id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.127 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201001.2 Arrest- Rolnummer: 127/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-02 Raadplegingen: 680 - laatst gezien 2026-06-20 01:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht: Artikel XX.20, §3, tweede en derde lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 11augustus 2017 «houdende invoeging van het Boek XX ‘Insolventie van ondernemingen', in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht», schendt niet de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en niet-retroactiviteit en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel XX.20, §3, tweede en derde lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 «houdende invoeging van het Boek XX ‘Insolventie van ondernemingen', in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht», gesteld door de Raad van State. Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Insolventiefunctionarissen - Curatoren / Andere insolventiefunctionarissen - Kosten en erelonen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7305 Arrest nr. 127/2020 van 1 oktober 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.20, § 3, tweede en derde lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, P. Nihoul, T. Giet en Y. Kherbache, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter A. Alen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 246.083 van 14 november 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 november 2019, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel XX.20, § 3, tweede en derde lid, zoals ingevoegd in het Wetboek van economisch recht bij de wet van 11 augustus 2017, de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en niet-retroactiviteit en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre artikel XX.20, § 3, de Koning machtigt om de regels en de barema’s betreffende de vaststelling van de erelonen van de curatoren anders te bepalen dan hetgeen is vastgelegd voor de vergoeding van de andere insolventiefunctionarissen, wier kosten en erelonen worden vastgesteld in verhouding tot het belang en de complexiteit van hun opdracht en op grond van de tijd die nodig is voor de vervulling van hun prestaties en, in voorkomend geval, rekening houdend met de waarde van de activa, waarbij hun ook een terugbetaling van hun kosten, bovenop hun vergoeding, wordt toegekend ? ». Memories zijn ingediend door : - Sophie Huart en de bvba « Sophie Huart », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, advocaat bij de balie te Brussel. Sophie Huart en de bvba « Sophie Huart » hebben ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 17 juni 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 juli 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 juli 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de Raad van State werden een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring van het koninklijk besluit van 26 april 2018 « houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen » (hierna : het koninklijk besluit van 26 april 2018) aanhangig gemaakt door een curatrice en haar bvba. Het bestreden koninklijk besluit werd genomen ter uitvoering van artikel XX.20, § 3, tweede en derde lid, ingevoegd in het Wetboek van economisch recht bij de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht » (hierna : de wet van 11 augustus 2017). Bij het arrest nr. 242.478 van 28 september 2018 heeft de Raad van State de vordering tot schorsing verworpen. De verzoekende partijen hebben de voortzetting van de procedure gevorderd. De Raad van State stelt, nadat hij de eerste drie aangevoerde middelen niet gegrond heeft verklaard, het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag op verzoek van de verzoekende partijen. III. In rechte -A- A.1. De verzoekende partijen wensen dat het Hof de Raad van State antwoordt met een vaststelling van ongrondwettigheid. Zij zijn van mening dat het koninklijk besluit van 26 april 2018, waarvan zij de nietigverklaring bij de Raad van State vorderen, « voorziet in een forfaitaire vergoeding van de kosten van de curator en aldus een verschil in behandeling tussen de curatoren en de (andere) insolventiefunctionarissen invoert ». Zij preciseren dat die laatstgenoemden, naast de erelonen, aanspraak kunnen maken op een volledige terugbetaling van hun kosten. Zij vervolgen hun uiteenzetting door een reeks punten van kritiek tegen datzelfde koninklijk besluit toe te lichten. De verzoekende partijen voeren evenwel aan dat de onwettigheden die zij het koninklijk besluit verwijten, hun grondslag vinden in artikel 3 van de wet van 11 augustus 2017. Volgens hen is het buitensporig en incoherent om aan de curatoren niet dezelfde vergoedingsregeling toe te kennen als die welke aan de andere insolventiefunctionarissen wordt voorbehouden, namelijk het volledige en onderscheiden recht op terugbetaling van de betaalde en gemaakte kosten. Uit artikel 3, § 3, van de voormelde wet zou, in het bijzonder, voor de curatoren onzekerheid voortvloeien wat betreft de terugbetaling van de gemaakte, voorgeschoten en betaalde kosten - terugbetaling die voor hen verworven was onder de regeling van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 -, terwijl de wetgever die onzekerheid voor de andere insolventiefunctionarissen heeft weggenomen. A.2. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de twee in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. De insolventiefunctionarissen zijn de curator, de medecurator, de mede-insolventiefunctionaris, de met de overdracht gelaste gerechtsmandataris en de voorlopige bewindvoerder, bedoeld in de artikelen XX.31 en XX.32 van het Wetboek van economisch recht. Onder hen bevindt de curator zich evenwel in een bijzondere situatie, wegens de aard van zijn opdracht. Hij beschikt over het alleenrecht om op te treden in het kader van het faillissement; zijn opdracht is veel ruimer, aangezien hij een algemene opdracht inzake realisatie van de activa en inzake vereffening heeft, terwijl de andere insolventiefunctionarissen slechts gerichte opdrachten vervullen. Aldus treedt de medecurator enkel op bij een faillissement van een beoefenaar van een vrij beroep, teneinde de gepaste maatregelen te nemen met betrekking tot het beroepsgeheim van de gefailleerde beroepsbeoefenaar. 4 Daarenboven, gesteld dat de curatoren en de andere insolventiefunctionarissen vergelijkbare categorieën vormen, is het verschil in behandeling met betrekking tot de wijze van vergoeding redelijk verantwoord en niet onevenredig. De curator is de enige wiens vergoeding kan worden vastgesteld in de vorm van een percentage dat wordt toegepast op alle bedragen die naar aanleiding van het faillissement aan de boedel te beurt vallen. Een dergelijke methode is niet van toepassing op de andere functionarissen, aangezien zij de activa niet te gelde maken. Ten slotte voorziet het koninklijk besluit van 26 april 2018 in een verhoging van het percentage van de erelonen van de curator, ter compensatie van de vermindering van zijn terugbetaalbare kosten. Wat betreft de aantasting van de beginselen van niet-retroactiviteit en van rechtszekerheid, merkt de Ministerraad op dat de getoetste norm geen terugwerkende kracht heeft, aangezien zij onmiddellijk van toepassing is op de lopende insolventieprocedures. Het is enkel op het ogenblik dat hij zijn verzoek tot begroting indient dat de curator houder wordt van het recht om de wijze van berekening van zijn vergoeding niet in het geding gebracht te zien. -B- B.1. Artikel XX.20, § 3, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 11 augustus 2017 « houdende invoeging van het Boek XX ‘ Insolventie van ondernemingen ’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek van economisch recht » (hierna : de wet van 11 augustus 2017), bepaalt : « De kosten en erelonen van de curatoren worden vastgesteld [in] verhouding tot het belang en de complexiteit van hun opdracht, in de vorm van een proportionele vergoeding op de gerealiseerde activa en desgevallend rekening houdend met de tijd nodig voor de vervulling van hun prestaties. De kosten en erelonen van de andere insolventiefunctionarissen worden vastgesteld in verhouding tot het belang en de complexiteit van hun opdracht en op grond van de tijd nodig voor de vervulling van hun prestaties en desgevallend rekening houdend met de waarde van de activa. De Koning bepaalt de regels en de barema’s betreffende de vaststelling van de erelonen van de curatoren en stelt de grondslag vast waarop de insolventiefunctionarissen worden vergoed ». 5 B.2. Na te hebben vastgesteld dat het koninklijk besluit van 26 april 2018 « houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van de insolventiefunctionarissen » (hierna : het koninklijk besluit van 26 april 2018), waartegen een beroep tot nietigverklaring is ingesteld, met betrekking tot de terugbetaling van de kosten en erelonen van de curatoren in een regeling voorziet die verschilt van die waarin voor de andere insolventiefunctionarissen is voorzien, is de Raad van State van oordeel dat dat verschil in behandeling zijn grondslag zou kunnen vinden in artikel XX.20, § 3, van het Wetboek van economisch recht. Hij stelt het Hof bijgevolg een vraag over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen en niet-retroactiviteit en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.3.1. Luidens artikel 2 van de wet van 11 augustus 2017, waarbij in boek I, titel 2, van het Wetboek van economisch recht een hoofdstuk 14 (« Definities eigen aan boek XX ») wordt ingevoegd, worden de insolventiefunctionarissen in artikel I.22, 7°, als volgt gedefinieerd : « ‘ insolventiefunctionaris ’ : elke persoon of instantie waarvan de taak, mede op tussentijdse basis, erin bestaat, een of meer van de volgende taken te vervullen :
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.