← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.140

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.140 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201022.3 Arrest- Rolnummer: 140/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-23 Raadplegingen: 469 - laatst gezien 2026-06-20 06:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 88, § 1, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 88, §§ 1 en 2, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen », gesteld door de Franstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel. Verzekeringsrecht - Vordering tot nietigverklaring van een levensverzekeringsovereenkomst type tak 23 - Verjaringstermijn. Tekst van de beslissing Rolnummer 7145 Arrest nr. 140/2020 van 22 oktober 2020 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 88, §§ 1 en 2, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen », gesteld door de Franstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter F. Daoût, emeritus voorzitter A. Alen, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, en de rechters T. Merckx-Van Goey, R. Leysen, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 28 februari 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 maart 2019, heeft de Franstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

  1. « Schendt artikel 88, §§ 1 en 2, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het in veel kortere termijnen voorziet dan de termijnen voor vordering tot nietigverklaring wegens ongeldigheid van de overeenkomst, met name wegens wilsgebreken, die in het gemeen recht in artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek zijn bedoeld, of voor persoonlijke rechtsvordering (cf. artikel 2262bis, § 1, eerste lid) of buitencontractuele aansprakelijkheid ? »;
  2. « Schendt artikel 88, §§ 1 en 2, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, meer in het bijzonder, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het in veel kortere termijnen voorziet dan de termijnen voor vordering tot nietigverklaring wegens ongeldigheid van de overeenkomst, met name wegens wilsgebreken, die in het gemeen recht in artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek zijn bedoeld, of voor persoonlijke rechtsvordering (cf. artikel 2262bis, § 1, eerste lid) of buitencontractuele aansprakelijkheid, waardoor een onverantwoorde discriminatie in het leven wordt geroepen tussen personen die in een levensverzekeringsproduct in tak 23 hebben belegd en een persoon die heeft belegd in een financieel instrument of beleggingsproduct dat verbonden is of verband houdt met een onderliggend fonds van dat instrument of product ? ». Memories zijn ingediend door : - Monique Carelsberg, Jacqueline Dassy, Patrick Vandecandelaere en Vinciane Denis, Lambert Martin en Elisabeth Surny, Raymond Miserez, Carole F. Cooper en Liane Ranieri, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-F. Romain, advocaat bij de balie te Brussel; - de vennootschap naar Iers recht « Hansard Europe Designated Activity Company », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Feron, Mr. A. Fink en Mr. F. Tulkens, advocaten bij de balie te Brussel; - de beroepsvereniging van verzekeringsondernemingen « Assuralia », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Huyghe, advocaat bij de balie te Brussel, en Mr. O. Van den broeke, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Schuermans, advocaat bij de balie van Antwerpen. Memories van antwoord zijn ingediend door : - Monique Carelsberg en anderen; - de vennootschap naar Iers recht « Hansard Europe Designated Activity Company »; - de beroepsvereniging van verzekeringsondernemingen « Assuralia ». 3 Bij beschikking van 15 juli 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, dat, in geval van een dergelijk verzoek, de zaak zal worden behandeld op de terechtzitting van 22 september 2020, op het tijdstip dat later door de voorzitter zal worden bepaald, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 september 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft de voorzitter bij beschikking van 31 augustus 2020 het tijdstip van de terechtzitting bepaald op 17.00 uur. Op de openbare terechtzitting van 22 september 2020 : - zijn verschenen : . Mr. J.-F. Romain, voor Monique Carelsberg en anderen; . Mr. B. Feron en Mr. A. Fink, tevens loco Mr. F. Tulkens, voor de vennootschap naar Iers recht « Hansard Europe Designated Activity Company »; . Mr. A. Huyghe en Mr. O. Van den broeke, voor de beroepsvereniging van verzekeringsondernemingen « Assuralia »; . Mr. L. Schuermans en Mr. M. Van Dongen, advocaat bij de balie van Antwerpen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil heeft betrekking op meerdere verzekeringspolissen die in de jaren 2000 door particulieren werden afgesloten bij de vennootschap naar Iers recht « Hansard Europe Designated Company ». De in het kader van die polissen gestorte premies werden in verschillende beleggingsfondsen geïnvesteerd. Die fondsen werden in 2009 en 2011 stopgezet. Voor de verwijzende rechter vorderen de verzekerden de nietigverklaring van die polissen en stellen zij dat de verzekeringsmaatschappij precontractueel of minstens contractueel aansprakelijk is. 4 De verzekeringsmaatschappij, verwerende partij voor de verwijzende rechter, doet gelden dat de vordering, die op 29 oktober 2015 werd ingesteld bij een gezamenlijk verzoekschrift tot vrijwillige verschijning, verjaard is. Volgens artikel 88, § 1, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen », verjaren vorderingen voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst na een periode van drie jaar, die begint te lopen vanaf de dag van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan of vanaf de dag waarop de benadeelde van dat voorval kennis heeft gekregen, en in elk geval zonder dat een periode van vijf jaar vanaf dat voorval mag worden overschreden, behoudens bedrog. Aangezien de verweten tekortkomingen hun oorzaak vinden in een gebrek aan informatie of advies voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd en de laatste van die overeenkomsten op 6 september 2008 werd gesloten, zouden de vorderingen verjaard zijn sedert uiterlijk 6 september
  3. Volgens de verwijzende rechter is de verjaringstermijn van drie jaar zoals bepaald in artikel 88, § 1, van de voormelde wet van 4 april 2014 van toepassing. Op suggestie van de eisende partijen stelt hij aan het Hof de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.1.
  4. De eisende partijen voor de verwijzende rechter voeren aan dat de in het geding zijnde bepaling de personen die hebben belegd in tak 23-levensverzekeringsproducten - die verbonden zijn aan beleggingsfondsen -, en die onderworpen zijn aan een verkorte verjaringstermijn, discrimineert ten opzichte van de personen die hebben belegd in financiële instrumenten of spaarproducten - die ook verbonden zijn aan beleggingsfondsen -, en die onderworpen zijn aan de gemeenrechtelijke verjaringsregeling. Volgens die partijen moeten de voormelde categorieën op dezelfde manier worden behandeld omdat hun situaties vergelijkbaar zijn, zowel uit economisch als uit juridisch oogpunt, onder meer wat het gelopen risico betreft. Dat heeft overigens verantwoord dat de regelingen voor de financiële producten en de verzekeringsproducten op elkaar werden afgestemd in het kader van het proces van « mifidisering » van het verzekeringsrecht, in het Europese recht. Het feit dat de verzekeringsproducten aan een specifieke fiscale behandeling zijn onderworpen, doet niets af aan die vaststelling. A.1.
  5. De eisende partijen voor de verwijzende rechter zetten uiteen dat het verschil in behandeling niet redelijk verantwoord is. Zij verwijzen in dat verband naar de verjaringsregelingen die inzake verzekeringen gelden in verschillende andere Staten. Die regelingen vallen meestal onder het gemeen recht en zijn a priori gunstiger voor de verzekerden. Daarnaast zijn de redenen die worden aangevoerd ter verantwoording van de korte verjaringstermijn inzake verzekeringen, niet bewezen. De verantwoording met betrekking tot het risico van verlies van de bewijzen geldt immers alleen voor de vordering die betrekking heeft op de verzekeringsprestatie, in het kader van een verzekering die verbonden is aan een schadegeval, en niet voor een tak 23-levensverzekering. Bovendien levert die verzekering voor de verzekeraar geen enkel probleem op inzake risicobeheer of reserve, omdat de verzekerde het risico draagt. Het enige risico dat de verzekeraar moet beheersen, is verbonden aan het overlijden en/of het leven van de verzekerde, dat zich normaliter op lange termijn voordoet en dus normale termijnen veronderstelt. Complexe of langdurige verzekeringsproducten moeten dus worden onderworpen aan de gemeenrechtelijke verjaringsregeling, zoals wordt bevestigd door de termijn van 30 jaar die in de levensverzekering van toepassing is op de reserve. 5 De eisende partijen voor de verwijzende rechter voeren aan dat de in het geding zijnde bepaling op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van de verzekerden, waardoor zij voor hen een ernstige rechtsonzekerheid doet ontstaan. Het vaste aanvangspunt van de in het verzekeringsrecht toepasselijke verjaringstermijnen, zoals het betrokken voorval, veroorzaakt overigens een nieuwe discriminatie ten opzichte van het gemeen recht waarin, bijvoorbeeld, de termijn begint te lopen vanaf de dag waarop de dwaling of het bedrog is ontdekt (artikel 1304, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Zij verwijzen naar de rechtspraak van het Hof inzake bevrijdende verjaring, meer bepaald naar het arrest nr. 164/2014 van 6 november
  6. Volgens hen verhindert de in het geding zijnde bepaling een beslissing ten gronde over hun geschil, waardoor hun een beroep wordt ontnomen dat in principe beschikbaar moet zijn, in een context waarin de verzekeraar een exceptie opwerpt die afhangt van omstandigheden waarop zij geen grip hebben, te weten de situatie van de in het geding zijnde beleggingsfondsen. A.1.
  7. In ondergeschikte orde verzoeken zij het Hof de in het geding zijnde bepaling te interpreteren in die zin dat zij niet van toepassing is op de levensverzekeringsproducten van tak 23 of
  8. A.
  9. De verwerende partij voor de verwijzende rechter antwoordt dat een levensverzekeringsproduct geen financieel product is. Zij verwijst in dat verband naar verschillende arresten in die zin van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie onder meer HvJ, 1 maart 2012, C-166/11, Alonso) en naar verschillende vonnissen van Belgisch recht. Zo zijn verzekeringsproducten die verbonden zijn aan financiële instrumenten verzekeringen met een beleggingscomponent, maar geen financiële instrumenten die worden geregeld door de richtlijn 2014/65/EU van het Parlement en de Raad van 15 mei 2014 « betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (herschikking) » (« MiFID II » genoemd). Bovendien onderscheidt een levensverzekeringsovereenkomst zich van de andere financiële producten door de mogelijkheid voor de verzekerde om een andere begunstigde dan zichzelf aan te wijzen, door de mogelijkheid voor de verzekeringnemer om een gedeelte van de premie af te trekken, wat de tak 23-levensverzekeringen betreft, alsook door het bestaan van een toevalsgebonden feit, dat verbonden is aan het leven van de verzekerde. Het verschil in behandeling is dus redelijk verantwoord. A.3.
  10. De Ministerraad voert aan dat de tak 23-levensverzekeringsovereenkomsten een reserve bevatten, in tegenstelling tot hetgeen de verwijzende rechter beweert. Het zijn levensverzekeringsovereenkomsten in de zin van artikel 160 van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen » (hierna : de wet van 4 april 2014). De aan beleggingsfondsen verbonden levensverzekeringen die in België in tak 23 worden gecommercialiseerd, zijn uitsluitend spaarovereenkomsten. Het spaartegoed is op elk tijdstip gelijk aan de waarde van de eenheden van beleggingsfondsen waarop de verzekeringnemer heeft ingeschreven. De Ministerraad doet gelden dat de tak 23-levensverzekeringsproducten geen financiële instrumenten zijn, noch beleggingsproducten die verbonden zijn aan of verband houden met een onderliggend fonds van dat instrument of product. De verschillen tussen levensverzekeringsovereenkomsten en financiële instrumenten zijn aanzienlijk. Naast de eerder aangehaalde punten biedt een levensverzekering, ten eerste, een dekking tegen het risico dat de verzekerde overlijdt en/of de kans dat hij overleeft, in tegenstelling tot financiële instrumenten. Ten tweede zijn de partijen van een levensverzekeringpolis aan specifieke rechten en plichten onderworpen (zie titel IV, hoofdstuk 2, van de wet van 4 april 2014). Ten derde impliceert de betaling van een verzekeringspremie een eigendomsoverdracht tussen de verzekeringnemer en de verzekeraar, terwijl, bij een effectenrekening, de bank enkel de depositaris van de effecten is. Voor het overige verwijst de Ministerraad naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 25 juni 1992 « op de landverzekeringsovereenkomst », alsook naar de arresten van het Hof nr. 61/2005 van 23 maart 2005 en nr. 39/2012 van 8 maart
  11. De Ministerraad besluit eruit dat het in de tweede prejudiciële vraag opgeworpen verschil in behandeling verantwoord is. De termijn van drie jaar verlengen tot tien jaar voor de vorderingen tot nietigverklaring, zou niet alleen nadelig zijn voor de verzekeraars, maar ook voor de andere partijen. A.3.
  12. Voor het overige oordeelt de Ministerraad dat, in zoverre zij betrekking hebben op artikel 88, § 2, van de wet van 4 april 2014, de prejudiciële vragen feitelijke en juridische grondslag missen, aangezien de tak 23-verzekeringen geen aansprakelijkheidsverzekeringen zijn waarbij aan de benadeelde een eigen recht wordt toegekend, tegen de verzekeraar. A.
  13. De tussenkomende partij zet uiteen dat de twee categorieën die in de tweede prejudiciële vraag worden vergeleken, fundamenteel verschillen. 6 Tak 23-levensverzekeringen zijn levensverzekeringen die gekoppeld zijn aan investerings- of beleggingsfondsen. Zij voldoen aan de criteria van de definitie van een verzekeringsovereenkomst (betaling van een premie, verplichting voor de verzekeraar om een prestatie te leveren, met name bij overlijden van de verzekerde of bij overleven op een bepaalde leeftijd, enz.). Na aftrek van de kosten verbonden aan de belastingen en de eventuele overlijdensdekking, worden de premies beheerd in een intern of extern fonds van de verzekeraar en worden zij geïnvesteerd of belegd in aandelen, obligaties of vastgoedbeleggingsfondsen. Te dezen bestaat de levensverzekeringsprestatie in de uitkering van een vast bedrag, waarbij het verzekerde bedrag bij een tak 23-levensverzekering de waarde is van de eenheden in het beleggingsfonds waarin de premies werden belegd. Naast de reeds vermelde verschillen, onderscheiden de twee producten zich in verschillende opzichten en meer bepaald wat betreft de gevolgen van het overlijden van de titularis voor de overeenkomst, de zakelijke of persoonlijke aard van het recht van de titularis ten aanzien van de belegging, of nog de overdraagbaarheid van de rechten. Tak 23-levensverzekeringen zijn overigens onderworpen aan de richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 « betreffende verzekeringsdistributie (herschikking) », en niet aan de MiFID II-richtlijn. Ten slotte zijn de hiervoor weergegeven verjaringsmechanismen voor verzekeringen ook van toepassing op de tak 23-levensverzekeringen. Het verschil in behandeling is dus redelijk verantwoord en brengt geen onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen met zich mee. A.
  14. De eisende partijen voor de verwijzende rechter antwoorden dat tak 23-levensverzekeringsproducten en financiële en bancaire producten dezelfde risico’s inhouden en aanleiding geven tot dezelfde problemen, namelijk de aansprakelijkheid van diegenen die in de sector werkzaam zijn en de totstandkoming van de overeenkomst. Tak 23-levensverzekeringen zijn ongetwijfeld beleggingsproducten, zoals de wetgever aangaf in 2013 en
  15. Het argument dat verzekeringen met een beleggingscomponent niet worden geregeld door de MiFID II-richtlijn, is niet relevant omdat het onderscheid tussen financieel recht en verzekeringsrecht wordt overstegen door het gemeenschappelijk begrip « beleggingsproduct ». Het argument dat is afgeleid uit de specificiteit van de fiscale regeling is ten slotte niet relevant, aangezien het enkel van toepassing is op tak 23, en niet op de andere verzekeringen. De eisende partijen voor de verwijzende rechter voegen eraan toe dat de wetgever nooit enige verantwoording heeft gegeven voor een afwijking van de normale verjaringstermijnen voor langdurige verzekeringsverrichtingen, en dat het absurd zou zijn dat de tussenpersonen bij het sluiten van verzekeringsovereenkomsten onderworpen zijn aan de gemeenrechtelijke verjaringsregels en de verzekeraars dat niet zijn. Het is overigens duidelijk dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met de hypothese van een gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsvordering tegen de verzekeraar toen hij, voor het verzekeringsrecht, het betrokken voorval als aanvangspunt van de verjaringstermijn vastlegde. De eisende partijen voor de verwijzende rechter besluiten eruit dat hetgeen tot het gemeen recht behoort eraan moet worden onderworpen, zijnde het geheel van de regels betreffende de totstandkoming van de overeenkomst en de aansprakelijkheid, met inbegrip van de in die materies geldende verjaringsregels, onverminderd de mogelijkheid, voor de verzekeraars, om zich ten gronde te verdedigen. A.
  16. De verwerende partij voor de verwijzende rechter repliceert dat een levensverzekeringsovereenkomst aanzienlijk verschilt van een financieel product. In ondergeschikte orde verzoekt zij het Hof, in geval van een vaststelling van ongrondwettigheid, de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te handhaven voor de vorderingen die verjaard zijn op de dag van bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad. A.
  17. De tussenkomende partij doet gelden dat het doel van de belegging en de risico’s niet identiek zijn voor beide soorten producten. Bovendien draagt de verzekeraar wel degelijk een risico in het geval van een tak 23-levensverzekering, gezien de prudentiële verplichtingen waaraan hij is onderworpen en de daaruit voortvloeiende risico’s, waaronder de verplichting om onderliggende activa aan te houden in afzonderlijk beheer, technische voorzieningen aan te houden en te voldoen aan kapitaalvereisten. Tak 23-levensverzekeringen brengen bijkomende verplichtingen met zich mee die nauw verband houden met het risicobeheer van de verzekeraar (zie meer bepaald artikel 192, tweede en derde lid, van de wet van 13 maart 2016 « op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen »). 7 De twee soorten producten zijn onderworpen aan wetgevingen die wezenlijk verschillen. Enerzijds impliceert de « mifidisering » van het verzekeringsrecht geen volledige gelijkschakeling van de regelingen. Anderzijds zijn de specifieke beschermingsmechanismen die gelden in het verzekeringsrecht volledig van toepassing op de tak 23-levensverzekeringen. Hoewel er een zekere gelijkschakeling is doorgevoerd op regulerend vlak, wat betreft de informatie- en gedragsregels voor distributeurs, gelet op bepaalde economische gelijkenissen tussen beide producten, blijven bovendien tussen beide producten op civielrechtelijk vlak fundamentele verschillen bestaan. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.
  18. De eisende partijen voor de verwijzende rechter zijn van mening dat de eerste prejudiciële vraag ook bevestigend moet worden beantwoord, rekening houdend met het ontoereikende karakter van een korte verjaring voor langdurige verrichtingen. Niettemin is een verzoenende interpretatie mogelijk. Zij zou erin bestaan te verklaren dat de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst alsook de vordering op grond van een precontractuele aansprakelijkheid geen vorderingen zijn die voortvloeien uit een verzekeringsovereenkomst omdat zij betrekking hebben op een situatie die aan de overeenkomst voorafgaat, zodat zij niet aan de in het geding zijnde bepaling onderworpen zijn. A.
  19. De verwerende partij voor de verwijzende rechter antwoordt dat de rechtspraak van het Hof in die zin vaststaat dat de wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt om de regels inzake verjaring te bepalen, en dat te dezen de verjaringstermijn redelijk verantwoord is en de rechten van de verzekerden niet op onevenredige wijze beperkt. Enerzijds kan de driejarige verjaring worden verantwoord door de noodzaak om een verlies van de bewijzen te voorkomen en de goede werking van de verzekeringsmaatschappijen te waarborgen. Aangezien een vernietiging van de verzekeringsovereenkomst impliceert dat de verzekeraar de door de verzekerde gestorte premies moet terugbetalen, dient de vordering tot nietigverklaring aan een korte verjaringstermijn te worden onderworpen, teneinde voldoende rechtszekerheid te garanderen. Anderzijds voorziet het verzekeringsrecht inzake verjaring in een groot aantal regels ter bescherming van de verzekerden : het dwingende karakter van de verjaringstermijn; regels die voor de verzekerde gunstig zijn wat het aanvangspunt van de termijn betreft die, bijvoorbeeld, indien de benadeelde pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan, pas vanaf dat tijdstip begint te lopen, zonder een termijn van vijf jaar vanaf het voorval te mogen overschrijden, behoudens bedrog; de termijn van dertig jaar die van toepassing is op de rechtsvordering aangaande de reserve inzake een levensverzekering; het bestaan van gronden voor schorsing en stuiting van de verjaring die bijkomend zijn ten opzichte van het gemeen recht. A.10.
  20. De tussenkomende partij voert vooraf aan dat de eerste prejudiciële vraag niet ontvankelijk is omdat zij de te vergelijken categorieën van personen niet duidelijk identificeert. A.10.
  21. Ten gronde doet zij gelden dat de gemeenrechtelijke verjaringstermijn inzake contractuele vorderingen een regel van residuaire aard is, eerder dan de wettelijke uitdrukking van hetgeen het algemeen belang in de meeste gevallen vereist, en dat het bepalen van een bijzondere verjaringstermijn tot de beoordelingsvrijheid van de wetgever behoort. Volgens haar is het volkomen gerechtvaardigd dat in het verzekeringsrecht in bijzondere verjaringstermijnen wordt voorzien, gelet op de diverse soorten overeenkomsten in die sector. De korte termijn beoogt onder meer een evenwichtig financieel en technisch beheer van de verzekeringsactiviteit. Verzekeraars moeten technische voorzieningen vastleggen, gelet op hun verplichtingen jegens verzekeringnemers, verzekerden en begunstigden. De activa die tegenover die voorzieningen staan, moeten worden aangehouden overeenkomstig het voorzichtigheidsbeginsel. De in de eerste prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen zijn dus niet vergelijkbaar. De tussenkomende partij voert aan dat het verschil in behandeling in elk geval redelijk verantwoord is. De artikelen 88 en 89 van de wet van 4 april 2014 doen geenszins afbreuk aan de rechten van de betrokken personen, maar onderwerpen ze aan een analoog regime dat zelfs gunstiger is dan het gemeenrechtelijke regime, op diverse reeds aangehaalde punten. 8 A.
  22. De verwerende partij voor de verwijzende rechter antwoordt dat de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling vaststaat en dat er geen reden is om ervan af te wijken. Vervolgens belet de driejarige termijn de verzekerden niet om in rechte te treden en is hij niet buitengewoon kort. Te dezen is hij beginnen te lopen vanaf het tijdstip waarop de verzekerden kennis hebben gekregen van hun schade (namelijk op het ogenblik dat werd meegedeeld dat de beleggingsfondsen werden opgeschort), zodat hun vordering op dat ogenblik nog niet verjaard was. De verwerende partij voor de verwijzende rechter onderstreept dat de driejarige verjaring zowel voor vorderingen van verzekerden als voor vorderingen van verzekeraars geldt. Wanneer een bijzondere regeling verschilt van het gemeen recht, zal volgens het Hof de vergelijking ervan met het gemeen recht zowel voor- als nadelen aan het licht brengen, naar gelang van het ingenomen standpunt. Waar het om gaat, is dat wordt nagegaan of de bijzondere regeling in haar geheel coherent is, wat te dezen het geval is. A.
  23. De tussenkomende partij doet gelden dat uit de parlementaire voorbereiding van de wijziging van artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek alsook van artikel 2262bis niet kan worden afgeleid dat een termijn van tien jaar in alle omstandigheden geschikt zou zijn. De vergelijking met het recht dat van toepassing is in andere landen is niet relevant, gelet op de respectieve specificiteiten ervan. Voor het overige zijn de termijnen die er gelden niet fundamenteel verschillend. Bovendien is het verzekeringsrecht op meerdere punten voordeliger dan het gemeen recht. -B- B.
  24. Artikel 88, §§ 1 en 2, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen » (hierna : de wet van 4 april 2014) bepaalt : « §
  25. De verjaringstermijn voor elke rechtsvordering voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst bedraagt drie jaar. In de levensverzekering bedraagt de termijn dertig jaar voor wat betreft de rechtsvordering aangaande de reserve die op de datum van opzegging of op de einddatum gevormd is door de betaalde premies, onder aftrek van de verbruikte sommen. De termijn begint te lopen vanaf de dag van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan. Wanneer degene aan wie de rechtsvordering toekomt, bewijst dat hij pas op een later tijdstip van het voorval kennis heeft gekregen, begint de termijn te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval vijf jaar na het voorval, behoudens bedrog. In de aansprakelijkheidsverzekering begint de termijn, wat de regresvordering van de verzekerde tegen de verzekeraar betreft, te lopen vanaf het instellen van de rechtsvordering door de benadeelde, onverschillig of het gaat om een oorspronkelijke eis tot schadeloosstelling dan wel om een latere eis naar aanleiding van een verzwaring van de schade of van het ontslaan van een nieuwe schade. In de persoonsverzekering begint de termijn, wat de rechtsvordering van de begunstigde betreft, te lopen vanaf de dag waarop deze tegelijk kennis heeft van het bestaan van de overeenkomst, van zijn hoedanigheid van begunstigde en van het voorval dat de verzekeringsprestaties opeisbaar doet worden. 9 §
  26. Onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 150 door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd ». B.
  27. Zoals de Ministerraad opmerkt, is artikel 88, § 2, van de wet van 4 april 2014 te dezen niet van toepassing, aangezien het voor de verwijzende rechter hangende geschil geen betrekking heeft op aansprakelijkheidsverzekeringsovereenkomsten. In zoverre zij betrekking hebben op die bepaling, behoeven de prejudiciële vragen geen antwoord. B.3.
  28. De verwijzende rechter verzoekt het Hof de verjaringsregeling die van toepassing is in het verzekeringsrecht te vergelijken met de gemeenrechtelijke verjaringsregeling in het algemeen, in de eerste prejudiciële vraag, en in zoverre zij van toepassing zou zijn op de vorderingen aangaande overeenkomsten die betrekking hebben op bepaalde andere financiële producten, in de tweede vraag. Uit de omstandigheden van de zaak, zoals zij in het verwijzingsvonnis zijn uiteengezet, blijkt dat het Hof meer bepaald wordt verzocht om, enerzijds, de situatie van de personen die in een tak 23-levensverzekeringsproduct hebben belegd te vergelijken en, anderzijds, die van de personen die overeenkomsten hebben gesloten met betrekking tot die andere financiële producten. Het Hof onderzoekt de twee prejudiciële vragen dus samen, in die zin. B.3.
  29. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 88, § 1, van de wet van 4 april 2014, in zoverre het, inzake verzekeringen, in veel kortere verjaringstermijnen voorziet dan de termijnen die in het gemeen recht van toepassing zijn op de vorderingen tot nietigverklaring van een overeenkomst, met name wegens wilsgebreken, op de persoonlijke rechtsvorderingen of op die welke gegrond zijn op een buitencontractuele aansprakelijkheid, waardoor een discriminatie zou ontstaan tussen, enerzijds, personen die in een tak 23-levensverzekeringsproduct hebben belegd en, anderzijds, personen die hebben belegd in een financieel instrument of beleggingsproduct dat verbonden is of verband houdt met een onderliggend fonds van dat instrument of product. 10 Terwijl de eerste categorie van personen onderworpen is aan een verjaringstermijn van drie jaar vanaf de dag van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan of, in voorkomend geval, vanaf de dag waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van dat voorval, zonder dat een termijn van vijf jaar na het voorval mag worden overschreden, behoudens bedrog, is de tweede categorie van personen onderworpen aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen zoals bepaald in de artikelen 1304 en 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt in het eerste lid dat, « in alle gevallen waarin de rechtsvordering tot nietigverklaring of tot vernietiging van een overeenkomst niet door een bijzondere wet tot een kortere tijd is beperkt, […] deze rechtsvordering tien jaren [duurt] », en in het tweede lid dat « in geval van geweld […] deze tijd eerst [begint] te lopen van de dag waarop dit heeft opgehouden en, in geval van dwaling of van bedrog, van de dag waarop deze zijn ontdekt ». Uit artikel 2262bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, volgt overigens dat een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering onderworpen is aan een termijn van vijf jaar vanaf de dag waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, zonder dat een termijn van twintig jaar mag worden overschreden te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan (tweede en derde lid), en dat een contractuele aansprakelijkheidsvordering onderworpen is aan een termijn van tien jaar, in principe te rekenen vanaf de dag waarop de verplichting opeisbaar wordt. B.
  30. In de interpretatie van de verwijzende rechter zijn de vorderingen die bij hem aanhangig zijn gemaakt, namelijk vorderingen tot relatieve nietigverklaring van verzekeringsovereenkomsten en vorderingen op grond van een buitencontractuele en contractuele aansprakelijkheid van de verzekeraar, « rechtsvorderingen voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst », in de zin van artikel 88, § 1, eerste lid, van de wet van 4 april 2014, zodat zij onderworpen zijn aan de verjaringsregeling waarin die bepaling voorziet. Die interpretatie is niet kennelijk onjuist. Het Hof antwoordt dus in de interpretatie van de verwijzende rechter. 11 B.
  31. Inzake verjaring is er een zodanige verscheidenheid aan situaties dat uniforme regels in het algemeen niet haalbaar zouden zijn en dat de wetgever moet kunnen beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer hij die aangelegenheid regelt. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende verjaringstermijnen in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die verjaringstermijnen, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.6.
  32. Het recht op toegang tot de rechter, zoals het onder meer is gewaarborgd door artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is niet absoluut en kan onderworpen worden aan beperkingen, onder meer wat de ontvankelijkheidsvoorwaarden van een beroep betreft, voor zover dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden indien de regeling ervan niet langer de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient, maar veeleer een soort barrière vormt die de rechtsonderhorige verhindert dat zijn geschil ten gronde door de bevoegde rechter wordt beoordeeld (EHRM, 27 juli 2007, Efstathiou e.a. t. Griekenland, § 24; 24 februari 2009, L’Erablière ASBL t. België, § 35). B.6.
  33. De aard van een verjaringstermijn of de manier waarop hij wordt toegepast, zijn in strijd met het recht op toegang tot de rechter indien zij de rechtsonderhorige verhinderen om een rechtsmiddel aan te wenden dat in beginsel beschikbaar is (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 89; 7 juli 2009, Stagno t. België, § 28), indien de haalbaarheid ervan afhankelijk is van omstandigheden buiten de wil van de verzoeker (EHRM, 22 juli 2010, Melis t. Griekenland, § 28) of indien zij als gevolg hebben dat elke vordering bij voorbaat tot mislukken is gedoemd (EHRM, 11 maart 2014, Howald Moor e.a. t. Zwitserland). B.
  34. Zoals de Ministerraad, de verwerende partij voor de verwijzende rechter en de tussenkomende partij onderstrepen, bevinden de in B.3.2 vermelde categorieën van personen zich in objectief verschillende omstandigheden, rekening houdend met de respectieve kenmerken van de producten waarin zij hebben belegd en met de aard van de overeenkomst die zij daartoe hebben gesloten, namelijk een verzekeringsovereenkomst of een andere overeenkomst. 12 Tak 23-levensverzekeringsovereenkomsten vertonen weliswaar, op economisch vlak, gelijkenissen met de overeenkomsten waarbij een particulier belegt in een financieel instrument of beleggingsproduct dat ook verbonden is aan of verband houdt met een onderliggend fonds van dat instrument of product in zoverre, enerzijds, zij beide verbonden zijn aan investerings- of beleggingsfondsen en, anderzijds, alleen de particulier het financiële risico draagt. Dat neemt niet weg dat zij de voornaamste kenmerken van een verzekeringsovereenkomst hebben, meer bepaald wat betreft de mogelijkheid, voor de verzekeringnemer, om een andere begunstigde dan zichzelf aan te wijzen, en het bestaan van een toevalsgebonden feit, dat te maken heeft met het leven van de verzekerde, en als zodanig onderworpen zijn aan de ter zake geldende regelgeving, naast een voordelige fiscale regeling. In tegenstelling tot hetgeen de eisende partijen voor de verwijzende rechter aanvoeren, impliceert het proces van « mifidisering » van het verzekeringsrecht, dat zich voltrekt onder het gezag van het recht van de Europese Unie, met de richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 « betreffende verzekeringsdistributie (herschikking) », waarvan de beginselen geïnspireerd zijn op de richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 « betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EU en Richtlijn 2011/61/EU (herschikking) » (MiFID II genoemd), niet dat de regelingen voor tak 23-levensverzekeringen en financiële instrumenten of beleggingsproducten die ook verbonden zijn aan of verband houden met een onderliggend fonds van dat instrument of product volledig zouden moeten worden gelijkgesteld, ook op het vlak van de verjaring. B.
  35. De invoering van een korte verjaringstermijn van drie jaar voor de rechtsvorderingen voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst is niet zonder redelijke verantwoording, gelet op de wil van de wetgever om het risico van verlies van de bewijzen in geval van een schadegeval te voorkomen, zoals wordt aangegeven in de parlementaire voorbereiding van de bepaling waarbij die termijn is ingevoerd (Parl. St., Kamer, 1869-1870, nr. 57, p. 28; Parl. St., Senaat, 1872-1873, nr. 43, p. 10), en op de noodzaak om een goede werking van de verzekeringsmaatschappijen te waarborgen. B.9.
  36. Er dient niettemin te worden nagegaan of de toepassing van die korte termijn geen onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen met zich meebrengt. 13 B.9.
  37. Enerzijds is een verjaringstermijn van drie jaar, te rekenen vanaf het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan of, in voorkomend geval, vanaf het tijdstip waarop de benadeelde van dat voorval kennis heeft gekregen, niet dermate kort dat hij de betrokken personen zou beletten om een rechtsvordering in te stellen, in geval van betwisting. Het feit dat, wanneer diegene aan wie de rechtsvordering toekomt pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan, de termijn pas vanaf dat tijdstip begint te lopen zonder dat hij echter in principe een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het voorval mag overschrijden, is niet zonder redelijke verantwoording, om dezelfde redenen als die welke in B.8 zijn vermeld. Er dient in dat verband te worden vastgesteld dat, in geval van bedrog, die absolute termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf het voorval niet van toepassing is, zodat het volstaat dat de vordering wordt ingesteld binnen een termijn van drie jaar vanaf het tijdstip waarop dat voorval is ontdekt. B.9.
  38. Anderzijds voorzien de artikelen 88 en 89 van de wet van 4 april 2014 in een aantal specifieke bepalingen, ten opzichte van het gemeen recht van de verjaring die ertoe strekken een evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de verschillende personen die bij een verzekeringsovereenkomst betrokken zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval voor het dwingende karakter van de verjaringstermijnen waarin werd voorzien, dat voortvloeit uit artikel 56 van de wet van 4 april 2014 en waardoor een voor de verzekerde nadelige inkorting van de wettelijke termijnen onmogelijk wordt, voor de specifieke gronden voor schorsing of stuiting van de verjaring (artikel 89 van de wet van 4 april 2014), of nog voor de termijn van dertig jaar, in de levensverzekering, die van toepassing is op de rechtsvordering aangaande de reserve die op de datum van opzegging of op de einddatum gevormd is door de betaalde premies, onder aftrek van de verbruikte sommen (artikel 88, § 1, eerste lid, tweede zin, van de wet van 4 april 2014). 14 B.9.
  39. Gelet op het voorgaande doet de in het geding zijnde bepaling niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken personen. In tegenstelling tot hetgeen de eisende partijen voor de verwijzende rechter beweren, zijn de aard van de in het geding zijnde verjaringstermijnen en de manier waarop zij worden toegepast niet zodanig dat zij de rechtsonderhorige verhinderen om een rechtsmiddel aan te wenden dat in principe beschikbaar is, dat de haalbaarheid van die termijnen afhankelijk is van omstandigheden buiten zijn wil, noch dat zij als gevolg hebben dat elke vordering bij voorbaat tot mislukken zou zijn gedoemd. B.
  40. De in het geding zijnde bepaling is niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 88, § 1, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 oktober
  41. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.140 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.016 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.