id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.128 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201001.3 Arrest- Rolnummer: 128/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-02 Raadplegingen: 262 - laatst gezien 2026-06-19 17:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht: De artikelen 164/3 tot 164/5 van het Burgerlijk Wetboek schenden niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 164/3 tot 164/5 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout. Burgerlijk recht - Personen - Huwelijk - Formaliteiten betreffende het huwelijk - Aangifte van het huwelijk - Vervanging van de geboorteakte door een akte van bekendheid - Niet toepasselijkheid bij een verklaring van wettelijke samenwoning. Tekst van de beslissing Rolnummer 7309 Arrest nr. 128/2020 van 1 oktober 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 164/3 tot 164/5 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit emeritus voorzitter A. Alen, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, voorzitter F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 21 november 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 november 2019, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « In hoeverre schenden de oude artikelen 70-72 BW / huidige artikelen 164/3-164/5 BW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel) en 22 van de Grondwet (recht op eerbiediging van privéleven en gezinsleven) al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM (recht op eerlijk proces), daar waar de mogelijkheid die voor aanstaande echtgenoten openstaat om in het kader van de aangifte van het huwelijk de geboorteakte te vervangen door een akte van bekendheid niet openstaat voor aanstaande wettelijke samenwoners in het kader van de aangifte (verklaring) van wettelijke samenwoning ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. Bij beschikking van 17 juni 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 juli 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 juli 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Een vrouw van Irakese nationaliteit wenst te Geel wettelijk samen te wonen met een man van Marokkaanse nationaliteit. Zij werd in dat verband door de ambtenaar van de burgerlijke stand verzocht haar akte van geboorte voor te leggen. Zij kon die wegens de oorlogssituatie destijds in haar geboorteland, niet voorleggen. Zij wenste dan ook een akte van bekendheid aan de ambtenaar van de burgerlijke stand voor te leggen. Zij heeft zich tot de Vrederechter gericht teneinde een akte van bekendheid ter vervanging van de geboorteakte te verkrijgen. De Vrederechter te Geel heeft een akte van bekendheid opgesteld, die evenwel nog door de familierechtbank dient te worden gehomologeerd. De vrouw heeft vervolgens een verzoek tot homologatie van die akte van bekendheid ingediend, waarbij in ondergeschikte orde de rechtbank wordt verzocht een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen over de ontstentenis van een mogelijkheid om een geboorteakte door een akte van bekendheid te vervangen in het kader van een verklaring van wettelijke samenwoning, terwijl in het kader van een aanvraag van een huwelijk in die mogelijkheid is voorzien bij de artikelen 164/3 tot 164/5 van het Burgerlijk Wetboek. De verwijzende rechter stelt vast dat in het kader van een verklaring van wettelijke samenwoning niet is voorzien in een mogelijkheid om een ontbrekende akte te vervangen door een akte van bekendheid. Een en ander brengt de verwijzende rechter ertoe de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen. 3 III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad is in hoofdorde van oordeel dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is wegens onduidelijkheid over de normen die aan het Hof worden voorgelegd. Hij merkt op dat de verwijzende rechter zowel de vroegere (artikelen 70 tot 72 van het oude Burgerlijk Wetboek) als de thans geldende bepalingen (artikelen 164/3 tot 164/5 van het Burgerlijk Wetboek) betreffende de aanvraag van een huwelijk vermeldt in de prejudiciële vraag. De Ministerraad wijst ook erop dat duidelijk de nieuwe bepalingen van toepassing zijn op de feiten in het bodemgeschil. Volgens de Ministerraad is de prejudiciële vraag ook gedeeltelijk onontvankelijk omdat de verwijzende rechter niet uiteenzet hoe en in welke mate de in het geding zijnde bepalingen de aangehaalde referentienormen zouden schenden. A.
- De Ministerraad stelt vast dat de verwijzende rechter de situatie van personen die in het huwelijk wensen te treden, vergelijkt met die van personen die wensen wettelijk samen te wonen. De eerste categorie van personen kan bij de aangifte van het huwelijk de geboorteakte vervangen door een akte van bekendheid. De tweede categorie van personen zou niet over die mogelijkheid beschikken bij het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1475, § 2, van het Burgerlijk Wetboek. A.
- De Ministerraad stelt dat in het kader van een verklaring van wettelijk samenwonen het voorleggen van een geboorteakte niet is vereist. Hij betoogt dat artikel 1475, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat aan twee grondvoorwaarden dient te worden voldaan om een verklaring van wettelijk samenwonen af te leggen : de partijen mogen niet verbonden zijn door een huwelijk of door een andere wettelijke samenwoning, en zij moeten bekwaam zijn om contracten aan te gaan overeenkomstig de artikelen 1123 en 1124 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 1476, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt volgens de Ministerraad dat de ambtenaar van de burgerlijke stand nagaat of beide partijen voldoen aan de wettelijke voorwaarden inzake de wettelijke samenwoning. Hij stelt dat overeenkomstig artikel 1476, § 1, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek artikel 64, §§ 3 en 4, van het oude Burgerlijk Wetboek mutatis mutandis van toepassing is op de akten van de burgerlijke stand en de bewijzen, die, in voorkomend geval, worden gevraagd tot staving dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden. Volgens hem verwijst artikel 1476, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek ten onrechte naar artikel 64, §§ 3 en 4, van het oude Burgerlijk Wetboek, dat immers werd opgeheven. Hij stelt dat het gaat om artikel 164/2, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voor zover die verwijzing kan worden begrepen als een verwijzing naar de bepaling waarin dezelfde inhoud hernomen werd. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Allereerst betoogt hij dat het voorgelegde verschil in behandeling onbestaande is omdat het wettelijk kader betreffende de verklaring van wettelijk samenwonen nergens het voorleggen van een geboorteakte voorschrijft. Hij stelt dat uit de verwijzing naar artikel 164/2, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek dergelijke vereiste niet kan worden afgeleid. Hij merkt nog op dat niet is bepaald dat enkel een geboorteakte kan staven dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, zodat het zelfs redelijk is aan te nemen dat dezelfde alternatieven als bij de aangifte van een huwelijk mogelijk zijn. Volgens hem valt niet in te zien waarom het voorleggen van een akte van bekendheid uitgesloten zou zijn. In ondergeschikte orde is hij van oordeel dat het in de prejudiciële vraag aangehaalde verschil in behandeling niet onredelijk is. Hij stelt dat degene die geen originele geboorteakte kan voorleggen, maar daartoe toch verplicht zou worden, met toepassing van artikel 26 van het Burgerlijk Wetboek immers over de mogelijkheid beschikt om die akte te laten vervangen, ook als die in het buitenland had moeten worden opgesteld. Zelfs indien het voorleggen van een geboorteakte noodzakelijk is voor het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning en dat een akte van bekendheid geen toelaatbaar alternatief zou zijn, dan nog is het verschil in behandeling volgens de Ministerraad niet onredelijk. 4 Ten slotte merkt hij nog op dat het voorgehouden verschil in behandeling zijn grondslag niet in de in het geding zijnde bepalingen vindt, maar in artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 164/3 tot 164/5 van het Burgerlijk Wetboek. B.
- De in het geding zijnde bepalingen zijn een onderdeel van de wettelijke formaliteiten betreffende het huwelijk. Zij hebben in het bijzonder betrekking op de aangifte van een huwelijk waarbij de geboorteakte een vereist document is (artikel 164/2, § 1, van het Burgerlijk Wetboek). Zo dient de ambtenaar van de burgerlijke stand bij een aangifte immers na te gaan of de geboorteakte van de toekomstige echtgenoten beschikbaar is in de databank voor de akten van de burgerlijke stand (DABS). Hij verzoekt desgevallend de betrokken ambtenaar om de geboorteakte in de voormelde databank op te nemen, en, in subsidiaire orde, de toekomstige echtgenoten om een uittreksel van de geboorteakte voor te leggen. In bepaalde situaties heeft de wetgever geoordeeld dat de vereiste geboorteakte kan worden vervangen door een akte van bekendheid via een procedure voor de rechter (artikelen 164/3 tot 164/5 van het Burgerlijk Wetboek). Artikel 164/3 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Onverminderd artikel 368-10 kan de echtgenoot, die in de onmogelijkheid verkeert zich een akte van geboorte te verschaffen, de akte van geboorte vervangen door : 1° indien zijn akte van geboorte werd opgesteld in een land waarvoor de onmogelijkheid of zware moeilijkheden om de bedoelde akte van de burgerlijke stand te verkrijgen, werden aanvaard : a) hetzij een gelijkwaardig document afgegeven door de diplomatieke of consulaire overheden van zijn land van geboorte; b) hetzij, ingeval van onmogelijkheid of zware moeilijkheden om zich voornoemd document te verschaffen, een akte van bekendheid, afgegeven door de vrederechter van zijn hoofdverblijfplaats; 5 2° indien zijn akte van geboorte niet werd opgesteld in een land waarvoor de onmogelijkheid of zware moeilijkheden om de akte van de burgerlijke stand in kwestie te verkrijgen, werden aanvaard een akte van bekendheid, afgegeven door de vrederechter van hun hoofdverblijfplaats. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op voordracht van de minister van Buitenlandse Zaken, een lijst van landen waarvoor de in lid 1, 1°, bedoelde onmogelijkheid of zware moeilijkheden worden aanvaard ». Artikel 164/4 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « In de akte van bekendheid verklaren twee getuigen, van minimum achttien jaar oud, de voornamen, de naam, het beroep en de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de toekomstige echtgenoot, en die van zijn ouders, indien deze bekend zijn, de geboorteplaats en, zo mogelijk, de geboortedatum en de redenen die beletten de akte over te leggen. De getuigen tekenen met de vrederechter de akte van bekendheid. Indien een getuige niet kan tekenen wordt dit vermeld ». Artikel 164/5 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De vrederechter bedoeld in artikel 164/3 maakt de akte van bekendheid onmiddellijk over aan de familierechtbank van de plaats waar het huwelijk moet worden voltrokken. De familierechtbank, na de procureur des Konings te horen, weigert te homologeren indien zij oordeelt dat de verklaringen van de getuigen en de redenen die het overleggen van de akte van geboorte beletten onvoldoende zijn. De gehomologeerde akte van bekendheid wordt als bijlage in de DABS opgenomen ». B.3.
- In de voor de verwijzende rechter hangende zaak wordt het verzoek tot homologatie van een akte van bekendheid, opgemaakt door de vrederechter naar aanleiding van een verklaring van wettelijk samenwonen, onderzocht. De verwijzende rechter stelt vast dat de regeling inzake het wettelijk samenwonen niet in een mogelijkheid voorziet om een ontbrekende akte van de burgerlijke stand te vervangen door een akte van bekendheid, terwijl in dergelijke vervanging wel is voorzien in het kader van de regeling betreffende het huwelijk. 6 B.3.
- De verwijzende rechter wenst te vernemen of de artikelen 164/3 tot 164/5 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar zijn met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre voor aanstaande echtgenoten de mogelijkheid openstaat om in het kader van de aangifte van het huwelijk de geboorteakte te vervangen door een akte van bekendheid, terwijl een dergelijke mogelijkheid niet openstaat voor aanstaande wettelijk samenwonenden in het kader van de verklaring van wettelijke samenwoning. B.
- Zonder dat het Hof zich dient uit te spreken over de vraag of het voorgelegde verschil in behandeling voortvloeit uit de artikelen 164/3 tot 164/5 van het Burgerlijk Wetboek (aangifte van het huwelijk), dan wel uit de artikelen 1475 en 1476 van het Burgerlijk Wetboek (verklaring van wettelijk samenwonen), berust dat verschil op een verkeerd uitgangspunt. Immers, de wetgeving inzake de verklaring van wettelijk samenwonen vereist niet dat een geboorteakte wordt voorgelegd zodat die wetgeving evenmin dient te voorzien in een mogelijkheid tot vervanging van die akte indien ze ontbreekt. Indien door een ambtenaar van de burgerlijke stand met het oog op het onderzoek van de wettelijke voorwaarden inzake wettelijk samenwonen toch wordt gevraagd een geboorteakte voor te leggen en de betrokkene daarover niet of niet meer beschikt, kan laatstgenoemde niet tot de voorlegging van die akte worden verplicht en verhindert niets hem via andere middelen van recht, zoals een akte van bekendheid, het bewijs te leveren dat aan de wettelijke voorwaarden van artikel 1476, § 1, van het Burgerlijk Wetboek is voldaan. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 164/3 tot 164/5 van het Burgerlijk Wetboek schenden niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 oktober
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.128 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div