← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.134

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.134 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201015.1 Arrest- Rolnummer: 134/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-16 Raadplegingen: 329 - laatst gezien 2026-06-19 17:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 19 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 januari 2014 « houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State » en met de artikelen 17, 37 en 162quater van de wet van 21 maart 1991 « betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven », schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met verschillende bepalingen betreffende de rechtspleging voor de Raad van State en met de artikelen 17, 37 en 162quater van de wet van 21 maart 1991 « betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven », gesteld door de Raad van State.Procédure devant le Conseil d'État - Requête en annulation - Recevabilité - Représentation par un avocat - Preuve du mandat - Société anonyme de droit public / Société anonyme de droit privé. Tekst van de beslissing Rolnummers 6971 en 6973 Arrest nr. 134/2020 van 15 oktober 2020 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met verschillende bepalingen betreffende de rechtspleging voor de Raad van State en met de artikelen 17, 37 en 162quater van de wet van 21 maart 1991 « betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter F. Daoût, de rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, M. Pâques en T. Detienne, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter A. Alen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij arrest nr. 241.883 van 22 juni 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 juli 2018, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, geschonden door artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 (vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State) en met de artikelen 17, 37 en 162quater van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige autonome [lees : economische] overheidsbedrijven, in zoverre die artikelen door de Raad van State worden geïnterpreteerd in die zin dat :

  1. a)de ondertekening van een verzoekschrift tot nietigverklaring dat tijdig bij de Raad van State werd neergelegd door een advocaat die handelt voor rekening van een autonoom overheidsbedrijf dat de vorm aanneemt van een naamloze vennootschap van publiekrecht, zoals de NMBS Holding, niet volstaat voor de ontvankelijkheid van het verzoekschrift indien niet het bewijs wordt geleverd van een beslissing die is genomen door de raad van bestuur van de vennootschap of van haar directiecomité dat daartoe is gemachtigd, met uitsluiting van de overlegging van een beslissing om in rechte te treden die is genomen door de vennootschap zoals vertegenwoordigd door de personen die bevoegd zijn om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen, terwijl de ondertekening van een verzoekschrift tot nietigverklaring dat tijdig bij de Raad van State werd neergelegd door een advocaat die handelt voor rekening van een naamloze vennootschap van privaatrecht wel volstaat indien het bewijs wordt geleverd van een beslissing die is genomen door het orgaan of de personen die bevoegd zijn om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen;
  2. b)het beroep tot nietigverklaring dat tijdig bij de Raad van State werd neergelegd door een advocaat die handelt voor rekening van een autonoom overheidsbedrijf dat de vorm aanneemt van een naamloze vennootschap van publiekrecht, zoals de NMBS Holding, niet volstaat voor de ontvankelijkheid van het verzoekschrift indien niet het bewijs wordt geleverd van een beslissing die is genomen door de raad van bestuur van de vennootschap of van haar directiecomité dat daartoe is gemachtigd, met uitsluiting van de overlegging van een beslissing om in rechte te treden die is genomen door de vennootschap zoals vertegenwoordigd door de personen die bevoegd zijn om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen, terwijl de vordering die voor een gewoon rechtscollege werd ingesteld door een advocaat voor rekening van een autonoom overheidsbedrijf dat de vorm aanneemt van een naamloze vennootschap van publiekrecht, zoals de NMBS Holding, wel volstaat voor de ontvankelijkheid van haar vordering indien het bewijs wordt geleverd van een beslissing die is genomen door de raad van bestuur van de vennootschap of van haar directiecomité dat daartoe is gemachtigd of van een beslissing om in rechte te treden die is genomen door de vennootschap zoals vertegenwoordigd door de personen die bevoegd zijn om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen ? ». 3 b. Bij arrest nr. 241.884 van 22 juni 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 juli 2018, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, geschonden door artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 3, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en met de artikelen 17, 37 en 162quater van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige autonome [lees : economische] overheidsbedrijven, in zoverre die artikelen door de Raad van State worden geïnterpreteerd in die zin dat :
  3. a)de ondertekening van een verzoekschrift tot nietigverklaring dat tijdig bij de Raad van State werd neergelegd door een advocaat die handelt voor rekening van een autonoom overheidsbedrijf dat de vorm aanneemt van een naamloze vennootschap van publiekrecht, zoals de NMBS Holding, niet volstaat voor de ontvankelijkheid van het verzoekschrift indien niet het bewijs wordt geleverd van een beslissing die is genomen door de raad van bestuur van de vennootschap of van haar directiecomité dat daartoe is gemachtigd, met uitsluiting van de overlegging van een beslissing om in rechte te treden die is genomen door de vennootschap zoals vertegenwoordigd door de personen die bevoegd zijn om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen, terwijl de ondertekening van een verzoekschrift tot nietigverklaring dat tijdig bij de Raad van State werd neergelegd door een advocaat die handelt voor rekening van een naamloze vennootschap van privaatrecht wel volstaat indien het bewijs wordt geleverd van een beslissing die is genomen door het orgaan of de personen die bevoegd zijn om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen;
  4. b)het beroep tot nietigverklaring dat tijdig bij de Raad van State werd neergelegd door een advocaat die handelt voor rekening van een autonoom overheidsbedrijf dat de vorm aanneemt van een naamloze vennootschap van publiekrecht, zoals de NMBS Holding, niet volstaat voor de ontvankelijkheid van het verzoekschrift indien niet het bewijs wordt geleverd van een beslissing die is genomen door de raad van bestuur van de vennootschap of van haar directiecomité dat daartoe is gemachtigd, met uitsluiting van de overlegging van een beslissing om in rechte te treden die is genomen door de vennootschap zoals vertegenwoordigd door de personen die bevoegd zijn om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen, terwijl de vordering die voor een gewoon rechtscollege werd ingesteld door een advocaat voor rekening van een autonoom overheidsbedrijf dat de vorm aanneemt van een naamloze vennootschap van publiekrecht, zoals de NMBS Holding, wel volstaat voor de ontvankelijkheid van haar vordering indien het bewijs wordt geleverd van een beslissing die is genomen door de raad van bestuur van de vennootschap of van haar directiecomité dat daartoe is gemachtigd of van een beslissing om in rechte te treden die is genomen door de vennootschap zoals vertegenwoordigd door de personen die bevoegd zijn om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6971 en 6973 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. 4 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de naamloze vennootschap van publiek recht « N.M.B.S. », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Bourgys, advocaat bij de balie te Brussel; - het Waalse Gewest (vertegenwoordigd door zijn Regering), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Moërynck en Mr. B. Hendrickx, advocaten bij de balie te Brussel; - de gemeente Libramont-Chevigny, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Vandenput, Mr. V. Eloy en Mr. G. Werquin, advocaten bij de balie te Brussel (in de zaak nr. 6973); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. N. Bonbled en Mr. S. Feyen, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 15 juli 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, dat, in geval van een dergelijk verzoek, de zaken zullen worden behandeld op de terechtzitting van 22 september 2020, op het tijdstip dat later door de voorzitter zal worden bepaald, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 september 2020 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 1 september 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, zijn twee verzoekschriften tot nietigverklaring ingediend door de naamloze vennootschap van publiekrecht « N.M.B.S. », voorheen « NMBS Holding ». Bij elk van die verzoekschriften is een document gevoegd met als titel « Beslissing om in rechte te treden en mandaat om een beroep tot nietigverklaring in te stellen bij de Raad van State van België », dat is ondertekend door de gedelegeerd bestuurder en door de algemeen directeur van de « NMBS Holding ». In dat document wordt gepreciseerd : « De naamloze vennootschap van publiekrecht NMBS Holding, […] overeenkomstig artikel 16 van de statuten hierna rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer J. HAEK, gedelegeerd bestuurder, en de heer V. BOURLARD, algemeen directeur, beslist : - een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen […] - aan Mr. […] opdracht te geven om dat beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State in te stellen […] ». De ontvankelijkheid van de verzoekschriften wordt betwist. Op vraag van de verzoekende partij stelt de Raad van State de hierboven weergegeven prejudiciële vragen. 5 III. In rechte -A- A.1.1. De naamloze vennootschap van publiek recht « N.M.B.S. », verzoekende partij voor de verwijzende rechter, is van mening dat de in de zaak nr. 6971 gestelde prejudiciële vraag zonder voorwerp is in zoverre daarbij artikel 19 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1993, wordt beoogd vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 januari 2014 « houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State » (hierna : de wet van 20 januari 2014). Zij betoogt dat de te dezen van toepassing zijnde bepaling artikel 19 van dezelfde gecoördineerde wetten is, zoals het is gewijzigd bij artikel 7, 5°, van de voormelde wet van 20 januari 2014, aangezien die laatste bepaling in werking is getreden op 3 februari 2014 en aangezien zij onmiddellijk van toepassing is, inclusief op de hangende beroepen. Zij verwijst naar verscheidene arresten van de Raad van State waarbij de wijzigingen van de regels inzake bevoegdheid of rechtspleging die zijn doorgevoerd tussen de neerlegging van het verzoekschrift en het ogenblik waarop dat rechtscollege uitspraak doet, onmiddellijk worden toegepast. Zij betwist de analyse die door de Raad van State in de thans voorliggende zaak wordt gemaakt en is van mening dat indien hij twijfels had ten aanzien van de grondwettigheid van de ontstentenis van overgangsbepalingen in de wet van 20 januari 2014, het hem toekwam het Hof daarover te ondervragen, hetgeen hij niet heeft gedaan. A.1.2. Ten gronde verwijst de naamloze vennootschap van publiekrecht « N.M.B.S. » naar het door de Raad van State op 28 januari 2014 gewezen arrest nr. 226.237, waarbij dat rechtscollege heeft geoordeeld dat de vertegenwoordiging in rechte niet de beslissing om in rechte te treden impliceert en dat bijgevolg de beslissing om in rechte te treden had moeten worden genomen door de « NMBS Holding » vertegenwoordigd door haar raad van bestuur of haar directiecomité dat daartoe is gemachtigd krachtens artikel 17 van de wet van 21 maart 1991 « betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven » (hierna : de wet van 21 maart 1991). Zij zet uiteen dat de Raad van State in dat arrest zijn rechtspraak handhaaft die afwijkt ten opzichte van die van het Hof van Cassatie, waarbij hij het vermoeden van artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek verwerpt, volgens hetwelk een aan de advocaat gegeven regelmatig mandaat impliceert dat het wel degelijk het bevoegde orgaan van de rechtspersoon is dat de beslissing om in rechte te treden heeft genomen, binnen de opgelegde termijn en met inachtneming van de ter zake vastgelegde regels. A.1.3. De naamloze vennootschap van publiekrecht « N.M.B.S. » verwijst naar artikel 7, 5°, van de wet van 20 januari 2014, waarbij een weerlegbaar vermoeden wordt ingevoerd wat de regelmatigheid van de beslissingen van rechtspersonen om in rechte te treden wanneer zij door een advocaat worden vertegenwoordigd, net zoals hetgeen geldt voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde. Zij zet uiteen dat die bepaling voortkomt uit de wil van de wetgever om de toegang van private of openbare rechtspersonen tot de Raad van State te vergemakkelijken. Zij is van mening dat, rekening houdend met die wetswijziging, niets verantwoordt dat de Raad van State zijn interpretatie handhaaft en de oplossing die hij bij het arrest nr. 226.237 van 26 juni 2018 heeft gekozen, op de thans voorliggende zaken toepast. Zij voegt eraan toe dat zulks des te meer geldt omdat de rechtspraak van de Raad van State niet alleen in tegenspraak is met die van het Hof van Cassatie, maar dat zij ook afwijkend is ten opzichte van die van het Grondwettelijk Hof. Zij verwijst dienaangaande naar het arrest van het Hof nr. 120/2014 van 17 september 2014. A.1.4. De naamloze vennootschap van publiekrecht « N.M.B.S. » betwist het onderscheid dat door de Raad van State, in zijn arrest nr. 226.237, wordt gemaakt tussen een rechtsgeding als eisende partij en een rechtsgeding als verwerende of als tussenkomende partij. Zij doet gelden dat uit de artikelen 37 en 162quater van de wet van 21 maart 1991 en uit artikel 16 van de statuten van de « NMBS Holding », goedgekeurd bij het koninklijk besluit van 6 juli 2007, volgt dat de gedelegeerd bestuurder en een daartoe door de raad van bestuur aangestelde algemeen directeur de vennootschap rechtsgeldig vertegenwoordigen in al haar handelingen, inclusief in rechte en dat ongeacht de aard van de rechtspleging. Naar haar mening gaat het dus om een algemene delegatie van de bevoegdheid inzake vertegenwoordiging, inclusief in rechte, die niet is beperkt tot de handelingen van dagelijks beheer. Zij doet gelden dat in geen enkele wetsbepaling wordt gepreciseerd dat de vertegenwoordiging in rechte niet de beslissing om in rechte te treden zou impliceren zoals dat in het vennootschapsrecht het geval is. Zij voegt eraan toe dat niets evenmin het verschil in behandeling verantwoordt tussen de autonome overheidsbedrijven die de vorm van naamloze vennootschappen van publiekrecht hebben 6 aangenomen, naargelang zij in rechte treden voor de Raad van State of voor de rechtscolleges van de rechterlijke orde. Zij wijst erop dat de wettelijke en statutaire bepalingen die in beide gevallen van toepassing zijn, strikt identiek zijn en dat de bijzondere aard van het aan de Raad van State toevertrouwde contentieux geenszins een interpretatie verantwoordt die afwijkt ten opzichte van die van de rechterlijke orde. A.1.5. De naamloze vennootschap van publiekrecht « N.M.B.S. » onderstreept het gebrek aan duidelijkheid en samenhang in de rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot de ontvankelijkheid van de beroepen die door rechtspersonen in het algemeen worden ingesteld, hetgeen de toepassing die in elk voorliggend geval ervan zal worden gemaakt, onzeker maakt. Zij is daarenboven van mening dat die rechtspraak wordt gekenmerkt door overdreven strengheid en formalisme. Zij besluit daaruit dat de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen die door de Raad van State wordt gekozen in zijn arrest nr. 226.237 en in de arresten waarbij aan het Hof vragen worden gesteld, artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt. A.2.1. De gemeente Libramont-Chevigny, tussenkomende partij voor de verwijzende rechter, verwijst naar de interpretatie van de in het geding zijnde normen door de Raad van State in zijn arrest nr. 226.237 van 28 januari 2014. Zij is van mening dat het niet relevant is artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan te voeren, aangezien wat te dezen in het geding is niet de regelmatigheid is van het door de « N.M.B.S. » aan haar raadsman gegeven mandaat om haar te vertegenwoordigen, maar wel de regelmatigheid van de door de gedelegeerd bestuurder en door de algemeen directeur van de « N.M.B.S. » genomen beslissing om een vordering tot nietigverklaring in te stellen, die is overgelegd ter staving van haar beroep. Zij leidt daaruit af dat de prejudiciële vragen niet nuttig zijn voor de oplossing van de voor de Raad van State hangende geschillen en dat zij bijgevolg geen antwoord behoeven. A.2.2. In ondergeschikte orde is de gemeente Libramont-Chevigny van mening dat men de prejudiciële vragen in die zin zou kunnen begrijpen dat daarin wordt aangeklaagd dat de door de Raad van State in aanmerking genomen interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de bevoegdheid inzake vertegenwoordiging in rechte en de bevoegdheid om te beslissen om in rechte te treden. A.2.3. Ten aanzien van het eerste onderdeel van de prejudiciële vragen brengt de gemeente Libramont- Chevigny in herinnering dat de bevoegdheid inzake vertegenwoordiging in rechte niet de bevoegdheid om te beslissen om in rechte te treden met zich meebrengt, die onder de beheersbevoegdheid valt, en dat die twee bevoegdheden niet samenvallen. Zij zet uiteen dat wat de « N.M.B.S. » betreft, de beheersbevoegdheid wordt uitgeoefend door de raad van bestuur en eventueel, op delegatie, door het directiecomité, overeenkomstig artikel 17 van de wet van 21 maart 1991, terwijl de vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt toevertrouwd aan de gedelegeerd bestuurder en aan de algemeen directeur, die gezamenlijk optreden, overeenkomstig artikel 162quater van dezelfde wet. Zij doet gelden dat wat de naamloze vennootschappen van privaatrecht betreft, hetzelfde onderscheid is verankerd in artikel 522 van het Wetboek van vennootschappen. Zij onderstreept vervolgens dat artikel 3, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 « tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State », in de versie ervan die van toepassing is op het geschil, op zichzelf geen enkel verschil in behandeling instelt tussen de naamloze vennootschappen van publiek recht en de naamloze vennootschappen van privaatrecht. Zij is van mening dat het openbaar karakter van de naamloze vennootschappen van publiek recht zonder twijfel verantwoordt dat de Raad van State van die laatste vereist dat zij het bewijs leveren van een beslissing om in rechte te treden die is genomen door de raad van bestuur of door het directiecomité dat daartoe is gemachtigd. A.2.4. Ten aanzien van het tweede onderdeel van de prejudiciële vragen verwijst de gemeente Libramont- Chevigny naar het arrest van het Hof nr. 42/98 van 22 april 1998. 7 A.3.1. De Waalse Regering is van mening dat het eerste onderdeel van de prejudiciële vragen gebaseerd is op het verkeerde postulaat volgens hetwelk een naamloze vennootschap van publiek recht anders zou worden behandeld dan een naamloze vennootschap van privaatrecht, wat de noodzaak betreft over een beslissing te beschikken die is genomen door het orgaan dat bevoegd is om een beroep tot nietigverklaring in te stellen. Zij onderstreept dat artikel 17, § 1, van de wet van 21 maart 1991 niet fundamenteel verschilt van artikel 522, § 1, van het Wetboek van vennootschappen, zodat er op dat punt geen verschil in behandeling is tussen de « NMBS Holding » en de andere naamloze vennootschappen. Zij doet gelden dat aangezien de beslissing om bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen geenszins een handeling van dagelijks beheer is, zij door de raad van bestuur dient te worden genomen, overeenkomstig artikel 17 van de wet van 21 maart 1991. Zij zet uiteen dat een artikel van de statuten waarbij aan de gedelegeerd bestuurder van een private vennootschap de bevoegdheid wordt toegewezen om haar in rechte te vertegenwoordigen, redelijkerwijs slechts in die zin kan worden begrepen dat daarbij die vertegenwoordiging aan hem wordt toegewezen in zoverre zij betrekking heeft op het dagelijks beheer. Zij leidt daaruit af dat er ook op dat punt geen verschil in behandeling is tussen de « NMBS Holding » en de andere naamloze vennootschappen. A.3.2. Wat het tweede onderdeel van de prejudiciële vragen betreft, verwijst de Waalse Regering naar het arrest van het Hof nr. 42/98. A.4.1. De Ministerraad merkt op dat de prejudiciële vragen in hoofdzaak betrekking hebben op artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat het mandaat ad litem van de advocaat betreft, en dat de andere bepalingen slechts worden vermeld in samenhang met artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Hij leidt daaruit af dat de prejudiciële vragen klaarblijkelijk de draagwijdte betreffen van het wettelijk vermoeden van het mandaat van de advocaat dat bij die bepaling is ingesteld en zulks in de interpretatie die de Raad van State in aanmerking heeft genomen. Hij herinnert eraan dat, voor de periode vóór 2014, traditioneel wordt erkend dat de interpretatie van die bepaling die het Hof van Cassatie in aanmerking neemt, niet overeenstemt met de interpretatie die de Raad van State in aanmerking neemt. Hij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 42/98, waarbij het heeft geoordeeld dat het verschil in behandeling dat uit die verschillende interpretaties voortvloeit, niet discriminerend is. A.4.2. De Ministerraad onderstreept dat de Raad van State een verschil maakt tussen, enerzijds, de bevoegdheid om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen en, anderzijds, de bevoegdheid om de beslissing te nemen om in rechte te treden. Hij is van mening dat het dan ook niet alleen de door de rechterlijke orde en door de Raad van State in aanmerking genomen verschillende interpretaties zijn over het orgaan dat bevoegd is om in rechte te treden die in het geding zijn, maar dat aan het Hof ook vragen worden gesteld over de wijze waarop wordt bepaald welk orgaan bevoegd is om in rechte te treden, in vergelijking met de regeling die geldt voor de vennootschappen van privaatrecht. Hij leidt daaruit af dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven, omdat zij gebaseerd zijn op een verkeerde premisse, aangezien het verschil in behandeling dat op dat punt zou bestaan tussen de naamloze vennootschappen van gemeen recht en de naamloze vennootschappen van publiek recht geenszins voortvloeit uit artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. A.4.3. De Ministerraad is van mening dat het hem niet toekomt en dat het evenmin het Hof toekomt de door de Raad van State gemaakte interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen terzijde te schuiven. Bijgevolg verdedigt hij de grondwettigheid van die interpretatie. Hij onderstreept evenwel dat de in het geding zijnde bepalingen een verschillende interpretatie kunnen krijgen. Hij leidt daaruit af dat het Hof de interpretatie van de Raad van State terzijde zou kunnen schuiven via een interpretatievoorbehoud. Hij voegt eraan toe dat die interpretatie thans een zeer beperkte draagwijdte heeft als gevolg van de wijziging van artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die in 2014 is gebeurd. A.4.4. De Ministerraad zet uiteen dat artikel 162quater van de wet van 21 maart 1991 eerst ertoe strekt de belangen van de Belgische Staat, als aandeelhouder van de « N.M.B.S. », te beschermen zodat die bepaling in die zin kan worden geïnterpreteerd dat zij de bevoegdheid om die vennootschap te vertegenwoordigen beperkt en van die bevoegdheid het instellen van een vordering in rechte uitsluit. Hij legt uit dat de beslissingsbevoegdheid van de « N.M.B.S. » in overeenstemming is met die van een naamloze vennootschap, in tegenstelling tot hetgeen in het eerste onderdeel van de prejudiciële vragen lijkt te worden gesteld. Hij is van mening dat het duidelijk is dat de vordering in rechte, als procedureel subjectief recht, aan de raad van bestuur toekomt, zowel in een naamloze vennootschap van privaatrecht als in een naamloze vennootschap van publiek recht. De Ministerraad doet gelden dat het verschil in behandeling dat in het tweede onderdeel van de prejudiciële vragen is vermeld, hetzelfde is als het verschil dat door het Hof redelijk is geacht in zijn arrest nr. 42/98. Hij antwoordt op de punten van kritiek die in de rechtsleer over dat arrest zijn uitgedrukt. 8 A.4.5. De Ministerraad gaat ervan uit dat de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard in zoverre daarin de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens wordt aangevoerd, omdat niet wordt gepreciseerd in welk opzicht die bepaling zou zijn geschonden. Hij doet gelden dat de vragen, in het eerste onderdeel ervan, bovendien niet-ontvankelijk zijn, aangezien tussen de vennootschappen van publiek recht en de vennootschappen van privaatrecht geen enkel verschil in behandeling bestaat, omdat in beide gevallen het bevoegde orgaan de raad van bestuur is. Vervolgens is de Ministerraad van mening dat de aanwezige categorieën van vennootschappen niet voldoende vergelijkbaar zijn. Insgelijks gaat hij ervan uit dat de procedures voor de gewone rechter en voor de Raad van State niet dienstig kunnen worden vergeleken. Tot slot onderstreept hij dat zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat er een verschil is tussen vergelijkbare situaties, dat verschil niet zou voortvloeien uit artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, maar wel uit de door de Raad van State gemaakte interpretatie van artikel 17 van de wet van 21 maart 1991. Hij wijst voorts erop dat het voor het overige niet zeker is dat artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op de procedure voor de Raad van State, hetgeen hem ertoe brengt zich vragen te stellen over de relevantie van de prejudiciële vragen. A.4.6. In ondergeschikte orde is de Ministerraad, ten aanzien van het eerste onderdeel van de prejudiciële vragen, van mening dat de wetgever op wettige wijze de voorwaarden kan bepalen waaronder een vennootschap een vordering in rechte kan instellen en dat hij dienaangaande in een onderscheiden regeling kan voorzien voor verschillende vormen van vennootschappen, a fortiori indien het gaat om publiekrechtelijke rechtspersonen. Hij gaat ervan uit dat het niet minder legitiem is een onderscheid te maken tussen de vordering en de verdediging of de tussenkomst in rechte. Hij voegt eraan toe dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust en dat het relevant is aangezien het de Belgische Staat, die op de raad van bestuur van de « N.M.B.S. » een meer verregaande controle uitoefent dan op haar gedelegeerd bestuurder en haar algemeen directeur, de mogelijkheid biedt uitgebreid na te gaan of het opportuun is om een vordering in rechte in te stellen. Tot slot doet hij gelden dat de in het geding zijnde bepaling met dat doel evenredig is. Hij wijst dienaangaande erop dat de « N.M.B.S. » niet elk beroep wordt ontzegd, maar dat zij alleen, door eigen toedoen, een rechtsmiddel verliest. A.4.7. Ten aanzien van het tweede onderdeel van de prejudiciële vragen verwijst de Ministerraad naar het arrest van het Hof nr. 42/98. A.5.1. De naamloze vennootschap van publiek recht « N.M.B.S. » is van mening dat het onjuist is te stellen dat het Hof enkel zou worden verzocht artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek te controleren. Zij doet gelden dat het de interpretatie, door de Raad van State, is van alle betrokken bepalingen die leidt tot de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.5.2. Die partij is van mening dat geen enkel van de argumenten van de Ministerraad redelijkerwijs het verschil in behandeling tussen de « N.M.B.S. » en de naamloze vennootschappen van privaatrecht kan verantwoorden dat is ontstaan door de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen door de Raad van State. Zij preciseert dat dat verschil in behandeling niet kan worden verklaard door de wil om de belangen van de Staat te beschermen, aangezien die bescherming voldoende wordt verzekerd door het mechanisme van de dubbele ondertekening die is toevertrouwd aan de gedelegeerd bestuurder en aan één van de tot de andere taalrol behorende algemeen directeurs die door de raad van bestuur is aangesteld. Zij doet gelden dat de categorieën van vennootschappen wel degelijk vergelijkbaar zijn en dat de prejudiciële vragen ontvankelijk zijn. A.5.3. Wat het eerste onderdeel van de prejudiciële vragen betreft, gaat zij ervan uit dat het verschil in behandeling niet op enig objectief criterium berust, dat het niet relevant is en dat het onevenredige gevolgen heeft, met name in zoverre het haar beheer complexer maakt, terwijl de wetgever de « N.M.B.S. » net een grotere autonomie heeft willen verlenen. Zij voegt eraan toe dat, indien de Raad van State haar vorderingen niet- ontvankelijk verklaart, haar elk rechtsmiddel wordt ontzegd dat haar de mogelijkheid biedt de nietigverklaring te verkrijgen van bestuurshandelingen die haar benadelen. A.5.4. Wat het tweede onderdeel van de prejudiciële vragen betreft, doet de naamloze vennootschap van publiekrecht « N.M.B.S. » gelden dat het arrest van het Hof nr. 42/98 niet zonder meer kan worden overgenomen in de thans voorliggende zaak, zonder rekening te houden met de wetswijziging van 2014 en met het arrest van het Hof nr. 120/2014. 9 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.1.1. In de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 19 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 januari 2014 « houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State » (prejudiciële vraag gesteld in de zaak nr. 6971) of met artikel 3, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 « tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State » (prejudiciële vraag gesteld in de zaak nr. 6973) en met de artikelen 17, 37 en 162quater van de wet van 21 maart 1991 « betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven » (hierna : de wet van 21 maart 1991). B.1.2. Artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Vóór alle gerechten, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, hebben alleen de advocaten het recht te pleiten. De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist ». B.1.3. Artikel 19 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, bepaalde, vóór de wijziging ervan bij de voormelde wet van 20 januari 2014 : « De aanvragen, moeilijkheden en beroepen tot nietigverklaring en cassatieberoepen bedoeld bij de artikelen 11, 12, 13, 14 en 16, 1° tot 6°, kunnen voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang en worden schriftelijk ingediend bij de afdeling in de vormen en binnen de termijn door de Koning bepaald. 10 De verjaringstermijnen voor de beroepen bedoeld bij artikel 14, § 1, nemen alleen een aanvang op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt. Indien aan die verplichting niet wordt voldaan dan nemen de verjaringstermijnen een aanvang vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de akte of van de beslissing met individuele strekking. De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen. De advocaten hebben steeds het recht op de griffie kennis te nemen van het dossier en een toelichtende memorie in te dienen in de voorwaarden te bepalen bij de koninklijke besluiten bedoeld bij artikel 30. Een cassatieberoep kan niet worden ingediend zonder de bijstand van een persoon bedoeld in het derde lid, die het verzoekschrift moet ondertekenen ». Bij artikel 7, 5°, van de voormelde wet van 20 januari 2014 is in die bepaling een laatste lid, in werking getreden op 3 februari 2014, ingevoegd, luidende als volgt : « Behoudens bewijs van het tegendeel, wordt de advocaat verondersteld gemandateerd te zijn door de handelingsbekwame persoon die hij beweert te vertegenwoordigen ». In de prejudiciële vraag die in de zaak nr. 6971 is gesteld, wordt gepreciseerd dat het de versie vóór die wijziging is die door het Hof in aanmerking moet worden genomen. B.1.4. Artikel 3, 4°, van het voormelde besluit van de Regent van 23 augustus 1948 bepaalde, vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 28 januari 2014 « tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State » : « De verzoekende partij voegt bij het verzoekschrift : […] 4° indien zij een rechtspersoon is, een afschrift van haar geldende statuten en van de akte van aanstelling van haar organen, alsmede het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden ». 11 Bij artikel 1 van het voormelde koninklijk besluit van 28 januari 2014 is artikel 3, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 vervangen door de volgende bepaling : « 4° indien zij een rechtspersoon is, een afschrift van haar gepubliceerde statuten en van haar gecoördineerde geldende statuten en, indien deze rechtspersoon niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd, een afschrift van de akte van aanstelling van haar organen, alsmede het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden ». Hoewel dat niet wordt gepreciseerd in de prejudiciële vraag die in de zaak nr. 6973 is gesteld, blijkt uit de motivering van het verwijzingsarrest dat het de versie vóór die wijziging is die door het Hof in aanmerking moet worden genomen. B.1.5. De artikelen 17, 37 en 162quater van de voormelde wet van 21 maart 1991 bepalen : « Artikel 17. § 1. De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het doel van het overheidsbedrijf. De raad van bestuur houdt toezicht op het beleid van het directiecomité. Het directiecomité doet op geregelde tijdstippen verslag aan de raad. De raad, of zijn voorzitter, onverminderd de bevoegdheden van laatstgenoemde, hem toegekend krachtens artikel 18, § 5, kan op elk ogenblik van het directiecomité een verslag vragen betreffende de activiteiten van het bedrijf of sommige ervan. § 2. De raad van bestuur kan de in § 1 bedoelde bevoegdheden geheel of gedeeltelijk opdragen aan het directiecomité, met uitzondering van : 1° de goedkeuring van het beheerscontract, evenals van elke wijziging ervan; 2° het vaststellen van het ondernemingsplan en het algemeen beleid; 3° het toezicht op het directiecomité, inzonderheid wat de uitvoering van het beheerscontract betreft; 4° de andere bevoegdheden die door deze titel en, ingeval het overheidsbedrijf de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht heeft, door de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen uitdrukkelijk aan de raad van bestuur worden toegewezen. […] ». 12 « Artikel 37. De autonome overheidsbedrijven kunnen de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht aannemen. In dat geval is het betrokken overheidsbedrijf, voor al wat niet uitdrukkelijk anders is geregeld door of krachtens deze titel of door of krachtens enige specifieke wet, onderworpen aan de wettelijke en reglementaire handelsrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op de naamloze vennootschappen ». « Artikel 162quater. Het directiecomité van de NMBS is samengesteld uit de gedelegeerd bestuurder en de leden van het directiecomité. Het aantal leden van het directiecomité wordt bepaald door de raad van bestuur. Dit aantal mag de helft van het aantal leden van de raad van bestuur niet overtreffen. Het directiecomité wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder. De gedelegeerd bestuurder wordt benoemd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Hij wordt ontslagen door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De algemeen directeur, die daartoe werd aangesteld door de raad van bestuur, en de gedelegeerd bestuurder vertegenwoordigen gezamenlijk de onderneming in al haar handelingen, met inbegrip van de vertegenwoordiging in rechte. Alle akten van beheer of akten die de onderneming verbinden, worden gezamenlijk ondertekend door de gedelegeerd bestuurder en een algemeen directeur die daartoe werd aangesteld door de raad van bestuur. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de akten waarvan de goedkeuringswijze afwijkt van dit artikel. De gedelegeerd bestuurder behoort tot een andere taalrol dan deze algemeen directeur. De raad van bestuur benoemt de leden van het directiecomité, op voorstel van de gedelegeerd bestuurder en na het advies te hebben ingewonnen van het benoemings- en bezoldigingscomité. Zij worden afgezet door de raad van bestuur. Zij mogen niet de hoedanigheid van bestuurder van de NMBS hebben. Alle leden van het directiecomité vervullen een voltijdse functie binnen de NMBS of in het kader van de vertegenwoordiging van de NMBS ». 13 B.2.1. De verwijzende rechter interpreteert die bepalingen in die zin dat de ondertekening van een bij de Raad van State neergelegd verzoekschrift tot nietigverklaring door een advocaat voor rekening van een autonoom overheidsbedrijf dat de vorm aanneemt van een naamloze vennootschap van publiek recht, vergezeld van een beslissing om in rechte te treden die is genomen door de personen die bevoegd zijn om de vennootschap in rechte te vertegenwoordigen, namelijk de gedelegeerd bestuurder en de algemeen directeur, niet volstaat opdat het verzoekschrift ontvankelijk is. Met andere woorden, de verwijzende rechter interpreteert de in het geding zijnde bepalingen in die zin dat, om ontvankelijk te zijn, het verzoekschrift met de handtekening van een advocaat vergezeld moet gaan van het bewijs van een beslissing om in rechte te treden die is genomen door de raad van bestuur van de naamloze vennootschap van publiek recht of van haar directiecomité dat daartoe is gemachtigd. De Raad van State oordeelt voorts dat de bevoegdheid van vertegenwoordiging in rechte, zoals bedoeld in artikel 162quater van de wet van 21 maart 1991, niet de bevoegdheid omvat om te beslissen in rechte te treden, wat de bevoegdheid van de raad van bestuur van de « N.M.B.S. » blijft. B.2.2. Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepalingen in die interpretatie. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen B.3.1. De naamloze vennootschap van publiek recht « N.M.B.S. » werpt een exceptie van onontvankelijkheid van de in de zaak nr. 6971 gestelde prejudiciële vraag op, in zoverre daarbij artikel 19 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, wordt beoogd, in de versie ervan vóór de wijziging ervan bij artikel 7, 5°, van de voormelde wet van 20 januari 2014. B.3.2. Het komt niet het Hof, maar wel de verwijzende rechter toe te beslissen welke bepalingen van toepassing zijn op het geschil dat hem is voorgelegd. Slechts indien de in het geding zijnde bepalingen klaarblijkelijk niet van toepassing zouden zijn, zou het Hof kunnen oordelen dat de vraag geen antwoord behoeft. Zulks is te dezen niet het geval. 14 B.3.3. In de prejudiciële vraag die in de zaak nr. 6973 is gesteld, wordt, onder de in het geding zijnde normen, artikel 3, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 « tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State » beoogd. Het Hof vermag niet de grondwettigheid van een besluit van de Regent, noch de grondwettigheid van een bestuurshandeling te beoordelen. De prejudiciële vraag die in de zaak nr. 6973 is gesteld, is niet ontvankelijk in zoverre daarin die bepaling wordt beoogd. Ten aanzien van het eerste onderdeel van de prejudiciële vragen B.4.1. In het eerste onderdeel van de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht de situatie van de naamloze vennootschappen van publiek recht, waaronder de « N.M.B.S. », en de situatie van de naamloze vennootschappen van privaatrecht te vergelijken. Volgens de door de verwijzende rechter in aanmerking genomen en in B.2.1 in herinnering gebrachte interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen, is het verzoekschrift tot nietigverklaring dat door een advocaat is ingediend uit naam van een naamloze vennootschap van publiekrecht slechts ontvankelijk indien het vergezeld gaat van het bewijs van een beslissing om in rechte te treden die is genomen door de raad van bestuur van de vennootschap of van haar directiecomité dat daartoe is gemachtigd. Daarentegen is het verzoekschrift dat door een advocaat is ingediend uit naam van een naamloze vennootschap van privaatrecht ontvankelijk zelfs indien het slechts vergezeld gaat van het bewijs van de beslissing om in rechte te treden die is genomen door de vennootschap zoals vertegenwoordigd door de organen die een algemene delegatie van bevoegdheid hebben ontvangen voor de vertegenwoordiging van de vennootschap. Daaruit zou een verschil in behandeling tussen de voormelde vennootschappen voortvloeien wat betreft de ontvankelijkheidsvoorwaarden waaraan een verzoekschrift tot nietigverklaring is onderworpen dat uit hun naam bij de Raad van State wordt ingediend. 15 B.4.2. Uit de verwijzingsarresten blijkt dat de Raad van State de prejudiciële vragen heeft gesteld op verzoek van de « N.M.B.S. » en in de redactie die hem door die partij was gesuggereerd. Uit de door die partij in haar proceduregeschriften voor het Hof uiteengezette argumentatie blijkt dat het in dat onderdeel van de prejudiciële vragen in het geding zijnde verschil in behandeling niet de door de Raad van State gemaakte interpretatie betreft van het mandaat ad litem van de advocaat, dat is ingesteld bij artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. In de interpretatie die hij van het mandaat ad litem van de advocaat gaf vóór de wijziging van de in B.1.3 en B.1.4 aangehaalde bepalingen, maakte de Raad van State trouwens geen onderscheid naargelang de verzoekende rechtspersoon een vennootschap van publiek recht of een vennootschap van privaatrecht was. De prejudiciële vragen hebben, in het eerste onderdeel ervan, veeleer betrekking op de bepaling van het orgaan van de vennootschap dat bevoegd is om in rechte te treden. Dat orgaan zou, volgens de verzoekende partij voor de verwijzende rechter, de raad van bestuur zijn, in het geval van de « N.M.B.S. », en de organen die een algemene delegatie van bevoegdheid voor het vertegenwoordigen van de vennootschap hebben ontvangen, in het geval van de naamloze vennootschappen van privaatrecht. B.5.1. In dat onderdeel van de prejudiciële vragen wordt het Hof derhalve verzocht de artikelen 17 en 162quater van de wet van 21 maart 1991, enerzijds, en de wetsbepalingen met betrekking tot de naamloze vennootschap van privaatrecht, anderzijds, te vergelijken. Artikel 7:93 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bepaalt : « § 1. De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het voorwerp van de vennootschap, behoudens die waarvoor volgens de wet de algemene vergadering bevoegd is. […] § 2. De raad van bestuur vertegenwoordigt de vennootschap jegens derden, met inbegrip van de vertegenwoordiging in rechte. Onverminderd artikel 7:85, § 1, eerste lid, kunnen de statuten aan een of meer bestuurders de bevoegdheid verlenen om de vennootschap alleen of gezamenlijk te vertegenwoordigen. Zodanige vertegenwoordigingsclausule kan aan derden worden tegengeworpen onder de voorwaarden bepaald in artikel 2:18. […] ». 16 Artikel 522 van het Wetboek van vennootschappen, dat bij die bepaling is vervangen, bepaalde : « § 1. De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het doel van de vennootschap, behoudens die waarvoor volgens de wet alleen de algemene vergadering bevoegd is. […]. § 2. De raad van bestuur vertegenwoordigt de vennootschap jegens derden en in rechte als eiser of als verweerder. De statuten kunnen echter aan een of meer bestuurders bevoegdheid verlenen om alleen of gezamenlijk de vennootschap te vertegenwoordigen. Zodanige bepaling kan aan derden worden tegengeworpen. […] ». B.5.2. In de door de Raad van State in aanmerking genomen interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen komt de bevoegdheid om bij hem een verzoekschrift tot nietigverklaring in te dienen toe aan de raad van bestuur van de « N.M.B.S. » of, in geval van delegatie, aan het directiecomité ervan. Bij de in B.5.1 aangehaalde bepalingen wordt ook aan de raad van bestuur van de naamloze vennootschap van privaatrecht de bevoegdheid om te beslissen een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State in te dienen, toevertrouwd. Zij laten ook aan een dergelijke vennootschap toe een delegatie te verlenen aan een of meer bestuurders. B.5.3. Uit verscheidene arresten van de Raad van State blijkt dat, wanneer die, vóór de toepassing van de in B.1.3 aangehaalde wijzigingsbepalingen, de ontvankelijkheid onderzocht van een verzoekschrift tot nietigverklaring dat was ingediend uit naam van een naamloze vennootschap van privaatrecht, hij van oordeel was dat bij gebrek aan een delegatie die is opgenomen in de statuten van de vennootschap en expliciet betrekking heeft op de beslissing om in rechte te treden, de door de raad van bestuur van die vennootschap genomen beslissing om het beroep in te stellen diende te worden overgelegd, aangezien de beslissing om in rechte te treden niet onder het aan de gedelegeerd bestuurder toevertrouwde dagelijkse beheer van de vennootschap valt (zie inzonderheid RvS, 12 december 2005, nr. 152.522, nv « Esha België »; 17 mei 2011, nr. 213.266, nv « Belgium Télévision »; 17 juni 2013, nr. 223.932, nv « Randstad Belgium »; 30 oktober 2014, nr. 228.981, nv « Randstad Belgium »; 17 november 2014, nr. 229.177, nv « Minguet & Lejeune »). 17 B.6.1. Uit het voorgaande volgt dat de naamloze vennootschappen van publiek recht en de naamloze vennootschappen van privaatrecht niet verschillend worden behandeld wat de vereiste betreft het bewijs te leveren dat de beslissing om bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen, genomen is door het bevoegde orgaan van de vennootschap, namelijk de raad van bestuur, of eventueel door een orgaan dat handelt op diens uitdrukkelijke delegatie overeenkomstig de relevante wetsbepalingen. B.6.2. Aangezien het verschil in behandeling dat is vermeld in de prejudiciële vragen, in het eerste onderdeel ervan, onbestaande is, kunnen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet geschonden zijn. Ten aanzien van het tweede onderdeel van de prejudiciële vragen B.7.1. In het tweede onderdeel van de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht de situatie van de naamloze vennootschappen van publiek recht, waaronder de « N.M.B.S. », te vergelijken wanneer een advocaat uit hun naam bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring instelt en wanneer een advocaat uit hun naam voor de gewone rechtscolleges een vordering instelt. Volgens de door de verwijzende rechter in aanmerking genomen en in B.2.1 in herinnering gebrachte interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen, is het verzoekschrift tot nietigverklaring dat bij de Raad van State door een advocaat is ingediend uit naam van een naamloze vennootschap van publiek recht slechts ontvankelijk indien het vergezeld gaat van het bewijs van een beslissing om in rechte te treden die is genomen door de raad van bestuur van de vennootschap of van haar directiecomité dat daartoe is gemachtigd. Daarentegen is de vordering die door een advocaat bij een gewoon rechtscollege wordt ingesteld uit naam van een naamloze vennootschap van privaatrecht ontvankelijk zelfs indien zij slechts vergezeld gaat van het bewijs van de beslissing om in rechte te treden die is genomen door de vennootschap zoals vertegenwoordigd door de organen die een algemene delegatie van bevoegdheid hebben ontvangen voor de vertegenwoordiging van de vennootschap. 18 B.7.2. Het in B.7.1 beschreven verschil in behandeling vindt zijn oorsprong in een verschil in interpretatie, door de Raad van State en door het Hof van Cassatie, van het mandaat ad litem, dat is ingesteld bij artikel 440, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. In tegenstelling tot de Raad van State, interpreteert het Hof van Cassatie die bepaling immers in die zin dat het ervan uitgaat dat de advocaat de rechtspersoon vertegenwoordigt en dat het orgaan van die rechtspersoon regelmatig de beslissing heeft genomen om in rechte te treden. B.8.1. Bij zijn arrest nr. 42/98 van 22 april 1998 heeft het Hof geoordeeld dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet waren geschonden door het verschil in behandeling dat voortvloeit uit dat verschil van interpretatie, waarbij dat laatste een verklaring vindt « in de specifieke kenmerken van het objectieve contentieux dat aan de Raad van State is toevertrouwd » . B.8.2. Weliswaar heeft de wetgever, bij het in B.1.3 aangehaalde artikel 7, 5°, van de wet van 20 januari 2014, klaarblijkelijk geoordeeld dat de bijzondere aard van het aan de Raad van State toevertrouwde contentieux de toepassing van het mandaat ad litem, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie, niet in de weg staat. Het Hof heeft vervolgens, bij zijn arrest nr. 120/2014 van 17 september 2014, geoordeeld dat in het licht van de door de wetgever nagestreefde eenvormigheid inzake de draagwijdte van het mandaat ad litem van de advocaat er evenmin nog een reden was om voor het Hof minder soepele ontvankelijkheidsvoorwaarden te hanteren . B.8.3. Uit die wetswijziging volgt echter niet dat de interpretatie van het mandaat ad litem die voordien door de Raad van State in aanmerking werd genomen, zonder redelijke verantwoording was. De invoeging van het laatste lid van artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft niet tot gevolg gehad dat die bepaling, in de voorgaande versie ervan zoals zij door de Raad van State werd geïnterpreteerd, onbestaanbaar wordt gemaakt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.9. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. 19 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 19 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 januari 2014 « houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State » en met de artikelen 17, 37 en 162quater van de wet van 21 maart 1991 « betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven », schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 oktober 2020. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.