← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.133

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 01 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.133 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201001.8 Arrest- Rolnummer: 133/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-12-08 Raadplegingen: 252 - laatst gezien 2026-06-19 17:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, stelt vast dat het Hof onbevoegd is om te antwoorden op de prejudiciële vraag. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel18, §3, 4,

  1. a)en b), van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 «tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992», gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Voorafgaande rechtspleging - Prejudiciële vraag - Getoetste normen - Klaarblijkelijke onbevoegdheid. Tekst van de beslissing Rolnummer 7402 Arrest nr. 133/2020 van 1 oktober 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 18, § 3, 4,
  2. a)en b), van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 « tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer, samengesteld uit emeritus voorzitter A. Alen, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, en de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 8 juni 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 juni 2020, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 18, § 3, 4.,
  3. a)KB/WIB92 en artikel 18, § 3, 4.,
  4. b)KB/WIB92 de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet met name in zoverre : Dat artikel 18, § 3, 4.,
  5. a)en
  6. b)KB/WIB92 een onderscheid maakt in de grootte van de raming van de voordelen van alle aard, daar waar deze worden toegekend enerzijds aan leidinggevend personeel en bedrijfsleiders en anderzijds aan andere verkrijgers. Of anders gesteld: bestaat er een objectieve en redelijke verantwoording om het geraamde voordeel dat toegekend wordt aan leidinggevend personeel en bedrijfsleiders forfaitair te waarderen aan een hoger bedrag in vergelijking met een lager forfaitair voordeel van alle aard dat wordt toegekend aan andere verkrijgers ». Op 17 juni 2020 hebben de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eisende partijen voor de verwijzende rechter betwisten twee supplementaire aanslagen in de personenbelasting betreffende de aanslagjaren 2015 en 2016. Die aanslagen zijn het gevolg van de door de fiscale administratie vastgestelde gratis terbeschikkingstelling van een gemeubileerd appartement aan de belastingplichtige. Met betrekking tot de kosteloze verstrekking van elektriciteit stelt de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, vast dat dit voordeel van alle aard dient te worden geraamd volgens de bepalingen vervat in artikel 18, § 3, 4, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 « tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ». Alvorens ten gronde uitspraak te doen, acht de Rechtbank het aangewezen bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. 3 III. In rechte -A- Er werden geen memories met verantwoording ingediend. -B- B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 18, § 3, 4, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 « tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ». B.2. Geen enkele grondwets- of wetsbepaling verleent het Hof de bevoegdheid om, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak te doen over de vraag of een bepaling van een koninklijk besluit die niet bij wetskrachtige akte werd bekrachtigd bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet. Die bevoegdheid komt de verwijzende rechter zelf toe op grond van artikel 159 van de Grondwet. B.3. De prejudiciële vraag behoort dus klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof. 4 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, stelt vast dat het Hof onbevoegd is om te antwoorden op de prejudiciële vraag. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 oktober 2020. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.133 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.