id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.139 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201022.2 Arrest- Rolnummer: 139/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-23 Raadplegingen: 274 - laatst gezien 2026-06-19 17:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 11, 1°, van de wet van 11 juli 2018 « houdende diverse bepalingen in strafzaken », ingesteld door Isabelle Mattiuz en anderen. Gerechtelijk recht - Strafuitvoeringsrechtbank - Statuut van de werkende assessoren - Pensioen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7098 Arrest nr. 139/2020 van 22 oktober 2020 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 11, 1°, van de wet van 11 juli 2018 « houdende diverse bepalingen in strafzaken », ingesteld door Isabelle Mattiuz en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter A. Alen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 januari 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 januari 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 11, 1°, van de wet van 11 juli 2018 « houdende diverse bepalingen in strafzaken » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 juli 2018) door Isabelle Mattiuz, Caroline Van Coppenolle, Caroline Mertens, Hilde Lefevre, Virginie Polet en Pierre Hubaux, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Joassart, advocaat bij de balie te Brussel. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Depré, Mr. E. de Lophem en Mr. M. Chomé, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 15 juli 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman, ter vervanging van ererechter J.-P. Snappe, en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, dat, in geval van een dergelijk verzoek, de zaak zal worden behandeld op de terechtzitting van 22 september 2020, op het tijdstip dat later door de voorzitter zal worden bepaald, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 september 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 1 september 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.
- De Ministerraad betwist het belang om in rechte te treden van de verzoekende partijen. Die partijen, die allen werkend assessor in een strafuitvoeringsrechtbank zijn, verzoeken het Hof artikel 11, 1°, van de wet van 11 juli 2018 « houdende diverse bepalingen in strafzaken » (hierna : de wet van 11 juli 2018) te vernietigen. De Ministerraad betoogt dat de bestreden bepaling zich ertoe beperkt uitdrukkelijk te voorzien in de opening en de berekening van het pensioen, gelet op de door de Pensioendienst voor de overheidssector opgeworpen juridische gevolgen die verbonden zijn aan het niet-vaste karakter van de benoeming. Het feit dat in die bepaling niet uitdrukkelijk is voorzien in de andere aspecten van de sociale bescherming, betekent evenwel niet dat de verzoekende partijen thans niet dezelfde voordelen genieten als de vastbenoemde ambtenaren. 3 A.1.
- In hun memorie van antwoord houden de verzoekende partijen staande dat latere elementen, zoals die welke in fine zijn geconcretiseerd door de aanneming van de bestreden bepaling, ten aanzien van de sociale bescherming die thans van toepassing is op de werkend assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank, twijfel laten bestaan over de andere aspecten van de sociale bescherming dan het pensioen. Ter staving van hun standpunt komen zij terug op de vermelding « contractueel personeelslid » die kort op hun weddefiche was verschenen (maar die sindsdien is verdwenen). Zij erkennen echter dat een andere interpretatie mogelijk is en zij eisen dat de minister van Justitie officieel de regeling bevestigt die de werkend assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank thans genieten. Tot slot zijn de verzoekende partijen van mening dat het Hof aan de tekst een conforme interpretatie zou kunnen geven, zodat zij zouden zijn beschermd tegen elk initiatief dat ertoe strekt hen niet gelijk te stellen voor de andere socialezekerheidsregelingen. A.1.
- In zijn memorie van wederantwoord betoogt de Ministerraad nog steeds, in hoofdorde, dat het beroep niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang van de verzoekende partijen. Aangezien de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord niet betwisten dat zij thans de volledige sociale bescherming genieten die aan de statutaire ambtenaren wordt geboden, kan niet worden aangenomen dat het loutere feit dat die bescherming hypothetisch zou kunnen veranderen, volstaat om hun belang te verantwoorden. Het Hof heeft trouwens reeds een beroep verworpen om reden dat het aangevoerde nadeel hypothetisch was. Dezelfde redenering geldt voor de preferentiële tantièmes, betoogt de Ministerraad voorts, terwijl tijdens de parlementaire voorbereiding er geen sprake van is geweest te voorzien in andere tantièmes dan die welke standaard aan de personeelsleden van het openbaar ambt worden toegekend. Ten aanzien van het eerste middel A.2.
- De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 11, 1°, van de wet van 11 juli 2018, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In een eerste onderdeel betogen zij dat de werkend assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank en de vastbenoemde beroepsmagistraten twee vergelijkbare categorieën zijn en dat het niet verantwoord is dat die categorieën niet identiek worden behandeld wat de sociale bescherming betreft. In artikel 11, 1°, van de wet van 11 juli 2018 wordt alleen vermeld dat de benoeming tot werkend assessor « voor de opening van het recht en de berekening van het pensioen » wordt gelijkgesteld met een vaste benoeming. De verzoekende partijen vragen zich dus af hoe het zit met de toepassing van de andere sociale prestaties (jaarlijkse vakantie, beroepsziekten, arbeidsongevallen). Zij doen gelden dat zij thans die prestaties genieten, maar vrezen echter die te verliezen. Uitgaande van hetzelfde postulaat, klagen de verzoekende partijen in een tweede onderdeel dat zij op dezelfde wijze worden behandeld als de werknemers uit de privésector, terwijl zij zich niet in dezelfde situatie zouden bevinden als laatstgenoemden. A.2.
- De Ministerraad antwoordt eerst dat het middel feitelijke grondslag mist, aangezien de verzoekende partijen dezelfde sociale bescherming genieten als de vastbenoemde statutaire ambtenaren. Voor het overige is, sinds dat ambt in het leven is geroepen, steeds betoogd dat de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank aan een specifiek statuut zijn onderworpen en dat zij in dat opzicht dus niet vergelijkbaar zijn met de vastbenoemde beroepsmagistraten : de toegangsvoorwaarden, de aard van de benoeming en de ontstentenis van voorrecht van rechtsmacht onderscheiden hen. Het tweede onderdeel van het middel mist ook feitelijke grondslag, aangezien de verzoekende partijen als statutaire ambtenaren en niet als werknemers uit de privésector worden behandeld. Over de twee onderdelen samen, ten slotte, betoogt de Ministerraad dat de intentie van de wetgever, toen hij de bestreden bepaling heeft aangenomen, niet erin bestond de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de assessoren materieel te waarborgen. Die doelstelling was reeds bereikt door de wet van 4 mei 2016 « houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie ». 4 De bepaling is aangenomen om een specifiek probleem op te lossen : de benoeming van de werkend assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank, voor de opening van het recht op het pensioen en de berekening ervan, gelijkstellen met een vaste benoeming. Nooit is er sprake van geweest de andere aspecten te wijzigen van de sociale prestaties waarop zij voorheen recht hadden, hetgeen trouwens blijkt uit hun weddefiches die de Ministerraad overlegt. A.3.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 11, 1°, van de wet van 11 juli 2018, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De verzoekende partijen doen gelden dat zij worden gediscrimineerd, in zoverre voor de berekening van hun pensioen bij de bestreden bepaling wordt voorzien in tantièmes die minder aantrekkelijk zijn (1/60ste) dan die welke de beroepsmagistraten genieten (1/48ste). Zij betogen dat zij op identieke wijze zouden moeten worden behandeld, aangezien zij tot vergelijkbare categorieën behoren. Tot slot zijn zij van mening dat dat verschil in behandeling onverantwoord of op zijn minst onevenredig is met de nagestreefde doelstelling. A.3.
- De Ministerraad antwoordt dat het tweede middel feitelijke grondslag mist. Hij herinnert eraan dat de op de beroepsmagistraten toegepaste preferentiële tantièmes nooit zijn toegepast op de werkend assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank. Derhalve zou de vernietiging van de bestreden bepaling hun niet enig voordeel kunnen opleveren en is het middel niet ontvankelijk. Voor het overige zijn de categorieën niet vergelijkbaar, zoals de Ministerraad in zijn antwoord met betrekking tot het eerste middel heeft doen gelden. Daarenboven wijst de Ministerraad erop dat de regeling die van toepassing is op de werkend assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank die is welke standaard wordt toegepast in het openbaar ambt, zoals is voorzien bij artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844 « op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen » en de erbij gevoegde tabel, zodat zij worden behandeld zoals de vastbenoemde statutaire ambtenaren. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan B.
- Artikel 11, 1°, van de wet van 11 juli 2018 « houdende diverse bepalingen in strafzaken » (hierna : de wet van 11 juli 2018) bepaalt : « In artikel 196ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2006 en gewijzigd bij de wetten van 5 mei 2014 en 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende : 5 ‘ De benoeming tot werkend assessor in de strafuitvoeringsrechtbank wordt, voor de opening van het recht en de berekening van het pensioen, gelijkgesteld met een vaste benoeming. Voor de berekening van het rustpensioen worden de in die hoedanigheid gepresteerde diensten in aanmerking genomen naar rata van 1/60 per jaar dienst. ’ ». B.2.
- Bij de voormelde bepaling wordt artikel 196ter van het Gerechtelijk Wetboek aangevuld, waarin onder meer de voorwaarden worden geregeld voor de benoeming in het ambt van assessor in de strafuitvoeringsrechtbank. Artikel 46 van de wet van 4 mei 2016 « houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie » heeft artikel 196ter van het Gerechtelijk Wetboek een eerste maal gewijzigd door, in paragraaf 2 ervan, te bepalen dat het ambt van werkend assessor in de strafuitvoeringsrechtbank voltijds wordt uitgeoefend en dat de benoeming in de hoedanigheid van assessor geldt voor een periode van een jaar, die een eerste maal voor een periode van drie jaar en vervolgens telkens voor een periode van vier jaar kan worden verlengd, na evaluatie. Door die eerste wijziging kan een assessor in de strafuitvoeringsrechtbank voortaan onbeperkt worden benoemd tot het einde van zijn beroepsloopbaan. Vanuit het oogpunt van de opening van het recht op het pensioen en van de berekening ervan had de voormelde wet van 4 mei 2016 de administratieve situatie van de werkend assessoren echter niet geregeld, terwijl die regelgeving wegens de hiervoor in herinnering gebrachte wijziging noodzakelijk was gemaakt. B.2.
- Artikel 11, 1°, van de wet van 11 juli 2018 heeft precies ten doel de benoeming tot werkend assessor, voor de opening van het recht en de berekening van het pensioen, met een vaste benoeming gelijk te stellen. Dat artikel werd als volgt toegelicht : « De assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank worden benoemd voor een termijn van een jaar, die een eerste maal voor drie jaar en vervolgens telkens voor vier jaar kan worden verlengd, na evaluatie. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 2016 is de benoeming van de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank dus niet meer beperkt tot een periode van 8 jaar : de personen die in dat ambt benoemd zijn, van wie de meesten leden van de administratie zijn, kunnen dat ambt, waarvoor zij een wedde ontvangen die gelijkwaardig is aan de wedde van een rechter, dus uitoefenen zolang hun mandaat wordt verlengd. Het verschil in wedde ten opzichte van de vroegere wedde kan dus aanzienlijk zijn. 6 De onbeperkte verlenging van dat mandaat verandert niets aan het feit dat die benoeming tot assessor in de strafuitvoeringsrechtbank voor de berekening van het pensioen een voorlopige benoeming blijft, die niet tot een vaste benoeming kan leiden. Aangezien de benoeming geen definitief karakter heeft, worden de prestaties verricht in het kader van dit ambt, overeenkomstig artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, niet in aanmerking genomen voor de berekening van het pensioen van de openbare sector. Rekening houdend met het feit dat deze benoemingen voortaan zonder beperking in de tijd verlengbaar zijn, beoogt deze bepaling de gelijkschakeling van de benoeming tot werkend assessor in de strafuitvoeringsrechtbank met een vaste benoeming, voor de opening van het recht en de berekening van het pensioen. Door de wedden die verband houden met de uitoefening van hun ambt als assessor in aanmerking [te nemen] voor de berekening van hun pensioen, wordt de bijdrage, meestal op lange termijn, van die assessoren tot de werking van de strafuitvoeringsrechtbanken opgewaardeerd. Voor de berekening van het rustpensioen worden de in die hoedanigheid gepresteerde diensten in aanmerking genomen naar rata van 1/60 per jaar dienst » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2969/001, pp. 18-19). Ten aanzien van het belang B.3.
- De verzoekende partijen zijn werkend assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank. Zij doen gelden dat zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door artikel 11, 1°, van de wet van 11 juli 2018, in die zin geïnterpreteerd dat het hun, in tegenstelling tot wat het geval is voor de andere vastbenoemde statutaire ambtenaren, niet de mogelijkheid biedt de andere sociale prestaties te genieten dan die welke bij de bestreden bepaling worden vermeld, te weten die betreffende het recht op het pensioen. Bovendien wordt, voor de berekening van het rustpensioen van de overheidssector, bij de bestreden bepaling voorzien in een minder voordelig tantième dan dat welk de vastbenoemde beroepsmagistraten genieten, hetgeen, volgens hen, ook hun belang om in rechte te treden zou verantwoorden. B.3.
- Volgens de Ministerraad stellen de verzoekende partijen ten onrechte dat zij niet alle sociale prestaties genieten die de statutaire ambtenaren genieten. Het nadeel dat zij aanvoeren zou zuiver hypothetisch zijn, aangezien zij niet betwisten dat zij thans al die prestaties genieten. Met betrekking tot het preferentiële tantième dat op hen wordt toegepast, ziet de Ministerraad niet in welk nadeel de verzoekende partijen zouden lijden, terwijl er nooit sprake van is geweest op hen een ander tantième toe te passen dan dat welk standaard in het openbaar ambt wordt toegekend. Het beroep zou dus niet ontvankelijk zijn. 7 B.3.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.
- Voor de beoordeling van het belang moet een onderscheid worden gemaakt tussen de eerste en de tweede zin van artikel 196ter, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de bestreden bepaling. De eerste zin stelt de benoeming tot werkend assessor in de strafuitvoeringsrechtbank gelijk met een vaste benoeming voor de opening van het recht op en de berekening van het pensioen. De elementen die de verzoekende partijen aanvoeren, zijn niet van dien aard dat zij doen blijken van een voldoende belang bij de vernietiging van die bepaling. Zij betwisten immers niet hetgeen uit hun weddefiches blijkt, namelijk dat zij thans, om de in B.2.2 vermelde redenen, dezelfde sociale prestaties genieten als de statutaire ambtenaren, naast die welke specifiek in de bestreden bepaling zijn opgenomen. Voor het overige is het in de hoedanigheid van « statutair ambtenaar » dat zij van de FOD Beleid en Ondersteuning (Bosa) hun weddefiche ontvangen, waarop een percentage persoonlijke bijdrage aan de sociale zekerheid van 11,05 % wordt vermeld, wat gelijk is aan het bedrag dat op de wedde van de statutaire ambtenaren wordt ingehouden. De loutere « vrees », die door de verzoekende partijen wordt aangevoerd, dat de bestreden bepaling het voorwerp zou uitmaken van een andere interpretatie en het verzoek dat zij aan het Hof richten om « over te gaan tot een verzoenende interpretatie van de tekst » die hun de mogelijkheid zou bieden « zich te beschermen tegen elk initiatief dat ertoe strekt hen niet gelijk te stellen voor de andere socialezekerheidsregelingen », betreffen een hypothetisch belang. De verzoekende partijen doen bijgevolg niet blijken van het vereiste belang bij de vernietiging van artikel 196ter, § 2, derde lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de bestreden bepaling. 8 B.3.
- De tweede zin van artikel 196ter, § 2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de bestreden bepaling, bepaalt dat voor de berekening van het rustpensioen de als werkend assessor gepresteerde diensten in aanmerking worden genomen « naar rata van 1/60 per jaar dienst ». Die regeling komt overeen met die welke standaard in het openbaar ambt wordt toegepast, zoals bepaald in artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844 « op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen » en in de erbij gevoegde tabel, zodanig dat het tantième 1/60ste per jaar dienst waarin is voorzien bij de bestreden bepaling hetzelfde is als het tantième dat wordt toegepast op de vastbenoemde statutaire ambtenaren. De verzoekende partijen betwisten evenwel dat zij niet het aan de beroepsmagistraten toegekende preferentiële tantième (1/48ste) kunnen genieten. De verzoekers kunnen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door een bepaling die andere categorieën van overheidspersoneel een gunstiger pensioenregeling toekent. Het is niet vereist dat een eventuele vernietiging hun een onmiddellijk voordeel oplevert. De omstandigheid dat de verzoekers, als gevolg van de vernietiging van de bestreden bepaling, een kans zouden krijgen dat hun situatie in een gunstigere zin wordt geregeld, volstaat om hun belang bij het bestrijden van die bepaling te verantwoorden. Daarbij is, zoals de Ministerraad aanvoert, het feit dat zij in het verleden nooit de afwijkende preferentiële voorwaarden hebben kunnen genieten niet relevant. De verzoekende partijen doen blijken van het vereiste belang bij de vernietiging van artikel 196ter, § 2, derde lid, tweede zin, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de bestreden bepaling. Ten gronde B.
- Het eerste middel is gericht tegen artikel 196ter, § 2, derde lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de bestreden bepaling. Aangezien het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het die bepaling betreft, dient het eerste middel niet te worden onderzocht. 9 B.
- Het tweede middel is gericht tegen artikel 196ter, § 2, derde lid, tweede zin, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de bestreden bepaling. De verzoekende partijen doen gelden dat zij worden gediscrimineerd, in zoverre voor de berekening van hun pensioen bij de bestreden bepaling wordt voorzien in de toepassing van tantièmes die minder aantrekkelijk zijn (1/60ste) dan die welke de beroepsmagistraten genieten (1/48ste). B.
- Het pensioen van het overheidspersoneel, met inbegrip van dat van de magistraten, wordt berekend overeenkomstig de volgende formule : tantième x referentiewedde x aantal aanneembare dienstjaren. De wet van 28 december 2011 « houdende diverse bepalingen inzake justitie (I) » heeft voor magistraten die op 1 januari 2012 de leeftijd van 55 jaar nog niet hadden bereikt, het emeritaat, zoals bedoeld in artikel 391 van het Gerechtelijk Wetboek, afgeschaft. Het op die magistraten van toepassing zijnde pensioenstelsel werd in ruime mate geharmoniseerd met dat van het overheidspersoneel, waarin door titel 8 (« Pensioenen ») van de wet van 28 december 2011 « houdende diverse bepalingen » eveneens belangrijke wijzigingen werden aangebracht. Hoewel het nadeliger is dan de vroegere toepasselijke preferentiële tantièmes van 1/30 en 1/35, is het tantième van 1/48 nog steeds gunstiger dan datgene dat van toepassing is op het overheidspersoneel. De werkende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank hebben, zoals blijkt uit de in B.2.2 vermelde parlementaire voorbereiding, voor de prestaties verricht in het kader van dat ambt nooit een rustpensioen genoten. De bestreden bepaling heeft daarin verandering gebracht. Zoals in B.3.5 is vermeld, is het tantième van 1/60 per jaar dienst waarin is voorzien bij de bestreden bepaling hetzelfde als het tantième dat in de regel wordt toegepast op het overheidspersoneel. 10 B.
- Het voormelde verschil in behandeling tussen de beroepsmagistraten die het preferentiële tantième genieten en de werkende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank kan objectief en redelijk worden verantwoord door de respectieve wijzen van benoeming in die ambten. De toegang tot het ambt van beroepsmagistraat (artikel 190 van het Gerechtelijk Wetboek) is aan aanzienlijk strengere voorwaarden onderworpen dan het ambt van werkend assessor in strafuitvoeringszaken (artikel 196ter, § 1, van hetzelfde Wetboek). De wetgever mocht er redelijkerwijze van uitgaan dat, door die strengere toegangsvereisten, de beroepsmagistraat in veel gevallen later aan zijn loopbaan begint. Nu de bestreden bepaling aan de werkende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank een rustpensioen verleent dat zij voorheen niet genoten, brengt zij ten slotte geen onevenredige gevolgen met zich mee. B.
- Het middel is niet gegrond. 11 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 oktober
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.139 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div