id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.125 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20200924.12 Arrest- Rolnummer: 125/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-09-25 Raadplegingen: 296 - laatst gezien 2026-06-19 16:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 2, 6 en 7 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 mei 2004 « tot invoering van een belasting op de afgedankte bedrijfsruimten », zoals gewijzigd bij het decreet van 12 mei 2005, bij het decreet van 17 januari 2008 en bij het decreet van 30 april 2009, schenden de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 2, 6 en 7 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 mei 2004 « tot invoering van een belasting op de afgedankte bedrijfsruimten », zoals gewijzigd bij de decreten van 12 mei 2005, 17 januari 2008 en 30 april 2009, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Fiscaal recht - Waals Gewest - Milieu - Belasting op de afgedankte bedrijfsruimten - Aanslagprocedure - Systeem van dubbele vaststelling - Oordeel van de belastingadministratie. Tekst van de beslissing Rolnummer 7394 Arrest nr. 125/2020 van 24 september 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 2, 6 en 7 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 mei 2004 « tot invoering van een belasting op de afgedankte bedrijfsruimten », zoals gewijzigd bij de decreten van 12 mei 2005, 17 januari 2008 en 30 april 2009, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 26 maart 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 mei 2020, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 2, 6 en 7 van het Waalse decreet van 27 mei 2004 tot invoering van een belasting op de afgedankte bedrijfsruimten, zoals gewijzigd bij het decreet van 12 mei 2005, het programmadecreet van 23 februari 2006, het decreet van 17 januari 2008 en het decreet van 30 april 2009, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in de interpretatie dat zij het bepalen van de termijn tussen twee opeenvolgende vaststellingen van het bestaan van een afgedankte bedrijfsruimte uitsluitend aan het oordeel van het Waalse Gewest overlaten en bijgevolg leiden tot een verschillende belasting van belastingplichtigen die zich in vergelijkbare of zelfs identieke situaties bevinden, of tot een identieke belasting van belastingplichtigen die zich in verschillende situaties bevinden ? ». Op 3 juni 2020 hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De nv « SEMATEM » vordert voor de verwijzende rechter de vernietiging van de belasting op de afgedankte bedrijfsruimten met betrekking tot het belastbare tijdperk 2011 voor een bedrag van 67 144,06 euro. De eisende vennootschap heeft het voorwerp uitgemaakt van twee controles in 2008 en 2010 door de bevoegde administratie. Op 30 maart 2011 maakt de bevoegde ambtenaar een vaststelling op waarbij wordt opgemerkt dat de site een afgedankte bedrijfsruimte in de zin van het decreet van 27 mei 2004 is. Ingevolge de betwisting, door de eisende vennootschap, van die kwalificatie van de site geeft een plaatsbezoek aanleiding tot een verslag van 2 augustus 2011 waarbij de kwalificatie van de site wordt bevestigd. Op 25 juni 2012 wordt een aanslagbiljet met betrekking tot het belastbare tijdperk 2011 voor een bedrag van 67 144,06 euro naar de eisende vennootschap gestuurd. De belastingadministratie, waarbij een bezwaarschrift is ingediend, verwerpt de eis op 17 juni
- De eisende vennootschap stelt haar vordering voor de verwijzende rechter in op 15 oktober
- Voor de verwijzende rechter doet de eisende vennootschap gelden dat, aangezien de termijn tussen twee vaststellingen van leegstand kan verschillen van de ene belastingplichtige tot de andere, de procedure voor de vestiging van de belasting een willekeurig karakter zou hebben. Op verzoek van de eisende vennootschap stelt de verwijzende rechter het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- Er werd geen memorie met verantwoording ingediend. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, van de artikelen 2, 6 en 7 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 mei 2004 « tot invoering van een belasting op de afgedankte bedrijfsruimten » (hierna : het decreet van 27 mei 2004), zoals gewijzigd bij het decreet van 12 mei 2005, bij het decreet van 17 januari 2008 en bij het decreet van 30 april
- B.
- De artikelen 2, 5, 6 en 7 van het decreet van 27 mei 2004, zoals van toepassing op het geschil dat voor de verwijzende rechter hangende is, bepalen : « Art.
- Belastbaar feit is de instandhouding, in de zin van artikel 7, §§ 2 en 3, van afgedankte bedrijfsruimten. Onder ‘ afgedankte bedrijfsruimte ’ wordt een kadastraal perceel of een geheel van kadastrale percelen verstaan die volgende voorwaarden vervullen : a. het kadastrale perceel of het geheel van kadastrale percelen moet een oppervlakte van meer dan 5 000 m² hebben, na aftrek van de oppervlakten opgesomd in artikel 3; b. er moet zich op dat kadastrale perceel of op dat geheel van kadastrale percelen minstens één bebouwd goed bevinden; Als bebouwd goed wordt elk bouwwerk beschouwd dat in de grond ingebouwd is; c. het kadastrale perceel of het geheel van kadastrale percelen dient gebruikt te zijn voor een economische activiteit van industriële, ambachtelijke, tuinbouw-, handels- of dienstverlenende aard; d. er wordt geen enkele economische activiteit meer in minstens één bebouwd goed uitgeoefend, zonder dat dat bebouwd goed het voorwerp heeft uitgemaakt of uitmaakt van een herbestemming. 4 In de zin van dit decreet wordt beschouwd als herbestemming, de bestemming voor het wonen, voor openbare gebouwen en inrichtingen of voor bouwwerken en inrichtingen van gemeenschappelijke uitrustingen, voor socio-culturele inrichtingen, voor toeristische of recreatie-uitrustingen wanneer die bestemming de wetsbepalingen die de uitoefening van een dergelijke activiteit op de site regelen, naleeft. De activiteit van elke natuurlijke of elke rechtspersoon die de wetsbepalingen niet in acht neemt die de uitoefening van zijn activiteit regelen, wordt, in de zin van deze voorwaarde, niet als uitgeoefend beschouwd. Indien de afgedankte bedrijfsruimte één of meerdere bebouwde goederen bevat waar geen enkele economische activiteit meer uitgeoefend wordt, zonder dat die bebouwde goederen het voorwerp hebben uitgemaakt of uitmaken van een herbestemming, en één of meerdere bebouwde goederen waar er nog een economische activiteit uitgeoefend wordt, of die het voorwerp hebben uitgemaakt of uitmaken van een herbestemming, is de site enkel belastbaar indien de totale grondoppervlakte van de bebouwde goederen waar er geen enkele economische activiteit meer georganiseerd wordt, zonder dat die bebouwde goederen het voorwerp hebben uitgemaakt of uitmaken van een herbestemming, 50 p.c. van de totale grondoppervlakte van het geheel van de bebouwde goederen te boven gaat; e. minstens één bebouwd goed waar er geen enkele economische activiteit meer georganiseerd wordt zonder dat dit bebouwd goed het voorwerp heeft uitgemaakt of uitmaakt van een herbestemming, dient één of meer gebreken te vertonen. De gebreken, in de zin van dit decreet, zijn beschadigingen aan de buitenmuren, omheiningen, schoorstenen, daken, dakgebinten, buitenschrijnwerkerij, daklijsten of -goten ». « Art.
- Belastingplichtig is de eigenaar of de houder van het zakelijk genotsrecht op het geheel of een deel van een afgedankte bedrijfsruimte, op datum van de tweede vaststelling bedoeld in artikel 7, § 2, tweede lid, of van elke zoals in artikel 7, § 3, tweede lid, bedoelde jaarlijkse vaststelling die later dan eerstgenoemde vaststelling plaatsvindt. […] Art.
- Het belastbare tijdperk is het jaar waarin een tweede vaststelling bedoeld in artikel 7, § 2, tweede lid, of een zoals in artikel 7, § 3, tweede lid, bedoelde jaarlijkse vaststelling die later dan eerstgenoemde vaststelling plaatsvindt, waarbij het bestaan van een in stand gehouden afgedankte bedrijfsruimte wordt vastgesteld, worden opgemaakt. In afwijking van artikel 19, tweede lid, van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen valt het aanslagjaar voor de belasting op de afgedankte bedrijfsruimten in het Waalse Gewest samen met het belastbare tijdperk. De belasting kan ingekohierd worden tot op 30 juni van het jaar volgend op het jaar waarin de tweede vaststelling of, in voorkomend geval, elke jaarlijkse vaststelling die later dan eerstgenoemde vaststelling plaatsvindt, verricht zijn. Art.
- §
- De door de Regering aangewezen ambtenaren maken een vaststelling op waarbij het bestaan van een afgedankte bedrijfsruimte vastgesteld wordt. 5 Binnen een termijn van zestig dagen geven de door de Regering aangewezen ambtenaren bij ter post aangetekend schrijven kennis van de vaststelling aan de eigenaar of de houder van het zakelijk genotsrecht op het geheel of het deel van de site. De eigenaar of de houder van het zakelijk genotsrecht op het geheel of het deel van de site kan schriftelijk zijn opmerkingen en bedenkingen aan de door de Regering aangewezen ambtenaren laten geworden, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de datum van uitwerking van die kennisgeving bedoeld in het tweede lid, zoals berekend overeenkomstig artikel 1, §
- §
- Er wordt ten minste twaalf maanden na het opmaken van de vaststelling bedoeld in § 1 een tweede vaststelling opgemaakt. Indien er ten gevolge van de controle bedoeld in het eerste lid een tweede vaststelling wordt opgemaakt waarbij het bestaan van een afgedankte bedrijfsruimte wordt vastgesteld, wordt de afgedankte bedrijfsruimte beschouwd als in stand gehouden in de zin van artikel
- §
- Jaarlijks wordt er ten minste twaalf maanden na het opmaken van de voorgaande vaststelling een controle uitgevoerd. Indien er een nieuwe vaststelling wordt opgemaakt waarbij het bestaan van een afgedankte bedrijfsruimte wordt vastgesteld, wordt de afgedankte bedrijfsruimte beschouwd als in stand gehouden in de zin van artikel
- §
- De Regering stelt het model van de vaststellingen bedoeld in de §§ 1 tot en met 3 vast ». B.3.
- Het decreet van 27 mei 2004 voert een belasting in waarvan het belastbaar feit de instandhouding is van een afgedankte bedrijfsruimte die beantwoordt aan de definitie van artikel 2 ervan. B.3.
- De aanslagprocedure berust op een systeem van dubbele vaststelling (Parl. St., Waals Parlement, 2003-2004, nr. 699/1, p. 3). Allereerst maken de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaren een eerste vaststelling op van het bestaan van een afgedankte bedrijfsruimte. Van die vaststelling wordt kennisgegeven aan de eigenaar of aan de houder van het zakelijk genotsrecht op het geheel of een deel van de site, die binnen een termijn van een maand schriftelijk zijn opmerkingen en bedenkingen kan mededelen. 6 Vervolgens wordt ten minste twaalf maanden na het opmaken van de eerste vaststelling een tweede controle uitgevoerd. Indien er ten gevolge van die controle een tweede vaststelling wordt opgemaakt van het bestaan van een afgedankte bedrijfsruimte, wordt de afgedankte bedrijfsruimte beschouwd als « in stand gehouden » in de zin van artikel 2 van het decreet van 27 mei
- Het belastbare feit staat dan vast. Nadien wordt jaarlijks, ten minste twaalf maanden na het opmaken van de vorige vaststelling, een controle uitgevoerd. Indien, ten gevolge van een dergelijke controle, een nieuwe vaststelling wordt opgemaakt waaruit het bestaan, en bijgevolg de instandhouding, blijkt van de afgedankte bedrijfsruimte, staat het belastbare feit nogmaals vast. B.3.
- Het belastbare tijdperk stemt overeen met het jaar waarin een tweede vaststelling, of een jaarlijkse vaststelling die later dan de eerstgenoemde vaststelling plaatsvindt, wordt opgemaakt van de instandhouding van een afgedankte bedrijfsruimte. B.3.
- Het aanslagjaar en het belastbare tijdperk vallen samen. De belasting kan worden ingekohierd tot 30 juni van het jaar dat volgt op het jaar waarin de tweede vaststelling van de instandhouding van een afgedankte bedrijfsruimte of, in voorkomend geval, elke jaarlijkse vaststelling die later dan eerstgenoemde vaststelling plaatsvindt, werd gedaan. B.
- Zoals de verwijzende rechter doet opmerken, kan de termijn tussen twee vaststellingen van de instandhouding van een afgedankte bedrijfsruimte van de ene belastingplichtige tot de andere verschillen. B.
- Met de prejudiciële vraag wordt aan het Hof een vraag gesteld over zowel een verschil in behandeling als een gelijke behandeling. Het verschil in behandeling bestaat in een verschillende belasting van de belastingplichtigen die zich in identieke situaties bevinden, in zoverre het bepalen van de termijn tussen twee opeenvolgende vaststellingen van de instandhouding van een afgedankte bedrijfsruimte bij de in het geding zijnde bepalingen aan het oordeel van de belastingadministratie wordt overgelaten. 7 De gelijke behandeling bestaat in een identieke belasting van de belastingplichtigen die zich in verschillende situaties bevinden, eveneens in zoverre het bepalen van de termijn tussen twee opeenvolgende vaststellingen van de instandhouding van een afgedankte bedrijfsruimte bij de in het geding zijnde bepalingen aan het oordeel van de belastingadministratie wordt overgelaten. B.
- Het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling is onbestaande, aangezien de belastingplichtigen die het voorwerp uitmaken van een tweede controle of van een daaropvolgende controle met inachtneming van de aanslagprocedure van het decreet van 27 mei 2004 wordt vastgelegd, niet verschillend worden belast. Enerzijds blijkt uit artikel 7, §§ 2 en 3, van het decreet van 27 mei 2004 dat een tweede controle ten minste twaalf maanden na het opmaken van de eerste vaststelling van het bestaan van een afgedankte bedrijfsruimte moet worden uitgevoerd en dat elke latere controle jaarlijks en ten minste twaalf maanden na de vorige vaststelling wordt uitgevoerd. Zoals de verwijzende rechter doet opmerken, moet de Waalse belastingoverheid dus elk jaar een controle uitvoeren, zodat de termijn tussen twee vaststellingen theoretisch kan schommelen tussen twaalf maanden en een dag en bijna 24 maanden. Anderzijds bepaalt artikel 6 van hetzelfde decreet dat het belastbare tijdperk zich uitstrekt over het gehele jaar waarin de tweede vaststelling of de jaarlijkse vaststelling die later dan de eerstgenoemde vaststelling plaatsvindt, wordt opgemaakt. B.
- Daaruit volgt dat er geen verschillende belasting kan zijn, zelfs indien die controles op verschillende ogenblikken plaatshebben, in de veronderstelling dat de controles die op een eerste vaststelling volgen, worden uitgevoerd met inachtneming van de bij het decreet vastgelegde aanslagprocedure en, bijgevolg, in de loop van hetzelfde belastbare tijdperk. De belasting op afgedankte bedrijfsruimten is immers verschuldigd voor een bepaald belastbaar tijdperk, ongeacht het ogenblik waarop de tweede vaststelling of elke nieuwe vaststelling die later dan een vorige vaststelling plaatsvindt, in de loop van het belastbare tijdperk wordt opgemaakt. 8 B.
- Tot slot moet de prejudiciële vraag nog in die zin worden begrepen dat zij betrekking heeft op een gelijke behandeling wegens een identieke belasting van de belastingplichtigen die, met inachtneming van het decreet van 27 mei 2004, op verschillende ogenblikken tijdens hetzelfde belastbare tijdperk werden gecontroleerd, zodat de termijnen tussen twee opeenvolgende vaststellingen van de ene tot de andere belastingplichtige enigszins kunnen variëren. Met dat aspect van de prejudiciële vraag beoogt de verwijzende rechter in werkelijkheid een verschil in behandeling tussen belastingplichtigen wat betreft het ogenblik van de tweede controle of van de controle die later dan de eerstgenoemde controle plaatsvindt, aan de toetsing door het Hof te onderwerpen. Dat verschil in behandeling vindt zijn oorsprong niet in het decreet van 27 mei 2004 maar in een praktijk van de belastingadministratie die aan de toetsing door het Hof ontsnapt. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 2, 6 en 7 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 mei 2004 « tot invoering van een belasting op de afgedankte bedrijfsruimten », zoals gewijzigd bij het decreet van 12 mei 2005, bij het decreet van 17 januari 2008 en bij het decreet van 30 april 2009, schenden de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 24 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div