouw. Met betrekking tot het tweede onderdeel is de Ministerraad van mening dat de verzoekende partijen aan de bestreden bepaling een draagwijdte toekennen die ze niet heeft. Hun interpretatie gaat in tegen de tekst en gaat voorbij aan de inhoud van de parlementaire voorbereiding, die de bepaling kon verduidelijken, ook al is dat strikt genomen niet nodig. Bovendien interpreteren de rechters de wet, met name op basis van de parlementaire voorbereiding, die te dezen de inhoud van de wet alleen maar verduidelijkt. Het vijfde middel is niet gegrond, zo besluit de Ministerraad. A.6.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » stellen, naar het voorbeeld van de Ministerraad en om dezelfde redenen, dat het eerste onderdeel van het middel uitgaat van een verkeerde lezing van de bestreden bepaling. De tussenkomende partijen hebben in wezen hetzelfde standpunt als de Ministerraad met betrekking tot het tweede onderdeel en concluderen eveneens dat het vijfde middel ongegrond is. Ten aanzien van het zesde middel A.7.1. De verzoekende partijen leiden een zesde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 10 De opheffing van het verbod op publiciteit voor vruchtafdrijvende middelen druist in tegen het recht op leven. Die opheffing zal tot gevolg hebben bij te dragen tot de banalisering en de commercialisering van abortus en afbreuk doen aan de wettelijke bescherming van het leven van het ongeboren kind. Zij voeren bijgevolg een schending van het recht op leven aan. A.7.2. De Ministerraad is in de eerste plaats van mening dat, gesteld dat een zeker recht op leven moet worden toegekend aan het ongeboren kind, de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht de opheffing van het verbod op publiciteit voor vruchtafdrijvende geneesmiddelen zou leiden tot een schending van dat recht. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is van oordeel dat artikel 2, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens de Staat ertoe dwingt zich te onthouden van het opzettelijk en wederrechtelijk veroorzaken van de dood, maar hem er ook toe verplicht om de nodige maatregelen te nemen om het leven te beschermen van de personen die onder zijn jurisdictie vallen. Op het gebied van de gezondheidszorg schrijft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overigens voor dat de lidstaten een regelgevend kader moeten vastleggen dat zowel particuliere als openbare ziekenhuizen ertoe verplicht maatregelen te nemen om het leven van de zieken te beschermen. De verzoekende partijen tonen niet aan in welk opzicht de opheffing van het verbod op publiciteit rechtstreekse gevolgen kan hebben voor het recht op leven van het ongeboren kind. De handhaving van dat verbod zal geenszins een beperking van het aantal abortussen tot gevolg hebben. In de parlementaire voorbereiding wordt herhaaldelijk onderstreept dat het aantal uitgevoerde abortussen niet beïnvloed wordt door het legale of illegale karakter ervan. Het wettelijke karakter maakt het alleen mogelijk dat de abortus in de best mogelijke omstandigheden gebeurt, zowel vanuit medisch, sociaal als psychologisch oogpunt. Voor het overige waren de geschrapte bepalingen bijzonder restrictief, zelfs in die mate dat ze tot gevolg hadden dat het merendeel van de ziekenhuizen en centra waar zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, in de illegaliteit belandden. De opheffing van dat verbod kwam veeleer voort uit de behoefte aan informatieverstrekking dan uit de wil publiciteit te maken in de commerciële zin van het woord. De Ministerraad merkt ook op dat publiciteit voor farmaceutische producten sterk gereglementeerd is, wat ertoe strekt een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen en tot doel heeft te streven naar een rationeel gebruik van geneesmiddelen. De opheffing van het verbod op publiciteit blijft dus evenredig. Het zesde middel is niet gegrond. A.7.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » verwijzen naar de uiteenzetting die het eerste middel (recht op leven) en het derde middel (recht op toegang tot informatie) weerlegt. De tussenkomende partijen zijn van mening dat de opheffing van het verbod op iedere vorm van publiciteit voor vruchtafdrijvende middelen een effectieve uitoefening van het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, dat is vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, mogelijk maakt. Om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in antwoord op het eerste en het derde middel, is het zesde middel ongegrond. Ten aanzien van het zevende middel A.8.1. De verzoekende partijen leiden, in ondergeschikte orde, een zevende middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In uiterst ondergeschikte orde, indien het Hof het eerste middel verwerpt, stellen ze dat de wetgever het billijke evenwicht heeft verbroken tussen het recht op leven van het ongeboren kind en het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw, dat hij had ingevoerd met de aanneming van de wet van 3 april 1990. Die verbreking van het evenwicht volgt uit een combinatie van verschillende elementen. 11 Ze vloeit in de eerste plaats voort uit de afschaffing van de wettelijke voorwaarde van de « noodsituatie » van de zwangere vrouw, die voordien vereist was in artikel 350 van het Strafwetboek. Volgens de verzoekende partijen stelde het bestaan van die wettelijke voorwaarde de zwangere vrouw in staat na te denken over haar situatie door ze te objectiveren in een gesprek met haar arts. De afschaffing van die voorwaarde betekent dat er een moment van reflectie en objectivering met een derde persoon (de arts) verdwijnt, wat in dat kader leidt tot de « banalisering van abortus ». Dat zal leiden tot een stijging van het aantal vrouwen dat spijt krijgt van de zwangerschapsafbreking en dus een stijging van het aantal « verloren levens ». Vervolgens, door de echtgenoot of partner, bloedverwant, vriend of vriendin van een zwangere vrouw die naar een instelling wil gaan voor een abortus, te bestraffen wanneer die persoon de zwangere vrouw mondeling of schriftelijk, bijvoorbeeld door middel van een sms of een e-mail, tracht te overtuigen om af te zien van haar voornemen, verhindert de wetgever volgens de verzoekende partijen dat de abortus in vraag wordt gesteld, draagt hij bij tot de banalisering ervan en doet hij afbreuk aan de wettelijke bescherming van het leven van het ongeboren kind. Ten slotte, door het verbod op te heffen op publiciteit voor geneesmiddelen die tot doel hebben een zwangerschapsafbreking te veroorzaken en voor de andere vruchtafdrijvende middelen, heeft de wetgever een « essentiële barrière die beschermde tegen de commercialisering van abortus » weggenomen. De verzoekende partijen zijn overigens van mening dat de bestreden wet indruist tegen de doelstelling van de wet van 13 augustus 1990 « houdende oprichting van een commissie voor de evaluatie van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking, tot wijziging van de artikelen 348, 350, 351 en 352 van het Strafwetboek en tot opheffing van artikel 353 van hetzelfde Wetboek », die niet is opgeheven en waarvan een van de doelstellingen was het aantal zwangerschapsafbrekingen te verminderen. Zij verzoeken het Hof derhalve de hele bestreden wet te vernietigen, met inbegrip van de bepalingen tot intrekking of tot wijziging van de artikelen 350, 351, 352 en 383 van het Strafwetboek. A.8.2. De Ministerraad merkt op dat de verzoekende partijen zich vergissen als ze van mening zijn dat de noodsituatie, die voordien vereist werd in artikel 350 van het Strafwetboek, de zwangere vrouw in staat stelde na te denken over haar situatie door ze te objectiveren in een gesprek met haar arts en dat de afschaffing van die voorwaarde leidt tot een banalisering van abortus. De bestreden wet legt in artikel 2, 3°, ervan nog altijd een bedenktermijn van zes dagen na de eerste raadpleging op en de arts heeft nog altijd de plicht de vrouw uitvoerig voor te lichten en in gesprek met haar te treden. De Ministerraad herinnert ook eraan dat de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa heeft aangegeven dat de wettelijkheid van abortus geen invloed heeft op de behoefte van de vrouw te kiezen voor abortus, maar alleen op haar toegang tot een abortus zonder risico en dat een verbod op abortus niet leidt tot een vermindering van het aantal abortussen : dat leidt alleen tot clandestiene abortussen, die traumatischer zijn, en draagt bij tot de toename van de moedersterfte. Voor het overige wordt verwezen naar de argumenten die werden uiteengezet bij het eerste, vijfde en zesde middel. Het zevende middel is niet gegrond, zo besluit de Ministerraad. A.8.3. De vzw « Centre d’Action Laïque » en de vzw « Unie Vrijzinnige Verenigingen » betogen in de eerste plaats dat de noodsituatie geen « objectief » element is dat de vrouw helpt een beslissing te nemen en na te denken over haar keuze. Het gaat integendeel om een zuiver subjectief begrip. De afschaffing van de voorwaarde van de noodsituatie heeft tot doel vrouwen die kiezen voor abortus, niet te stigmatiseren. Verscheidene deskundigen die werden gehoord in het kader van de parlementaire voorbereiding, drongen overigens aan op afschaffing van dat begrip, met name vanwege het vage, subjectieve en paternalistische karakter ervan. Vervolgens blijkt uit de weerlegging van het vijfde middel dat het iedereen uiteraard vrij staat zijn standpunt uiteen te zetten, vragen te stellen of nog vrouwen trachten ervan te overtuigen af te zien van abortus. De vrees van de verzoekende partijen is dus ongegrond. 12 Er werd ook aan herinnerd dat de opheffing van het verbod op « publiciteit » erop gericht is het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op zelfbeschikking van de vrouwen nog effectiever te maken. De tussenkomende partijen zien niet in welk opzicht dat doel de in het middel aangevoerde bepalingen zou schenden, de verzoekende partijen ongunstig zou raken en abortus zou « banaliseren », zodat vrouwen vaker ervoor zouden kiezen. Meer algemeen kunnen de tussenkomende partijen moeilijk aanvaarden dat de verzoekende partijen veronderstellen welke keuze de vrouwen zullen maken indien ze geconfronteerd worden met de mogelijkheid om al dan niet over te gaan tot zwangerschapsafbreking, of veronderstellen dat ze die keuze op een ondoordachte manier zullen maken. Het zevende middel is niet gegrond, zo besluiten de tussenkomende partijen. A.8.4. Met betrekking tot het zevende middel deelt de vzw « Société Médicale Belge de Saint- Luc / Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas » de mening van de verzoekende partijen en ze betreurt dat de wetgever de noodsituatie als voorwaarde heeft afgeschaft. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.1. De wet van 15 oktober 2018 « betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen » (hierna : de bestreden wet) wijzigt onder meer de wetgeving inzake zwangerschapsafbreking, die voorheen geregeld was in de artikelen 348 en volgende van het Strafwetboek. B.1.2. De bestreden wet bepaalt onder meer het volgende : « HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden en procedure Art. 2. De zwangere vrouw mag een arts verzoeken om haar zwangerschap af te breken onder de volgende voorwaarden : 1° De zwangerschapsafbreking moet :
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.