id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.136 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201015.3 Arrest- Rolnummer: 136/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-16 Raadplegingen: 563 - laatst gezien 2026-06-19 23:16 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - In de interpretatie dat artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, niet van toepassing is op de schuldenaar die schuldbemiddeling geniet en die voor een ander een zakelijke zekerheid heeft verleend, schendt die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In de interpretatie dat artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van toepassing is op de schuldenaar die schuldbemiddeling geniet en die voor een ander een zakelijke zekerheid heeft verleend, schendt die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Gerechtelijk recht - Collectieve schuldenregeling - Opschorting van alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een som geld - Toepassingsgebied - Schuldenaar die schuldbemiddeling geniet en die voor een ander een zakelijke zekerheid heeft verleend / Schuldenaar die schuldbemiddeling geniet en die persoonlijk aansprakelijk is tegenover zijn schuldeiser. Tekst van de beslissing Rolnummer 7325 Arrest nr. 136/2020 van 15 oktober 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter A. Alen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 19 november 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 december 2019, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Brengt artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat paragraaf 2, die voorziet in een schorsing van ‘ alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom ’, niet van toepassing is op de persoon die schuldbemiddeling geniet en die voor anderen een zakelijke zekerheid heeft verleend, terwijl het van toepassing is op de persoon die schuldbemiddeling geniet en die persoonlijk aansprakelijk is tegenover zijn schuldeiser, en aldus een verschil in behandeling teweegbrengt tussen de persoon die schuldbemiddeling geniet en persoonlijk aansprakelijk is voor een schuld en die de schorsing geniet van alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom, en de persoon die schuldbemiddeling geniet en voor anderen een zakelijke zekerheid heeft verleend en die die schorsing van alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom, niet zou genieten, een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet met zich mee ? ». Memories zijn ingediend door : - P.C., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Leroy, advocaat bij de balie te Brussel; - de nv « BNP Paribas Fortis », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-P. Buyle, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré en Mr. E. de Lophem, advocaten bij de balie te Brussel. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de nv « BNP Paribas Fortis »; - de Ministerraad. Bij beschikking van 2 juli 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 juli 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 15 juli 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In het kader van een lange en ingewikkelde zaak kan de procedurele context van het aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde geschil als volgt worden samengevat : bij het Hof van Beroep te Brussel wordt in hoger beroep een verzoek tot verzet aanhangig gemaakt, tegen een uitvoerend beslag op onroerend goed, door P.C. Zij verzet zich tegen het uitvoerend beslag op een onroerend goed waarvan zij eigenaar is, beslag dat werd gelegd op verzoek van de nv « BNP Paribas Fortis ». P.C. werd toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling. Vele jaren eerder had zij, op een onroerend goed waarvan zij eigenaar is, een onroerende zekerheid gesteld om een kredietopening te waarborgen die door de nv « BNP Paribas Fortis » was toegekend aan een bvba waarvan zij stichtend lid en zaakvoerder was. Die bvba, die als maatschappelijk doel de uitbating van een brasserie had, werd bij een vonnis van 23 juli 2010 failliet verklaard. P.C. voert voor de verwijzende rechter aan dat de middelen van tenuitvoerlegging die haar vermogen aantasten, moeten worden geschorst om reden dat zij tot een collectieve schuldenregeling werd toegelaten. De nv « BNP Paribas Fortis » is op haar beurt van mening dat zij niet onderworpen is aan de regels van samenloop, noch aan de schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging, vanuit de overweging dat zij niet rechtstreeks de schuldeiser van P.C. is, maar die van een vennootschap waarvan de schuld te haren aanzien gekoppeld was aan een door P.C. verleende zakelijke zekerheid. Het is in die context dat, op voorstel van de appellante, het verwijzende rechtscollege aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag heeft gesteld. III. In rechte -A- A.
- De appellante voor het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat er geen enkel verschil is tussen de twee categorieën die worden vergeleken in de prejudiciële vraag die door het Hof van Beroep te Brussel is gesteld. Zij oordeelt dat, met toepassing van artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zowel de persoon die schuldbemiddeling geniet en die persoonlijk aansprakelijk is voor een schuld als de persoon die schuldbemiddeling geniet en die voor een derde een zakelijke zekerheid heeft verleend, een schorsing moeten genieten van alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot betaling van een geldsom. Dat is de lering van een arrest dat op 9 januari 2015 door het Arbeidshof te Luik werd gewezen. Indien het Hof de in het geding zijnde bepaling zou interpreteren in die zin dat zij de persoon die schuldbemiddeling geniet en die voor een ander een zakelijke zekerheid heeft verleend uitsluit van het voordeel van die schorsing, zou het moeten oordelen dat het verschil in behandeling ten opzichte van de persoon die schuldbemiddeling geniet en die persoonlijk aansprakelijk is ongrondwettig is. De appellante voor het verwijzende rechtscollege is immers van mening dat, met de aanneming van artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, de wetgever de onbeschikbaarheid van alle goederen van het vermogen van de persoon die schuldbemiddeling geniet wilde mogelijk maken, en het mogelijk wilde maken die persoon aan de ongecontroleerde druk van de schuldeisers te onttrekken in afwachting van het opstellen van een aanzuiveringsregeling. De twee categorieën zijn overigens vergelijkbaar in het licht van dat doel : zij dienen dus op identieke wijze te worden behandeld. De procedure van collectieve schuldenregeling, ingevoerd bij de wet van 5 juli 1998 « betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen », heeft meer bepaald tot doel de onbeschikbaarheid van het vermogen van de persoon die schuldbemiddeling geniet te waarborgen, en te verzekeren dat hijzelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden. 4 Toelaten dat de middelen van tenuitvoerlegging verder kunnen worden aangewend tegen een persoon die schuldbemiddeling geniet en die voor een ander een zakelijke zekerheid heeft verleend, komt echter erop neer dat men toestaat dat elementen van zijn vermogen te gelde worden gemaakt, in het nadeel van de andere schuldeisers die door de toestand van samenloop worden beoogd. Dat zou dus bovendien ingaan tegen het beginsel van gelijkheid van de schuldeisers, dat inherent is aan de collectieve schuldenregeling. A.
- De nv « BNP Paribas Fortis » voert aan dat zij, in het kader van de procedure van collectieve schuldenregeling, geen schuldeiser is van de appellante die schuldbemiddeling geniet. De zakelijke zekerheid die die laatste heeft verleend, waarborgt immers een kredietopening die door de nv « BNP Paribas Fortis » werd toegekend aan de bvba « Marepa ». Artikel 1675/7, §§ 1 en 2, van het Gerechtelijk Wetboek doet dus geen enkele toestand van samenloop ontstaan en schorst in geen enkel opzicht de middelen van tenuitvoerlegging wat betreft de hypothecaire aanwending van het door de appellante bewoonde appartement, die zij aan de nv « BNP Paribas Fortis » verleende tot waarborg van een schuldvordering van die laatste ten aanzien van de bvba « Marepa ». De nv « BNP Paribas Fortis » verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 5 januari 2015 waarbij werd geoordeeld dat de term « schuldeiser », vermeld in artikel 1675/7, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, moest worden geïnterpreteerd als schuldeiser van de persoon die schuldbemiddeling geniet. Bij datzelfde arrest heeft het Hof van Cassatie een arrest van het Arbeidshof te Bergen verbroken en geoordeeld dat « de schuldeiser die een hypotheek bezit die de verzoeker heeft gevestigd op een van zijn gebouwen tot waarborg van de verbintenissen van een derde, […] niet de schuldeiser van de verzoeker [is] en […] bijgevolg niet verplicht [is] een aangifte van schuldvordering te doen binnen de bij het voornoemde artikel 1675/9 bepaalde termijn » (Cass., 5 januari 2015, S.14.0048.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150105.4). Het is in die zin dat moet worden begrepen dat diegene die een zakelijke zekerheid verleent, zich enkel « propter rem » verbindt. Het is in die zin, zo vervolgt de nv « BNP Paribas Fortis », dat men ervan moet uitgaan dat het verschil in behandeling tussen de persoon die schuldbemiddeling geniet en die persoonlijk aansprakelijk is tegenover zijn schuldeiser en de persoon die schuldbemiddeling geniet en die dat niet is, verantwoord is. In tegenstelling tot de eerstgenoemde, die, indien hij niet zou beschikken over de schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging die voortvloeit uit artikel 1675/7 van het Gerechtelijk Wetboek, rampzalige gevolgen riskeert, loopt de persoon die schuldbemiddeling geniet en die slechts « propter rem » gebonden is ten hoogste het risico dat het enige goed dat hij met een hypotheek heeft belast te gelde wordt gemaakt en dat de opbrengsten van die verkoop prioritair worden aangewend voor de aanzuivering van de schuldvordering van de derde-schuldeiser ten aanzien van de derde- schuldenaar. Bovendien kon het hypothecair aanwenden van een onroerend goed door de appellante voor het verwijzende rechtscollege, tot waarborg van de schuld van de bvba « Marepa », niet worden beschouwd als zijnde ten kosteloze titel gesteld, omdat die hypotheek een investeringskrediet waarborgde dat was aangegaan door de handelsvennootschap waarvan zij medeoprichtster en zaakvoerder was. Op het ogenblik van die hypothecaire verbintenis had de appellante dus enkel tot doel beroepsinkomsten te verwerven. De kredietgever waarbij de persoon die schuldbemiddeling geniet persoonlijk een lening aangaat, heeft van nature een rechtstreekser contact met zijn schuldenaar, dat hem in staat stelt de financiële evolutie van de kredietnemer te volgen. Omgekeerd, staat de kredietgever die de zekerheid van een derde geniet om de verbintenissen van zijn schuldenaar te waarborgen, niet even dicht bij die laatste, omdat de band tussen hen veel losser is. De nv « BNP Paribas Fortis » besluit haar memorie met het verzoek, aan het Hof, om de prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden. 5 A.
- De Ministerraad herinnert eerst aan de rechtspraak van het Hof over de collectieve schuldenregeling. Hij leidt eruit af dat de wetgever heeft getracht een evenwicht te vinden tussen doelstellingen die a priori tegenstrijdig lijken. Dat evenwicht, dat werd gevonden dankzij een collectieve oplossing, brengt alle schuldeisers van de persoon die schuldbemiddeling geniet bijeen, welke ook de aan hun schuldvordering gekoppelde voorrechten of zakelijke zekerheden op het vermogen van de schuldenaar zijn. Doordat zij geen schuldeiser zijn van de persoon die schuldbemiddeling geniet, worden de andere schuldeisers niet toegelaten tot de samenloop, terwijl nochtans alle goederen van de schuldenaar die schuldbemiddeling geniet deel uitmaken van de boedel, met inbegrip van, in voorkomend geval, het onroerend goed dat bezwaard is met een zekerheid die door de persoon die schuldbemiddeling geniet werd verleend ten voordele van een ander. De Ministerraad gaat immers ervan uit dat, krachtens artikel 1675/7, § 1, tweede en derde lid, en § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, alle middelen van tenuitvoerlegging worden geschorst. De houder van de zakelijke zekerheid die door de persoon die schuldbemiddeling geniet ten voordele van een derde werd verleend, is daarentegen niet onderworpen aan de wet van samenloop, aangezien artikel 1675/7, § 1, eerste lid, alleen de schuldeisers van de persoon die schuldbemiddeling geniet beoogt. Hoewel hij niet rechtstreeks deelneemt aan de samenloop, kan de houder van de zakelijke zekerheid die door de persoon die schuldbemiddeling geniet werd verleend tot waarborg van een schuld van een ander, toch zijn rechten doen gelden, op het gepaste ogenblik, in het kader van de procedure van collectieve schuldenregeling. Aangezien de zakelijke zekerheid slechts « propter rem » wordt verleend, heeft de begunstigde van die zekerheid er pas belang bij kennis te nemen van het bestaan van de procedure van collectieve schuldenregeling op het ogenblik dat hij het onroerend goed te gelde wil maken of op het ogenblik dat die tegeldemaking wordt overwogen in de aanzuiveringsregeling. Wanneer de houder van de zakelijke zekerheid het onroerend goed te gelde wil laten maken, zal het centraal bestand van berichten van beslag worden geraadpleegd en zal blijken dat de eigenaar van het bezwaarde onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een collectieve schuldenregeling. In dat geval verhindert niets, volgens de Ministerraad, dat de begunstigde van de zakelijke zekerheid zich in voorkomend geval aandient bij de schuldbemiddelaar of de rechtbank, door vrijwillig in de procedure tussen te komen. Zijn rechten op het onroerend goed zullen in aanmerking moeten worden genomen in het kader van de regeling. Omgekeerd, indien de aanzuiveringsregeling met name betrekking heeft op de tegeldemaking van het bezwaarde onroerend goed, zal de zakelijke zekerheid noodzakelijkerwijs in aanmerking worden genomen, omdat artikel 1675/14bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek dat uitdrukkelijk bepaalt. Indien, ten slotte, de begunstigde van de zakelijke zekerheid het bestaan van de collectieve schuldenregeling pas verneemt tijdens de uitvoering ervan zonder dat de regeling echter in een tegeldemaking van het onroerend goed voorziet, kan hij nog steeds vrijwillig tussenkomen in die procedure. In die interpretatie vertaalt de getoetste regel het door de wetgever gewilde evenwicht dat door de rechtspraak van het Hof werd overgenomen doordat hij, zonder de houder van de zakelijke zekerheid die door een persoon die schuldbemiddeling geniet werd verleend tot waarborg van een schuld van een ander gelijk te stellen met een schuldeiser van de persoon die schuldbemiddeling geniet, niet verhindert dat bepaalde gevolgen van de collectieve schuldenregeling aan hem tegenstelbaar zijn, in het bijzonder de schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging. In die interpretatie schendt de getoetste regel de referentienormen niet, zo besluit de Ministerraad, en dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 6 -B- B.
- Artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 5 juli 1998 « betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen », en vervangen bij artikel 19 van de wet van 15 april 2018 « houdende hervorming van het ondernemingsrecht », bepaalt : « Alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom worden geschorst. Hetzelfde geldt voor de beslagen die vóór de beschikking van toelaatbaarheid gelegd werden. Deze laatste behouden evenwel hun bewarend karakter. Echter, indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende goederen reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel. Indien het belang van de boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar die handelt in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, uitstel of afstel van de verkoop toestaan. Indien voorafgaand aan deze beschikking van toelaatbaarheid, de beschikking gewezen overeenkomstig de artikelen 1580, 1580bis en 1580ter, niet langer vatbaar is voor het verzet bedoeld in de artikelen 1033 en 1034, kunnen de verkoopverrichtingen na uitvoerend onroerend beslag eveneens voor rekening van de boedel worden voortgezet. Indien het belang van de boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar die handelt in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en na oproeping van de ingeschreven hypothecaire, bevoorrechte schuldeisers en de beslagleggende schuldeiser, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief, uitstel of afstel van de verkoop toestaan. De schuldenaar of de schuldbemiddelaar dient de notaris belast met de verkoop van het goed schriftelijk te informeren van zijn verzoek tot uitstel of afstel. Dit verzoek tot uitstel of afstel van de verkoop is niet langer ontvankelijk na aanmaning aan de schuldenaar die plaatsvindt overeenkomstig artikel
- In geval van beslag gevoerd tegen meerdere schuldenaars waarvan slechts één tot de collectieve schuldenregeling werd toegelaten, wordt de gedwongen verkoop van de roerende of onroerende goederen voortgezet overeenkomstig de regels van het roerend of onroerend beslag. Na betaling van de hypothecaire en bijzonder bevoorrechte schuldeisers, stort de notaris desgevallend het saldo van het gedeelte van de verkoopprijs dat aan de schuldenaar toekomt, aan de schuldbemiddelaar. Deze storting is bevrijdend net zoals de storting gedaan door de koper overeenkomstig artikel
- Ten aanzien van personen die zich persoonlijk zekerheid hebben gesteld voor een schuld van de schuldenaar, worden de middelen van tenuitvoerlegging geschorst tot de homologatie van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping van de aanzuiveringsregeling. Ten aanzien van personen die de in artikel 1675/16bis, § 2, bedoelde verklaring hebben neergelegd, worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de bevrijding ». 7 B.
- Uit het onderzoek van de aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde feiten blijkt dat, in de zaak die aan de oorsprong van de prejudiciële vraag ligt, hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de beslagkamer van de rechtbank van eerste aanleg die de vordering tot uitvoerend beslag ten laste van een persoon die werd toegelaten tot een procedure van collectieve schuldenregeling bij een beslissing van de arbeidsrechtbank, gegrond heeft verklaard. Die persoon had een zakelijke zekerheid verleend op haar woning, tot waarborg van een kredietopening die door de nv « BNP Paribas Fortis » was toegestaan aan een derde, te dezen een bvba waarvan de persoon die schuldbemiddeling geniet de zaakvoerder was. B.
- In beginsel komt het aan de verwijzende rechter toe de normen vast te stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil, en die normen te interpreteren. B.
- Artikel 1675/7, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom worden geschorst ten aanzien van het vermogen van een persoon die is toegelaten tot een collectieve schuldenregeling. Het verwijzende rechtscollege merkt op dat er in de rechtspraak meningsverschillen zijn over de draagwijdte van die bepaling en stelt aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van de voormelde bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat die bepaling niet van toepassing zou zijn op de schuldenaar die schuldbemiddeling geniet en die voor een ander een zakelijke zekerheid heeft verleend, terwijl zij wel van toepassing is op de schuldenaar die schuldbemiddeling geniet en die persoonlijk aansprakelijk is tegenover zijn schuldeiser. Uit die interpretatie zou een verschil in behandeling voortvloeien tussen de persoon die schuldbemiddeling geniet en persoonlijk aansprakelijk is voor een schuld, die de schorsing geniet van alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom, en de persoon die schuldbemiddeling geniet en voor een ander een zakelijke zekerheid heeft verleend, die die schorsing niet zou genieten. 8 B.5.
- De procedure van collectieve schuldenregeling is door de wetgever ingesteld bij de voormelde wet van 5 juli
- Die procedure beoogt de financiële toestand van de schuldenaar met overmatige schuldenlast te herstellen, met name door hem ertoe in staat te stellen, voor zover mogelijk, zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hijzelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden (artikel 1675/3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De financiële situatie van de persoon met overmatige schuldenlast wordt in kaart gebracht en de ongecontroleerde druk van de schuldeisers valt voor die persoon weg dankzij het optreden van een schuldbemiddelaar, die luidens artikel 1675/6 van hetzelfde Wetboek wordt aangewezen door de rechter die voorafgaandelijk uitspraak zal hebben gedaan over de toelaatbaarheid van de vordering tot collectieve schuldenregeling. De beschikking van toelaatbaarheid doet een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft de opschorting van de loop van de intresten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg (artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek). B.5.
- De wetgever had eveneens het evenwicht tussen de belangen van de schuldenaar en die van de schuldeisers voor ogen (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1073/11, p. 20). Zo beoogt de procedure te bewerkstelligen dat de schuldeisers geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nrs. 1073/1 en 1074/1, p. 12). B.6.
- Luidens artikel 1675/7, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek worden alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot betaling van een geldsom geschorst vanaf de beschikking van toelaatbaarheid van de vordering tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 juli 1998 werd hieromtrent het volgende verklaard : « Gelet op de collectieve dimensie van de samenloop worden de uitvoeringsrechten van de individuele schuldeisers geschorst. Vanaf de uitspraak kan geen enkel bewarend of uitvoerend beslag worden gelegd. Bedoeld worden alle uitvoeringsmaatregelen op het vermogen van de schuldenaar die strekken tot de betaling van geldbedragen. Het gaat niet uitsluitend om bewarende en uitvoerende beslagen, maar ook bijvoorbeeld om de uitvoering van een overdracht van schuldvordering (bijvoorbeeld loonoverdracht) of een pandverzilvering » (ibid., p. 30). 9 B.6.
- De persoon die een hypotheek verleent, verbindt zich slechts binnen de perken van het met hypotheek bezwaarde goed en ten belope van het bedrag van de hypotheek. Hij kan niet worden veroordeeld tot uitvoering van de hoofdverbintenis. Te dezen kan de hypothecaire schuldeiser, ten aanzien van de zakelijke borg, alleen een hypothecaire vordering instellen, dat wil zeggen een uitvoerend beslag op de woning leggen. De aard van dat middel van tenuitvoerlegging doet echter niets af aan het doel ervan, namelijk de betaling van een geldsom ten laste van de boedel van de persoon die tot een collectieve schuldenregeling is toegelaten. De tekst van de in het geding zijnde bepaling is duidelijk en heeft betrekking op « alle middelen van tenuitvoerlegging ». B.6.
- Ook al is de houder van de zekerheid niet onderworpen aan de regeling inzake samenloop, aangezien artikel 1675/7, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek alleen betrekking heeft op de schuldeisers van de persoon die schuldbemiddeling geniet, toch kan hij zijn rechten doen gelden, op het gepaste ogenblik, in het kader van de procedure van collectieve schuldenregeling. Aangezien de in het geding zijnde zekerheid slechts zakelijk is, heeft de houder ervan er pas belang bij kennis te nemen van het bestaan van de procedure van collectieve schuldenregeling op het ogenblik dat hij het onroerend goed te gelde wil maken of op het ogenblik dat een tegeldemaking van het onroerend goed wordt overwogen in de aanzuiveringsregeling. In het eerste geval wordt het centraal bestand van berichten van beslag geraadpleegd en blijkt dat de eigenaar van het bezwaarde onroerend goed het voorwerp uitmaakt van een collectieve schuldenregeling. In dat geval belet niets dat de houder van de zekerheid zich in voorkomend geval aandient bij de schuldbemiddelaar of de rechtbank, door vrijwillig tussen te komen in de procedure van collectieve schuldenregeling teneinde zijn recht om de zekerheid ten uitvoer te leggen en het goed te gelde te maken, te doen gelden. De rechten van de houder van de zekerheid op het onroerend goed zullen in aanmerking moeten worden genomen in het kader van de regeling. 10 In het tweede geval, indien de aanzuiveringsregeling meer bepaald de tegeldemaking van het bezwaarde onroerend goed betreft, wordt de zekerheid noodzakelijkerwijs in aanmerking genomen aangezien artikel 1675/14bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk bepaalt dat de hypothecaire schuldeisers zonder onderscheid in aanmerking worden genomen bij een tegeldemaking van het bezwaarde goed. Indien ten slotte de begunstigde van de zekerheid het bestaan van een collectieve schuldenregeling pas verneemt tijdens de uitvoering ervan zonder dat de regeling echter in een tegeldemaking van het onroerend goed voorziet, kan hij nog steeds vrijwillig tussenkomen omdat de zaak op de rol ingeschreven blijft tot het einde van de regeling. Hij kan zijn rechten doen gelden bij de schuldbemiddelaar en, in voorkomend geval, een herziening van de regeling verkrijgen op grond van artikel 1675/14, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. B.6.
- Uit al die elementen volgt dat artikel 1675/7, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek het door de wetgever nagestreefde evenwicht vertaalt, zoals in B.5.2 en in B.6.1 is vermeld, in zoverre het, zonder de houder van de zakelijke zekerheid die door de persoon die schuldbemiddeling geniet werd verleend tot waarborg van andermans schuld gelijk te stellen met de schuldeisers van de boedel, niet verhindert dat de schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging aan hem tegenstelbaar is. B.7.
- In de interpretatie dat artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, niet van toepassing is op de schuldenaar die schuldbemiddeling geniet en die voor een ander een zakelijke zekerheid heeft verleend, is die bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.7.
- In de interpretatie dat artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van toepassing is op de schuldenaar die schuldbemiddeling geniet en die voor een ander een zakelijke zekerheid heeft verleend, is die bepaling bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In de interpretatie dat artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, niet van toepassing is op de schuldenaar die schuldbemiddeling geniet en die voor een ander een zakelijke zekerheid heeft verleend, schendt die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In de interpretatie dat artikel 1675/7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van toepassing is op de schuldenaar die schuldbemiddeling geniet en die voor een ander een zakelijke zekerheid heeft verleend, schendt die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 oktober
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.136 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150105.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div