id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.143 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201029.2 Arrest- Rolnummer: 143/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-10-29 Raadplegingen: 397 - laatst gezien 2026-06-19 17:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 5 tot 8, 11 en 23 van de wet van 22 april 2019 « tot het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering », ingesteld door Frank Van Vlaenderen en anderen. Verzekeringsrecht - Rechtsbijstandsverzekeringsovereenkomst - Belastingvermindering - Voorwaarden. Tekst van de beslissing Rolnummer 7241 Arrest nr. 143/2020 van 29 oktober 2020 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 5 tot 8, 11 en 23 van de wet van 22 april 2019 « tot het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering », ingesteld door Frank Van Vlaenderen en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, de rechters J.-P. Moerman, P. Nihoul, J. Moerman en Y. Kherbache, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter A. Alen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 juli 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 augustus 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 5 tot 8, 11 en 23 van de wet van 22 april 2019 « tot het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 mei 2019) door Frank Van Vlaenderen, de bvba « Evocaten » en de bvba « Advocaten Van Vlaenderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Van Malleghem, advocaat bij de balie te Gent. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden Frank Van Vlaenderen en de bvba « Advocaten Van Vlaenderen » eveneens de schorsing van artikel 8, § 2, van dezelfde wet. Bij het arrest nr. 182/2019 van 14 november 2019, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 mei 2020, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. S. Wils, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 15 juli 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, dat, in geval van een dergelijk verzoek, de zaak zal worden behandeld op de terechtzitting van 24 september 2020, op het tijdstip dat later door de voorzitter zal worden bepaald, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 september 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft de voorzitter bij beschikking van 31 augustus 2020 het tijdstip van de terechtzitting van 24 september 2020 bepaald op 14.00 uur. Op de openbare terechtzitting van 24 september 2020 : - zijn verschenen : . Mr. J. Van Malleghem, voor de verzoekende partijen; . Mr. A. Wirtgen, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
- De eerste verzoekende partij zet uiteen dat zij het beroep van advocaat uitoefent, de tweede verzoekende partij dat zij een vennootschap is die onder meer tot doel heeft juridische en andere bijstand te verlenen aan personen bij het uitoefenen van hun rechten en de derde verzoekende partij dat zij een vennootschap is die het ondernemen als advocaat, hetzij alleen, hetzij met anderen, tot doel heeft. Zij zijn allen van oordeel dat zij belang hebben bij hun beroep tot vernietiging. A.1.
- Wat artikel 5 van de wet van 22 april 2019 « tot het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering » (hierna : de wet van 22 april 2019) betreft, menen de verzoekende partijen dat die bepaling het dienstenverkeer tussen bepaalde lidstaten van de Europese Unie promoot ten nadele van andere lidstaten. Zij zijn van oordeel dat zij, in hun hoedanigheden van advocaat en van juridische bijstand verlenende vennootschappen, door die bepaling worden geraakt in de uitoefening van hun recht op het vrij verrichten van diensten binnen de Europese Unie. Wat artikel 6 van de wet van 22 april 2019 betreft, zetten zij uiteen dat die bepaling toelaat dat de verzekeringspolis de waarborg inzake de kosten en de honoraria verbonden aan een gerechtelijke, administratieve en arbitrageprocedure beperkt. De eerste en de derde verzoekende partij menen dat zij worden geraakt door die bepaling vermits zij, wanneer de polis van hun cliënt in dergelijke beperkingen voorziet, gedwongen worden hun cliënt te adviseren om over te gaan tot een vrijwillige bemiddeling, die evenwel enkel mogelijk is met de medewerking van de tegenpartij. Met betrekking tot artikel 7 van de wet van 22 april 2019, zetten de verzoekende partijen uiteen dat die bepaling toelaat dat de waarborg van de verzekering, wat echtscheidingsgeschillen betreft, wordt beperkt tot de eerste echtscheiding. De eerste en de derde verzoekende partij menen dat zij door die bepaling worden geraakt omdat hun onder de rechtsbijstandsverzekering vallende bijstand wordt beperkt tot de gevallen waarin personen voor een eerste keer overgaan tot een echtscheiding, terwijl die beperking niet geldt bij het beëindigen van een wettelijke samenwoning. Wat artikel 8 van de wet van 22 april 2019 betreft, zetten de verzoekende partijen uiteen dat die bepaling erin voorziet dat de verzekeraar de waarborg voor de kosten en erelonen van de advocaten in beginsel ten laste neemt ten belope van de door de Koning vastgestelde bedragen en dat elke overschrijding van die bedragen, behoudens wanneer de verzekeraar beslist om die overschrijding ten laste te nemen, in beginsel ten laste valt van de cliënt. De eerste en de derde verzoekende partij zijn van oordeel dat zij belang hebben bij hun vordering tot vernietiging van die bepaling, vermits zij voorziet in een beperking van de door de verzekeraar ten laste te nemen kosten en erelonen van de advocaten. De eerste en de derde verzoekende partij zijn ten slotte van oordeel dat zij eveneens belang hebben bij hun beroep tot vernietiging van de artikelen 11 en 23 van de wet van 22 april 2019, vermits de advocaten worden gedwongen om op voorhand en zonder dat zij de evolutie van het geschil kunnen voorspellen, hun honorarium te bepalen overeenkomstig de door de Koning vastgestelde tarieven, wat een beperking met zich meebrengt van de kwaliteit van de dienstverlening. A.2.
- De Ministerraad voert aan dat het beroep tot vernietiging minstens gedeeltelijk niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang van de verzoekende partijen. Hij meent dat zij het niet aannemelijk maken dat zij door de bestreden bepalingen op een persoonlijke, rechtstreekse, zekere en actuele wijze worden benadeeld. Hij is van oordeel dat de motivering van hun belang onvoldoende geïndividualiseerd is en dat hun vordering neerkomt op een actio popularis. 4 A.2.
- De beweerde beperking van het vrij verrichten van diensten binnen de Europese Unie is, volgens de Ministerraad, louter hypothetisch, vermits de verzoekende partijen gevestigd zijn in Gent en gespecialiseerd zijn in het Belgisch recht, waardoor het minder voor de hand liggend is dat zij daadwerkelijk optreden in geschillen voor rechtscolleges van andere lidstaten. Hij beklemtoont dat het belastingvoordeel dat de bestreden wet invoert, geldt voor de verzekeringnemer en dus niet voor de advocaat op wie die verzekeringnemer in voorkomend geval een beroep doet. Hij meent dat daaruit blijkt dat het verband tussen het bestreden artikel 5 en de juridische diensten van een advocaat hoogstens hypothetisch en indirect is. Wat artikel 8 van de wet van 22 april 2019 betreft, is de Ministerraad van oordeel dat het niet vaststaat dat die bepaling de verzoekende partijen op een nadelige wijze raakt. Die bepaling biedt de advocaten immers enige zekerheid dat zij voor hun dienstverlening tot op zekere hoogte worden vergoed wanneer hun cliënten een rechtsbijstandsverzekering hebben afgesloten. Wat artikel 23 van de wet van 22 april 2019 betreft, meent de Ministerraad dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de vernietiging van die bepaling, omdat die bepaling op zich geen verplichtingen oplegt aan de advocaten. A.
- De Ministerraad voert ook aan dat het beroep, wat de artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 22 april 2019 betreft, uitsluitend ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de artikelen 6, § 1, 7, § 1, 9°, en 8, §§ 1, 2 en 3, tweede lid, 1°, van die wet, omdat de verzoekende partijen geen grieven aanvoeren tegen de andere onderdelen van die artikelen. Ten gronde Wat het eerste middel betreft A.
- Het eerste middel is gericht tegen artikel 5 van de wet van 22 april 2019 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : het VEU), met de artikelen 26, 56, 61 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU) en met artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat de wet van 22 april 2019 voorziet in een belastingvermindering voor de premies voor rechtsbijstandsverzekeringen die aan bepaalde minimale voorwaarden voldoen en dat het bestreden artikel 5 een dergelijke minimale voorwaarde bevat. Volgens het tweede lid van dat artikel moet de waarborg alle gedekte geschillen die onder de bevoegdheid van een Belgisch rechtscollege ressorteren, bevatten. Volgens het derde lid van dat artikel moet de waarborg tevens gelden voor de geschillen die onder de bevoegdheid van een rechtscollege in Nederland, Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en Frankrijk ressorteren, behalve wanneer het geschil tot een of meer van de volgende aangelegenheden behoort : het fiscaal recht, het administratief recht, het personen- en familierecht, het arbeidsrecht, het erfrecht, het schenkingsrecht, het testamentrecht, de geschillen met betrekking tot onroerende goederen en bouwgeschillen. A.6.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat artikel 5 van de wet van 22 april 2019 het vrij verrichten van diensten, zoals gewaarborgd bij artikel 56 van het VWEU, schendt, omdat die bepaling indirect discriminerend is en een belemmerend effect heeft voor twee categorieën van dienstverleners, meer bepaald de « advocaat-dienstverlener » en de « dienstverlener-verzekeringnemer ». Met de « advocaat-dienstverlener » wordt de advocaat bedoeld die een dienst verleent aan een verzekeringnemer die een rechtsbijstandsverzekering heeft gesloten die aan de minimale voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor een belastingvermindering. Met de « dienstverlener-verzekeringnemer » wordt de verzekeringnemer bedoeld die een rechtsbijstandsverzekering heeft gesloten die aan de minimale voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor een belastingvermindering en die diensten verleent binnen de Europese Unie. Volgens de verzoekende partijen wordt het vrij verrichten van diensten door de « advocaat-dienstverlener » belemmerd omdat de minimale voorwaarden voor de belastingvermindering met zich meebrengen dat de waarborg van de rechtsbijstandsverzekering geldt voor geschillen die onder de bevoegdheid van de rechtscolleges van bepaalde lidstaten van de Europese Unie ressorteren en aldus niet voor geschillen die onder de bevoegdheid van de rechtscolleges van andere lidstaten ressorteren. Wat de « dienstverlener-verzekeringnemer » betreft, is er volgens hen sprake van een belemmering van het vrij verrichten van diensten, omdat die verzekeringnemer bij geschillen die behoren tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken van andere lidstaten van de Europese Unie dan die welke worden opgesomd in artikel 5, derde lid, van de wet van 22 april 2019, geconfronteerd wordt met hogere gerechtskosten wanneer de verzekeraar geen ruimere dekking geeft dan die welke wordt geboden door de minimale voorwaarden voor de belastingvermindering. 5 A.6.
- De verzoekende partijen doen gelden dat de aangevoerde schending van het vrij verrichten van diensten zich bovendien voordoet op twee niveaus. Ze spreken in dit kader over de « uitgesloten geschillen » en de « niet-uitgesloten geschillen ». De « uitgesloten geschillen » betreffen de geschillen die betrekking hebben op het fiscaal recht, het administratief recht, het arbeidsrecht en het personen- en familierecht. De « niet-uitgesloten geschillen » betreffen de geschillen die betrekking hebben op andere rechtstakken. Wat de « uitgesloten geschillen » betreft, menen de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling een indirecte discriminatie in het leven roept die in strijd is met het vrij verrichten van diensten, omdat die bepaling als minimumvoorwaarde voor de belastingvermindering oplegt dat geschillen die ressorteren onder de bevoegdheid van een Belgisch rechtscollege gedekt moeten worden door de polis, terwijl die dekking niet dient te gelden voor geschillen die ressorteren onder de bevoegdheid van de rechtscolleges van andere lidstaten van de Europese Unie. Wat de « niet-uitgesloten geschillen » betreft, zetten de verzoekende partijen uiteen dat de bestreden bepaling als minimumvoorwaarde voor de belastingvermindering oplegt dat geschillen die ressorteren onder de bevoegdheid van een rechtscollege in België, Nederland, Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en Frankrijk, gedekt moeten worden door de polis, terwijl die dekking niet dient te gelden voor geschillen die ressorteren onder de bevoegdheid van rechtscolleges van andere lidstaten van de Europese Unie. A.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepaling niet alleen in strijd is met het vrij verrichten van diensten, maar ook met het vrij verkeer van kapitaal, zoals gewaarborgd door artikel 63 van het VWEU. In dit kader halen ze het voorbeeld aan van een geschil dat ontstaat naar aanleiding van een opengevallen nalatenschap. Ze zetten uiteen dat de bestreden bepaling met zich meebrengt dat een dergelijk geschil onder de dekking van de rechtsbijstandsverzekering die voldoet aan de minimale voorwaarden om in aanmerking te komen voor de belastingvermindering, valt, wanneer een Belgisch rechtscollege bevoegd is voor het geschil, maar niet wanneer een rechtscollege van een andere lidstaat van de Europese Unie voor dat geschil bevoegd is. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie leiden zij af, enerzijds, dat een nalatenschap onder het toepassingsgebied van het vrij verkeer van kapitaal valt wanneer niet alle aspecten ervan binnen één lidstaat zijn te situeren en, anderzijds, dat fiscale wetgeving die gevolgen heeft voor nalatenschappen strijdig kan zijn met het vrij verkeer van kapitaal. Voor het overige beargumenteren de verzoekende partijen hun standpunt op een gelijksoortige wijze als hun standpunt met betrekking tot het vrij verrichten van diensten. A.
- De bestreden bepaling is volgens de verzoekende partijen eveneens in strijd met artikel 4, lid 3, van het VEU en met de artikelen 26 en 61 van het VWEU, omdat die bepaling op het vlak van het vrij verrichten van diensten en van het vrij verkeer van kapitaal een binnengrens binnen de Europese interne markt in het leven roept die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Unie in gevaar brengt. Zij menen dat de wetgever artikel 61 van het VWEU heeft pogen te omzeilen door het territorium van de lidstaten als criterium te hanteren. De bestreden bepaling schendt volgens hen eveneens het niet-discriminatiebeginsel, zoals gewaarborgd door artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, omdat de geschillen waarvoor de Belgische rechtscolleges bevoegd zijn, zonder redelijke verantwoording, anders worden behandeld dan de geschillen waarvoor de rechtscolleges van andere lidstaten van de Europese Unie bevoegd zijn. Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de bestreden bepaling niet in strijd is met het recht van de Europese Unie, schendt die bepaling volgens de verzoekende partijen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.
- De verzoekende partijen verzoeken ten slotte het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de bestaanbaarheid van de bestreden bepaling met het recht van de Europese Unie. A.10.
- De Ministerraad is van oordeel dat het eerste middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting ervan. Het verzoekschrift laat volgens hem niet toe te bepalen welke kritieken precies worden geformuleerd, en evenmin welke personen of situaties met elkaar moeten worden vergeleken en wie daarbij zou worden gediscrimineerd. A.10.
- Indien het Hof van oordeel zou zijn dat het eerste middel op een voldoende duidelijke en ondubbelzinnige wijze is uiteengezet, is de Ministerraad de mening toegedaan dat het middel niet ontvankelijk is, in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 26 van het VWEU en van artikel 4, lid 3, van het VEU, omdat artikel 26 van het VWEU geen directe werking heeft in de Belgische rechtsorde en omdat artikel 4, lid 3, van het VEU niet als een afzonderlijke grond voor enige onwettigheid kan worden aangevoerd. 6 A.
- Ten gronde is de Ministerraad van oordeel dat de bestreden bepaling de in het middel vermelde referentienormen niet schendt. A.12.
- Met betrekking tot de aangevoerde discriminatie op het vlak van het vrij verrichten van diensten, doet de Ministerraad gelden dat de verzoekende partijen niet aantonen dat een dienstverlener die de nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie heeft of die gevestigd is in een andere lidstaat van de Unie, anders wordt behandeld dan een dienstverlener die de Belgische nationaliteit heeft of die gevestigd is in België. Hij meent dat de verzoekende partijen nergens verduidelijken ten aanzien van welke dienstverleners de twee categorieën van dienstverleners die zij beogen (de « advocaat-dienstverlener » en de « dienstverlener-verzekeringnemer ») verschillend zouden worden behandeld. Bovendien zijn juridische geschillen die onder de bevoegdheid van een rechtscollege van een bepaalde lidstaat vallen, volgens hem niet vergelijkbaar met juridische geschillen die onder de bevoegdheid van een rechtscollege van een andere lidstaat vallen, omdat zij onderworpen zijn aan verschillende rechtsregels. Hij meent ten slotte dat er geen sprake is van een verschil in behandeling, daar alle verzekeringnemers die in aanmerking komen voor de belastingvermindering, onderworpen zijn aan dezelfde bepalingen en daar de bestreden bepaling geen beperkingen oplegt met betrekking tot de nationaliteit of de plaats van vestiging van de advocaat op wie een verzekeringnemer een beroep zou willen doen. Om dezelfde redenen is de Ministerraad van oordeel dat de bestreden bepaling niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.12.
- Met betrekking tot de aangevoerde belemmering van het vrij verrichten van diensten, meent de Ministerraad dat de verzoekende partijen nalaten aan te tonen dat het belastingvoordeel dat de bestreden wet invoert, het de dienstverleners moeilijker maakt om in een andere lidstaat van de Europese Unie diensten te verrichten, en dat, in zoverre er al sprake zou zijn van een belemmering, die belemmering voldoende significant, niet te onzeker, niet te indirect en niet louter hypothetisch is. Hij is van oordeel dat het belastingvoordeel waarin de bestreden wet voorziet niet kan worden gekwalificeerd als een belemmering en dat die wet integendeel de rechtsbescherming en de toegang tot een advocaat heeft willen verhogen. Het feit dat een belastingvoordeel niet onbeperkt van toepassing is, kan volgens hem evenmin als een belemmering van de dienstverlening worden gekwalificeerd. Het belastingvoordeel is te dezen bovendien niet verbonden aan een verbod om diensten in andere lidstaten van de Europese Unie te verrichten of om zich in het buitenland te vestigen. A.12.
- De Ministerraad meent dat de door de verzoekende partijen aangevoerde belemmering van het vrij verrichten van diensten louter hypothetisch is, vermits zij in Gent gevestigde advocaten zijn die gespecialiseerd zijn in het Belgisch recht, waardoor het minder voor de hand liggend lijkt dat zij daadwerkelijk in geschillen voor rechtscolleges van andere lidstaten optreden. Bovendien beklemtoont hij dat het belastingvoordeel niet toekomt aan de advocaat, maar aan de verzekeringnemer, die op het ogenblik dat hij een verzekering afsluit niet kan voorspellen of hij ooit in een geschil betrokken zal zijn en een beroep zal moeten doen op een advocaat. Enig verband tussen de bestreden wet en de vraag naar juridische diensten van een advocaat is volgens de Ministerraad aldus hoogstens hypothetisch en indirect. A.12.
- Met betrekking tot de aangevoerde belemmering van het vrij verrichten van diensten door de « dienstverlener-verzekeringnemer » meent de Ministerraad dat de verzoekende partijen niet concreet uitleggen hoe een beperkte belastingvermindering personen zou belemmeren in andere lidstaten diensten te verrichten. Hij is van oordeel dat het belastingvoordeel onvoldoende hoog is om een belemmering te kunnen uitmaken. Hij wijst erop dat het belastingvoordeel in 2020 maximaal 124 euro bedraagt. De verzoekende partijen maken het volgens hem evenmin aannemelijk dat de keuze van een dienstverlener om buiten België activiteiten te ontplooien, beïnvloed zou kunnen worden door het al dan niet afsluiten van een rechtsbijstandsverzekering in België. Een dergelijke verzekering heeft immers tot doel risico’s met een kern in België te verzekeren. Hij meent ook dat het bijzonder speculatief is ervan uit te gaan dat een beperkt belastingvoordeel de toegang tot een advocaat of tot een rechtscollege zou beperken. Zelfs wanneer een persoon geen rechtsbijstandsverzekering heeft gesloten, kan die zich nog steeds wenden tot een advocaat of tot de rechter. Het belastingvoordeel is bovendien enkel verbonden aan een minimale dekking, wat betekent dat verzekeringen ook bijkomende risico’s kunnen dekken. Hij meent ten slotte dat het voeren van rechtsgeschillen op zichzelf niet kan worden beschouwd als een economische activiteit. 7 A.12.
- Indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat de bestreden bepaling het vrij verrichten van diensten wel degelijk belemmert, is die belemmering volgens de Ministerraad gerechtvaardigd door verschillende door het Hof van Justitie van de Europese Unie aanvaarde dwingende redenen van algemeen belang, waaronder de bescherming van de rechtsonderhorigen en de goede rechtsbedeling, de rechtszekerheid, het vrijwaren van de doeltreffendheid en de samenhang van het Belgische belastingstelsel en het voorkomen van iedere verspilling van financiële middelen van de Belgische Staat. A.13.
- Wat de aangevoerde schending van het vrij verkeer van kapitaal betreft, meent de Ministerraad dat artikel 63 van het VWEU geen toepassing kan vinden, vermits er te dezen geen sprake is van enige grensoverschrijdende beweging van kapitaal of van betalingen. Het belastingvoordeel is immers op geen enkele wijze verbonden aan zulke grensoverschrijdende bewegingen of betalingen. Het door de verzoekende partijen aangehaalde voorbeeld van een opengevallen nalatenschap toont volgens hem niet aan dat er sprake zou kunnen zijn van grensoverschrijdend kapitaalverkeer : een geschil met betrekking tot een in België opengevallen nalatenschap wordt beslecht voor de Belgische hoven en rechtbanken, en een geschil met betrekking tot een in een andere lidstaat van de Europese Unie opengevallen nalatenschap wordt beslecht voor de hoven en rechtbanken van die lidstaat. Aan dergelijke geschillen zijn op zich geen grensoverschrijdende kapitaalbewegingen verbonden. Kapitaalbewegingen die later zouden voortvloeien uit een dergelijk geschil hebben geen enkel verband met de gerechtelijke procedure en nog minder met het belastingvoordeel verbonden aan een rechtsbijstandsverzekering. A.13.
- Zelfs indien er sprake zou zijn van kapitaalverkeer in de zin van artikel 63 van het VWEU, dan nog roept de bestreden bepaling volgens de Ministerraad geen verschil in behandeling in het leven. Hij meent dat de verzoekende partijen niet concreet aantonen waarin de aangevoerde indirecte discriminatie zou bestaan. A.13.
- De Ministerraad meent ook dat verzoekende partijen niet aantonen dat er sprake is van enige belemmering op het vlak van het vrij verkeer van kapitaal. Hij beklemtoont dat de fiscale maatregel die de bestreden wet bevat, verbonden is aan bepaalde rechtsbijstandsverzekeringen en dus niet aan het openvallen van een nalatenschap. A.13.
- Zelfs indien het belastingvoordeel zou moeten worden beschouwd als een belemmering van het vrij verkeer van kapitaal, dan nog valt de bestreden maatregel volgens de Ministerraad onder de uitzondering die artikel 65 van het VWEU voor nationale belastingmaatregelen bepaalt. A.
- Wat de aangevoerde schending van artikel 4, lid 3, van het VEU en van artikel 26 van het VWEU betreft, in zoverre het Hof het middel op dat vlak ontvankelijk zou verklaren, verwijst de Ministerraad naar zijn argumentatie met betrekking tot het vrij verrichten van diensten en het vrij verkeer van kapitaal. Wat het tweede middel betreft A.
- Het tweede middel is gericht tegen artikel 6 van de wet van 22 april 2019 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat de verzekeringsovereenkomst, volgens artikel 6, § 1, van de wet van 22 april 2019, kan bepalen dat er geen of een beperkte waarborg is betreffende de tenlasteneming van de kosten en erelonen verbonden aan een gerechtelijke, administratieve of arbitrageprocedure, wanneer de inzet van het in geld waardeerbare geschil kleiner is of gelijk aan 1 000 euro. Zij menen dat de categorie van de rechtzoekenden die het financieel niet breed hebben en vaak worden geconfronteerd met geschillen waarvan de inzet in geld van geringe aard is, door die bepaling worden gediscrimineerd, vermits hun verzekering geen toepassing kan vinden wanneer die geschillen worden beslecht via een gerechtelijke, een administratieve of een arbitrageprocedure. In een dergelijke situatie zijn de betrokken rechtzoekenden aangewezen op bemiddeling, die evenwel de medewerking vereist van de andere partij, die doorgaans de economisch sterkere partij is. De verzoekende partijen menen dat de bestreden bepaling ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de eiser en de verweerder. 8 A.17.
- De Ministerraad meent dat de verzoekende partijen het tweede middel niet op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze uiteenzetten. Indien het Hof niettemin van oordeel zou zijn dat dit middel ontvankelijk is, meent hij dat het dient te worden begrepen in die zin dat de bestreden bepaling een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, de rechtzoekenden die betrokken zijn in een in geld waardeerbaar geschil dat het voorwerp is van een gerechtelijke, administratieve of arbitrageprocedure en waarvan de inzet kleiner of gelijk is aan 1 000 euro en, anderzijds, de rechtzoekenden die betrokken zijn in een in geld waardeerbaar geschil dat het voorwerp is van bemiddeling en waarvan de inzet kleiner of gelijk is aan 1 000 euro. Ten aanzien van de eerste categorie van rechtzoekenden zou de verzekeringsovereenkomst kunnen bepalen dat er geen of een beperkte waarborg is betreffende het ten laste nemen van de kosten en erelonen die verbonden zijn aan de procedure, terwijl dit ten aanzien van de tweede categorie van rechtzoekenden niet mogelijk zou zijn. A.17.
- De Ministerraad meent dat de bestreden bepaling tot doel heeft de procedurezucht in de samenleving, die de gerechtelijke achterstand versterkt, tegen te gaan en de buitengerechtelijke geschillenoplossing aan te moedigen voor geschillen waarvan de inzet kleiner of gelijk is aan 1 000 euro. Hij is van oordeel dat het bekritiseerde verschil in behandeling redelijk is verantwoord in het licht van die doelstellingen. Hij beklemtoont dat de verzekeringsovereenkomst, volgens de bewoordingen van de bestreden bepaling, « mag » bepalen dat de inzet van het geschil het recht op de waarborg beïnvloedt en dat die overeenkomst « kan » bepalen dat er geen of een beperkte waarborg is wanneer de inzet van het in geld waardeerbare geschil kleiner of gelijk is aan 1 000 euro, zodat niet kan worden beweerd dat de kosten en erelonen verbonden aan een gerechtelijke, administratieve of arbitrageprocedure nooit door de verzekeraar ten laste kunnen worden genomen. Met betrekking tot de kritiek van de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling geen onderscheid maakt tussen de eiser en de verweerder, merkt de Ministerraad op dat de beperkingen bedoeld in die bepaling zowel voor de eiser als voor de verweerder gelden, waardoor zij beiden worden gestimuleerd om het geschil buitengerechtelijk op te lossen. Bovendien belet niets de partijen om, lopende een gerechtelijke procedure, te beslissen om over te gaan naar een buitengerechtelijke procedure. Hij verwijst in dit kader naar artikel 1734, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Wat het derde middel betreft A.
- Het derde middel is gericht tegen artikel 7 van de wet van 22 april 2019 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat de verzekeringsovereenkomst volgens artikel 7, § 1, 9°, van de wet van 22 april 2019 kan bepalen dat de waarborg, wat de echtscheidingsgeschillen betreft, enkel geldt voor de eerste echtscheiding, terwijl niet is voorzien in een dergelijke beperking voor het beëindigen van het wettelijk samenwonen. Zij menen dat de wetgever aldus vergelijkbare situaties op een verschillende wijze heeft behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat het middel feitelijke en juridische grondslag mist. Artikel 7, § 1, 9°, van de wet van 22 april 2019 bepaalt immers uitdrukkelijk dat het einde van een wettelijk samenwonen is gelijkgesteld aan een echtscheiding. Hij meent dat daaruit voortvloeit dat de waarborg niet alleen ten minste de eerste echtscheiding dient te dekken, maar ook ten minste de eerste beëindiging van een wettelijk samenwonen. Wat het vierde middel betreft A.
- Het vierde middel is gericht tegen artikel 8 van de wet van 22 april 2019 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.
- Het eerste onderdeel van het middel betreft artikel 8, § 1, van de wet van 22 april 2019, dat volgens de verzoekende partijen met zich meebrengt dat de waarborg ten minste de kosten en erelonen dient te dekken van twee categorieën van personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden. De eerste categorie betreft personen die bijstand verlenen aan de rechtzoekenden (de advocaten, de gerechtsdeurwaarders, de technisch adviseurs, de notarissen, de boekhouders, de accountants, de revisoren en de zaakwaarnemers), de tweede categorie personen die het geschil beslechten of mee helpen oplossen (de arbiters, de bemiddelaars en de deskundigen). De verzoekende partijen zijn van oordeel dat beide categorieën van personen, daar zij zich in verschillende situaties bevinden, verschillend zouden moeten worden behandeld door de wetgever. Zij menen dat de gelijke behandeling, zonder redelijke verantwoording, van beide categorieën niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelet op het feit dat de kosten en de honoraria van die categorieën met elkaar in concurrentie treden. 9 A.23.
- In het tweede onderdeel van het middel bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat artikel 8, § 2, van de wet van 22 april 2019 voorziet in een machtiging aan de Koning om de kosten en erelonen van de advocaten die door de rechtsbijstandsverzekeraar ten laste worden genomen, te beperken, terwijl voor andere personen die bijstand verlenen aan de rechtzoekende, zoals de gerechtsdeurwaarders, de technisch adviseurs, de notarissen, de boekhouders, de accountants, de revisoren en de zaakwaarnemers, niet is voorzien in zulk een beperking en terwijl voor personen die geen bijstand verlenen aan de rechtzoekende, zoals de arbiters, de bemiddelaars en de deskundigen, evenmin is voorzien in zulk een beperking. A.23.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat het in het tweede onderdeel van het middel bedoelde verschil in behandeling niet redelijk is verantwoord. Zij wijzen erop dat de rechtzoekende in het kader van een geschil kan worden bijgestaan door diverse actoren, zoals advocaten, gerechtsdeurwaarders, technisch adviseurs, notarissen, boekhouders, accountants, revisoren en zaakwaarnemers. Zij menen dat de advocaten in het kader van de rechtsbijstand een essentiële taak vervullen en dat zij dienen te worden beschouwd als de voornaamste actoren in het kader van die bijstand. Zij zijn van oordeel dat het niet redelijk is verantwoord dat de kosten en honoraria van andere bijstandsverleners dan de advocaten binnen de in artikel 8, § 3, van de wet van 22 april 2019 bedoelde dekking die de rechtsbijstandsverzekeraar verleent, integraal ten laste worden genomen door die verzekeraar, terwijl dat niet het geval is voor de kosten en honoraria van de advocaten, ook niet wanneer het bedrag van de dekking die de verzekeraar dient te verlenen niet wordt bereikt. Ze betwisten de stelling van de Ministerraad dat de kosten en honoraria van de advocaten een minder voorspelbaar karakter hebben dan de kosten en honoraria van de andere actoren, evenals de stelling dat de kosten en honoraria van de advocaat steeds de hoofdmoot van de kosten uitmaken van het beslechten van een geschil. Zij menen bovendien dat niet voor alle prestaties van de gerechtsdeurwaarders en de notarissen is voorzien in gereglementeerde tarieven. Dat de verzekeraar van de voormelde beperkingen op de kosten en honoraria van de advocaten kan afwijken, doet volgens hen niets af aan het discriminerend karakter van de bestreden bepaling, vermits het niet gaat om een verplichting. Zij bekritiseren in dit kader eveneens het feit dat de wetgever niet heeft voorzien in criteria die de Koning zou dienen na te leven bij het uitvoeren van de Hem verleende machtiging. A.23.
- De verzoekende partijen bekritiseren eveneens het feit dat de tegemoetkoming van de verzekeraar in de kosten en honoraria van de actoren die geen bijstand verlenen aan de rechtzoekenden, zoals de arbiters, de bemiddelaars en de deskundigen, groter is dan de tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaten, vermits de bestreden bepaling voor de kosten en honoraria van de actoren die geen bijstand verlenen aan de rechtzoekenden, niet voorziet in beperkingen. Zij zijn van oordeel dat het niet redelijk is verantwoord dat de kosten en honoraria van de advocaten, van wie het optreden de essentie uitmaakt van het risico dat wordt gedekt door de rechtsbijstandsverzekering, worden beperkt, terwijl dat niet het geval is voor de kosten en honoraria van de personen die op zich geen bijstand verlenen aan de rechtzoekende. A.
- In het derde onderdeel van het middel bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat de maximumwaarborg van de verzekeraar, volgens artikel 8, § 3, van de wet van 22 april 2019, tot 3 375 euro per verzekerde persoon kan worden beperkt in geval van een geschil met betrekking tot een echtscheiding, terwijl niet is voorzien in een dergelijke beperking in geval van geschillen over het beëindigen van een wettelijk samenwonen. Zij menen dat de bestreden bepaling aldus een niet redelijk verantwoord verschil in behandeling in het leven roept. A.
- Wat het eerste onderdeel van het vierde middel betreft, zet de Ministerraad uiteen dat de rechtsbijstandsverzekering een schadeverzekering is die een vergoedend karakter heeft en die tot doel heeft de kosten te vergoeden die de verzekerde dient te betalen in het kader van een geschil. Hij verwijst daarbij naar artikel 154 van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen ». Hij merkt op dat alle kosten die worden gemaakt ter verdediging van de verzekerde in aanmerking komen om door de rechtsbijstandsverzekeraar te worden gedekt. Om die reden kon de wetgever, volgens hem, de personen die bijstand verlenen, enerzijds, en de personen die het geschil helpen oplossen, anderzijds, op een gelijke wijze behandelen wat betreft de aan de belastingvermindering verbonden voorwaarde dat de waarborg ten minste de kosten en erelonen van beide categorieën van personen dient te dekken. 10 A.26.
- Wat het tweede onderdeel van het vierde middel betreft, is de Ministerraad van oordeel dat het bekritiseerde verschil in behandeling niet kennelijk onredelijk is, omdat de advocatenkosten een meer onvoorspelbaar en onvoorzienbaar karakter hebben dan de kosten van de andere actoren. Het onvoorzienbare karakter van de advocatenkosten vloeit volgens hem onder meer voort uit het feit dat er zich procedurele incidenten kunnen voordoen. Hij wijst erop dat voor de gerechtsdeurwaarders en de notarissen reglementair vastgestelde barema’s gelden, waardoor die actoren een concrete inschatting kunnen maken van de kostprijs van hun prestaties. Daardoor is het voor de rechtsbijstandsverzekeraar eenvoudiger om de hoogte van de waarborg te bepalen die hij ten laste dient te nemen. Hij wijst erop dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen enkele opmerking heeft gemaakt in verband met de eventuele onbestaanbaarheid van de bestreden bepaling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. A.26.
- De Ministerraad beklemtoont dat de kosten en erelonen van de advocaat doorgaans de hoofdmoot van alle kosten van een geschil vormen. Hij meent dat artikel 8, § 2, van de wet van 22 april 2019 tot doel heeft de rechtzoekende enige zekerheid te bieden wat betreft de door de rechtsbijstandsverzekeraar minstens gedekte kosten en erelonen van de advocaat. Hij is van oordeel dat die regeling past in het kader van de algemene doelstelling om de toegang van de burger tot justitie te faciliteren. Hij meent dat de verzoekende partijen ten onrechte ervan uitgaan dat de verzekeraar in geen enkel geval alle erelonen en kosten van de advocaten ten laste kan nemen en verwijst naar het derde lid van de bestreden bepaling. Hij doet eveneens gelden dat een advocaat niet verplicht is om zich aan te sluiten bij de maximumbedragen bepaald bij koninklijk besluit. De bestreden bepaling heeft volgens de Ministerraad aldus op geen enkele wijze een invloed op de hoogte van de door de advocaat aan zijn cliënt aan te rekenen erelonen en kosten, maar enkel op de hoogte van het gedeelte van die erelonen en kosten dat door de rechtsbijstandsverzekering wordt gedekt. A.
- Het derde onderdeel van het vierde middel mist volgens de Ministerraad feitelijke en juridische grondslag. Artikel 7, § 1, 9°, van de wet van 22 april 2019 bepaalt immers uitdrukkelijk dat het einde van een wettelijk samenwonen wordt gelijkgesteld aan een echtscheiding. Hij meent dat daaruit voortvloeit dat de rechtsbijstandsverzekeraar niet alleen de mogelijkheid heeft om de door hem ten laste te nemen maximumwaarborg te beperken voor wat een echtscheiding betreft, maar ook voor wat een beëindiging van een wettelijk samenwonen betreft. Wat het vijfde middel betreft A.
- Het vijfde middel is gericht tegen artikel 11 van de wet van 22 april 2019 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de bestreden bepaling, die de advocaten de verplichting oplegt om hun cliënten te informeren of zij al dan niet het engagement aangaan om de door de Koning vastgelegde bedragen per prestatie te eerbiedigen en over de gevolgen die daaraan verbonden zijn, in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, omdat die verplichting niet geldt voor de andere personen die bijstand verlenen aan de rechtzoekende en omdat die personen hun kosten en honoraria vrij kunnen bepalen. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat de door de verzoekende partijen omschreven categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn, omdat de advocatenkosten een veel meer onvoorspelbaar karakter hebben dan de kosten van andere personen die bijstand verlenen aan de rechtzoekenden. Indien zou moeten worden aangenomen dat die categorieën wel degelijk vergelijkbaar zijn, is het bekritiseerde verschil in behandeling volgens hem niet kennelijk onredelijk, om dezelfde redenen als die welke hij heeft aangehaald bij de weerlegging van het tweede onderdeel van het vierde middel. Wat het zesde middel betreft A.
- Het zesde middel is gericht tegen artikel 23 van de wet van 22 april 2019 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 11 A.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat de bestreden bepaling de Orde van Vlaamse balies, de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de Beroepsvereniging van de Verzekeringsondernemingen « Assuralia » verplicht om tweejaarlijks een gemeenschappelijk evaluatierapport te versturen met betrekking tot de toepassing van de wet door de Staat, de verzekeringsondernemingen en de advocaten naar de in die bepaling vermelde ministers. Zij menen dat de wetgever aldus aan de wettelijke organen van de balie de verplichting oplegt om informatie door te gegeven over de contractuele afspraken tussen de advocaten en hun cliënten. Zij menen dat het discriminerend is dat de rapportageverplichting betrekking heeft op de activiteiten van de advocaten en niet op die van de andere personen die bijstand verlenen aan de rechtzoekende. A.
- Volgens de Ministerraad heeft de bestreden bepaling tot doel het optreden van de advocaten en van de rechtsbijstandsverzekeraars in het kader van de wet van 22 april 2019 te evalueren. Hij meent dat het in het licht van artikel 8, § 2, van de wet van 22 april 2019 redelijk is verantwoord dat de rapportageverplichting enkel geldt ten aanzien van de orden van de advocaten en ten aanzien van « Assuralia ». Hij beklemtoont dat de advocaat in vele gevallen de belangrijkste actor is in een geschil, dat zijn kosten en erelonen veelal de hoofdmoot van alle kosten van de rechtzoekende vormen en dat hij doorgaans ook zicht heeft op alle andere kosten, zoals de kosten van de gerechtsdeurwaarders en van de deskundigen. Hij doet nog gelden dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen opmerking heeft gemaakt bij de bestreden bepaling. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en hun context B.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 5, 6, 7, 8, 11 en 23 van de wet van 22 april 2019 « tot het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering » (hierna : de wet van 22 april 2019). B.
- De artikelen 5, 6, § 1, 7, § 1, 9°, 8, §§ 1, 2 en 3, eerste en tweede lid, 1°, 11 en 23 van de wet van 22 april 2019 bepalen : « Art.
- De waarborg geldt voor alle gedekte geschillen in het kader van het privéleven en het professioneel leven, zoals bepaald in artikel 7 van deze wet. De waarborg bevat alle gedekte geschillen die onder de bevoegdheid van een Belgisch rechtscollege ressorteren of zouden ressorteren overeenkomstig de in België geldende nationale of internationale bevoegdheidsregels. Hij geldt tevens, onder dezelfde voorwaarden, voor de geschillen die onder de bevoegdheid van een rechtscollege in Nederland, Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en Frankrijk ressorteren of zouden ressorteren, overeenkomstig de in deze landen geldende nationale of internationale bevoegdheidsregels behalve ingeval het geschil tot een of meer van de volgende aangelegenheden behoort : fiscaal recht, administratief recht, personen- en familierecht, arbeidsrecht zoals bepaald in artikel 7, § 1, 6°, het erfrecht, het schenkingsrecht en het testamentrecht, de geschillen met betrekking tot onroerende goederen en bouwgeschillen. 12 Art.
- §
- De overeenkomst mag voorzien dat de inzet van het geschil het recht op de waarborg beïnvloedt betreffende de tenlasteneming van de kosten en honoraria verbonden aan een gerechtelijke, administratieve of arbitrageprocedure. Zo kan de overeenkomst bepalen dat er geen of een beperkte waarborg is betreffende de tenlasteneming van de kosten en honoraria voorzien in artikel 8 en verbonden aan een gerechtelijke, administratieve of arbitrageprocedure wanneer de inzet van het in geld waardeerbaar geschil kleiner is of gelijk aan 1 000 euro. Deze beperking geldt niet voor geschillen die niet in geld waardeerbaar zijn. De inzet van het geschil stemt overeen met de hoofdsom die wordt gevraagd door de verzekerde of wordt geëist door een derde, zonder rekening te houden met de interesten, de kosten voor de verdediging of de schadebedingen. […] Art.
- §
- De waarborg dekt ten minste de volgende zaken : […] 9° de eerste echtscheiding die begint tijdens de waarborgtermijn van de overeenkomst en alle geschillen met betrekking tot goederen of personen die daaruit voortvloeien. Het einde van een wettelijk samenwonen is gelijkgesteld aan een echtscheiding; […]. Art.
- §
- Deze waarborg dekt ten minste : 1° de kosten en erelonen van advocaten; 2° de kosten en erelonen van gerechtsdeurwaarders; 3° de ten laste van de verzekerde gelegde kosten van de gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures; 4° de kosten en erelonen van deskundigen, technisch adviseurs, bemiddelaars, arbiters en van iedere andere persoon die de vereiste kwalificaties heeft overeenkomstig de op de procedure toepasselijke wet; 5° de kosten van de tenuitvoerlegging. §
- De waarborg voor de kosten en erelonen van de advocaten wordt door de verzekeraar ten laste genomen ten belope van de door de Koning vastgestelde bedragen. Elke overschrijding van de door de Koning vastgelegde bedragen, valt ten laste van de cliënt, zelfs als de maximumwaarborg zoals bepaald in paragraaf 3 niet wordt bereikt. 13 De verzekeraar heeft de mogelijkheid om de overschrijdingen van de door de Koning vastgelegde bedragen ten laste te nemen, rekening houdend met zijn maximumwaarborgen zoals bepaald in paragraaf
- §
- De maximumwaarborg van de verzekeraar wordt vastgesteld op ten minste 13 000 euro per geschil in burgerlijke zaken en op ten minste 13 500 euro voor een geschil in strafzaken. De maximumwaarborg bedoeld in het eerste lid kan evenwel worden verminderd : 1° tot 3 375 euro per verzekerde persoon in geval van een geschil met betrekking tot een echtscheiding; […] ». « Art.
- De advocaat kan zich ertoe engageren om zijn erelonen en kosten te bepalen op de bedragen per prestatie zoals bepaald door de Koning. De advocaat informeert zijn cliënt of hij al dan niet het engagement aangaat om de door de Koning vastgelegde bedragen per prestatie te eerbiedigen en over de gevolgen die daaraan verbonden zijn. Hij informeert ook gelijktijdig de rechtsbijstandsverzekeraar van de cliënt ». « Art.
- De Orde van Vlaamse Balies, de Ordre des Barreaux francophones et germanophone en de Beroepsvereniging van de Verzekeringsondernemingen ‘ Assuralia ’ versturen tweejaarlijks en voor het eerst in 2021 op de datum van het verjaren van de inwerkingtreding van deze wet een gemeenschappelijk evaluatierapport met betrekking tot de toepassing van deze wet door de Staat, de verzekeringsondernemingen en de advocaten naar de minister van Justitie, naar de minister van Consumentzaken, naar de minister van Economie en naar de minister van Financiën, op initiatief van een van hen en via een paritair orgaan dat zij daartoe zullen aanwijzen, op de datum van het verjaren van de inwerkingtreding van deze wet. Dit rapport bevat eveneens een specifiek punt waarin de voorstellen en suggesties geuit worden in verband met een betere toegang tot het recht en de Justitie voor de burger, een gedetailleerd en cijfermatig overzicht van de afgesloten contracten in toepassing van de huidige wet en de afgesloten contracten die aanvullende waarborgen geven, alsook een cijfermatig overzicht van de gevallen waarin de advocaten gebruik maken van de mogelijkheid voorzien in artikel 11, eerste lid ». B.3.
- De wet van 22 april 2019 beoogt de rechtsbijstandsverzekering toegankelijker te maken door middel van « een belastingvermindering voor de premies voor rechtsbijstandsverzekeringen die aan een aantal strikte voorwaarden inzake gedekte risico’s, minimale dekking en waarborg en wachttermijnen voldoen » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3560/001, p. 4). 14 Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever van oordeel is geweest dat de voorheen bestaande regeling ter promotie van de rechtsbijstandsverzekering, bestaande in een vrijstelling van de jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen voor rechtsbijstandsverzekeringen die aan bepaalde voorwaarden voldoen, het nagestreefde doel onvoldoende had bereikt : « Momenteel wordt voor personen die niet genieten van de juridische bijstand onder bepaalde voorwaarden reeds een voordeel verleend voor rechtsbijstandsverzekeringen : contracten met een maximumpremie van 144 euro die een bepaalde dekking verlenen voor welbepaalde risico’s zijn vrijgesteld van de taks van 9,25 pct. op de verzekeringspremie (artikel 176/2, 12°, Wetboek diverse rechten en taksen en koninklijk besluit van 15 januari 2007 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan een verzekeringsovereenkomst rechtsbijstand moet voldoen om te worden vrijgesteld van de jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen bedoeld in artikel 176 van het Wetboek diverse rechten en taksen). Dit voordeel (iets meer dan 13 euro) is echter te beperkt gebleken om het aantal contracten inzake rechtsbijstandsverzekeringen aanzienlijk te laten toenemen » (ibid.). B.3.
- Bij de wet van 22 april 2019 wordt de vrijstelling van de jaarlijkse taks op de verzekeringsverrichtingen opgeheven (artikelen 24 en 25) en vervangen door een vermindering in de personenbelasting « verleend voor de premies die de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk werkelijk heeft betaald voor een rechtsbijstandsverzekering in de zin van artikel 154 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen die hij individueel heeft gesloten bij een verzekeringsonderneming die is gevestigd in de Europese Economische Ruimte en die voldoet aan alle in hoofdstuk 2 van de wet van 22 april 2019 tot het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering vermelde voorwaarden » (artikel 14549, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), ingevoegd bij artikel 15 van de wet van 22 april 2019). De bedoelde betalingen komen voor de belastingvermindering in aanmerking tot een bedrag van 195 euro per belastbaar tijdperk en de belastingvermindering is gelijk aan 40 pct. van het in aanmerking te nemen bedrag (artikel 14549, § 1, tweede en derde lid, van het WIB 1992). Op grond van artikel 178, § 3, tweede lid, van het WIB 1992 wordt het voormelde bedrag van 195 euro, overeenkomstig de erin bepaalde modaliteiten, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk. 15 De parlementaire voorbereiding vermeldt dienaangaande : « Het bedrag waarvoor een belastingvermindering wordt verleend, wordt beperkt tot 310 euro per jaar (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2020 – basisbedrag 195 euro) (artikel 14549, § 1, tweede lid, WIB 92 in ontwerp). Het (overeenkomstig artikel 178, § 3, tweede lid, WIB 92) geïndexeerde bedrag stemt overeen met het bedrag van de premie waartegen een verzekering die de minimale waarborg biedt, wellicht kan worden aangeboden. Het tarief waartegen de belastingvermindering wordt verleend, is gelijk aan 40 pct. (artikel 14549, § 1, derde lid, WIB 92 in ontwerp). De maximale belastingvermindering voor aanslagjaar 2020 zal derhalve 124 euro bedragen » (ibid., p. 11). B.3.
- De parlementaire voorbereiding doet ervan blijken dat de wetgever met de minimale voorwaarden waaraan de overeenkomst dient te voldoen om een belastingvermindering te kunnen genieten, de totstandkoming van overeenkomsten heeft willen stimuleren die een ruimere dekking en een hogere maximumwaarborg bieden dan hetgeen het geval was onder de voorheen bestaande regeling ter promotie van de rechtsbijstandsverzekering : « In tegenstelling tot de bestaande regeling inzake de vrijstelling van premietaks, stellen de indieners een ruimere dekking voor om ook bouwgeschillen en echtscheidingsgeschillen, twee vaak voorkomende geschillen, onder de verplichte waarborg te brengen. Voor deze zaken kan wel een langere wachttijd en een lagere maximumwaarborg worden opgelegd. De maximumwaarborg is ook hoger dan in de bestaande regeling. Uiteindelijk zullen de verzekerden een iets hogere premie betalen, maar zij zullen ook profiteren van een ruimere dekking met een hogere maximumwaarborg. Zij zullen ook een fiscaal voordeel genieten dat voordeliger is dan het huidige. Wat de premie betreft, laat dit wetsvoorstel het concurrentiemechanisme spelen om een zo laag mogelijke premie te bekomen. Opdat dit product van rechtsbijstandsverzekering toegankelijk zou zijn voor een zo breed mogelijk publiek, is het verkieslijk dat de premie zou afgestemd zijn op het bedrag dat de fiscus in rekening neemt » (ibid., p. 4). B.
- De bestreden artikelen 5, 6, 7 en 8 maken deel uit van hoofdstuk 2 (« Minimale voorwaarden waaraan de overeenkomsten voor een rechtsbijstandsverzekering moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een belastingvermindering ») van de wet van 22 april
- Het bestreden artikel 11 maakt deel uit van hoofdstuk 3 (« Toepassing regels ») en het bestreden artikel 23 van hoofdstuk 8 (« Evaluatie ») van die wet. 16 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.
- De Ministerraad voert aan dat het beroep tot vernietiging minstens gedeeltelijk niet-ontvankelijk is bij gebrek aan belang van de verzoekende partijen. B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.7.
- De eerste verzoekende partij oefent het beroep van advocaat uit. De tweede verzoekende partij is een vennootschap die onder meer tot doel heeft juridische bijstand te verlenen aan personen bij het uitoefenen van hun rechten. De derde verzoekende partij is een vennootschap die « het ondernemen als advocaat » tot doel heeft. B.7.
- Zoals is vermeld in B.3.1, heeft de wetgever met de wet van 22 april 2019 het sluiten van een rechtsbijstandsverzekering willen stimuleren door middel van een belastingvermindering. Die belastingvermindering is evenwel afhankelijk van een aantal minimale voorwaarden waaraan de overeenkomsten voor een rechtsbijstandsverzekering moeten voldoen, onder meer wat de gedekte risico’s, de minimale dekking, de waarborg en de wachttermijnen betreft. B.7.
- Krachtens artikel 154, eerste lid, van de wet van 4 april 2014 « betreffende de verzekeringen » zijn de artikelen 155 tot 157 (de artikelen betreffende de rechtsbijstandsverzekering) toepasselijk op de verzekeringsovereenkomsten waarbij de verzekeraar zich verbindt diensten te verrichten en kosten op zich te nemen, teneinde de verzekerde in staat te stellen zijn rechten te doen gelden, als eiser of als verweerder, hetzij in een gerechtelijke, administratieve of andere procedure, hetzij los van enige procedure. Uit die bepaling volgt dat de rechtsbijstandsverzekering een overeenkomst is waarbij de verzekeraar zich ertoe verbindt, enerzijds, diensten te verrichten en, anderzijds, kosten op zich te nemen, en dit met het oog op het waarborgen van de rechten van de verzekerde, al dan niet in het kader van een procedure. 17 B.7.
- Daar de rechtsbijstandsverzekering een overeenkomst is waarbij de verzekeraar zich, onder meer, ertoe verbindt kosten op zich te nemen die voortvloeien uit het waarborgen van de rechten van de verzekerde in gerechtelijke, administratieve of andere procedures, doen de verzoekende partijen, die allen actief zijn op het vlak van het verlenen van juridische bijstand, blijken van een voldoende belang bij een beroep tot vernietiging van de bestreden artikelen 5, 6, 7 en 8 van de wet van 22 april 2019, die voorwaarden bepalen waaraan een rechtsbijstandsverzekering moet voldoen om in aanmerking te komen voor een belastingvermindering. B.7.
- Het bestreden artikel 11 van de wet van 22 april 2019 bepaalt dat de advocaat zich ertoe kan engageren zijn erelonen en kosten te bepalen op de bedragen per prestatie zoals bepaald door de Koning en dat hij zijn cliënt en diens verzekeraar dient te informeren of hij al dan niet het engagement aangaat om die bedragen te eerbiedigen. Volgens het bestreden artikel 23 van de wet van 22 april 2019 versturen de Orde van Vlaamse balies, de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de Beroepsvereniging van de Verzekeringsondernemingen « Assuralia » tweejaarlijks naar de in die bepaling omschreven ministers een gemeenschappelijk evaluatierapport « met betrekking tot de toepassing van deze wet door de Staat, de verzekeringsondernemingen en de advocaten ». B.7.
- In haar hoedanigheid van advocaat doet de eerste verzoekende partij blijken van een voldoende belang bij een beroep tot vernietiging van de voormelde artikelen 11 en 23 van de wet van 22 april 2019, die, respectievelijk, verplichtingen opleggen aan de advocaten en voorzien in een evaluatie van de toepassing door de advocaten van de wet van 22 april
- Nu het belang van de eerste verzoekende partij vaststaat, dient het belang van de overige verzoekende partijen niet meer te worden onderzocht. B.8.
- Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te bepalen op grond van de inhoud van het verzoekschrift. Het Hof kan slechts uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd en, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd. 18 B.8.
- Zoals de Ministerraad aanvoert, is het beroep, wat de artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 22 april 2019 betreft, uitsluitend ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen de artikelen 6, § 1, 7, § 1, 9°, en 8, §§ 1, 2 en 3, tweede lid, 1°, van die wet, omdat de verzoekende partijen geen grieven aanvoeren tegen de andere onderdelen van die artikelen. Ten aanzien van de middelen Wat het eerste middel betreft B.
- Het eerste middel is gericht tegen artikel 5 van de wet van 22 april 2019 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met de artikelen 26, 56, 61 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De verzoekende partijen betogen in essentie dat de bestreden bepaling de in het middel aangevoerde referentienormen schendt, doordat het vrij verrichten van diensten en het vrij verkeer van kapitaal binnen de Europese Unie zouden worden belemmerd, doordat een binnengrens binnen de Europese interne markt in het leven zou worden geroepen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Unie in gevaar brengt en doordat de geschillen waarvoor de rechtscolleges van bepaalde lidstaten van de Europese Unie bevoegd zijn, zonder redelijke verantwoording, anders zouden worden behandeld dan de geschillen waarvoor de rechtscolleges van andere lidstaten van de Europese Unie bevoegd zijn. B.10.
- De Ministerraad voert aan dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting ervan. Het verzoekschrift laat volgens hem niet toe te bepalen welke kritieken precies worden geformuleerd, en evenmin welke personen met elkaar moeten worden vergeleken en wie daarbij zou worden gediscrimineerd. 19 B.10.
- Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Die vereisten zijn ingegeven, enerzijds, door de noodzaak voor het Hof vanaf het indienen van het verzoekschrift in staat te zijn de juiste draagwijdte van het beroep tot vernietiging te bepalen en, anderzijds, door de zorg om aan de andere partijen in het geding de mogelijkheid te bieden op de argumenten van de verzoekende partijen te antwoorden, waartoe een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting van de middelen onontbeerlijk is. B.11.
- De wet van 22 april 2019 beoogt de rechtsbijstandsverzekering toegankelijker te maken door middel van een belastingvermindering die wordt berekend op grond van de betaalde premies. Het bestreden artikel 5 maakt deel uit van hoofdstuk 2 van de wet van 22 april 2019 waarin de minimale voorwaarden worden vastgelegd waaraan de overeenkomsten voor een rechtsbijstandsverzekering moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de belastingvermindering in de personenbelasting, bedoeld in artikel 14549, § 1, eerste lid, van het WIB
- B.11.
- Zoals is vermeld in B.7.3, is de rechtsbijstandsverzekering een overeenkomst waarbij de verzekeraar zich ertoe verbindt, enerzijds, diensten te verrichten en, anderzijds, kosten op zich te nemen, en dit met het oog op het waarborgen van de rechten van de verzekerde, al dan niet in het kader van een procedure. De contractuele vrijheid is toepasselijk, wat met zich meebrengt, enerzijds, dat eenieder vrij is om al dan niet een rechtsbijstandsverzekeringsovereenkomst te sluiten en, anderzijds, dat de partijen bij een dergelijke overeenkomst de inhoud van de overeenkomst kunnen bepalen, binnen de grenzen bepaald bij de wet. De in hoofdstuk 2 van de wet van 22 april 2019 vervatte minimale voorwaarden doen geen afbreuk aan de contractuele vrijheid, noch aan de wilsautonomie waarover de partijen beschikken. De parlementaire voorbereiding vermeldt : 20 « Dit hoofdstuk voorziet […] niet in een modelverzekeringsovereenkomst rechtsbijstand waarin de minimumgarantievoorwaarden worden vastgesteld waaraan enige verzekeringsovereenkomst rechtsbijstand zou moeten voldoen. Het bepaalt enkel de voorwaarden die een verzekeringsovereenkomst rechtsbijstand moet vervullen opdat de verzekeringnemer zou kunnen genieten van onder meer de belastingvermindering voor premies voor een rechtsbijstandsverzekering » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3560/001, p. 5). B.11.
- Uit het voorgaande volgt, enerzijds, dat niemand verplicht is een rechtsbijstandsverzekeringsovereenkomst te sluiten en, anderzijds, dat de partijen, wanneer zij een dergelijke overeenkomst sluiten, niet verplicht zijn de in hoofdstuk 2 van de wet van 22 april 2019 bepaalde minimale voorwaarden in hun overeenkomst op te nemen. Vermits de in hoofdstuk 2 van de wet van 22 april 2019 vastgelegde voorwaarden minimale voorwaarden zijn (artikel 2 van de wet van 22 april 2019), hebben de partijen bovendien de mogelijkheid om, op grond van de aan hen toekomende contractuele vrijheid, een ruimere dekking en een hogere maximumwaarborg overeen te komen dan die welke zijn vastgelegd in de in hoofdstuk 2 van de wet van 22 april 2019 vervatte minimale voorwaarden. In zoverre een dergelijke overeenkomst voldoet aan alle in hoofdstuk 2 van de wet van 22 april 2019 omschreven minimale voorwaarden, kan de verzekeringnemer de voormelde belastingvermindering genieten. B.11.
- Volgens - het niet bestreden - artikel 4, § 1, van de wet van 22 april 2019 worden voor de toepassing van die wet als verzekerden beschouwd :
(1)de verzekeringnemer voor zover hij in België zijn gewone verblijfplaats heeft evenals zijn/haar samenwonende echtgeno(o)te of samenwonende partner;
(2)alle bij de verzekeringnemer inwonende en gedomicilieerde personen met uitzondering van het huispersoneel of enige andere dienstboden en voor wat het arbeidsrecht betreft, alle bij de verzekeringnemer inwonende en gedomicilieerde personen die door hem worden onderhouden. 21 B.
- Volgens het eerste lid van het bestreden artikel 5 van de wet van 22 april 2019 dient de waarborg te gelden voor alle gedekte geschillen in het kader van het privéleven en het professionele leven, zoals bepaald in artikel 7 van die wet. Het tweede lid van artikel 5 bepaalt dat de waarborg alle gedekte geschillen dient te bevatten die onder de bevoegdheid van een Belgisch rechtscollege ressorteren of zouden ressorteren overeenkomstig de in België geldende nationale of internationale bevoegdheidsregels. Het derde lid van dat artikel bepaalt dat de waarborg tevens dient te gelden voor de geschillen die onder de bevoegdheid van een rechtscollege in Nederland, Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en Frankrijk ressorteren of zouden ressorteren, overeenkomstig de in die landen geldende nationale of internationale bevoegdheidsregels behalve wanneer het geschil tot een of meer van de volgende aangelegenheden behoort : het fiscaal recht, het administratief recht, het personen- en familierecht, het arbeidsrecht zoals bepaald in artikel 7, § 1, 6°, het erfrecht, het schenkingsrecht, het testamentrecht, de geschillen met betrekking tot onroerende goederen en bouwgeschillen. B.13.
- De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden artikel 5 discriminerend is en een belemmerend effect heeft voor twee categorieën van dienstverleners, meer bepaald de « advocaat-dienstverlener » en de « dienstverlener-verzekeringnemer » en dat die discriminatie en dat belemmerend effect zich voordoen op twee niveaus, namelijk voor de « uitgesloten geschillen », waarmee de geschillen worden bedoeld die betrekking hebben op het fiscaal recht, het administratief recht, het arbeidsrecht en het personen- en familierecht, en voor de « niet-uitgesloten geschillen », waarmee de geschillen worden bedoeld die betrekking hebben op andere rechtstakken. B.13.
- Ze zetten daarbij evenwel niet op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze uiteen welke categorieën van personen, in het kader van de door hen aangevoerde discriminatie, precies met elkaar dienen te worden vergeleken en evenmin in welke zin één van die categorieën door de bestreden bepaling zou worden gediscrimineerd ten aanzien van de andere categorie. Ze zetten evenmin op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze uiteen in welke zin de bestreden bepaling, rekening houdend met de in B.11.1 tot B.11.4 vermelde beginselen waarop de bestreden wet steunt, voor de door hen beoogde categorieën van dienstverleners een beperkende of een belemmerende werking zou hebben op het vrij verrichten van diensten binnen de Europese Unie en in welke zin die bepaling het kapitaal- en betalingsverkeer binnen de Europese Unie zou beperken. Het staat aan de verzoekende partijen, en niet aan het Hof, de 22 concrete omstandigheden te omschrijven waarin de bestreden bepaling zou kunnen leiden tot een belemmering van het vrij verrichten van diensten voor de door hen beoogde dienstverleners en tot een beperking van het vrij verkeer van kapitaal. De uiteenzetting van het eerste middel in het verzoekschrift laat ten slotte evenmin toe te bepalen in welke zin de bestreden bepaling op het vlak van het vrij verrichten van diensten en van het vrij verkeer van kapitaal een binnengrens binnen de Europese interne markt in het leven zou roepen. B.
- Het eerste middel is niet ontvankelijk. Wat het tweede middel betreft B.
- Het tweede middel is gericht tegen artikel 6, § 1, van de wet van 22 april 2019 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.16.
- De Ministerraad voert aan dat het middel niet ontvankelijk is bij gebrek aan een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting ervan. B.16.
- Het verzoekschrift maakt het mogelijk vast te stellen dat het middel dient te worden begrepen in die zin dat de bestreden bepaling een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen rechtzoekenden die betrokken zijn in een in geld waardeerbaar geschil waarvan de inzet kleiner is of gelijk aan 1 000 euro, naargelang dat geschil het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke, administratieve of arbitrageprocedure, dan wel van een bemiddelingsprocedure. Uit de memories van de Ministerraad blijkt dat hij het tweede middel heeft begrepen en dus een dienstig verweer heeft kunnen voeren. B.17.
- Artikel 6, § 1, van de wet van 22 april 2019 maakt deel uit van hoofdstuk 2 van die wet, waarin de minimale voorwaarden worden omschreven waaraan de overeenkomsten voor een rechtsbijstandsverzekering moeten voldoen om een belastingvermindering te kunnen genieten. Volgens die bepaling mag de overeenkomst erin voorzien dat de inzet van het geschil het recht op de waarborg beïnvloedt betreffende de tenlasteneming van de kosten en honoraria verbonden aan een gerechtelijke, administratieve of arbitrageprocedure en kan de overeenkomst bepalen dat er geen of een beperkte waarborg is betreffende de tenlasteneming van de kosten en honoraria bepaald in artikel 8 en verbonden aan een gerechtelijke, administratieve of 23 arbitrageprocedure wanneer de inzet van het in geld waardeerbare geschil kleiner is of gelijk aan 1 000 euro. De inzet van het geschil stemt overeen met de hoofdsom die wordt gevraagd door de verzekerde of wordt geëist door een derde, zonder rekening te houden met de interesten, de kosten voor de verdediging of de schadebedingen. B.17.
- Zoals is vermeld in B.11.2 en B.11.3, doen de in hoofdstuk 2 van de wet van 22 april 2019 vervatte minimale voorwaarden geen afbreuk aan de contractuele vrijheid waarover de partijen bij een verzekeringsovereenkomst binnen de grenzen van de wet beschikken. Het bestreden artikel 6, § 1, tweede lid, van de wet van 22 april 2019 bepaalt overigens uitdrukkelijk dat de overeenkomst « kan » bepalen dat er geen of een beperkte waarborg is betreffende de tenlasteneming van de kosten en honoraria verbonden aan een gerechtelijke, administratieve of arbitrageprocedure, wanneer de inzet van het in geld waardeerbare geschil kleiner is of gelijk aan 1 000 euro. B.17.
- Daar de bestreden bepaling uitsluitend de kosten en honoraria « verbonden aan een gerechtelijke, administratieve of arbitrageprocedure » beoogt, geldt de door die bepaling toegelaten beperking van de waarborg niet voor bemiddelingsprocedures. Om te voldoen aan de minimale voorwaarden om een belastingvermindering te kunnen genieten, mag de verzekeringsovereenkomst aldus niet bepalen dat de verzekeraar niet ertoe gehouden is de kosten en honoraria verbonden aan een bemiddelingsprocedure ten laste te nemen wanneer de inzet van het geschil kleiner is of gelijk aan 1 000 euro. B.
- Het bekritiseerde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, meer bepaald de aard van de procedure waartoe wordt overgegaan : een gerechtelijke, administratieve of arbitrageprocedure, dan wel een bemiddelingsprocedure. B.19.
- De parlementaire voorbereiding vermeldt : « De wetgever heeft eveneens gepoogd om de bemiddeling te bevoordelen. Niet enkel geschillen die voor de rechtbank worden beslecht, maar ook bemiddelingszaken zullen gedekt worden door de desbetreffende verzekeringspolissen waarbij de franchise ten belope van 250 euro is weggevallen » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3560/005, p. 11). 24 « De […] minister van Justitie […] wijst erop dat in 80 % van de gevallen waarbij personen beschikken over een huidige polis rechtsbestandsverzekering, de geschillen worden afgerond via een minnelijke regeling en niet via een procedure via een rechtbank of gerechtshof. Hieruit concludeert de minister dat de rechtsbijstandsverzekering bijdraagt tot een versterking van het gebruik van minnelijke regelingen teneinde geschillen te beslechten. Daarnaast wijst de minister erop dat de bedragen voor de dekking hetzelfde zijn ten aanzien van een bemiddelingsprocedure als ten aanzien van een geschillenprocedure voor de rechtbank met dien verstande dat er geen franchise, ten belope van 250 euro, is indien de rechtsonderhorige een beroep doet op een bemiddelingsprocedure. Bovendien zal de minister in het kader van de opmaak van het koninklijk besluit in de terugbetaling van de prestaties een kleine incentive verwerken ten voordele van de bemiddelingsprocedure zoals de minister dit reeds heeft toegepast bij de hervorming van het pro-Deosysteem » (ibid., pp. 14-15). B.19.
- De wetgever heeft met de bestreden bepaling de rechtzoekenden aldus willen aanzetten om bemiddelingsprocedures aan te wenden voor het oplossen van geschillen waarvan de inzet kleiner is of gelijk aan 1 000 euro. De parlementaire voorbereiding doet eveneens ervan blijken dat de aldus verwerkte « incentive » verband houdt met de doelstelling om « de overbelaste rechtbanken niet nog meer te belasten » (ibid., p. 14). B.
- Mede gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever in sociaaleconomische aangelegenheden beschikt, is het bekritiseerde verschil in behandeling, niet zonder redelijke verantwoording. De wetgever vermocht van oordeel te zijn dat het vanwege de werklast van de hoven en rechtbanken aangewezen is om de rechtzoekenden, in het kader van een regeling betreffende de rechtsbijstandsverzekeringen, aan te moedigen bemiddelingsprocedures aan te wenden voor het oplossen van geschillen waarvan de inzet kleiner is of gelijk aan 1 000 euro, zonder die rechtzoekenden daarbij het recht van toegang tot een rechter te ontzeggen. Zoals is vermeld in B.17.2, kunnen de partijen bij een rechtsbijstandsverzekeringsovereenkomst overigens, op grond van de aan hen toekomende contractuele vrijheid, een ruimere dekking overeenkomen, zonder verlies van het recht van de verzekeringnemer op de belastingvermindering bedoeld in artikel 14549, § 1, eerste lid, van het WIB
- B.
- Het tweede middel is niet gegrond. 25 Wat het derde middel betreft B.
- Het derde middel is gericht tegen artikel 7, § 1, 9°, van de wet van 22 april 2019 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven roept tussen verzekerden, doordat de rechtsbijstandsverzekeringsovereenkomst met betrekking tot echtscheidingsgeschillen kan bepalen dat de waarborg enkel geldt voor de eerste echtscheiding, terwijl een dergelijke beperking niet mogelijk is voor het beëindigen van een wettelijk samenwonen. B.23.
- Artikel 7, § 1, 9°, van de wet van 22 april 2019 maakt deel uit van hoofdstuk 2 van die wet, waarin de minimale voorwaarden worden omschreven waaraan de overeenkomsten voor een rechtsbijstandsverzekering moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een belastingvermindering. Volgens die bepaling dient de waarborg ten minste de eerste echtscheiding die begint tijdens de waarborgtermijn van de overeenkomst en alle geschillen met betrekking tot goederen of personen die daaruit voortvloeien, te dekken. Die bepaling vermeldt daarbij uitdrukkelijk dat « het einde van een wettelijk samenwonen is gelijkgesteld aan een echtscheiding ». B.23.
- Daar het einde van een wettelijk samenwonen is gelijkgesteld aan een echtscheiding, dient de waarborg ten minste de eerste beëindiging van een wettelijk samenwonen en alle geschillen met betrekking tot goederen of personen die daaruit voortvloeien, te dekken, opdat de verzekerde de belastingvermindering kan genieten bedoeld in artikel 14549, § 1, eerste lid, van het WIB
- Daaruit volgt dat het in het middel aangevoerde verschil in behandeling niet bestaat. B.
- Het derde middel is niet gegrond. 26 Wat het vierde middel betreft B.
- Het vierde middel is gericht tegen artikel 8 van de wet van 22 april 2019 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- In een eerste onderdeel van het vierde middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 8, § 1, van de wet van 22 april 2019 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het twee categorieën van personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden op identieke wijze behandelt, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. De eerste categorie van personen die de verzoekende partijen beogen, betreft personen die bijstand verlenen aan de rechtzoekenden (de advocaten, de gerechtsdeurwaarders, de technisch adviseurs, de notarissen, de boekhouders, de accountants, de revisoren en de zaakwaarnemers), de tweede categorie personen die het geschil beslechten of mee helpen oplossen (de arbiters, de bemiddelaars en de deskundigen). B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.28.
- Artikel 8, § 1, van de wet van 22 april 2019 maakt deel uit van hoofdstuk 2, waarin de minimale voorwaarden worden omschreven waaraan de overeenkomsten voor een rechtsbijstandsverzekering moeten voldoen om een belastingvermindering te kunnen genieten. 27 Volgens die bepaling dient de waarborg ten minste de volgende kosten en erelonen te dekken :
(1)de kosten en erelonen van advocaten;
(2)de kosten en erelonen van gerechtsdeurwaarders;
(3)de ten laste van de verzekerde gelegde kosten van de gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures;
(4)de kosten en erelonen van deskundigen, technisch adviseurs, bemiddelaars, arbiters en van iedere andere persoon die de vereiste kwalificaties heeft overeenkomstig de op de procedure toepasselijke wet;
(5)de kosten van de tenuitvoerlegging. Volgens die bepaling moet de door de verzekeringsovereenkomst geboden waarborg dus niet alleen de kosten en erelonen van personen die de verzekerde bijstand verlenen, dekken, maar ook de kosten en erelonen van personen die het geschil beslechten of mee helpen oplossen, zoals de arbiters en de bemiddelaars. B.28.
- Zoals is vermeld in B.7.3 en B.11.2, is de rechtsbijstandsverzekering een overeenkomst waarbij de verzekeraar zich ertoe verbindt, enerzijds, diensten te verrichten en, anderzijds, kosten op zich te nemen, en dit met het oog op het waarborgen van de rechten van de verzekerde, al dan niet in het kader van een procedure. Op basis van de aan hen toekomende contractuele vrijheid kunnen de verzekeraar en de verzekeringnemer, binnen de grenzen van de wet, overeenkomen welke kosten die verbonden zijn aan het waarborgen van de rechten van de verzekerde, precies door de verzekeringsovereenkomst worden gedekt. De partijen worden daarbij in beginsel niet beperkt door de vraag of de desbetreffende kosten al dan niet rechtstreeks verband houden met kosten en erelonen van personen die in het kader van een geschil juridische bijstand verlenen aan de verzekerde. B.28.
- Binnen de ruime beoordelingsvrijheid waarover hij in sociaaleconomische aangelegenheden beschikt, vermocht de wetgever van oordeel te zijn dat een rechtsbijstandsverzekeringsovereenkomst slechts aanleiding kan geven tot een belastingvermindering wanneer de waarborg niet alleen de kosten en erelonen van de personen die bijstand verlenen aan de verzekerde dekt, maar ook de kosten en erelonen van de personen die het geschil beslechten of mee helpen oplossen. Vanuit het oogpunt van de verzekerde maakt het immers op zich geen verschil uit of de kosten die hij dient te maken met het oog op het waarborgen van zijn rechten, voortvloeien uit het optreden van personen die hem bijstand verlenen, dan wel uit het optreden van personen die het geschil beslechten of mee helpen oplossen. De omstandigheid dat de waarborg eveneens de kosten van de bemiddelaars en de 28 arbiters dient te dekken, is overigens redelijk verantwoord ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de alternatieve geschillenbeslechting via bemiddelings- en arbitrageprocedures te stimuleren en minstens niet te ontmoedigen. B.
- Het eerste onderdeel van het vierde middel is niet gegrond. B.
- In het tweede onderdeel van het vierde middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 8, § 2, van de wet van 22 april 2019 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het voorziet in een machtiging aan de Koning om de kosten en erelonen van de advocaten die door de verzekeraar ten laste worden genomen, te beperken, terwijl voor andere personen die bijstand verlenen aan de rechtzoekende (de gerechtsdeurwaarders, de technisch adviseurs, de notarissen, de boekhouders, de accountants, de revisoren en de zaakwaarnemers) en voor personen die het geschil oplossen of mee helpen oplossen (de arbiters, de bemiddelaars en de deskundigen) niet is voorzien in een dergelijke beperking. B.31.
- Artikel 8, § 2, van de wet van 22 april 2019 bepaalt dat de waarborg voor de kosten en erelonen van de advocaten door de verzekeraar ten laste wordt genomen ten belope van de door de Koning vastgestelde bedragen en dat elke overschrijding van die bedragen ten laste valt van de cliënt, zelfs als de maximumwaarborg zoals bepaald in paragraaf 3 niet wordt bereikt. De verzekeraar heeft evenwel de mogelijkheid om de overschrijdingen van de door de Koning vastgelegde bedragen ten laste te nemen, rekening houdend met zijn maximumwaarborgen zoals bepaald in paragraaf
- B.31.
- Volgens artikel 11 van de wet van 22 april 2019 kan de advocaat zich ertoe engageren zijn erelonen en kosten te bepalen op de bedragen per prestatie zoals bepaald door de Koning. De advocaat informeert zijn cliënt of hij al dan niet het engagement aangaat om de door de Koning vastgelegde bedragen per prestatie te eerbiedigen en over de gevolgen die daaraan verbonden zijn. Hij informeert ook gelijktijdig de rechtsbijstandsverzekeraar van de cliënt. B.31.
- De maximumbedragen vastgesteld per prestatie bedoeld in de artikelen 8, § 2 en 11 van de wet van 22 april 2019, worden bepaald in het koninklijk besluit van 28 juni 2019 « tot uitvoering van de artikelen 8, § 2 en 11 van de wet van 22 april 2019 tot het toegankelijker maken van de rechtsbijstandverzekering ». 29 B.
- De wetgever heeft de bij de wet van 22 april 2019 ingevoerde belastingvermindering afhankelijk gemaakt van een aantal kwaliteitseisen waaraan de rechtsbijstandsverzekeringsovereenkomst moet voldoen. Uit de in B.3.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever zich ervan bewust was dat het stellen van kwaliteitseisen aanleiding kan geven tot een verhoging van de verzekeringspremie en dat hij het om die reden « verkieslijk [heeft geacht] dat de premie zou afgestemd zijn op het bedrag dat de fiscus in rekening neemt ». Daaruit blijkt dat de wetgever bij het opstellen van de minimale voorwaarden waaraan de overeenkomsten voor een rechtsbijstandsverzekering moeten voldoen om een belastingvermindering te kunnen genieten, rekening heeft gehouden met de invloed van die voorwaarden op het bedrag van de verzekeringspremie, die, zoals eveneens blijkt uit de in B.3.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding, aan « het concurrentiemechanisme » onderworpen blijft. B.
- In zoverre het bestreden artikel 8, § 2, van de wet van 22 april 2019 bepaalt dat de waarborg voor de kosten en erelonen van de advocaten door de verzekeraar ten laste wordt genomen ten belope van de door de Koning vastgestelde bedragen, is die bepaling ingegeven door de doelstelling te voorkomen dat het bedrag van de verzekeringspremie door de verzekeraars in die mate zou worden verhoogd dat afbreuk wordt gedaan aan de door de wetgever nagestreefde afstemming van de premie op het bedrag dat de fiscus in rekening neemt. B.
- Het door de verzoekende partijen bekritiseerde verschil in behandeling berust op het criterium van de hoedanigheid van de beroepsbeoefenaars voor wie de Koning gemachtigd is om de bedragen te bepalen ten belope waarvan hun kosten en erelonen door de rechtsbijstandsverzekeraar ten laste worden genomen. Dat criterium is objectief. 30 B.35.
- Volgens artikel 1 van de wet van 31 augustus 1891 « houdende tarifering en invordering van de honoraria der notarissen » is « de regering […] gemachtigd de honoraria, vacaties, rechten van rol of afschrift, reis-, verblijfs- of voedingskosten die aan de notarissen verschuldigd zijn wegens de instrumentaire of andere akten van hun ambtsbediening, te tariferen ». Aan die bepaling werd uitvoering gegeven bij het koninklijk besluit van 16 december 1950 « houdende het tarief van de honoraria der notarissen ». Volgens artikel 522, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek stelt de Koning het tarief vast van alle akten en ambtelijke taken van de gerechtsdeurwaarders. Aan die bepaling werd uitvoering gegeven bij het koninklijk besluit van 30 november 1976 « tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen ». Daaruit volgt dat de kosten en honoraria van de notarissen en de gerechtsdeurwaarders aan tarifering zijn onderworpen. B.35.
- Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 15/2009 van 5 februari 2009, bevinden de deskundigen en technisch raadgevers die een procespartij adviseren, zich in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de advocaten die de partijen bijstaan en in rechte vertegenwoordigen. Terwijl het optreden van een advocaat vrijwel altijd vereist is in het kader van een gerechtelijke procedure, wordt minder frequent een beroep gedaan op een technisch raadgever. Evenzo treedt de advocaat doorgaans op gedurende de hele procedure, waardoor tussen hem en zijn cliënt een bijzondere verhouding ontstaat, terwijl het optreden van de technisch raadgever doorgaans zeer gericht is, wanneer hij advies moet uitbrengen over een welbepaald aspect van het geschil. B.35.
- De arbiters, de bemiddelaars en de deskundigen die hen bijstaan, bevinden zich eveneens in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de advocaten. Terwijl de advocaat de belangen verdedigt van één van de procespartijen, hebben de arbiters, de bemiddelaars en de deskundigen die hen bijstaan tot taak geschillen op te lossen of mee helpen op te lossen. Terwijl het optreden van een advocaat vrijwel altijd vereist is in het kader van een gerechtelijke procedure, treden de arbiters en de bemiddelaars pas op wanneer de partijen het ermee eens zijn om hun geschil op te lossen via een arbitrage- of een bemiddelingsprocedure en wanneer is voldaan aan de bij de wet bepaalde voorwaarden betreffende de toepassing van die procedures. 31 B.35.
- Volgens artikel 8, § 1, 4°, van de wet van 22 april 2019 dient de door de rechtsbijstandsverzekering geboden waarborg de kosten en erelonen te dekken van « iedere andere persoon die de vereiste kwalificaties heeft overeenkomstig de op de procedure toepasselijke wet ». In zoverre de verzoekende partijen in hun middel verwijzen naar de boekhouders, de accountants, de revisoren en de zaakwaarnemers, dient ervan te worden uitgegaan dat zij van oordeel zijn dat die beroepsbeoefenaars en personen in bepaalde procedures beschikken over de vereiste kwalificaties om de rechtzoekende bij te staan. Volgens artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek hebben « vóór alle gerechten, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, […] alleen de advocaten het recht te pleiten ». Daaruit volgt dat andere personen dan advocaten slechts het recht hebben om te pleiten wanneer de wet dit uitdrukkelijk bepaalt. In zoverre de verzoekende partijen in hun middel verwijzen naar de boekhouders, de accountants en de revisoren, kan ervan worden uitgegaan dat zij artikel 728, § 2bis, van het Gerechtelijk Wetboek voor ogen hadden, volgens hetwelk de rechter, op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn advocaat, ingediend bij conclusie, de door de belastingplichtige gekozen accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor kan horen in zijn schriftelijke of mondelinge toelichting ter terechtzitting. Het oproepen van de accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor staat volgens diezelfde bepaling evenwel ter beoordeling van de rechter, die onderzoekt of het opportuun is raad in te winnen over elementen die slechts betrekking kunnen hebben op feiten of op rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht. Bovendien dient de accountant, de beroepsboekhouder of de bedrijfsrevisor de persoon te zijn die zich gewoonlijk bezighoudt met de boekhouding van de belastingplichtige of die heeft meegewerkt aan het opstellen van de betwiste belastingaangifte of die de belastingplichtige heeft bijgestaan in de administratieve bezwaarprocedure. Uit het voorgaande volgt dat de advocaten, die voor alle gerechten het recht hebben te pleiten, zich in een situatie bevinden die wezenlijk verschilt van die van de boekhouders, de accountants en de revisoren, die slechts onder bepaalde omstandigheden door de rechter, na een oordeel over de opportuniteit ervan, kunnen worden gehoord. 32 In zoverre de verzoekende partijen in hun middel verwijzen naar de zaakwaarnemers, dient te worden vastgesteld dat artikel 728, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat zaakwaarnemers niet als gevolmachtigden mogen optreden, waardoor zij zich eveneens bevinden in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de advocaten. B.
- Het verschil in behandeling heeft geen onevenredige gevolgen. Uit artikel 11 van de wet van 22 april 2019 volgt immers dat een advocaat zich ertoe « kan » engageren zijn erelonen en kosten te bepalen op de bedragen per prestatie zoals bepaald door de Koning, maar daartoe niet is verplicht. Wanneer zijn cliënt ermee instemt dat die niet worden bepaald op de bedragen per prestatie zoals bepaald door de Koning, en aldus ermee instemt de overschrijding van die bedragen zelf ten laste te nemen, ondergaat de advocaat geen nadeel van de bestreden bepaling, vermits zijn erelonen en kosten volledig worden betaald, deels door de verzekeraar, deels door de cliënt. Wanneer de cliënt niet ermee instemt die overschrijding ten laste te nemen, rust op de advocaat geen verplichting om de betrokken persoon bij te staan. Gelet op de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, kan de in artikel 8, § 2, van de wet van 22 april 2019 vervatte machtiging aan de Koning overigens niet in die zin worden geïnterpreteerd dat Hij de bevoegdheid zou hebben om de door de verzekeraars ten laste te nemen kosten en erelonen van de advocaten, zonder eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel, te beperken. Ten slotte blijft de verzekeraar, volgens artikel 8, § 2, derde lid, van de wet van 22 april 2019, de mogelijkheid bewaren om de overschrijdingen van de door de Koning vastgelegde bedragen ten laste te nemen, rekening houdend met zijn maximumwaarborgen zoals bepaald in artikel 8, § 3, van die wet. Het verschil in behandeling is derhalve niet zonder redelijke verantwoording. B.37.
- De verzoekende partijen bekritiseren nog het feit dat de wetgever niet heeft voorzien in criteria die de Koning zou dienen na te leven bij het uitvoeren van de Hem bij artikel 8, § 2, van de wet van 22 april 2019 verleende machtiging. 33 B.37.
- Een wetgevende machtiging ten gunste van de uitvoerende macht die een aangelegenheid betreft die niet door de Grondwet aan de wetgever is voorbehouden, is niet ongrondwettig. In dat geval maakt de wetgever immers gebruik van de hem door de Grondwetgever verleende vrijheid om in een dergelijke aangelegenheid te beschikken. Het Hof is niet bevoegd om een bepaling af te keuren die de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende macht en de uitvoerende macht regelt, tenzij die bepaling indruist tegen de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten of tenzij de wetgever een categorie van personen het optreden van een democratisch verkozen vergadering, waarin de Grondwet uitdrukkelijk voorziet, ontzegt. B.37.
- De verzoekende partijen, die uitsluitend een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aanvoeren, tonen te dezen niet aan dat artikel 8, § 2, van de wet van 22 april 2019 zou indruisen tegen een regel inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten of tegen een grondwettelijke bepaling die uitdrukkelijk voorziet in het optreden van een democratisch verkozen vergadering. B.
- Het tweede onderdeel van het vierde middel is niet gegrond. B.
- In het derde onderdeel van het vierde middel bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat de maximumwaarborg van de verzekeraar, volgens artikel 8, § 3, tweede lid, 1°, van de wet van 22 april 2019, tot 3 375 euro per verzekerde persoon kan worden beperkt in geval van een geschil met betrekking tot een echtscheiding, terwijl niet is voorzien in een dergelijke beperking voor een geschil met betrekking tot het beëindigen van een wettelijk samenwonen. B.
- Volgens artikel 8, § 3, eerste lid, van de wet van 22 april 2019 wordt de maximumwaarborg van de verzekeraar vastgesteld op ten minste 13 000 euro per geschil in burgerlijke zaken en op ten minste 13 500 euro voor een geschil in strafzaken. Volgens artikel 8, § 3, tweede lid, 1°, van die wet kan de maximumwaarborg bedoeld in het eerste lid evenwel worden verminderd tot 3 375 euro per verzekerde persoon in geval van een geschil met betrekking tot een echtscheiding. 34 B.
- Zoals is vermeld in B.23.1, bepaalt artikel 7, § 1, 9°, van de wet van 22 april 2019 dat « het einde van een wettelijk samenwonen is gelijkgesteld aan een echtscheiding ». Daaruit volgt dat de maximumwaarborg van de verzekeraar tot 3 375 euro per verzekerde persoon kan worden beperkt, niet alleen voor een geschil met betrekking tot een echtscheiding, maar ook voor een geschil met betrekking tot het beëindigen van een wettelijk samenwonen. B.
- Het bestreden artikel 8, § 3, tweede lid, 1°, van de wet van 22 april 2019 roept aldus geen verschil in behandeling in het leven tussen personen, naargelang zij betrokken zijn bij echtscheidingsgeschillen dan wel bij geschillen betreffende het beëindigen van een wettelijk samenwonen, wat betreft de door die bepaling toegelaten beperking van de maximumwaarborg van de verzekeraar. B.
- Het derde onderdeel van het vierde middel is niet gegrond. Wat het vijfde middel betreft B.
- Het vijfde middel is gericht tegen artikel 11 van de wet van 22 april 2019 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de bestreden bepaling, door de advocaten de verplichting op te leggen hun cliënten te informeren of zij al dan niet het engagement aangaan om de door de Koning vastgelegde bedragen per prestatie te eerbiedigen en over de gevolgen die daaraan verbonden zijn, een niet-verantwoord verschil in behandeling in het leven zou roepen tussen, enerzijds, de advocaten, op wie die verplichting rust, en, anderzijds, andere personen die bijstand verlenen aan de rechtzoekende, op wie die verplichting niet rust en die hun kosten en erelonen vrij kunnen bepalen. B.45.
- Volgens artikel 11, tweede lid, van de wet van 22 april 2019 dient de advocaat zijn cliënt te informeren of hij al dan niet het engagement aangaat om de door de Koning vastgelegde bedragen per prestatie te eerbiedigen en over de gevolgen die daaraan verbonden zijn. Hij dient gelijktijdig ook de rechtsbijstandsverzekeraar van de cliënt daarover te informeren. 35 B.45.
- Die bepaling kan niet los worden gezien van het met het vierde middel bestreden artikel 8, § 2, van de wet van 22 april 2019, volgens hetwelk de waarborg voor de kosten en erelonen van de advocaten door de verzekeraar ten laste wordt genomen ten belope van de door de Koning vastgestelde bedragen en elke overschrijding van die bedragen ten laste valt van de cliënt. B.
- Om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in B.32 tot B.36, is het door de verzoekende partijen bekritiseerde verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording. B.
- Het vijfde middel is niet gegrond. Wat het zesde middel betreft B.
- Het zesde middel is gericht tegen artikel 23 van de wet van 22 april 2019 en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het in de bestreden bepaling bedoelde evaluatierapport betrekking dient te hebben op de toepassing van de wet van 22 april 2019 door de advocaten, maar niet op de toepassing van die wet door andere personen die bijstand verlenen aan de rechtzoekenden. B.49.
- Volgens artikel 23 van de wet van 22 april 2019 versturen de Orde van Vlaamse balies, de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en de Beroepsvereniging van de Verzekeringsondernemingen « Assuralia » tweejaarlijks een gemeenschappelijk evaluatierapport met betrekking tot de toepassing van de wet van 22 april 2019 door de Staat, de verzekeringsondernemingen en de advocaten naar de minister van Justitie, naar de minister van Consumentenzaken, naar de minister van Economie en naar de minister van Financiën, op initiatief van een van hen en via een paritair orgaan dat zij daartoe aanwijzen. Dat rapport bevat eveneens een specifiek punt waarin de voorstellen en suggesties geuit worden in verband met een betere toegang tot het recht en de Justitie voor de burger, een gedetailleerd en cijfermatig overzicht van de afgesloten contracten met toepassing van de wet en de afgesloten contracten die aanvullende waarborgen geven, alsook een cijfermatig overzicht van de gevallen waarin de advocaten gebruik maken van de mogelijkheid waarin is voorzien in artikel 11, eerste lid. 36 B.49.
- Uit die bepaling blijkt dat de wetgever het aangewezen heeft geacht de bij de wet van 22 april 2019 ingevoerde maatregelen tweejaarlijks te evalueren. Die evaluatie heeft volgens die bepaling niet uitsluitend betrekking op de toepassing van de wet door de advocaten, maar ook op de toepassing ervan door de Staat en door de verzekeringsondernemingen. B.49.
- De omstandigheid dat de evaluatie betrekking heeft op de activiteiten van de advocaten en niet op die van andere personen die bijstand verlenen aan de rechtzoekenden, houdt verband met wat is bepaald in de artikelen 8, § 2, en 11 van de wet van 22 april 2019, wat onder meer blijkt uit het feit dat het evaluatierapport, volgens het bestreden artikel 23, een cijfermatig overzicht dient te bevatten van de gevallen waarin de advocaten gebruik maken van de mogelijkheid waarin is voorzien in artikel 11, eerste lid, van de wet. Volgens de artikelen 8, § 2, en 11 van de wet van 22 april 2019 wordt de waarborg voor de kosten en erelonen van de advocaten door de verzekeraar ten laste genomen ten belope van de door de Koning vastgestelde bedragen, kan de advocaat zich ertoe engageren zijn erelonen en kosten te bepalen op de bedragen per prestatie zoals bepaald door de Koning en dient de advocaat zijn cliënt en diens verzekeraar te informeren of hij al dan niet dat engagement aangaat. Gelet op het feit dat de in de artikelen 8, § 2, en 11 van de wet van 22 april 2019 vervatte maatregelen uitsluitend betrekking hebben op de advocaten, is het niet zonder redelijke verantwoording dat het evaluatierapport niet dient te handelen over de toepassing van de wet van 22 april 2019 door andere personen dan advocaten die bijstand verlenen aan de rechtzoekenden. B.
- Het zesde middel is niet gegrond. 37 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 29 oktober
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.143 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div