← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.126

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.126 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201001.1 Arrest- Rolnummer: 126/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-02 Raadplegingen: 525 - laatst gezien 2026-06-19 19:17 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt artikel 56 van het bijzonder decreet van de Franse Gemeenschap van 7 februari 2019 «tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap»; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling tot de inwerkingtreding van een nieuwe door de decreetgever aangenomen regeling en uiterlijk tot en met 31december 2022; - verwerpt het beroep voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen37, 38, 39, 56 en 63 van het bijzonder decreet van de Franse Gemeenschap van 7februari 2019 «tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap», ingesteld door de vzw «Secrétariat Général de l'Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone». Onderwijs - Franse Gemeenschap - Oprichting van een overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht - Wallonie-Bruxelles Enseignement -

  1. Financiering -
  2. Personeelsmiddelen. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 07-02-2019 - 56 - 12 ELI link Pub nr 2019040588 Tekst van de beslissing Rolnummer 7246 Arrest nr. 126/2020 van 1 oktober 2020 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 37, 38, 39, 56 en 63 van het bijzonder decreet van de Franse Gemeenschap van 7 februari 2019 « tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap », ingesteld door de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman, M. Pâques en Y. Kherbache, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter A. Alen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 augustus 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 augustus 2019, heeft de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser en Mr. M. Verdussen, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 37, 38, 39, 56 en 63 van het bijzonder decreet van de Franse Gemeenschap van 7 februari 2019 « tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2019). Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de openbare instelling « Wallonie Bruxelles Enseignement », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sautois, advocaat bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele, Mr. A. Feyt en Mr. P. Minsier, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 20 mei 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 3 juni 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 3 juni 2020 de dag van de terechtzitting bepaald op 8 juli
  3. Op de openbare terechtzitting van 8 juli 2020 : - zijn verschenen : . Mr. M. Kaiser, tevens loco Mr. M. Verdussen, voor de verzoekende partij; . Mr. J. Sautois, voor de openbare instelling « Wallonie Bruxelles Enseignement »; . Mr. A. Feyt, tevens loco Mr. M. Uyttendaele en Mr. P. Minsier, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.
  4. « Wallonie Bruxelles Enseignement » (hierna : WBE) betwist het belang van de vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » (hierna : het SeGEC) om in rechte te treden. Om reden dat het SeGEC niet heeft deelgenomen aan de procedure van aanneming van het bestreden decreet, voert WBE aan dat de overweging van het arrest nr. 114/2018 van 19 juli 2018 waarbij het Hof oordeelde dat de deelname van het SeGEC aan het aannemingsproces van de bestreden bepalingen zijn belang rechtvaardigde, a contrario moet worden toegepast en dat het beroep onontvankelijk moet worden verklaard. A.1.
  5. Het SeGEC, verzoekende partij, repliceert dat het door de Franse Gemeenschap is erkend als het vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van het katholiek onderwijs bij de wet van 29 mei 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving ». De verzoekende partij doet dus blijken van haar belang door haar hoedanigheid van woordvoerder van de inrichtende machten en schoolinrichtingen van het gesubsidieerd vrij onderwijsnet, en in het bijzonder van de katholieke scholen die basisonderwijs of secundair onderwijs inrichten en voegt eraan toe dat, indien het standpunt van WBE wordt gevolgd, het Hof zijn deuren zou sluiten voor alle verenigingen die niet zouden hebben deelgenomen aan een voorafgaande raadpleging. Ten aanzien van het eerste middel A.2.
  6. In een eerste middel vraagt de verzoekende partij het Hof om de artikelen 37 tot 39 van het bijzonder decreet van de Franse Gemeenschap van 7 februari 2019 « tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap » (hierna : het bijzonder decreet van 7 februari 2019) te vernietigen. Het middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, § 4, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet. Voorafgaand merkt de verzoekende partij op dat zij de vernietiging van de artikelen 37, 38 en 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 vordert omdat die artikelen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De verzoekende partij verwijt de bestreden bepalingen te voorzien in financieringsmaatregelen die noodgedwongen alleen aan WBE, de inrichtende macht van uitsluitend het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap en van de inrichtingen ervan, ten goede kunnen komen, en dat met uitsluiting van de inrichtende machten en inrichtingen van de andere netten, te weten de gesubsidieerde netten. De verzoekende partij is van oordeel dat dat verschil in behandeling niet verantwoord is door objectieve en legitieme verschillen tussen het door WBE georganiseerde onderwijs en het gesubsidieerd onderwijs, en dat het in elk geval onevenredig is. Zij herinnert vervolgens eraan dat, in het advies over een voorstel van decreet met hetzelfde onderwerp, dat werd ingediend en daarna vervangen door het bestreden bijzonder decreet, de afdeling wetgeving van de Raad van State een ernstig grondwettigheidsbezwaar heeft opgeworpen. Dat bezwaar had betrekking op de noodzaak, voor de bijzondere decreetgever, om aan te tonen dat, in het licht van de globale financieringsregeling van het onderwijs, de specifieke financiering die WBE zou genieten zou worden verantwoord door objectieve verschillen tussen het door WBE georganiseerde onderwijs en het gesubsidieerd onderwijs. Dat bezwaar ligt in de lijn van de rechtspraak van het Hof. Het verschil tussen beide netten is niet doorslaggevend, volgens de verzoekende partij. 4 De verschillen in behandeling zijn niet objectief verantwoord. Hoe valt bijvoorbeeld te begrijpen dat artikel 39, § 3, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 WBE machtigt om alle financiële overdrachten uit te voeren die nodig zijn voor de uitvoering van haar opdrachten ? WBE geniet ook een trekkingsrecht op grond waarvan zij het nodige personeel kan eisen. De verzoekende partij merkt ook op dat de opdrachten van WBE niet vóór 30 september 2020 in de beheersovereenkomst zullen zijn omschreven, terwijl nu reeds zo aanzienlijke middelen voor die opdrachten worden bestemd. In de veronderstelling dat die verschillen aangetoond zijn, voert de verzoekende partij aan dat de bestreden maatregelen niet evenredig zijn. Het verschil in financiering tussen beide netten werd weliswaar verkleind tijdens de parlementaire voorbereiding. Dat neemt niet weg dat het bedrag bestemd om de loonkosten te dekken, zoals bepaald in artikel 38, eerste lid, 1°, en tweede lid, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, buitensporig is ten opzichte van de huidige reële noden. Die maatregelen zijn des te minder aanvaardbaar omdat zij een negatieve weerslag kunnen hebben op de rechten die zijn erkend bij artikel 24, § 1, van de Grondwet, dat de vrijheid van onderwijs vastlegt en onder meer de vrijheid waarborgt om naar de school van zijn keuze te gaan. A.2.
  7. De Franse Gemeenschapsregering tracht aan te tonen dat WBE, de nieuwe inrichtende macht voor het onderwijs in de Franse Gemeenschap, kenmerken vertoont die haar fundamenteel onderscheiden van de andere inrichtende machten. Eerst en vooral telt het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsnet meer dan 28 497 personeelsleden, die meer dan 191 563 leerlingen, verdeeld over meer dan 500 inrichtingen, begeleiden. Het is bijgevolg de grootste inrichtende macht van onderwijs. Vervolgens zijn de inzet alsook de uitdagingen voor WBE belangrijk : WBE wordt immers geconfronteerd met een afname van haar schoolbevolking, een versplinterd beheer van haar inrichtingen, een gebrek aan een gemeenschappelijke visie, een te sterke centralisering en een verouderde schoolinfrastructuur. In tegenstelling tot de andere netten kan WBE niet rekenen op publieke en private gelden om haar middelen te verhogen. WBE kan weliswaar schenkingen en legaten ontvangen, maar die volstaan niet. Vervolgens moet WBE met de Franse Gemeenschapsregering een beheersovereenkomst sluiten, iets waartoe de andere inrichtende machten niet gehouden zijn. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat het middel op verkeerde uitgangspunten berust. De financiële overdrachten kunnen immers in twee richtingen gebeuren : van WBE naar de inrichtingen of van die laatste naar WBE. Voor de inrichtingen zijn die overdrachten geenszins een dotatie zijn van de Franse Gemeenschap in haar hoedanigheid van inrichtende of subsidiërende overheid ten gunste van een door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichting. Het zijn uitsluitend overdrachten van WBE, als inrichtende macht, naar een van haar inrichtingen. Het is evenmin juist te beweren dat WBE, op elk ogenblik dat zij het gepast acht, een trekkingsrecht geniet op grond waarvan zij bijkomend personeel kan eisen. Artikel 63 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 staat dat niet toe. De overgedragen bedragen dienen steeds overeen te stemmen met de reële loonkosten. Ten slotte en in elk geval zijn de bestreden maatregelen evenredig en schenden zij artikel 24, § 1, van de Grondwet niet. Het bedrag van 41 137 500 euro is een maximumbedrag, dat vanaf het jaar 2021 in geen geval mag worden overschreden. De verzoekende partij bekritiseert inzonderheid het gedeelte van de dotatie dat bestemd is om alle algemene uitgaven eigen aan WBE te dekken. De Franse Gemeenschapsregering licht de verdeling van dat bedrag toe en brengt in herinnering dat het Hof niet beoordeelt of de decretaal ingevoerde maatregelen opportuun of redelijk zijn. A.2.
  8. WBE voert in hoofdorde aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat het niet uiteenzet in welk opzicht de artikelen 38, laatste lid, en 39, §§ 1 en 2, de in het middel beoogde bepalingen zouden schenden. 5 De verzoekende partij levert het Hof overigens niet alle elementen op grond waarvan het het net van de Franse Gemeenschap zou kunnen vergelijken met het net dat door de verzoekende partij wordt vertegenwoordigd. WBE verwijst naar de arresten van het Hof nrs. 21/2006 en 120/
  9. In ondergeschikte orde is WBE van mening dat het middel niet gegrond is. In de veronderstelling dat men de financiering die de publieke inrichtende macht van het onderwijs van de Franse Gemeenschap geniet, kan vergelijken met de middelen waarmee de private inrichtende machten functioneren, vallen die verschillen niet onder het toepassingsgebied van artikel 24, § 4, van de Grondwet. Naast de verplichting, voor de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap, om de keuze aan te bieden tussen verschillende cursussen godsdienst, een cursus filosofie en burgerzin en een cursus niet-confessionele zedenleer, verantwoorden andere aan dat onderwijs eigen karakteristieken een verschil in behandeling. Het komt overigens het Hof niet toe, zo vervolgt WBE, de opportuniteit van de met het bijzonder decreet genomen maatregelen te beoordelen, voor zover de decreetgever bij het nemen van die maatregelen op objectieve wijze rekening heeft gehouden met de noden van WBE. Bovendien strekken de dotaties die worden toegewezen met toepassing van de artikelen 37 en 38 ertoe de algemene kosten van WBE te dekken, en niet de onderwijsinrichtingen te financieren. Het eerste middel is niet gegrond, zo besluit WBE. A.2.4.
  10. De verzoekende partij antwoordt dat de Franse Gemeenschapsregering, wat de verschillen in behandeling tussen het officiële net en het gesubsidieerd vrij net betreft, terugkomt op kenmerken die eigen zijn aan die welke in 1988 zijn bekrachtigd, op het ogenblik van de communautarisering van het onderwijs, maar die sindsdien voorbijgestreefd zijn. Zo zijn er, wat de inschrijvingsregeling betreft, geen verschillen meer tussen beide netten sinds de inwerkingtreding van het decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 « dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren ». De verplichting om een keuze aan te bieden tussen het onderricht in een van de erkende godsdiensten en het onderricht in de niet-confessionele zedenleer werd met de helft verminderd ingevolge het decreet van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 2015 « betreffende de organisatie van een cursus filosofie en burgerzin en een opvoeding tot filosofie en burgerzin » : die verplichting heeft voortaan enkel nog betrekking op één lesuur. Wat de eigen kenmerken van de scholen betreft, voert de verzoekende partij aan dat zij geen verband houden met de specificiteit van WBE als inrichtende macht, noch met het door WBE georganiseerde onderwijs. Indien er een verschil is, wordt het bovendien gecorrigeerd door het decreet van 30 april 2009 « houdende organisatie van een gedifferentieerde omkadering binnen de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap om alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te bieden in een kwaliteitsvolle pedagogische omgeving » en door het decreet van 7 februari 2019 « betreffende het onthaal, de scholarisatie en de begeleiding van leerlingen die de taal niet beheersen in het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap ». Het argument dat de inzet van eigen middelen de inrichtingen van het gesubsidieerd vrij net tot voordeel zou kunnen strekken, blijft niet overeind bij een ernstig onderzoek van de werkelijkheid. Het onderhoud en soms ook de huurkosten van het onroerend vermogen, met inbegrip van hoge terugbetalingslasten van leningen, zijn thans ten laste van de inrichtingen van het gesubsidieerd vrij net. Het onderwijsaanbod is sedert vele jaren gerationaliseerd en gereguleerd, niet alleen binnen de inrichtende macht zelf, maar ook tussen de netten. Vervolgens, ter herinnering, heeft het onderwijsaanbod van WBE slechts betrekking op 15 % van het grondgebied van de Franse Gemeenschap, in tegenstelling tot het gesubsidieerd vrij net, dat 50 % van dat grondgebied bestrijkt. De verzoekende partij onderstreept verder nog dat de enige wettelijke verplichting die op WBE rust, bestaat in de oprichting van een instelling voor de behandeling van klachten van gebruikers. Er wordt evenwel geen enkel element aangevoerd om een dermate buitensporig bedrag van 17 879 997 euro te verantwoorden. 6 De verzoekende partij tracht vervolgens aan te tonen hoe de financiering van de schoolgebouwen verloopt, door de drie onderwijsnetten - WBE, het gesubsidieerd officieel net en het gesubsidieerd vrij net - met elkaar te vergelijken voor respectievelijk een aandeel van 14 %, 36 % en 50 % van de schoolbevolking, waarbij het gesubsidieerd vrij net als enige de last van de infrastructuurkosten op zich moet nemen. Wat betreft de verplichting om een beheersovereenkomst te sluiten, merkt de verzoekende partij op dat de specifieke doelstellingen die WBE zou moeten bereiken, nergens uitdrukkelijk zijn geformuleerd en dat zij niet kunnen worden geverifieerd. A.2.4.
  11. Ten aanzien van de bewering dat het middel op onjuiste premissen berust, antwoordt de verzoekende partij dat zij kritiek heeft op het feit dat artikel 39, § 3, van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 aan de inrichtingen van WBE de mogelijkheid biedt om alle financiële overdrachten uit te voeren die nodig zijn voor de uitvoering van hun opdrachten, wat nog een extra mogelijkheid vormt om de financiële middelen voor de inrichtingen van WBE te verhogen. In het gesubsidieerd vrij net worden de aan de inrichtende machten toegekende werkingstoelagen, in rechte en in feite, integraal overgedragen aan de inrichtingen. In de omgekeerde richting is er in het gesubsidieerd vrij net geen enkele overdracht van middelen van de schoolinrichtingen naar de inrichtende machten toegestaan. De verzoekende partij antwoordt de Franse Gemeenschapsregering en WBE verder nog dat, met de toekenning aan WBE van een supplementair bedrag van 61 532 135 euro voor de uitoefening van haar opdrachten als inrichtende macht, het bijzonder decreet van 7 februari 2019, in samenhang gelezen met het voorontwerp van programmadecreet dat thans in het Parlement van de Franse Gemeenschap wordt besproken, aanzienlijke extra middelen toewijst aan uitsluitend het door de Franse Gemeenschap georganiseerd onderwijsnet. In verhouding tot het aantal leerlingen vertegenwoordigt dat bedrag van 61 532 135 euro een supplement van 313 euro per leerling of student. Dat bedrag vergroot aldus de reeds bestaande verschillen in financiering. Bovendien voorziet het voorontwerp van programmadecreet dat thans wordt besproken in het Parlement van de Franse Gemeenschap in de toekenning, aan WBE, voor de komende drie jaren, van een uitzonderlijke toelage van 1 880 000 euro waarmee de kosten van het plan inzake veranderingsmanagement kunnen worden gedekt. In een constitutionele rechtsstaat die bekommerd is om een daadwerkelijke en concrete naleving van de grondrechten, zo voegt de verzoekende partij eraan toe, verwacht men van een normerende overheid dat zij een studie instelt naar de gevolgen van de beoogde norm, niet afzonderlijk beschouwd, maar gezamenlijk, dat wil zeggen in combinatie met de normen waarmee die norm verbonden is. Tot slot is de verzoekende partij zich terdege ervan bewust dat het niet de opdracht van het Hof is een oordeel te vellen over de opportuniteit of wenselijkheid van de wetskrachtige bepalingen die ter toetsing aan het Hof zijn voorgelegd. Dat vraagt de verzoekende partij overigens niet. Zij oordeelt dat de bepalingen die in dat eerste middel in het geding worden gebracht, namelijk de artikelen 37 tot 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, discriminerend en dus ongrondwettig zijn in zoverre zij een onevenredig verschil in behandeling doen ontstaan tussen de inrichtende machten en de inrichtingen van de andere netten dan WBE, te weten de gesubsidieerde netten. De voornaamste argumenten die door de Franse Gemeenschapsregering worden aangevoerd ter verantwoording van een voorkeursfinanciering van WBE, berusten op verschillen die meestal verre van objectief aangetoond zijn. En wanneer zij dat wel zijn, beantwoorden de geïdentificeerde verschillen niet aan het nastreven van een openbaar belang of is er reeds sprake van een financiering door de overheid. De verschillen die overigens niet worden gefinancierd betreffen in feite exclusief bepaalde kenmerken die eigen zijn aan de juridische aard van instellingen van openbaar nut. A.2.
  12. In haar memorie van wederantwoord verwijt de Franse Gemeenschapsregering de verzoekende partij onder meer niet het bedrag te becijferen, zelfs niet bij benadering, van de financiering die zogenaamd op discriminerende wijze aan de leerlingen van de inrichtingen van het door WBE georganiseerde onderwijs wordt toegekend. Op die basis is geen enkele vergelijking tussen de leerlingen van de verschillende netten mogelijk. A.2.
  13. In haar memorie van wederantwoord herinnert WBE eraan dat, in tegenstelling tot hetgeen voor haar geldt, de verzoekende partij niet de taak heeft om de schoolinrichtingen van het gesubsidieerd vrij net te organiseren; dat is de opdracht van de respectieve inrichtende machten van die inrichtingen. Het is echter die verwarring, zo voert WBE aan, die door de verzoekende partij in haar proceduregeschriften wordt gevoed. 7 Daarom, zo brengt WBE in herinnering, is het Hof niet bevoegd om de bestreden bepalingen te toetsen aan artikel 24, § 4, van de Grondwet, omdat die bepaling geen principe vastlegt volgens hetwelk de inrichtende machten van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd onderwijs als zodanig, en zelfs op dezelfde manier als WBE, zouden moeten worden gefinancierd. In ondergeschikte orde merkt WBE dan ook op dat de verzoekende partij niet antwoordt op het argument van de onbevoegdheid van het Hof, noch op dat van de niet-ontvankelijkheid van het middel bij gebrek aan een vergelijking. Ten aanzien van het tweede middel A.3.
  14. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending, door artikel 56 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, van artikel 24, § 4, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet, alsook met het vertrouwensbeginsel. Zij voert aan dat de bestreden bepaling, door opnieuw artikel 18 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 juli 2001 « waarbij de materiële omstandigheden van de inrichtingen van het basis- en secundair onderwijs worden verbeterd » (hierna : het decreet van 12 juli 2001) te wijzigen, een verschil in behandeling tussen de door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinrichtingen en de andere inrichtingen met twintig bijkomende jaren verlengt. Die verlenging is niet op een objectieve en redelijke verantwoording gegrond en schendt bovendien het vertrouwensbeginsel. Aldus zullen de meeste onderwijsinrichtingen die afhangen van WBE, tot in 2038, betaald blijven vanuit de afwijkende dotatieregeling van artikel 18 van het gemeente decreet, eerder dan vanuit de algemene regeling van artikel 1 van dat decreet, wat ongelijkheden zal doen ontstaan tussen de door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichtingen en de andere. Die afwijking belet overigens tot in 2038 de toepassing van de regel bedoeld in artikel 32, § 2, van de Schoolpactwet, dat bepaalt dat het bedrag van de werkingstoelagen voor het gesubsidieerd onderwijs gelijk is aan 75 % van de forfaitaire dotaties berekend volgens de algemene regeling van artikel
  15. De toepassing van de afwijkende berekening die de meeste inrichtingen van de Franse Gemeenschap genieten, staat echter in de weg aan een strikte naleving van dat aandeel, wat volgens de verzoekende partij een buitensporige ongelijkheid veroorzaakt in de respectieve financiering van de inrichtingen van beide netten. Hierdoor wordt een verschil in financiering met zoveel jaren verlengd ten nadele van de gesubsidieerde netten, wat een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie met zich meebrengt, die zelf gevolgen hebben voor de rechten die zijn erkend bij artikel 24, § 1, van de Grondwet. Bovendien schendt het bestreden bijzonder decreet, volgens de verzoekende partij, het vertrouwensbeginsel aangezien het, voor de derde keer en zonder duidelijke verantwoording, een voorlopige periode die oorspronkelijk op 10 jaar was vastgesteld, verlengt, en ze laat verstrijken in 2038, terwijl de gesubsidieerde inrichtingen, de leraars, de ouders en de leerlingen de legitieme verwachting hadden dat de regel van 75 % - die voortvloeit uit artikel 32, § 2, van de zogenoemde « Schoolpactwet » van 29 mei 1959 - zou worden toegepast vanaf
  16. A.3.
  17. In hun respectieve memories voeren zowel de Franse Gemeenschapsregering als WBE in essentie aan dat, indien de afwijkende periode niet zou worden verlengd, de meeste door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinrichtingen in onoverkomelijke financiële moeilijkheden zouden terechtkomen. Het is van belang de organisatie van het onderwijsaanbod niet te destabiliseren rekening houdend met, onder meer, de aanzienlijke demografische druk. De duur van de verlenging is verantwoord door de omvang van de reorganisatie en door de omvang en de duur van de werkterreinen van het « Pacte d’Excellence » : de hervormingen die sinds 2017 (« Pacte d’Excellence ») gaande zijn, zullen resulteren in een hervorming van de financiering van de scholen, en dat uiterlijk in
  18. De decreetgever heeft het recht om af te zien van zijn oorspronkelijke doelstellingen om er andere na te streven, aangezien een overheid in staat moet zijn om haar beleid aan te passen aan de wisselende vereisten van het algemeen belang. Het is realistisch om aan te nemen dat een hervorming van de financiering van de inrichtingen in 2038 zal zijn voltooid en dat dan regels zullen zijn aangenomen die niet langer dezelfde kritiek als die van het Rekenhof ondervinden. 8 Om uit te leggen dat, in geval van een afschaffing van de afwijkende regeling, « een groot aantal onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap onmiddellijk in een kennelijk dramatische financiële situatie zou terechtkomen », wordt in beide memories het volgende uittreksel van het rapport van het Rekenhof aangehaald : « Aldus zou, in meer dan de helft van de gevallen (75 op 143), de toepassing van bepalingen van het ʽ décret de la Saint-Boniface ʼ (artikel 1) op de scholen die thans overgangsmaatregelen genieten (artikel 18), een vermindering van hun dotatie met meer dan 50 % tot gevolg hebben. De autonome basisscholen zouden in het bijzonder worden geraakt aangezien 91 % van hen hun dotatie met meer dan 50 % zou zien verminderen » (p. 28). A.3.
  19. De verzoekende partij antwoordt dat uit het uittreksel van het rapport van het Rekenhof blijkt hoe omvangrijk de ongelijke behandeling is die wordt veroorzaakt door de verlenging, met twintig bijkomende jaren, van het afwijkend mechanisme van artikel 18 van het decreet van 12 juli 2001, het zogenoemde « décret de la Saint-Boniface ». Door dat afwijkend mechanisme kan immers een significant aantal onderwijsinrichtingen van het door WBE georganiseerde net een financiering genieten die 50 % hoger ligt dan de financiering waarin de algemene regeling voorziet. Zolang de afwijkende regeling blijft bestaan, kan nooit het doel van het decreet van 12 juli 2001 worden bereikt, namelijk een grotere gelijkheid onder de leerlingen waarborgen door de werkingstoelagen die per leerling aan het gesubsidieerd onderwijs worden toegekend vast te stellen op 75 % van de werkingsdotaties die per leerling aan het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs worden toegekend. Indien men de redenering van de Franse Gemeenschapsregering en van WBE nauwgezet zou volgen, geldt dat hoe groter een ongelijke behandeling is, hoe minder zij kan worden gecorrigeerd. En het is niet heel duidelijk in welk opzicht de situatie in 2039 verschillend zou zijn. De decreetgever stelt immers niets anders voor dan een verlenging, met twintig bijkomende jaren, van de ongelijke behandeling die is gecreëerd door artikel 18 van het decreet van 12 juli 2001, zonder enig inhaalmechanisme in te voeren dat zou toelaten het bedrag van de toelagen die per leerling aan de gesubsidieerde onderwijsinrichtingen worden toegekend geleidelijk op te trekken. Niets verantwoordt volgens de verzoekende partij een overgangsperiode van in totaal 38 jaar, voor een correcte toepassing van het decreet van 12 juli
  20. Ten aanzien van het derde middel A.4.
  21. Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 24, §§ 4 en 5, in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet, door artikel 63 van het bijzonder decreet van 7 februari
  22. De verzoekende partij verwijt de bestreden bepaling een trekkingsrecht in te voeren op grond waarvan WBE bijkomende personeelsmiddelen kan verkrijgen, waardoor aldus de gelijkheid tussen de netten wordt verbroken zonder dat daarvoor een aanvaardbare verantwoording bestaat. Dat is het onderwerp van een eerste onderdeel. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden bepaling artikel 24, § 5, in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet schendt, doordat de delegatie aan de Regering inzake overdrachten van personeel dermate buitensporig is dat het niet langer de wetgever is die de organisatie en dus de financiering van het onderwijs regelt. Na een reeks berekeningen te hebben uitgevoerd, stelt de verzoekende partij dat dat trekkingsrecht WBE zou toelaten ongeveer 700 voltijdse equivalenten over te dragen. De verzoekende partij ziet niet welke objectieve verschillen de overdracht naar WBE van zoveel personeelsleden op redelijke wijze verantwoorden. Zij herinnert eraan dat alle taken met betrekking tot de vereffening en de vaststelling van de wedden van de leerkrachten nog steeds worden verzekerd door de administratie van de Franse Gemeenschap, voor alle inrichtende machten, met inbegrip van WBE. De enige specifieke verplichting van WBE is overigens het invoeren van een interne controle en een externe beheerscontrole, alsook de oprichting van een instelling voor de behandeling van klachten van gebruikers. De verzoekende partij brengt ook in herinnering dat, wat het leerplichtonderwijs betreft, de meeste basisscholen van WBE toegevoegd zijn aan een inrichting voor secundair onderwijs. De inrichtingen beschikken allemaal over een directiesecretariaat en een opvoeder-econoom die belast is met het beheer van zowel de gebouwen als de boekhouding. 9 Wat de aangevoerde schending van artikel 24, § 5, betreft, houdt de verzoekende partij staande dat de enige beperking van de vrijheid van handelen van de Regering is dat de verworven rechten van de personeelsleden moeten worden gevrijwaard. A.4.
  23. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de verzoekende partij het aantal personeelsleden dat nodig is voor de werking van de inrichtende macht WBE te hoog inschat. Zij brengt evenwel geen enkel element aan dat die overschatting kan aantonen, bijvoorbeeld door een vergelijking van het aantal personeelsleden van WBE met het aantal personeelsleden van een inrichtende macht van een soortgelijke omvang in haar eigen net. De Franse Gemeenschapsregering wil overigens nogmaals eraan herinneren dat het personeel dat aan WBE kan worden overgedragen vanuit het ministerie van de Franse Gemeenschap, het personeel is dat is toegewezen aan opdrachten die onder de bevoegdheid van WBE vallen. Wat de schending van artikel 24, § 5, van de Grondwet betreft, antwoordt de Franse Gemeenschapsregering dat de decreetgever de richtlijnen heeft vastgesteld die door de Regering zullen moeten worden gevolgd met betrekking tot de voorwaarden en de nadere regels voor de overdracht van het administratief personeel van WBE. A.4.
  24. WBE voert in hoofdorde aan dat artikel 63 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 niet binnen het toepassingsgebied van artikel 24, § 4, van de Grondwet valt. Het eerste onderdeel van dat middel is immers volledig gegrond op een verkeerde premisse volgens welke artikel 63 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 aan WBE een trekkingsrecht zou toekennen op grond waarvan zij op elk ogenblik en autonoom middelen kan oplijsten die zij soeverein noodzakelijk zou achten, niet alleen voor haar eigen werking, maar ook voor de organisatie van scholen van het net van de Franse Gemeenschap. Volgens WBE heeft artikel 63, dat uitsluitend betrekking heeft op het personeel dat bestemd is om de inrichtende macht te doen functioneren, en dat dus niet binnen het toepassingsgebied van artikel 24, § 4, van de Grondwet valt, echter niet een dergelijke draagwijdte. In elk geval wordt een evenwicht nagestreefd tussen twee vereisten : een goed gebruik mogelijk maken van de binnen het ministerie beschikbare human ressources die over een expertise beschikken in de aangelegenheden waarvoor de inrichtende macht bevoegd is, door WBE ertoe te machtigen hun overdracht te vragen, zij het binnen termijnen die haar toelaten haar noden preciezer te bepalen naargelang haar nieuwe structuur concreet vorm krijgt, en die haar toelaten het onthaal van het betrokken personeel te organiseren in goede omstandigheden. Het optreden van de Regering en het eensluidend advies van de WBE-Raad, dat vereist is krachtens artikel 63, § 1, zesde lid, waarborgen in dat opzicht een gezamenlijke controle van het feit dat de Franse Gemeenschapsregering erin toestemt in te gaan op het door WBE geformuleerde verzoek tot overdracht, en van het feit dat WBE wel degelijk vragende partij is voor het personeel dat zou worden overgedragen. Het tweede onderdeel van het derde middel is niet gegrond, zo vervolgt WBE. Artikel 24, § 5, van de Grondwet bekrachtigt weliswaar het wettigheidsbeginsel inzake onderwijs en bakent de bevoegdheden van de uitvoerende en wetgevende machten af. Het toepassingsgebied ervan is weliswaar vrij ruim, maar in casu gaat het erom een eventuele overdracht naar WBE, van personeel van het ministerie van de Franse Gemeenschap, en niet van onderwijzend personeel, te organiseren. En zelfs in de veronderstelling dat een gedeelte van het overgedragen personeel onderwijzend personeel is, is de uitoefening van die overdracht voldoende afgebakend. In casu bevindt men zich overigens in de context van de aan de Franse Gemeenschap verleende bevoegdheid om het statuut van de leden van haar administratief personeel te regelen, overeenkomstig artikel 87 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. 10 -B- B.1.
  25. De vzw « Secrétariat Général de l’Enseignement Catholique en Communautés française et germanophone » (hierna : het SeGEC) vordert de vernietiging van de artikelen 37, 38, 39, 56 en 63 van het bijzonder decreet van de Franse Gemeenschap van 7 februari 2019 « tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap » (hierna : het bijzonder decreet van 7 februari 2019). B.1.
  26. De artikelen 37, 38 en 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 bepalen : « Art.
  27. Naast de middelen en geldmiddelen waarin specifieke decreten voorzien, heeft WBE een jaarlijkse toewijzing [lees : dotatie] om al haar bedrijfskosten [lees : werkingskosten] te dekken en om alle verplichtingen uit de beheersovereenkomst na te komen. Art.
  28. De in punt [lees : artikel] 37 bedoelde dotatie bestaat uit de volgende bedragen : 1° een bedrag van 10.000.997 euro om alle algemene uitgaven eigen aan WBE te dekken en om alle verplichtingen die in de beheersovereenkomst zijn vastgelegd te vervullen, met uitzondering van personeelskosten in verband met de implementatie van artikel 63 en de kosten van de administratieve infrastructuur van WBE; 2° een door de Regering vastgesteld aanvullend bedrag overeenkomend met de loonkosten op het tijdstip van de overdracht, vermeerderd met 17 %, van het personeel overgedragen in uitvoering van artikel 63; 3° aan het einde van de in artikel 63, § 2, bedoelde overdrachten, een aanvullend bedrag dat door de Regering is vastgesteld ter dekking van de kosten van de administratieve infrastructuur van WBE. Dit bedrag kan niet hoger zijn dan 2.545.658 euro. Vanaf het jaar 2021 mag het bedrag genoemd in lid 1, 2°, 41.137.500 euro niet overschrijden. Vanaf het jaar 2020 zijn de in lid 1, 1° en 3° genoemde bedragen gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Het in lid 1, punt 2°, bedoelde bedrag en het in lid 2 bedoelde bedrag worden gekoppeld aan de ontwikkeling van het indexcijfer van de consumptieprijzen en de ontwikkeling van de barema's zoals bepaald in het statuut aangepast door de Regering, de evolutie van de pensioenkosten van de statutaire pensioenen van de instellingen van openbaar nut, de verandering van het administratieve statuut van de personeelsleden, zolang de beheersovereenkomst niet de nadere regels voor de evolutie van de dotatie regelt. 11 Art.
  29. §
  30. WBE kan schenkingen, legaten, dividenden en ontvangsten, in welke vorm dan ook, ontvangen van natuurlijke personen of rechtspersonen, de opbrengsten van de vervreemding van roerende en onroerende goederen, alsmede de ontvangst van andere inkomsten of subsidies. §
  31. WBE kan geld lenen om uitgaven voor de verwerving, huur of het onderhoud van onroerende goederen te financieren. De Gemeenschap kan haar garantie verlenen op de aangegane leningen. De beheersovereenkomst bepaalt de voorwaarden voor het afsluiten van de leningen. §
  32. De inrichtingen en WBE voeren alle financiële overdrachten uit die nodig zijn voor de uitvoering van hun opdrachten ». B.1.
  33. Artikel 56 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 bepaalt : « In artikel 18, § 1, van het decreet van 12 juli 2001 waarbij de materiële omstandigheden van de inrichtingen van het basis- en secundair onderwijs worden verbeterd, worden de woorden ‘ tijdens de jaren 2002, 2003, 2004, 2005, 2006, 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018 ’ vervangen door de woorden ‘ tijdens de jaren 2002 tot 2038 ’ ». B.1.
  34. Artikel 63 van hetzelfde decreet bepaalt : « §
  35. Met het oog op de uitoefening van de bevoegdheden van WBE bedoeld in artikel 2 worden de personeelsleden van het Ministerie naar WBE bij besluiten van de Regering overgedragen. Uit eigen initiatief op elk ogenblik dat hij het gepast acht en ten minste één keer per jaar, neemt de WBE-Raad een verslag aan waarin zijn behoeften aan personeel bepaald worden waarmee hij al zijn opdrachten kan uitvoeren. De behoeften worden inzonderheid geschat in het licht van de door de raad vastgestelde WBE-strategie en de eigenschappen van de instellingen. Het verslag bepaalt in het bijzonder het aantal en de vaardigheden van het vereiste personeel, dat van het ministerie moet worden overgedragen aan [lees : onder] de personeelsleden die toegewezen zijn aan de opdrachten die onder de bevoegdheid van WBE vallen, en de datum van hun indiensttreding bij WBE. De eerste overdrachten gebeuren op 1 september
  36. 12 De overdrachten van de leden van de Algemene Dienst van het Ministerie belast met de infrastructuren van WBE en van de Algemene Directie van de personeelsleden van het onderwijs georganiseerd door de Gemeenschap, met uitzondering van de personeelsleden die belast zijn met de vaststelling en de vereffening van de wedden, met inbegrip van het beheer van de medische afwezigheden, het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het technisch, paramedisch, maatschappelijk en psychologisch personeel van het onderwijs georganiseerd door de Gemeenschap, de personeelsleden belast met de transversale zaken en de coördinatie van de opdrachten behorend tot de regulerende macht, de ambtenaren belast met de CAPELO-taken, de personeelsleden voor de omkadering van de taken behorend tot de opdrachten van de regulerende macht, de personeelsleden belast met het indicateren, de briefwisseling en het klassement in het kader van de opdrachten van de regulerende macht, de personeelsleden belast [met] de CAP-examencommissie, de personeelsleden belast met de waardering van de nuttige ervaring en bekendheid voor de personeelsleden van de Hogescholen en Hogere Kunstscholen en de juristen belast met de statutaire opdrachten behorend tot de regulerende macht, gebeuren tussen 1 januari 2021 en 31 december
  37. De Regering is ertoe gemachtigd om de termijn bedoeld in het vierde lid te verlengen. De besluiten van de Regering houdende overdracht van het personeel worden aangenomen op eensluidend advies van de WBE-Raad bedoeld in het tweede lid. De overdrachten bedoeld in het eerste en het vierde lid zijn geen nieuwe benoemingen. §
  38. De Regering bepaalt de nadere regels voor de overdracht van de personeelsleden bedoeld in paragraaf
  39. Deze nadere regels bepalen inzonderheid dat deze personeelsleden overgedragen worden in hun graad of in een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid. Ze behouden ten minste de bezoldiging en de anciënniteit die ze genoten of zouden hebben genoten als ze in hun oorspronkelijke dienst het ambt verder zouden hebben uitgeoefend waarvan ze titularis waren op het ogenblik van hun overdracht. Het juridisch statuut van deze personeelsleden blijft geregeld door de bepalingen die in het ministerie gelden, zolang de Regering van deze bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt. §
  40. Wat betreft het leerplichtonderwijs, ten minste negentig procent van de personeelsleden van de Algemene Dienst van het Ministerie belast met de infrastructuren van WBE en van de Algemene Directie van de overgedragen personeelsleden van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap worden toegewezen op zonaal niveau ». 13 Ten aanzien van belang van het SeGEC B.
  41. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.
  42. Wallonie Bruxelles Enseignement (hierna : WBE) betwist het belang om in rechte te treden van de verzoekende partij en is in essentie van mening dat aangezien laatstgenoemde niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de bestreden normen, haar statutair doel niet rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.4.
  43. De deelname van de verzoekende partij aan de totstandkoming van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 kon niet plaatsvinden, aangezien het bestreden decreet is voortgekomen uit een voorstel van decreet. Immers, met toepassing van de artikelen 3 tot 6 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 20 juli 2006 « betreffende de onderhandeling met de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de Inrichtende Machten van het onderwijs en van de gesubsidieerde P.M.S.-centra », kan het Onderhandelingscomité niet worden geraadpleegd bij de aanneming van een voorstel van decreet. B.4.
  44. De bestreden bepalingen hebben tot doel de financiering vast te stellen voor de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap. Zij kennen bijkomende financiële middelen toe aan het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. In haar hoedanigheid van representatie- en coördinatieorgaan van het door de Franse Gemeenschap erkende katholiek onderwijs, heeft de verzoekende partij, volgens haar statuten, met name tot doel de inrichtende machten en de schoolinrichtingen die zij in een federatie verenigt, te helpen « bij de uitvoering van hun opdracht van functionele openbare dienst op het vlak van opvoeding en onderwijs » (artikel 3, § 1, eerste lid). Zij is ook « de woordvoerder van de aangesloten leden waarbij zij instaat voor de verdediging en de bevordering ervan met elk passend geacht middel » (artikel 3, § 1, tweede lid). 14 De verzoekende partij kan rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen, die nieuwe financiële middelen toekennen aan een andere categorie van inrichtende machten. Het is niet noodzakelijk dat een eventuele vernietiging van de bestreden bepalingen haar een onmiddellijk voordeel verschaft. De omstandigheid dat de verzoekende partij een kans zou krijgen dat de situatie van de inrichtende machten die zij in een federatie verenigt, zou verbeteren teneinde hen te helpen hun opdracht van openbare dienst op het vlak van onderwijs te vervullen, volstaat om haar belang bij het vernietigen van die bepalingen te verantwoorden. De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van het middel betreffende de artikelen 37, 38 en 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 B.
  45. Uit de uiteenzetting van het eerste middel blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de artikelen 37, 38 en 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 met artikel 24, § 4, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, van de Grondwet, doordat die bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling zouden doen ontstaan tussen, enerzijds, de inrichtende macht van het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap en haar inrichtingen en, anderzijds, de inrichtende machten en de inrichtingen van de gesubsidieerde netten. De bestreden bepalingen zouden enkel aan de inrichtende macht van het onderwijsnet van de Franse Gemeenschap en haar inrichtingen financiële middelen voorbehouden die niet zouden zijn verantwoord door objectieve en legitieme verschillen tussen het onderwijs georganiseerd door WBE en het gesubsidieerde onderwijs, en die onevenredig zouden zijn, zodat artikel 24, § 4, van de Grondwet zou zijn geschonden. B.
  46. Artikel 24, § 4, van de Grondwet bepaalt : « Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden ». 15 B.
  47. Hoewel de gelijke behandeling van onderwijsinstellingen het basisbeginsel is, sluit artikel 24, § 4, van de Grondwet een verschil in behandeling niet uit, op voorwaarde dat dat gegrond is op « de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht ». Om ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie een verschil in behandeling tussen de onderwijsinstellingen van de onderwijsnetten te verantwoorden, is het evenwel niet voldoende te wijzen op het bestaan van objectieve verschillen tussen die instellingen. Bovendien moet worden aangetoond dat, ten aanzien van de geregelde aangelegenheid, het aangevoerde onderscheid relevant is om een verschil in behandeling in redelijkheid te verantwoorden. Het gelijkheidsbeginsel inzake onderwijs kan overigens niet los worden gezien van de andere in artikel 24 van de Grondwet vervatte waarborgen, inzonderheid de vrijheid van onderwijs. B.
  48. Met betrekking tot de financieringsregeling van WBE zoals die was bepaald in het eerste voorstel van bijzonder decreet van 7 februari 2019, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State, met verwijzing naar verscheidene arresten van het Hof, opgemerkt : « De decreetgever zal dus in staat moeten zijn, tevens rekening houdend met het globale financieringssysteem van het onderwijs, om aan te tonen dat de bijzondere financiering die WBE zou genieten, zoals bepaald in de artikelen 39 en 40 van het voorstel wordt verantwoord door objectieve verschillen tussen het door WBE georganiseerde onderwijs en het gesubsidieerde onderwijs » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2018-2019, nr. 704/2, p. 17). B.9.
  49. Het bijzonder decreet van 7 februari 2019 vindt zijn grondslag in artikel 24, § 2, van de Grondwet. Die bepaling machtigt de overheid, die de inrichtende macht is in het officiële onderwijs, ertoe haar bevoegdheden te delegeren aan een of meer autonome organen, bij een decreet aangenomen met tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. B.9.
  50. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Onderhavig voorstel van decreet voert een autonome overheidsstructuur in met een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid, die is belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap. Zij moet het mogelijk maken WBE te versterken door haar bestuur, haar dienstverlening aan de leerlingen, haar prestaties, de begeleiding en de ondersteuning van haar personeel te verbeteren, door de autonomie van de inrichtingshoofden te verstevigen, en daarbij haar neutraliteit en haar publiek karakter te garanderen. 16 De oprichting van een publiek orgaan belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap vergt met name de oprichting van een centrale administratie die de verschillende diensten verenigt ten laste van WBE binnen de ‘ Administration générale de l’Enseignement ’ en de rest van het Ministerie, de capaciteit voor dat centrale bestuur om autonoom alle ondersteunende diensten waar te nemen die noodzakelijk zijn voor het beheer van WBE, de oprichting van gedecentraliseerde tussenliggende structuren op zonaal niveau, de verbetering van de beheerscapaciteit van de schoolgebouwen van die inrichtende macht, de bestendiging van een financieringsmodel eigen aan WBE als onderwijs georganiseerd door de Federatie. Op dezelfde wijze moet het voorstel van decreet zo spoedig mogelijk het mogelijk maken het onderscheid te maken met de regulerende overheid. De keuze van een autonome openbare structuur met een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid stelt de WBE in staat een reële autonomie te verwerven inzake het definiëren van haar strategische richtsnoeren, operationeel beheer en budgettaire keuzes. WBE, haar beheersorgaan en haar leidinggevende ambtenaar, moeten over alle noodzakelijke bevoegdheden beschikken teneinde het algemeen bestuur van het onderwijs in staat te stellen volledig zijn rol te spelen van regulator van het schoolsysteem. De oprichting van de autonome overheidsstructuur met afzonderlijke rechtspersoonlijkheid zal plaatsvinden in september
  51. De bevoegdheden van WBE omvatten, naast de vaststelling en het beheer van de begroting, met name het beheer van vermogen, het personeelsbeheer, de communicatie en de evaluatie van haar ambtenaren-generaal. Rekening houdend met de omvang van de door te voeren wijzigingen en de te maken vooruitgang, wordt een sterke sturende capaciteit ingericht op centraal niveau. Een tussenliggend niveau tussen het centrale niveau en de inrichtingen wordt ontwikkeld op niveau van de tien onderwijszones » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2018-2019, nr. 737/1, pp. 4 en 5). B.9.
  52. Ten aanzien van de bestreden artikelen 37 tot 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Artikel 37 Die bepaling stelt dat WBE een jaarlijkse dotatie krijgt. Die jaarlijkse dotatie moet alle algemene kosten dekken van het orgaan WBE en niet van de inrichtingen die ervan afhangen of de organen waarvan zij deel uitmaakt (SPABS bijvoorbeeld) die gefinancierd blijven volgens de erop van toepassing zijnde bepalingen. Die jaarlijkse dotatie moet bovendien WBE in staat stellen alle verplichtingen te vervullen die zijn vastgesteld in haar beheersovereenkomst. 17 WBE blijft uiteraard bovendien de toepassing genieten van de decreten die voorzien in de toekenning van middelen of geldmiddelen om specifieke redenen, zoals bijvoorbeeld de financiering van de schoolinfrastructuur en de financiering van pedagogische adviseurs. Artikel 38 Die bepaling preciseert wat de jaarlijkse dotatie omvat bedoeld in artikel
  53. De dotatie bestaat uit drie delen : - Ten eerste, een forfaitair bedrag om alle algemene uitgaven eigen aan WBE te dekken en om alle verplichtingen die in de beheersovereenkomst zijn vastgelegd te vervullen, met uitzondering van personeelskosten die voortvloeien uit overdrachten bedoeld in artikel 61 (zijnde het van het Ministerie overgedragen personeel) en van de kosten van de administratieve infrastructuur van WBE (administratieve gebouwen); - Ten tweede, een door de Regering vastgesteld evolutief bedrag dat overeenstemt met de loonkosten op het tijdstip van de overdracht van de personeelsleden die worden overgedragen ter uitvoering van artikel 61, vermeerderd met 17 %. De vermeerdering is bestemd om forfaitair de kosten te dekken voor uitrusting, telefoon, papier, mobiliteit enz., per personeelslid. De 17 % werkingskosten worden berekend op basis van een vergelijkende studie van andere instellingen van openbaar nut van de Federatie. De kostprijs van dat personeel is niet opgenomen in het eerste forfaitaire bedrag omdat die evolutief is. Bovendien stelt het tweede lid van de bepaling dat dat bedrag vanaf het jaar 2021 geplafonneerd is. - Ten derde, een door de Regering vastgesteld aanvullend bedrag om de kosten te dekken van de administratieve infrastructuur van WBE, zijnde de administratieve gebouwen van WBE. Die kostprijs is niet opgenomen in het eerste forfaitaire bedrag omdat de voornaamste infrastructuurkosten ten laste blijven van de administratie zolang het grootste deel van de in artikel 61 bedoelde overdrachten niet heeft plaatsgevonden. Tijdens die periode, zoals wordt gepreciseerd in artikel 77, stelt de Franse Gemeenschap gratis de lokalen ter beschikking van WBE die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar bevoegdheden. Het bedoelde maximumbedrag wordt overigens berekend met verwijzing naar de lasten van administratieve infrastructuur die thans op de begroting van de Franse Gemeenschap wegen voor het beschouwde personeel. Het derde lid van de toegelichte bepaling stelt de wijze van indexering vast van de dotaties en de plafonds. De toegelichte bepaling wordt aangenomen met gewone meerderheid. Ze zal dus kunnen worden gewijzigd door de gewone decreetgever met inachtneming van de algemene regel vastgesteld in artikel 37 die WBE garandeert dat ze steeds over de noodzakelijke middelen zal beschikken om al haar werkingskosten te dekken en alle verplichtingen te vervullen die zijn vastgesteld in de beheersovereenkomst. Artikel 39 […] 18 Paragraaf 3 van die bepaling stelt dat de financiële overdrachten kunnen gebeuren tussen de inrichtingen en WBE, of dat nu vanuit WBE naar de inrichtingen is of vanuit de inrichtingen naar WBE. Dat stelt WBE in staat de inrichtingen in moeilijkheden te ondersteunen en aan de inrichtingen de middelen te geven die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de bevoegdheden die hun zouden zijn overgedragen. Dat stelt WBE ook in staat over de noodzakelijke middelen te beschikken voor de organisatie van diensten van ondersteuning aan de inrichtingen. We denken onder meer aan de centralisatie van aankopen of aan de ondersteuning bij de gunning van overheidsopdrachten » (ibid., pp. 15-16). B.10.
  54. Het verschil in behandeling tussen de inrichtende macht van het onderwijs van de Franse Gemeenschap en de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs berust op een objectief criterium. In tegenstelling tot het gesubsidieerd onderwijs, dat is belast met een functionele openbare dienst georganiseerd door een aanzienlijk aantal afzonderlijke en autonome inrichtende machten, valt het onderwijs van de Franse Gemeenschap onder één enkele inrichtende macht. Overeenkomstig de machtiging die hem werd verleend bij artikel 24, § 2, van de Grondwet, vermocht de bijzondere decreetgever nieuwe bepalingen te nemen in verband met de organisatie van de inrichtende macht van dat onderwijsnet. De oprichting van een autonome overheidsinstelling belast met het voortaan uitoefenen van de functie van inrichtende macht voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs streeft een wettige doelstelling na, namelijk de inrichtende macht van het door het officiële net van de Franse Gemeenschap verstrekte onderwijs onderscheiden van de regulerende overheid die belast is met de tenuitvoerlegging voor de drie onderwijsnetten in de Franse Gemeenschap van de grondwettelijke bepalingen die de vrijheid van onderwijs en het recht op onderwijs voor alle leerkrachten, ouders en leerlingen waarborgen. B.10.
  55. De verzoekende partij betwist niet dat de invoering van die nieuwe structuur de toekenning aan WBE impliceert van nieuwe financiële middelen, bij het bijzonder decreet van 7 februari 2019, in de vorm van een jaarlijkse dotatie (artikel 37) waarvan de bedragen worden onderverdeeld in drie delen (artikel 38). 19 Zij betoogt echter dat de aan WBE toegewezen bedragen niet verantwoord zouden zijn ten aanzien van het beginsel van gelijkheid tussen de netten en dat zij de subsidies die met name het gesubsidieerd vrij onderwijsnet zou kunnen genieten, ongunstig zouden kunnen raken. De verzoekende partij klaagt in het bijzonder het gebrek aan evenredigheid aan wat betreft het bedrag van de dotatie bedoeld in artikel 38, eerste lid, 1°. B.11.
  56. Zoals is vermeld in B.9.3 is de jaarlijkse dotatie bedoeld in het bestreden artikel 37 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 bestemd om de werking en de organisatie van WBE te financieren. Luidens het bestreden artikel 38 is die dotatie samengesteld uit drie bedragen. Het bedrag van 10 000 997 euro moet het mogelijk maken alle algemene kosten eigen aan WBE te dekken en alle opdrachten uit te voeren die zijn vastgelegd in de beheersovereenkomst, die uiterlijk op 30 september 2020 moet zijn ingevoerd. Zelfs indien het voormelde bedrag wordt toegewezen aan WBE vóór het sluiten van de beheersovereenkomst, kan daaruit niet worden afgeleid, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij betoogt, dat dit bedrag ten goede zou kunnen komen aan de onderwijsinstellingen van de Franse Gemeenschap. Uit de artikelen 21 en 22 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019, die niet door de verzoekende partij worden bestreden, volgt onder meer dat specifieke nieuwe mandaten in het leven zullen moeten worden geroepen die voordien niet bestonden in het ministerie van de Franse Gemeenschap. Ondersteunende functies die specifieke aanwervingen zullen vereisen, zullen ook in het leven moeten worden geroepen en gefinancierd. De in artikel 39, § 3, bedoelde financiële overdrachten kunnen niet worden gekwalificeerd als een dotatie die de Franse Gemeenschap zich zou toekennen in haar hoedanigheid van regulerende of subsidiërende overheid ten gunste van een onderwijsinrichting die wordt georganiseerd door de Franse Gemeenschap. Die bepaling beoogt enkel financiële overdrachten, waarover de inrichtende macht WBE kan beslissen, naar een of meer inrichtingen die zij in die hoedanigheid organiseert. 20 B.11.
  57. Voor het overige staat het niet aan het Hof te oordelen of de bij de artikelen 37 tot 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 ingevoerde dotaties opportuun of wenselijk zijn. Voor zover die maatregelen niet onevenredig zijn met de nagestreefde doelstelling en zij objectief rekening houden met de behoeften inzake de financiering van het onderwijs in de Franse Gemeenschap, valt de keuze van de financieringswijze van de WBE onder de beoordelingsbevoegdheid van de decreetgever. B.11.
  58. Ten slotte toont de verzoekende partij niet aan hoe en waarom de bij de artikelen 37 tot 39 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 toegewezen bedragen de subsidiering zouden verminderen die de inrichtende machten die zij in een federatie verenigt, genieten of afbreuk zouden doen aan de vrijheid van onderwijs, zoals die wordt gewaarborgd bij artikel 24, § 1, van de Grondwet. Het eerste middel is niet gegrond. Ten aanzien van het middel in verband met artikel 56 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 B.
  59. Het tweede middel is gericht tegen het voormelde artikel 56 van het bijzonder decreet van 7 februari
  60. De verzoekende partij verwijt de bestreden bepaling in essentie dat ze het afwijkende mechanisme bedoeld in artikel 18 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 juli 2001 « waarbij de materiële omstandigheden van de inrichtingen van het basis- en secundair onderwijs worden verbeterd » (hierna : het decreet van 12 juli 2001) met twintig jaar verlengt. De verzoekende partij betoogt dat die bepaling, die volgens haar niet zou steunen op een objectieve en redelijke verantwoording, tot gevolg heeft dat de meeste inrichtingen behorend tot het gemeenschapsnet van de Franse Gemeenschap een financiering blijven genieten die 50 % meer bedraagt dan diegene die is voorzien met toepassing van de algemene regeling. Die bepaling zou artikel 24, § 4, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, § 1, ervan en met het algemeen beginsel van gewettigd vertrouwen, schenden. 21 B.
  61. De parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling vermeldt : « Dat artikel stelt de uitstap uit de toepassing van artikel 18 van het decreet van Sint-Bonifatius op de inrichtingen van het gewoon secundair onderwijs en de inrichtingen van het bijzonder onderwijs die door de Gemeenschap worden georganiseerd met twintig jaar uit. De loutere uitstap uit het afwijkend mechanisme bedoeld in artikel 18 van het voormelde decreet zou zeer negatieve financiële gevolgen hebben voor een meerderheid van de betrokken scholen. In een context die wordt gekenmerkt door talrijke evoluties op wetgevend vlak die verbonden zijn met het ‘ Pacte pour un enseignement d’excellence ’ en door grondige organisatorische wijzigingen waarin is voorzien voor het WBE-net, dient de destabilisatie van de organisatie van haar onderwijsaanbod te worden vermeden, des temeer gelet op de thans gekende en in de komende jaren verwachte aanzienlijke demografische druk. Door de toepassing van het in artikel 18 gedefinieerde afwijkend mechanisme te verlengen, gaat het erom tijdelijk de continuïteit te garanderen van de opdrachten van het net en van de aan de sociale behoeften gegeven antwoorden. Die bepaling wordt aangenomen met gewone meerderheid » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2018-2019, nr. 737/1, p. 18). B.14.
  62. De tegemoetkoming van de Franse Gemeenschap in de werkingskosten van schoolinrichtingen neemt de vorm aan van dotaties voor de scholen die WBE organiseert en van subsidies voor de scholen van de andere onderwijsnetten. Artikel 1 van het decreet van 12 juli 2001 dat zijn rechtsgrond vindt in artikel 3 van de wet van 29 mei 1959 « tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving » (hierna : de wet van 29 mei 1959) verankert een algemeen financieringsbeginsel gebaseerd op de toekenning van een forfaitaire toelage per leerling waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de niveaus, vormen en types van onderwijs. Sinds de inwerkingtreding van het voormelde decreet is dat algemene beginsel gepaard gegaan met een afwijking vervat in artikel
  63. Die bepaling stelt dat de dotaties vastgesteld in artikel 3 van de wet van 29 mei 1959, zoals ze werden herzien in 2001, niet tot lagere bedragen kunnen leiden dan diegene die werden toegekend in
  64. Die afwijking verhindert de toepassing van de zogenoemde « 75 % » regel volgens welke de Franse Gemeenschap 75 euro toekent per leerling ingeschreven in het gesubsidieerde onderwijs, daar waar ze 100 euro uitgeeft per leerling die is ingeschreven in een van haar eigen inrichtingen. 22 Terwijl de in artikel 18 van het decreet van 12 juli 2001 bedoelde afwijking, die op het ogenblik van de aanneming van dat decreet verantwoord was door de vrees dat de inrichtingen van de Franse Gemeenschap zware financiële verliezen zouden lijden, aanvankelijk was opgevat als een overgangsregel voor een periode van 2002 tot 2010, werd zij nadien een eerste maal verlengd tot in 2014 en een tweede maal tot in
  65. B.14.
  66. Ook al kan worden aangenomen dat het herstel van een gelijke behandeling, wanneer dat zware financiële gevolgen heeft, een zekere termijn vereist, komt het de decreetgever toe de handhaving, tot in 2038, van de ongelijke financiering tussen de door de Gemeenschap, via WBE, georganiseerde inrichtingen en de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde inrichtingen te verantwoorden. De in de parlementaire voorbereiding gegeven verantwoording die in herinnering is gebracht in B.13 toont niet aan hoe de uitstap uit de afwijkende regeling « zeer negatieve financiële gevolgen zou hebben voor een meerderheid van de betrokken scholen ». Er wordt evenmin aangetoond waarom « talrijke evoluties verbonden met het ‘ Pacte pour un enseignement d’excellence ’ » en « de in de komende jaren verwachte aanzienlijke demografische druk » de inrichtingen van het gemeenschapsnet meer zouden raken dan de gesubsidieerde inrichtingen, in een context waarin de werking van alle door de overheid gefinancierde en gesubsidieerde inrichtingen versneld wordt geüniformiseerd en waarin de verplichtingen van kosteloosheid worden uitgebreid. Bij gebrek aan een specifieke verantwoording in verband met de situatie van WBE en haar inrichtingen, schendt de met het bestreden artikel 56 gerealiseerde verlenging van het in artikel 18 van het decreet van 12 juli 2001 vervatte afwijkingsmechanisme, artikel 24, § 4, van de Grondwet. B.
  67. Het tweede middel is gegrond. Artikel 56 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 moet worden vernietigd. 23 B.
  68. Om te voorkomen dat de vernietiging van artikel 56 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 de financiële situatie van de door WBE georganiseerde onderwijsinrichtingen met terugwerkende kracht zou wijzigen en de continuïteit van de onderwijsverstrekking in het gedrang zou brengen, enerzijds, en om de decreetgever de mogelijkheid te bieden nieuwe regels aan te nemen met betrekking tot de werkingskosten van die inrichtingen in overeenstemming met artikel 24, § 4 van de Grondwet, anderzijds, dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling, met toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het dictum. Ten aanzien van het middel in verband met artikel 63 van het bijzonder decreet van 7 februari 2019 B.
  69. Het derde middel is gericht tegen artikel 63 van het bijzonder decreet van 7 februari
  70. In een eerste onderdeel bekritiseert de verzoekende partij de invoering, bij de bestreden bepaling, van een trekkingsrecht dat WBE in staat stelt bijkomende middelen inzake personeel te verkrijgen, waardoor de gelijkheid tussen de onderwijsnetten verbroken zou worden zonder dat daarvoor een toelaatbare verantwoording bestaat. In een tweede onderdeel betoogt zij dat dezelfde bepaling artikel 24, § 5, in samenhang gelezen met artikel 24, § 15, van de Grondwet zou schenden, om reden dat de delegatie aan de Regering inzake de overdrachten van personeel buitensporig zou zijn en bijgevolg het wettigheidsbeginsel zou schenden. B.
  71. De parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling vermeldt : « Die slotbepaling organiseert de overdracht van contractuele of statutaire personeelsleden van het Ministerie naar WBE. […] 24 De leden van de Algemene Dienst van het Onderwijs georganiseerd door de ‘ Fédération Wallonie Bruxelles ’ en van de Algemene Directie van de Personeelsleden van het Onderwijs georganiseerd door de ‘ Administration générale de l’Enseignement ’ van de ‘ Fédération Wallonie-Bruxelles ’, met uitzondering van de personeelsleden die belast zijn met bepaalde specifieke taken, zullen pas naar WBE kunnen worden overgeheveld tussen 1 januari 2021 en 31 december
  72. De Regering is ertoe gemachtigd die termijn te verlengen. Die verschuiving moet het mogelijk maken om, enerzijds, over te gaan tot een voorafgaande reorganisatie van die diensten binnen de administratie en, anderzijds, over te gaan tot een objectivering van de behoeften van het autonome overheidsorgaan. Die behoeften zullen met name worden geëvalueerd op basis van de ontwikkeling van nieuwe informaticatools voor het personeelsbeheer en de eventuele oprichting van een regie der gebouwen van de Franse Gemeenschap. De Regering gaat geleidelijk aan over tot die overdrachten met instemming van de WBE-Raad die voorafgaandelijk het in de tweede alinea bedoelde verslag zal hebben overhandigd. Voor het overige worden die overdrachten uitgevoerd volgens de door de Regering vastgestelde nadere regels met toepassing van paragraaf
  73. Die overdrachten zijn geen nieuwe benoemingen. Zij openen geen nieuwe rechtsmiddelen aan de hand waarvan de aanwerving, de aanwijzing of de oorspronkelijke benoeming van de overgedragen personeelsleden kunnen worden betwist. Paragraaf 2 van die bepaling stelt dat de Regering de datum en de nadere regels voor de overdracht van de personeelsleden vaststelt, na overleg met de representatieve organisaties van het personeel. Aldus zou de Regering kunnen beslissen dat het personeel geleidelijk aan zal worden overgedragen, naar gelang van de behoeften van WBE die in de eerste maanden of jaren van haar werking kunnen evolueren. De Regering stelt ook de regels vast die van toepassing zijn op de procedure van overdracht van de personeelsleden van het Ministerie naar WBE. Zij zou aldus bijvoorbeeld kunnen bepalen dat de vrijwillige kandidaten eerst worden overgedragen en vervolgens, zo nodig, personeelsleden ambtshalve overdragen. Ze kan bijvoorbeeld ook beslissen om alle personeelsleden ambtshalve over te dragen die beantwoorden aan de door haar vastgestelde voorwaarden of nog voorzien in selectieprocedures voor de over te dragen personeelsleden. De Regering beschikt dus over een zeer grote vrijheid bij de vaststelling van de nadere regels voor overdracht van de personeelsleden, onder voorbehoud van wat betreft de verworven rechten van de personeelsleden die moeten worden gevrijwaard binnen de volgende perken. De Regering moet erin voorzien dat alle personeelsleden worden overgedragen in hun graad of in een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid. Ze behouden tenminste de bezoldiging en anciënniteit die ze genoten of zouden hebben genoten indien ze in hun oorspronkelijke dienst hun ambt verder zouden hebben uitgeoefend. Zolang de Regering niet de nadere regels voor overdracht van de personeelsleden zal hebben vastgesteld op administratief en geldelijk vlak, zal hun juridisch statuut geregeld blijven door de bepalingen die in het Ministerie op hen van toepassing waren. 25 Paragraaf 3 bepaalt dat, wat betreft het leerplichtonderwijs, ten minste 90 % van de overgedragen personeelsleden worden ingezet op zonaal niveau. Het betrokken personeel wordt toegewezen op zonaal niveau om opdrachten uit te voeren die een nabijheid met de inrichtingen vereisen. Op basis van de behoeften kan dat personeel worden ingezet voor zonale of interzonale opdrachten, die samenwerkingsverbanden vereisen. Bijgevolg doet de toewijzing van het personeel aan het zonaal niveau geen afbreuk aan de mogelijkheid om in bepaalde zones, in een optiek van bundeling van de middelen en de deskundigheid, personeelsleden bijeen te brengen die belast zijn met de rol van competentiecentrum of operationele ondersteuning voor het beheer van het vastgoed of de projecten van vernieuwing en ontwikkeling ten voordele van meerdere zones » (ibid., p. 19). B.
  74. Artikel 24, § 5, van de Grondwet bepaalt : « De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet ». Die bepaling vertaalt de wil van de Grondwetgever om aan de bevoegde wetgever de zorg voor te behouden om de essentiële elementen van het onderwijs te regelen wat betreft de inrichting, de erkenning en de subsidiëring ervan. Artikel 24, § 5, van de Grondwet vereist dat de gedelegeerde bevoegdheden enkel betrekking hebben op de nadere uitwerking van de principes die de decreetgever zelf heeft aangenomen. Via die bevoegdheden kan de Gemeenschapsregering niet de onnauwkeurigheid van die principes verhelpen noch onvoldoende gedetailleerde opties verfijnen. B.
  75. De overdacht van een deel van het personeel van het ministerie van de Franse Gemeenschap naar WBE vloeit voort uit de oprichting, bij het bijzonder decreet van 7 februari 2019, van een autonome overheidsinstelling die voortaan is belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs van de Franse Gemeenschap, met uitsluiting van de regulerende bevoegdheid inzake onderwijs in de Franse Gemeenschap. Het bestreden artikel 63 bepaalt aldus dat een deel van de leden van het ministerie van de Franse Gemeenschap dat niet langer belast zal zijn met het ambt van inrichtende macht kan worden overgedragen naar de nieuwe structuur die voortaan met dat ambt zal zijn belast. 26 Het is in dat perspectief dat artikel 63 de voorwaarden voor die overdracht preciseert : enkel de personeelsleden die toegewezen zijn aan de opdrachten die onder de bevoegdheid vallen van WBE kunnen worden overgedragen; de overdrachten worden door de Regering uitgevoerd op verzoek en op eensluidend advies van de WBE-Raad. Zij vormen geen nieuwe benoemingen en zij moeten de verworven rechten in acht nemen. Ten slotte worden de termijnen gepreciseerd waarin die overdrachten moeten gebeuren. Het derde middel is niet gegrond. 27 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 56 van het bijzonder decreet van de Franse Gemeenschap van 7 februari 2019 « tot oprichting van de overheidsinstelling belast met het ambt van inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap »; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling tot de inwerkingtreding van een nieuwe door de decreetgever aangenomen regeling en uiterlijk tot en met 31 december 2022; - verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 oktober
  76. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.126 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.085 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.