← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.144

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.144 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201112.1 Arrest- Rolnummer: 144/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-11-13 Raadplegingen: 941 - laatst gezien 2026-06-20 09:08 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 19 juli 2018 « tot wijziging van de decreten van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en van 19 januari 2017 betreffende de tariefmethodologie die van toepassing is op gas- en elektriciteitsdistributienetbeheerders met het oog op de aanleg van de slimme meters en de flexibiliteit », ingesteld door de vzw « Groupe de Réflexion et d'Action Pour une Politique Ecologique » en anderen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7134 Arrest nr. 144/2020 van 12 november 2020 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 19 juli 2018 « tot wijziging van de decreten van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en van 19 januari 2017 betreffende de tariefmethodologie die van toepassing is op gas- en elektriciteitsdistributienetbeheerders met het oog op de aanleg van de slimme meters en de flexibiliteit », ingesteld door de vzw « Groupe de Réflexion et d’Action Pour une Politique Ecologique » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter A. Alen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 maart 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 5 maart 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 2° en 5°, 4, 14°, 7, 8, 12, 4° en 5°, 14 tot 18, 24, 27 en 28 van het decreet van het Waalse Gewest van 19 juli 2018 « tot wijziging van de decreten van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en van 19 januari 2017 betreffende de tariefmethodologie die van toepassing is op gas- en elektriciteitsdistributienetbeheerders met het oog op de aanleg van de slimme meters en de flexibiliteit » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 september 2018) door de vzw « Groupe de Réflexion et d’Action Pour une Politique Ecologique », de vzw « Fin du nucléaire », de vzw « Nature & Progrès Belgique », de vzw « Institut Supérieur de Naturopathie Traditionnelle », Éric Defourny en Martine Dardenne, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Brusselmans, advocaat bij de balie te Namen. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Verhoeven, Mr. F. Judo en Mr. T. Souverijns, advocaten bij de balie te Brussel; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. G. Block, advocaat bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 15 juli 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, dat, in geval van een dergelijk verzoek, de zaak zal worden behandeld op de terechtzitting van 22 september 2020, op het tijdstip dat later door de voorzitter zal worden bepaald, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 september 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van de Waalse Regering om te worden gehoord, heeft de voorzitter bij beschikking van 31 augustus 2020 het tijdstip van de terechtzitting bepaald op 16.15 uur. Op de openbare terechtzitting van 22 september 2020 : - zijn verschenen : . Mr. D. Brusselmans, voor de verzoekende partijen; . Mr. J. Van Orshoven, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. D. Verhoeven, Mr. F. Judo en Mr. T. Souverijns, voor de Vlaamse Regering; . Mr. G. Block en Mr. L. Hage, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; 3 - hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1. De drie eerste verzoekende partijen rechtvaardigen hun belang bij het beroep door zich te beroepen op hun respectieve statutaire doelen en de acties die ze hebben gevoerd tegen de aanleg van slimme elektriciteitsmeters, waaronder de organisatie van en de deelname aan een collectief. De vijfde verzoekende partij, die woont in een gebouw in het Waalse Gewest, lijdt aan elektrohypersensitiviteit en meervoudige chemische overgevoeligheid. De zesde verzoekende partij woont in een gebouw in het Waalse Gewest dat uitgerust is met een elektriciteitsmeter en zonnepanelen. A.2.1. De Waalse Regering merkt op dat de verzoekende partijen niet uitleggen in welk opzicht elk van de bepalingen waarvan ze de vernietiging vorderen, in strijd zou zijn met de referentienormen. De verzoekende partijen bekritiseren alleen de artikelen 16 en 24 van het decreet van 19 juli 2018 « tot wijziging van de decreten van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en van 19 januari 2017 betreffende de tariefmethodologie die van toepassing is op gas- en elektriciteitsdistributienetbeheerders met het oog op de aanleg van de slimme meters en de flexibiliteit » (hierna : het decreet van 19 juli 2018). Het beroep is derhalve niet ontvankelijk, in zoverre het gericht is tegen de artikelen 2, 2° en 5°, 4, 14°, 7, 8, 12, 4° en 5°, 14, 15, 17, 18, 27 en 28 van dat decreet. A.2.2. De Waalse Regering stelt overigens dat het decreet van 19 juli 2018 het statutaire doel van de eerste verzoekende partij niet treft, aangezien het past in het kader van het Belgische en Europese beleid inzake milieubescherming. Bovendien worden de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of de preventie van gezondheidsrisico's niet vermeld in de statuten van de eerste verzoekende partij, zodat de eerste verzoekende partij geen belang heeft bij het tweede en het derde middel. Wat betreft de tweede verzoekende partij is het paradoxaal dat een vereniging die zich inzet voor de daling van het energieverbruik, zich verzet tegen de aanleg van slimme elektriciteitsmeters, die bijdragen tot een rationeler energiegebruik. De vierde verzoekende partij zet niet uiteen in welk opzicht het decreet van 19 juli 2018 haar statutair doel raakt. Het decreet van 19 juli 2018 raakt bijgevolg de statutaire doelen van de eerste vier verzoekende partijen niet, zodat zij geen belang hebben bij het beroep. A.3. De Vlaamse Regering merkt op dat alleen de artikelen 16 en 24 van het decreet van 19 juli 2018 worden bestreden, zodat het beroep voor het overige niet ontvankelijk is. A.4.1. In hun memorie van antwoord erkennen de verzoekende partijen dat de middelen de artikelen 16 en 24 van het decreet van 19 juli 2018 beogen. De andere bestreden bepalingen hangen echter af van de artikelen 16 en 24 en vormen daarmee een coherent geheel, zodanig dat de vernietiging van die artikelen moet leiden tot de vernietiging van alle bestreden bepalingen. 4 A.4.2. De verzoekende partijen merken verder op dat de Waalse Regering het belang van de eerste en tweede verzoekende partij betwist op basis van het uitgangspunt dat slimme meters zouden bijdragen tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en een rationeler energiegebruik. Vervolgens verliest de Waalse Regering uit het oog dat de vier verzoekende verenigingen initiatiefnemers of leden zijn van het collectief « Stop compteurs communicants » en daardoor een belang hebben bij het tweede middel en, in ruimere zin, het beroep. A.5.1. In haar memorie van wederantwoord stelt de Waalse Regering dat de bepalingen met betrekking tot slimme meters niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, met als gevolg dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op andere bepalingen dan de artikelen 16 en 24 van het decreet van 19 juli 2018. A.5.2. Vervolgens stelt de Waalse Regering dat geen enkel van de middelen betrekking heeft op ecologische eisen en dat noch de problematiek van de slimme meters, noch de deelname aan het collectief « Stop compteurs communicants » opgenomen zijn in het statutaire doel van de verzoekende partijen. A.6. De Vlaamse Regering antwoordt dat de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht de andere bestreden bepalingen dan de artikelen 16 en 24 van het decreet van 19 juli 2018 ongrondwettig zouden zijn. De coherentie en de leesbaarheid van de wetgevende teksten in geval van vernietiging van de voornoemde artikelen 16 en 24 moeten worden verzekerd door de wetgever en zijn geen relevant criterium om de omvang van de toetsing door het Hof te bepalen. Ten gronde Wat het eerste middel betreft A.7.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel, dat is gericht tegen artikel 16 van het decreet van 19 juli 2018, af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, de artikelen 2, 3, lid 3, tweede alinea, en 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.7.2. In een eerste onderdeel stellen ze dat het bestreden artikel 16 van het decreet van 19 juli 2018, zonder redelijke verantwoording, voorziet in een gedifferentieerde aanleg van de slimme meters. De in de parlementaire voorbereiding aangevoerde verantwoording, is niet overtuigend. Ten eerste is het onjuist te beweren dat de vervanging van een aanwezige elektriciteitsmeter door een slimme meter een hypothese is die wordt beoogd door de richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 « betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG ». Ten tweede is het weinig geloofwaardig te stellen dat de vervanging van de budgetmeters door slimme elektriciteitsmeter dient te gebeuren omdat de fabrikant van budgetmeters zijn productie heeft stopgezet. Ten derde is evenmin aangetoond dat de gebruikers die meer dan 6 000 kWh per jaar verbruiken, zij die over een installatie beschikken die meer dan 5 kWe stroom produceert of zij die zich tot een publiek toegankelijk oplaadpunt wenden, mogelijk meer baat hebben bij een slimme meter dan andere gebruikers. Indien de nagestreefde doelstelling erin bestaat een grotere energie-efficiëntie te bereiken en de gebruiker in staat te stellen een actor te zijn op de energiemarkt, ziet men niet in waarom de aanleg van slimme meters niet voor alle gebruikers van toepassing zou zijn. Ten vierde is er geen enkele bepaling die de gefaseerde aanleg van de slimme meters regelt, waarbij de organisatie van die aanleg wordt overgelaten aan de distributienetbeheerder. A.7.3. In een tweede onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat de bestreden bepaling de plaatsing van een slimme meter verplicht stelt voor bepaalde gebruikers, op het gevaar of dat zij hun toegang tot het net verliezen. Een dergelijke uitsluiting van de toegang tot het net is ontoelaatbaar, aangezien de levering van elektriciteit een dienst van openbaar nut vormt en niet gelijk is aan de meting van de geleverde elektriciteit. De burgers die de installatie van een slimme meter weigeren, genieten dus niet meer de meest elementaire rechten, zoals het recht een menswaardig leven te leiden. De motivering die wordt gegeven in de parlementaire voorbereiding, namelijk de aanleg van de slimme meters niet te willen belemmeren, verantwoordt de schending van dit grondrecht en van het beginsel van de gelijke behandeling niet. 5 A.8.1. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel is de Waalse Regering van mening dat er geen verschil in behandeling tussen de netgebruikers bestaat. Immers, iedere gebruiker kan op eenvoudig verzoek een slimme meter geplaatst krijgen. Bovendien is het eventuele verschil in behandeling slechts van tijdelijke aard, aangezien het de bedoeling is de aanleg van de slimme meters uit te breiden naar de andere categorieën van gebruikers. A.8.2. De Waalse Regering voert vervolgens aan dat de verschillende categorieën van gebruikers zich niet in vergelijkbare situaties bevinden. Immers, de klanten waarvan het jaarlijkse verbruik meer dan 6 000 kWh bedraagt, hebben er belang bij te beschikken over middelen die bestemd zijn om hun verbruik te verminderen of aan te passen teneinde hun uitgaven te beperken. Ook de netgebruikers die beschikken over een installatie voor elektriciteitsproductie met een vermogen van meer dan 5 kWe, hebben er belang bij hun verbruik aan te passen aan hun productie. De verschillende categorieën van netgebruikers hebben dus verschillende verbruiks- en productieprofielen, zodat die categorieën niet hetzelfde voordeel halen uit de slimme meetsystemen en niet dezelfde invloed hebben op het distributienetbeheer. Een differentiatie in de uitroltermijnen is derhalve verantwoord. A.8.3.1. De Waalse Regering stelt vervolgens dat de criteria op basis waarvan wordt gedifferentieerd tussen de gebruikers, objectief, redelijk en proportioneel zijn. Niet alleen beschikken de distributienetbeheerders over een beperkte bewegingsvrijheid bij de planning van de aanleg van de slimme meters, bovendien heeft de wetgever, met de doelstelling van 80 % slimme meters aan te leggen bij bepaalde gebruikers, gestreefd naar een evenwicht tussen de effectieve aanleg van de slimme meters en de beheersing van de kosten die voortvloeien uit die aanleg. Daarom werd de voorkeur gegeven aan een progressief systeem. Een algemene aanleg zou minder proportioneel zijn geweest, want die zou voorbijgaan aan het feit dat niet alle gebruikers evenveel belang hebben bij het bezit van een slimme meter. Bovendien is het mogelijk af te wijken van de verplichting een slimme meter te installeren. Het proportionele karakter van de meting wordt ten slotte verzekerd door de oprichting van een opvolgingscomité dat moet antwoorden op de vragen van de betrokken actoren. A.8.3.2. Wat betreft de situaties waarin een slimme meter systematisch moet worden geïnstalleerd vanaf 1 januari 2023, zijn de bestreden bepalingen proportioneel aan het nagestreefde doel. Om te beginnen onderscheidt het feit dat een residentiële afnemer in wanbetaling de installatie van een slimme meter moet aanvaarden, zich niet van de voorafgaande situatie, waarin zo'n afnemer de installatie van een budgetmeter moest aanvaarden. De budgetmeter is trouwens gedoemd om te verdwijnen omdat de fabrikant zijn productie heeft stopgezet. Verder zou het indruisen tegen de beginselen van behoorlijk bestuur en bescherming van het milieu, alle elektromechanische meters tegelijkertijd te vervangen. Het is daarentegen proportioneel alleen die meters te vervangen die het einde van hun levensduur bereikt hebben of die defect zijn. Wat betreft de installatie van een slimme meter in geval van een nieuwe aansluiting, is het niet zo dat de gebruiker gedwongen wordt af te zien van een bestaande elektromechanische meter. De aan iedere gebruiker verleende mogelijkheid om de installatie van een slimme meter te vragen, is een recht dat wordt gegarandeerd door artikel 21 van de nieuwe richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG ». A.8.4. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel is de Waalse Regering van mening dat het Hof nog niet het bestaan heeft erkend van een recht op energievoorziening op grond van artikel 23 van de Grondwet. Hoe dan ook, in plaats van het beschermingsniveau van de netgebruikers te verminderen, kennen de bestreden bepalingen hun nieuwe rechten en voordelen toe. Enerzijds moet het net nog altijd voldoen aan verscheidene verplichte technische normen en het decreet van 19 juli 2018 wijkt niet af van de procedures en waarborgen die voorafgaan aan de eventuele ontkoppeling van een netgebruiker. Anderzijds verbetert de aanleg van slimme meters de situatie van de gebruikers, door de kwaliteit van de door de distributienetbeheerders geleverde diensten te verbeteren, door een duidelijkere facturering mogelijk te maken en door de netbeheerders een beter inzicht in de elektriciteitsstromen te geven, wat van essentieel belang is voor de ontwikkeling van de elektromobiliteit en de gedecentraliseerde hernieuwbare energiebronnen. Hoe dan ook, de productie van elektromechanische meters en budgetmeters zal geleidelijk aan verdwijnen om plaats te maken voor de slimme meters, zodanig dat de netgebruikers uitrusten met slimme meters, de enige manier is om hun toegang tot het net te garanderen. A.9.1. De Vlaamse Regering is van mening dat het eerste middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarbij dit artikel een bijkomstig karakter heeft, en uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, maar waarbij niet wordt aangetoond in welk opzicht die grondwettelijke bepaling zou zijn geschonden. 6 A.9.2. De Vlaamse Regering stelt verder dat het eerste onderdeel van het middel ongegrond is. Het aangeklaagde verschil in behandeling bestaat niet, aangezien iedere netgebruiker kan verzoeken om de installatie van een slimme meter. Hoe dan ook zou het gaan om een tijdelijk verschil, aangezien het decreet van 19 juli 2018 tot doel heeft alle gebruikers te voorzien van een slimme meter. A.9.3. Volgens de Vlaamse Regering is er ook geen sprake van een schending van artikel 9 van de richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 « betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG », omdat punt

  1. a)van die bepaling uitdrukkelijk bepaalt dat een bestaande meter vervangen kan worden door een slimme meter. Hoe dan ook kunnen de lidstaten in andere hypothesen voor de plaatsing van een slimme meter voorzien dan die welke worden beoogde in de richtlijn 2012/27/EU. Verder is het argument dat de productie van budgetmeters zal worden stopgezet in 2020 slechts een van de argumenten die de vervanging van budgetmeters door slimme meters verantwoorden. De slimme meters kunnen technisch gezien dezelfde functies bieden als de budgetmeters, zodat beslist kan worden tot de vervanging van die meters om het hoofddoel te verwezenlijken, namelijk te voldoen aan de op Europees niveau vastgelegde verplichtingen tot aanleg van slimme meters. Tot slot hebben de verzoekende partijen er geen belang bij te stellen dat de budgetmeters moeten blijven bestaan, aangezien ze zelf geen budgetmeter hebben. De kritiek is ook niet gegrond omdat het systeem van de budgetmeters zijn nut heeft bewezen en de beslissing ervan af te zien, een beleidskeuze is die niet door het Hof kan worden afgekeurd. A.9.4. De Vlaamse Regering voert nog aan dat het aangeklaagde verschil in behandeling berust op objectieve criteria, namelijk het verbruiksvolume, de productiecapaciteit en het openbare karakter van het oplaadpunt. Het verschil in behandeling is overigens redelijkerwijs verantwoord. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met de geleidelijke invoering van de meters een evenwichtig akkoord beoogt tussen de belangen van de voorstanders en de tegenstanders van de aanleg van slimme meters. Het is niet disproportioneel dat een nieuwe norm die een aanzienlijke invloed kan hebben op de gezinnen en de bedrijven, niet algemeen wordt ingevoerd maar eerst wordt gereserveerd voor zij die het meest belang hebben bij de voordelen van het nieuwe systeem. In het kader van de stapsgewijze invoering van de slimme meters heeft de decreetgever gehandeld na een gunstig advies te hebben ontvangen van de « Commission wallonne pour l'Énergie » (Waalse Commissie voor Energie, hierna : « CWaPE ») en van Synergrid, de Federatie van de Elektriciteits- en Gasnetbeheerders in België, in overeenstemming met de richtlijn 2009/72/EG van 13 juli 2009 van het Europees Parlement en de Raad « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG », en gebruikmakend van een ruime beoordelingsmarge in een kwestie met een aanzienlijke budgettaire impact. Tot slot is er tegenspraak tussen het eerste onderdeel van het eerste middel en het derde middel. A.9.5. De Vlaamse Regering stelt vervolgens dat het tweede onderdeel van het eerste middel niet gegrond is. De bestreden bepaling voorziet niet in een ontzegging van de toegang tot het net. Ze legt slechts de technische voorschriften vast voor de uitrusting die toegang tot het net mogelijk maakt. Voor sommige netgebruikers is de toegang tot het net voortaan gekoppeld aan de installatie van een slimme meter. Dezelfde redenering geldt overigens wat betreft de regels uit het technisch reglement voor het beheer van en de toegang tot het net. Wie die regels niet in acht neemt, beschikt natuurlijk wel over een recht van toegang tot het net, maar de uitoefening van dat recht kan worden geweigerd omdat het genot van dat recht ondergeschikt is aan de inachtneming van de technische regels. A.9.6. Volgens de Vlaamse Regering is de verplichting in te stemmen met de plaatsing van een slimme meter, niet disproportioneel, omdat ze het Waalse Gewest in staat stelt de door de Europese Unie opgelegde doelstelling te bereiken, namelijk het invoeren van slimme meters. Die aanvaardingsverplichting ligt in het verlengde van de bevoegdheid van de autoriteiten om tot de aanleg van slimme meters te beslissen. Dat betekent niet dat de gebruiker ook de commerciële functies van de slimme meters moet aanvaarden. A.9.7. De Vlaamse Regering is overigens van mening dat de slimme meters geen ongemakken voor de gebruikers met zich brengen, behalve voor zij die intolerant zijn aan slimme meters, voor wie een afwijking bestaat van de verplichting de plaatsing van de meter te aanvaarden. Omgekeerd zijn er talrijke voordelen voor de maatschappij, met name de optimale werking van het elektriciteitsnet en interessantere commerciële voorwaarden voor de gebruiker. Bovendien biedt het decreet van 19 juli 2018 voldoende bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bevat het een afwijking voor personen met een intolerantieprobleem en voorziet het in de oprichting van een opvolgingscomité. Tot slot hebben noch de CWaPE, noch de afdeling wetgeving van de Raad van State de verplichte installatie van slimme meters in bepaalde gevallen bekritiseerd. Daaruit volgt dat het verschil in behandeling berust op een objectief, relevant en proportioneel criterium. 7 A.9.8. De Vlaamse Regering concludeert dat het middel niet gegrond is. A.10.1. De verzoekende partijen antwoorden met betrekking tot het eerste onderdeel dat de kritiek geen betrekking heeft op het feit dat in de aanleg van de slimme meters niet is voorzien voor alle netgebruikers, maar op het feit dat het verschil in behandeling tussen de categorieën netgebruikers niet berust op een objectief criterium en niet redelijkerwijs verantwoord is. A.10.2. De verzoekende partijen antwoorden verder dat de Waalse Regering, door te bevestigen dat iedere gebruiker om de installatie van een slimme meter kan verzoeken, komaf maakt met een - nochtans manifest - verschil in behandeling, tussen de gebruikers aan wie de installatie van een slimme meter wordt opgelegd en zij die erom kunnen verzoeken. Er zou echter geen discriminatie zijn als alle gebruikers de vrijheid geboden werd om de installatie van een slimme meter te verzoeken. Het omgekeerde geval, dit wil zeggen de ongelijkheid van behandeling uitbannen door de slimme meters bij alle gebruikers tegelijkertijd te installeren, is technisch, financieel en temporeel niet mogelijk, te meer daar de opname van nieuwe prioritaire segmenten of sectoren in het aanlegplan afhangt van de distributienetbeheerders. A.10.3. De verzoekende partijen antwoorden vervolgens dat ze niet begrijpen waarom de doelstellingen die worden nagestreefd met de maatregel van aanleg van slimme meters, bij voorkeur moeten worden bereikt door « grootverbruikers », in plaats van door alle gebruikers. Alle netgebruikers bevinden zich nochtans in dezelfde situatie ten aanzien van die doelstellingen. A.10.4. De verzoekende partijen antwoorden verder nog dat volgens de Waalse Regering de aanleg van de slimme meters via prioritaire segmenten verantwoord is voor zover een dergelijke aanleg het mogelijk maakt « de kostprijs die wordt doorberekend aan de gebruikers », te handhaven. Nog steeds volgens de stelling van de Waalse Regering zouden alleen de grootverbruikers in staat zijn een dergelijke kostprijs te dragen, wat hun prioritering verantwoordt. Daarin schuilt een paradox, aangezien er ten aanzien van de gewone consument geen redenen zijn waarom het bij een uitgestelde installatie van de slimme meters beter mogelijk zou zijn de kostprijs door te berekenen dan bij een gelijktijdige aanleg. De doeleinden van de aanleg gelden voor alle consumenten. Het paradoxale van die situatie blijkt nog duidelijker voor afnemers in wanbetaling die al een budgetmeter hebben. Niet alleen is het een misleidend argument dat de vervaardiging van die meters stopgezet wordt, er is ook geen enkele Europese regel die verplicht tot plaatsing van een slimme meter bij vervanging van een meter die het einde van zijn levensduur heeft bereikt of defect is. A.10.5. Ten aanzien van het tweede onderdeel antwoorden de verzoekende partijen dat de Waalse Regering voorbijgaat aan het feit dat de plaatsing van de slimme meters vaak netgebruikers beoogt die beschikken over een analoge meter die zijn functie vervult. Bij weigering van de plaatsing van een slimme meter bestaat de sanctie niet alleen erin dat een nieuwe intelligente meter wordt ontzegd, maar ook de bestaande en functionele elektromechanische meter. A.10.6. De verzoekende partijen antwoorden vervolgens dat de vermoede voordelen van de slimme meters getuigen van een slecht gefundeerde mening. Ten slotte is de stopzetting van de vervaardiging van de elektromechanische meters slechts het antwoord op de beslissing van de autoriteiten om een nieuw type meter op te leggen. A.11.1. Ten aanzien van het eerste onderdeel antwoordt de Waalse Regering dat het naast elkaar bestaan van een dwingende en een vrijwillige regeling in het raam van de installatie van de slimme meters, in overeenstemming is met artikel 21 van de richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU ». Bovendien zijn het voordeel van intelligente meetsystemen en de weerslag op het distributienetbeheer niet voor alle netgebruikers gelijk. Die verschillende situaties verantwoorden dat het Waalse Gewest voorziet in een verschillend aanlegtempo voor de verschillende categorieën gebruikers. De beoordelingsmarge waarover de netbeheerders beschikken voor de aanleg van de slimme meters is trouwens sterk afgebakend. A.11.2. Paradoxaal genoeg stellen de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord dat de gelijktijdige installatie van slimme meters bij alle gebruikers technisch, financieel en temporeel onmogelijk zou zijn. De gefaseerde aanleg op basis van de prioritaire categorieën gebruikers zou dus de enige manier zijn om het nagestreefde doel te bereiken. 8 A.11.3. Bovendien zijn de gekozen drempelwaarden van 6 000 kWh en 5 kWe, om de prioritaire categorieën te bepalen, redelijk en proportioneel. Die drempelwaarden werden in het Parlement besproken en werden gesuggereerd door de deskundigen, na vergelijking met andere gewesten en landen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, staat het niet aan de Waalse regulator, zijnde de CWaPE, nieuwe prioritaire segmenten op te nemen in het aanlegplan van de netbeheerders. De regulator moet jaarlijks een verslag over de aanleg van slimme meters publiceren en de mogelijkheid nieuwe prioritaire segmenten op te nemen, onderzoeken. De verplichting een meter te vervangen die het einde van zijn levensduur bereikt heeft of defect is, is ten slotte slechts de omzetting van artikel 9, lid 1, a), van de richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 « betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG ». A.11.4. Ten aanzien van het tweede onderdeel antwoordt de Waalse Regering dat de verzoekende partijen in de eerste plaats geen rekening houden met het feit dat het decreet van 19 juli 2018 niet in de eerste plaats tot doel heeft slimme meters op te leggen en dat het veeleer een kader wil bieden voor de aanleg ervan, wat een algemene tendens is op de markt en bij ontstentenis van enig decreet volledig in handen zou zijn van de netbeheerders. In de tweede plaats verliezen de verzoekende partijen uit het oog dat de markten waarop de meterfabrikanten actief zijn, verder reiken dan alleen de Waalse en Belgische markten. A.12. De Vlaamse Regering antwoordt dat de gebruikers die zich in een prioritair segment bevinden, niet vergelijkbaar zijn met de gebruikers die daar niet toe behoren. Ook al zouden ze vergelijkbaar zijn, de Vlaamse Regering heeft bovendien al aangetoond dat het Europees recht een gespreide aanleg van de slimme meters toelaat, zodanig dat er niet de minste discriminatie kan bestaan. Wat het tweede middel betreft A.13.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel, dat is gericht tegen artikel 24 van het decreet van 19 juli 2018 af uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 2, 3, lid 2, en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de artikelen 5, 6 en 13 van de richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 « betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffen privacy en elektronische communicatie) » en de artikelen 5, 6, 7, 17, 18, 21, 22 en 32 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). A.13.2. De verzoekende partijen stellen dat de bestreden bepaling niet in overeenstemming is met de AVG om drie redenen. A.13.3.1. Ten eerste staat de bestreden bepaling toe dat de distributienetbeheerder de informatie van de slimme meters verwerkt om zijn wettelijke of reglementaire opdrachten uit te voeren, terwijl de AVG in de mogelijkheid om die informatie te gebruiken enkel voorziet om de naleving te verzekeren van een wettelijke verplichting waaraan de verwerkingsverantwoordelijke is onderworpen. De wettelijke of reglementaire opdracht van de distributienetbeheerder kan evenwel ruimer zijn dan de wettelijke verplichting inzake gegevensverwerking, zodat de toestemming die aan de distributienetbeheerder wordt gegeven om persoonsgegevens te verwerken, te ruim is. A.13.3.2. Ten tweede staat de bestreden bepaling toe dat de persoonsgegevens langer opgeslagen worden dan de termijn van vijf jaar waarin de AVG voorziet, zonder dat er voorzien wordt in een recht op wissing gedurende die periode. A.13.3.3. Ten derde staat de bestreden bepaling toe dat de informatie afkomstig van een slimme meter wordt meegedeeld aan een onderaannemer van de verwerkingsverantwoordelijke, terwijl het begrip « onderaannemer » vaag is. Het feit dat de « onderaannemer » namens en voor rekening van de distributienetbeheerder moet handelen, verandert niets daaraan. 9 A.14.1. De Waalse Regering stelt dat dat middel in werkelijkheid alleen artikel 24 van het decreet van 19 juli 2018 beoogt, zodat het niet ontvankelijk is voor zover het andere bepalingen van hetzelfde decreet beoogt. Verder blijkt uit de uiteenzetting van het middel dat alleen de artikelen 5, 6 en 17 van de AVG geschonden zouden zijn. Het middel is aldus niet ontvankelijk voor zover het is afgeleid uit de schending van andere referentienormen. A.14.2. Volgens de Waalse Regering is de eerste grief van de verzoekende partijen niet gegrond, aangezien die op het verkeerde uitgangspunt berust dat artikel 35septies, § 2, tweede lid 2, van het decreet van 12 april 2001 « betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt », ingevoegd door artikel 24 van het decreet van 19 juli 2018, tot doel zou hebben de wettelijke basis voor de verwerking in de zin van artikel 6 van de AVG vast te leggen. In werkelijkheid heeft de bestreden bepaling evenwel tot doel de doeleinden te identificeren waarvoor de gegevensverwerking kan worden uitgevoerd door de distributienetbeheerder, namelijk ofwel om de wettelijke of reglementaire opdrachten van laatstgenoemde uit te voeren, ofwel om een andere legitieme opdracht te vervullen. De bepaling heeft derhalve geen betrekking op de rechtmatigheid van de gegevensverwerking maar wel op het doel van die verwerking. A.14.3. De Waalse Regering verklaart verder dat, indien de gewestelijke wetgever de toegelaten verwerkingsdoeleinden niet had gedefinieerd teneinde de betrokken personen beter te beschermen, iedere distributienetbeheerder de vrijheid zou hebben gehad die doeleinden te kunnen bepalen. Slechts wanneer ze de gegevens verwerken voor andere doeleinden dan de uitvoering van hun wettelijke of reglementaire opdrachten, moeten de distributienetbeheerders de toestemming van de betrokken persoon verkrijgen. De bestreden bepaling beperkt enkel de toegelaten doeleinden, maar heeft niet de wettelijke basis voor de verwerking willen preciseren. De bewering dat de netbeheerders een ruimere toestemming hebben gekregen dan datgene wat is toegestaan in de AVG, is derhalve onjuist. A.14.4. Ten aanzien van de grief met betrekking tot de « wettelijke of reglementaire opdrachten » van de distributienetbeheerders moet volgens de Waalse Regering de bestreden bepaling opnieuw in haar context worden gezien. Daaruit volgt dat de distributienetbeheerders de verplichtingen moeten nakomen in het kader van de aanleg en het beheer van de slimme meter als openbare dienstverplichting, die hun bij decreet is opgelegd. A.14.5. De Waalse Regering is van mening dat met betrekking tot de bewaringstermijn van de gegevens en het recht van uitwissing de grief op een verkeerde interpretatie van de AVG berust. Daarin worden de kwestie van de bepaling van de bewaringstermijn en die van de uitoefening, tijdens die periode, van de rechten door de betrokken personen, waaronder het recht op uitwissing afzonderlijk behandeld. De verplichting van de distributienetbeheerder om met het oog op de doeleinden van de verwerking een bewaringstermijn van de gegevens vast te leggen, en de betrokken personen daarvan te informeren, is niet gelijk aan zijn verplichting toe te staan dat die personen hun rechten uitoefenen tijdens die periode. De gewestelijke wetgever is niet afgeweken van die beginselen. Hij heeft de maximale duur van de bewaringstermijn van de gegevens gereglementeerd en een motiveringsplicht opgelegd in geval van afwijking, om te voorkomen dat de distributienetbeheerders andere bewaringstermijnen vastleggen. Niets wijst erop dat de decreetgever zodoende zou hebben uitgesloten dat de betrokken personen een van hun rechten uitoefenen tijdens de maximale bewaringstermijn. A.14.6. Volgens de Waalse Regering is de grief met betrekking tot de doorgifte van informatie aan onderaannemers niet gegrond. In de hypothese waarin de verwerkingsverantwoordelijke een beroep doet op een onderaannemer is immers uitdrukkelijk voorzien in de AVG. Evenzo is het begrip « onderaannemer » niet vaag, omdat het overeenstemt met dat in de AVG. Het feit dat er niet gepreciseerd wordt welk type handelingen de onderaannemer kan stellen namens en voor rekening van de distributienetbeheerder, schendt niet de artikelen 5 en 6 van de AVG. Immers, het is duidelijk dat de onderaannemer slechts de handelingen kan stellen die de distributienetbeheerder zelf kan stellen en die gespecificeerd zijn. A.15.1. De Vlaamse Regering merkt op dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van het middel voor zover het is afgeleid uit de schending van de artikelen 2, 3, lid 2, en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de artikelen 5, 6 en 13 van de voormelde richtlijn 2002/58/EG en de artikelen 7, 18, 21, 22 en 32 van de AVG, aangezien het Hof ertoe geroepen is het decreet van 19 juli 2018 rechtstreeks te toetsen aan die bepalingen. Het beroep is trouwens deels niet ontvankelijk aangezien de verzoekende partijen alleen voor de artikelen 5, 6 en 17 van de AVG aangeven in welk opzicht er een schending zou zijn, maar niet voor de andere in het middel bedoelde bepalingen. A.15.2. De Vlaamse Regering stelt vervolgens dat het middel niet gegrond is. 10 A.15.3.1. Ten eerste preciseert het bestreden artikel 24 van het decreet van 19 juli 2018 het doel van de gegevensverwerking door de distributienetbeheerder, namelijk de uitvoering van diens wettelijke en reglementaire opdrachten. De in het geding zijnde gegevensverwerking vindt derhalve haar rechtsgrondslag in artikel 6, lid 1, b),
  2. c)en e), van de AVG. A.15.3.2. Ten tweede genieten alle netgebruikers het recht op uitwissing van gegevens, doordat de AVG rechtstreeks van toepassing is, ook al is dat niet uitdrukkelijk bepaald in het decreet van 19 juli 2018. Verder zijn de bepalingen van het decreet betreffende de bewaringstermijng van de gegevens in overeenstemming met de regels van de AVG. A.15.3.3. Ten derde is een onderaannemer die namens en voor rekening van de verwerkingsverantwoordelijke handelt, een concept dat gedefinieerd wordt in de AVG. Er kan niet alleen rechtmatig een beroep worden gedaan op een onderaannemer in het geval bedoeld in artikel 6, lid 1, a), van de AVG, maar ook om een van de andere vijf redenen die worden opgesomd in artikel 6, lid 1, van de AVG. A.16.1. De verzoekende partijen antwoorden dat de bepalingen van het decreet van 19 juli 2018 betreffende de eerbiediging van het privéleven niet volgens rubrieken georganiseerd zijn die gelijklopend zijn met die van de AVG. De formulering van artikel 35septies, § 2, tweede lid, van het decreet van 12 april 2001, ingevoegd door het bestreden artikel 24 van het decreet van 19 juli 2018, verwijst evenwel duidelijk naar artikel 6, lid 1, c), van de AVG. De bestreden bepaling moet dus niet in verband worden gebracht met artikel 5 van de AVG maar wel met artikel 6 van de AVG. A.16.2. Ten aanzien van het recht op uitwissing antwoorden de verzoekende partijen dat, zolang de bewaring van de gegevens nodig is krachtens het voormelde artikel 24, die gegevens niet kunnen worden uitgewist. Aldus kan de bewaring van de gegevens onbeperkt gehandhaafd blijven zolang de netbeheerder de verplichting heeft die gegevens te bewaren voor de vervulling van zijn opdrachten, wat algemeen en weinig uitdrukkelijk verwoord is. De bepalingen van het decreet van 19 juli 2018 doen dus het recht op uitwissing van de gegevens uitslijten. A.16.3. De verzoekende partijen antwoorden nog dat de bestreden bepaling niet verwijst naar de specifieke opdracht van de onderaannemers, in tegenstelling tot de AVG. Er wordt geenszins gepreciseerd welk type opdracht kan worden toevertrouwd aan de onderaannemers. Het begrip « onderaannemer » in het decreet van 19 juli 2018 is dus veel ruimer dan het begrip dat in de AVG wordt gebruikt. A.17.1. De Waalse Regering antwoordt dat de bestreden bepalingen niet onlosmakelijk verbonden zijn met het bestreden artikel 24 van het decreet van 19 juli 2018. A.17.2. Ze gaat vervolgens verder en verklaart dat de tekst van artikel 35septies, § 2, tweede lid, van het decreet van 12 april 2001 het mogelijk maakt die bepaling ondubbelzinnig in verband te brengen met artikel 5 van de AVG, dat de doeleinden van de verwerking betreft, en niet met artikel 6 van diezelfde verordening, dat de rechtmatigheid van de verwerking betreft. De uitwissing van de gegevens kan overigens worden gevraagd om verschillende redenen en niet alleen als de persoonsgegevens niet meer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor ze werden verzameld of op een andere manier verwerkt. Het feit dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht wordt een bewaringstermijn vast te leggen, afhankelijk van wat nodig is voor het bereiken van de nagestreefde doeleinden, sluit niet uit dat een betrokken persoon zijn recht op uitwissing uitoefent. Indien de persoon bewijst dat de gegevens niet meer nodig zijn voor de verwezenlijking van de doeleinden, kan hij zijn recht op uitwissing doen gelden, zelfs indien de bewaringstermijn nog loopt. Bij lezing van artikel 35septies, § 2, derde lid, van het decreet van 12 april 2001 blijkt overigens dat het bestreden artikel 24 niet toestaat de gegevens onbeperkt te bewaren zonder te voorzien in de mogelijkheid van uitwissing ervan. De netbeheerder heeft de mogelijkheid de persoonsgegevens langer te bewaren dan de maximale termijn van vijf jaar, maar dat veronderstelt dat de beheerder de gekozen termijn motiveert ten aanzien van de verplichting zijn opdrachten te vervullen. « Opdracht » is geen vaag begrip. De mogelijkheid die de netbeheerder heeft om de maximale bewaringstermijn te overschrijden, ontzegt de betrokken persoon evenmin zijn recht om tijdens die termijn zijn recht op uitwissing uit te oefenen. A.17.3. De Waalse Regering legt ten slotte uit dat het begrip « onderaannemer » niet vaag is en dat het verkeerd is te beweren dat de AVG « verwerker » uitsluitend zou definiëren met verwijzing naar de dienst die of het orgaan dat persoonsgegevens verwerkt. 11 A.18.1. De Vlaamse Regering antwoordt dat de bewoordingen « om zijn wettelijke of reglementaire opdrachten uit te voeren » verwijzen naar het doeleinde en niet naar de rechtmatigheid van de verwerking, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren. De bewering van de verzoekende partijen dat de verwerking slechts rechtmatig is als ze noodzakelijk is om te voldoen aan de wettelijke verplichting waaraan de verwerkingsverantwoordelijke onderworpen is, steunt niet op de tekst van het decreet en is in strijd me de parlementaire voorbereiding. A.18.2. De Vlaamse Regering antwoordt nog dat de verzoekende partijen proberen verwarring te zaaien door het recht op uitwissing te verbinden met de bewaringstermijn. De AVG legt slechts het beginsel vast dat persoonsgegevens niet langer mogen worden bewaard dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Indien de verwerkingsverantwoordelijke kan aantonen dat een langere bewaringstermijn vereist is, voldoet hij aan de verplichtingen die krachtens de AVG op hem rusten. Het recht op uitwissing van de betrokken persoon blijft evenwel intact. A.18.3. De Vlaamse Regering antwoordt ten slotte dat de definitie van « verwerker » in de AVG directe werking in de interne rechtsorde heeft. Het is niet vereist dat het gaat om een gespecialiseerd operator, zoals blijkt uit de standpunten die zijn goedgekeurd door de « Werkgroep artikel 29 » en de Gegevensbeschermingsautoriteit. De definitie van « onderaannemer » in het decreet van 19 juli 2018 en die van « verwerker » in de AVG stemmen dus overeen. Wat het derde middel betreft A.19.1. De verzoekende partijen leiden een derde middel, gericht tegen artikel 16 van het decreet van 19 juli 2018, af uit de schending van artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het « voorzorgs- en standstill-beginsel ». A.19.2. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat er geen criteria bepaald zijn waaraan men moet voldoen om zich geldig te beroepen op een intolerantie voor elektromagnetische golven om de installatie van een slimme meter te weigeren. Er is dus geen enkele waarborg dat de gezondheid van de gebruikers die aan een dergelijke intolerantie lijden, beschermd zal zijn. De bestreden bepaling machtigt de Regering ertoe de procedure te bepalen alsook de maatregelen die de distributienetbeheerder moet nemen, maar niet de objectiveringscriteria voor het intolerantieprobleem. De netbeheerder beschikt dus over de grootst mogelijke vrijheid in dit opzicht, zonder dat er controle mogelijk is. Bovendien lijden niet alleen elektrohypersensitieve personen gezondheidsschade, maar ook alle personen die worden blootgesteld aan de golven. De bestreden bepaling betekent dus een aanzienlijke achteruitgang van het beschermingsniveau dat wordt geboden op het gebied van de bescherming van een gezond leefmilieu, zonder dat die achteruitgang op motieven van algemeen belang steunt. Tot slot valt te vrezen dat de objectiveringscriteria die uiteindelijk zullen worden toegepast, het nagenoeg onmogelijk zullen maken te ontsnappen aan de verplichting de installatie van een slimme meter te aanvaarden. A.19.3. In een tweede onderdeel merken de verzoekende partijen op dat noch in de tekst van het decreet van 19 juli 2018, noch in de parlementaire voorbereiding gewag wordt gemaakt van de « brandveiligheid » van de slimme meters, aangezien er alleen sprake is van de « operationele veiligheid van het net ». De kans dat een slimme meter een brand veroorzaakt, is evenwel reëel. Bij gebrek aan verantwoording en technische validering van de slimme meters inzake de bescherming tegen brand, houdt de aanleg van die meters dus een groot risico in voor de gebruikers. Bovendien kan de aanleg van de slimme meters niet beperkt worden op basis van een criterium dat verband houdt met het brandgevaar. A.20.1. De Waalse Regering stelt in hoofdorde dat het middel niet ontvankelijk is. A.20.2. Enerzijds geven de verzoekende partijen niet duidelijk aan welke bepalingen van het decreet van 19 juli 2018 de in het middel beoogde bepalingen zouden schenden. Ze leggen overigens niet uit in welk opzicht artikel 16 van dat decreet zou indruisen tegen artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 12 Anderzijds betreffen de grieven van de verzoekende partijen technische normen waaraan de slimme meters moeten voldoen. Welnu, consumentenbescherming en de veiligheid van producten en diensten zijn materies die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen. De decreetgever heeft dus niet de bevoegdheid om het in de handel brengen van een bepaald product te verbieden. De veiligheidsnormen voor de slimme meters zijn trouwens vastgelegd in de richtlijn 2014/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 « betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit (herschikking) », ten uitvoer gelegd door het koninklijk besluit van 15 april 2016 « betreffende meetinstrumenten ». A.20.3. Subsidiair voert de Waalse Regering aan dat het decreet van 19 juli 2018 de fundamentele beginselen respecteert die samenhangen met het recht op gezondheid en op de bescherming van een gezond leefmilieu. De decreetgever heeft rekening gehouden met de stand van het wetenschappelijk onderzoek. Er is momenteel geen wetenschappelijke basis die het mogelijk maakt de symptomen van elektrohypersensitiviteit in verband te brengen met de blootstelling aan elektromagnetische velden. De decreetgever heeft evenwel, op basis van het voorzorgsbeginsel, voor personen die intolerant zijn voor de desbetreffende meters, voorzien in een mogelijkheid om af te wijken van de installatie ervan, met name om rekening te houden met de bezorgdheid die naar voren werd gebracht tijdens de parlementaire voorbereiding. A.20.4.1. Met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel is de Waalse Regering van mening dat de verzoekende partijen een legaliteitskritiek formuleren. Het Hof is echter niet bevoegd om te controleren of de decreetgever alle essentiële elementen heeft vastgelegd in het decreet van 19 juli 2018, een verplichting die niet valt onder artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet. Vervolgens staat het aan de Waalse Regering om de procedure en de door de distributienetbeheerder te nemen maatregelen te bepalen, onder toezicht van de gewone rechter en de Raad van State, maar niet van het Hof. Hoe dan ook is de decreetgever niet bevoegd om de erkenningsvoorwaarden van die intolerantie en de technische normen van de slimme meters vast te leggen. A.20.4.2. De Waalse Regering voert vervolgens het argument aan dat de grief met betrekking tot de vermeende schending van het voorzorgsbeginsel op een verkeerde lezing van het bestreden artikel 16 van het decreet van 19 juli 2018 berust, aangezien de afwijking van de installatie van slimme meters precies is ingevoerd krachtens het voorzorgsbeginsel. A.20.4.3. Ten aanzien van de vermeende schending van de standstill-verplichting merkt de Waalse Regering op dat de verzoekende partijen geen enkele vergelijking maken tussen een betwiste norm en een basisnorm, die niet geïdentificeerd werd. Hoe dan ook is er geen achteruitgang van het geboden beschermingsniveau, omdat de wetenschappelijke studies geen enkel verband aantonen tussen elektrohypersensitiviteitsklachten en de blootstelling aan elektromagnetische velden. De verzoekende partijen leveren niet het bewijs van het tegendeel. A.20.4.4. De Waalse Regering merkt tot slot op dat het tegenstrijdig is enerzijds te bekritiseren dat gebruikers die niet lijden aan een intolerantie, niet de mogelijkheid hebben de plaatsing van een slimme meter te weigeren, en anderzijds, zoals in het eerste middel, te stellen dat de decreetgever de installatie van slimme meters onmiddellijk had moeten opleggen aan iedereen. A.20.5.1. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel herinnert de Waalse Regering eraan dat het niet ontvankelijk is in zoverre de verzoekende partijen niet aangeven welke bepalingen van het decreet bedoeld worden en in zoverre ze een legaliteitskritiek formuleren. Het tweede onderdeel is trouwens niet gegrond, omdat het de federale wetgeving inzake consumentenbescherming, productnormen en brandveiligheid in het gedrang brengt. Er bestaat ook geen wetenschappelijk bewijs in verband met het eventuele brandgevaar. A.21.1. Volgens de Vlaamse Regering is het middel deels niet ontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op de schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het « voorzorgs- en standstill-beginsel ». Het Hof dient na te gaan of die bepalingen geschonden worden, zonder dat die werden aangevoerd in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Er kan evenmin worden gesteld dat artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet rechten bevat die analoog zijn met de rechten die worden vastgelegd in die internationale bepalingen. 13 A.21.2. Ten aanzien van het eerste onderdeel is de Vlaamse Regering van mening dat de decreetgever zijn keuze voor de aanleg van slimme meters heeft gebaseerd op een minutieuze afweging van de betrokken risico's. Uit de studies waarop de decreetgever steunt, blijkt dat het stralingsniveau van de slimme meters ver onder het toegestane niveau ligt. Er is dus geen achteruitgang van het geboden beschermingsniveau. Desalniettemin heeft de decreetgever van de Waalse Regering belast met het bepalen van de procedure en de te nemen maatregelen wanneer een gebruiker verklaart intolerant te zijn voor de slimme meters. Bovendien heeft hij een opvolgingscomité opgericht dat onder andere is samengesteld uit vertegenwoordigers van organisaties ter bescherming van de consument en van de Waalse regulator. De studies en interviews die de verzoekende partijen voorleggen, veranderen niets daaraan. Naast het feit dat sommige studies ouder zijn dan diegene waarop de decreetgever zich heeft gebaseerd, beschikt die laatste over een ruime beoordelingsmarge om beslissingen te nemen die leiden tot een rationeler energiegebruik. Het staat overigens aan de Waalse Regering om, onder het toezicht van de gewone rechter en de Raad van State, te bepalen welke maatregelen de distributienetbeheerder moet nemen in geval van intolerantie voor slimme meters. De verzoekende partijen tonen niet aan in welk opzicht die aan de Waalse Regering verleende delegatie een in het middel beoogde bepaling zou schenden. Bovendien is het Hof niet bevoegd om zich uit te spreken over de uitvoering van een wettelijke bepaling. A.21.3. Ten aanzien van het tweede onderdeel preciseert de Vlaamse Regering dat de decreetgever een waarborg heeft opgenomen in het decreet van 19 juli 2018 door te bepalen dat er geen slimme meter wordt geïnstalleerd als dat technisch niet mogelijk is. Die hypothese moet preciezer gedefinieerd worden door de Waalse Regering. Het Hof is niet bevoegd om de uitvoering van het decreet te controleren. Op het gebied van de bescherming tegen brand is de federale autoriteit vervolgens bevoegd om de basisnormen te bepalen, terwijl de gewesten en gemeenschappen bevoegd zijn om die normen aan te vullen en toe te passen, zonder ze te kunnen wijzigen. Hoewel het decreet van 19 juli 2018 geen specifieke normen inzake bescherming tegen brand bevat, blijven dus de federale basisnormen van toepassing. Het decreet van 19 juli 2018 neemt trouwens ook de Europese regels inzake brandveiligheid en het op de markt brengen van een product in acht. Tot slot kunnen ook in dit geval het opvolgingscomité en de Waalse regulator van de elektriciteitsmarkt de Waalse Regering aanzetten tot het nemen van specifieke maatregelen. A.21.4. De Vlaamse Regering concludeert dat het middel niet gegrond is. A.22.1. Ten aanzien van het eerste onderdeel antwoorden de verzoekende partijen dat de Waalse Regering niet vermeldt dat de kilowattuurmeters bedoeld in het koninklijk besluit van 15 april 2016 « betreffende meetinstrumenten » slimme meters zijn. A.22.2. Wat de toepassing van het voorzorgsbeginsel betreft begrijpen de verzoekende partijen niet hoe het probleem van de intolerantie voor slimme meters behoorlijk geobjectiveerd kan worden als, volgens het standpunt van de Waalse Regering, geen enkele wetenschappelijke basis het mogelijk maakt de symptomen van elektrohypersensitiviteit in verband te brengen met blootstelling aan elektromagnetische velden. Bovendien zijn de criteria die een objectieve beoordeling van het probleem van intolerantie voor slimme meters mogelijk maken, niet vermeld in het decreet, noch opgenomen in een uitvoeringsbepaling. Aangezien die criteria niet op voorhand kunnen worden vastgelegd, is de bestreden bepaling, die blijkbaar gebaseerd is op het voorzorgsbeginsel, niet toepasbaar. Ten slotte bestaat er geen « basisnorm », noch een « betwiste norm », aangezien de wetenschappelijke wereld het niet unaniem eens is over het bestaan van een hypersensitiviteit die verbonden is aan elektromagnetische vervuiling. Het spreekt echter voor zich dat de inhoud van de bestreden bepaling volledig en direct toepasbaar moet zijn en derhalve preciseringen moet bevatten over de essentiële elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de objectivering van elektrohypersensitiviteit. A.22.3. Ten aanzien van het tweede onderdeel antwoorden de verzoekende partijen dat zij geen wetenschappelijk bewijs met betrekking tot het brandprobleem in verband met de slimme meters kunnen voorleggen, aangezien die meters nog niet geïnstalleerd zijn in het Waalse Gewest. A.23.1. De Waalse Regering antwoordt dat de verzoekende partijen zich vergissen als ze stellen dat er niet uitdrukkelijk verwezen wordt naar het voorzorgsbeginsel, aangezien dat is gebeurd tijdens de parlementaire voorbereiding. Dat beginsel heeft net het optreden van de decreetgever geleid, die rekening heeft gehouden met de actuele stand van het wetenschappelijk onderzoek. 14 A.23.2. De Waalse Regering merkt vervolgens op dat de verzoekende partijen bevestigen dat er geen basisnormen bestaan. Bovendien is er geen schending van de standstill-verplichting, omdat er geen bijzonder ernstige aantasting is en dus geen achteruitgang van het bestaande beschermingsniveau. De wetenschappelijke studies tonen geen enkel verband aan tussen de elektrohypersensitiviteitsklachten en de straling van de slimme meters, die zelfs onder het toegelaten niveau blijft. A.23.3. De Waalse Regering antwoordt vervolgens dat het begrip « meters » dat wordt gehanteerd in artikel 3 van het koninklijk besluit van 15 april 2016 « betreffende meetinstrumenten », alle kilowattuurmeters beoogt, met inbegrip van de slimme meters. Ten slotte staat het aan de verzoekende partijen de non-conformiteit van die meters te bewijzen en zij erkennen dat ze daartoe niet in staat zijn. A.24.1. De Vlaamse Regering antwoordt dat artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu garandeert, maar niet een recht op gezondheid. Het middel, dat gesteund is op een aantasting van de gezondheid van de gebruikers van de slimme meters, is derhalve niet ontvankelijk. A.24.2. Met betrekking tot de intolerantiecriteria antwoordt de Vlaamse Regering dat de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht de delegatie aan de Waalse Regering de in het middel bedoelde bepalingen zou schenden. De bewering dat de Waalse Regering niet ertoe gemachtigd zou zijn de criteria voor de toekenning van een afwijking van de installatie van de slimme meters vast te leggen, verandert niets daaraan. Enerzijds blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de Waalse Regering de « nadere regels » voor de erkenning van een intolerantieprobleem kan vastleggen, wat een ruime machtiging is. Anderzijds beschikt de Waalse Regering over een niet restrictief te interpreteren algemene bevoegdheid om decreten uit te voeren. Het kader van het uit te voeren decreet staat de Waalse Regering derhalve in staat de criteria vast te stellen om een intolerantie voor slimme meters te bepalen. A.24.3. De Vlaamse Regering merkt vervolgens ten eerste op dat de verzoekende partijen de omvang van de aan de Waalse Regering verleende delegatie niet bekritiseren. Ze beroepen zich immers niet op de schending van de bepalingen die de delegatie van bevoegdheden van de decreetgever aan de Waalse Regering regelen, maar op de schending van de bepalingen die het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu waarborgen. Hoe dan ook beschikt de decreetgever over een ruime delegatiebevoegdheid op het gebied van de bescherming van een gezond leefmilieu en de gezondheid. Het volstaat dus dat de decreetgever het doel van de regelgeving definieert, wat hij te dezen gedaan heeft. Ten tweede, zelfs in de veronderstelling dat er een aanzienlijke achteruitgang van het geboden beschermingsniveau geweest was, bestaan er motieven van algemeen belang die dat verantwoorden, namelijk dwingende doelstellingen op Europees niveau inzake energie-efficiëntie. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en hun context B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van verscheidene bepalingen van het decreet van het Waalse Gewest van 19 juli 2018 « tot wijziging van de decreten van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt en van 19 januari 2017 betreffende de tariefmethodologie die van toepassing is op gas- en elektriciteitsdistributienetbeheerders met het oog op de aanleg van de slimme meters en de flexibiliteit » (hierna : het decreet van 19 juli 2018). 15 De bestreden bepalingen wijzigen voornamelijk het decreet van het Waalse Gewest van 12 april 2001 « betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt » (hierna : het decreet van 12 april 2001). Het bestreden artikel 28 van het decreet van 19 juli 2018 vult het decreet van het Waalse Gewest van 19 januari 2017 « betreffende de tariefmethodologie die van toepassing is op gas- en elektriciteitsdistributienetbeheerders » aan. B.1.2. De slimme meter wordt aldus gedefinieerd in artikel 2, 29°bis, van het decreet van 12 april 2001, ingevoegd bij het bestreden artikel 2, 2°, van het decreet van 19 juli 2018 : « Een elektronisch systeem dat de opgenomen of geïnjecteerde energie kan meten door informatie toe te voegen die een conventionele meter niet levert, dat gegevens kan verzenden en ontvangen in de vorm van elektronische communicatie en dat op afstand kan worden bediend om de in artikel 35bis, lid 2, genoemde functionaliteiten te verzekeren. Dit elektronische meetsysteem is van toepassing op laagspanningsaansluitingen met een aansluitvermogen van 56kVA of minder ». De slimme meters zijn een van de elementen van een « intelligent net », gedefinieerd als volgt in artikel 2, 29ter, van het decreet van 12 april 2001, ingevoegd bij het bestreden artikel 2, 2°, van het decreet van 19 juli 2018 : « Gevorderd energienet dat bestaat uit tweewegcommunicatiesystemen, slimme meters en meet- en beheersystemen voor de werking van het net ». B.1.3. De slimme elektriciteitsmeters worden vanaf hun installatie of in voorkomend geval vanaf de activering van een communicerende functie uitgerust met functionaliteiten die hen onderscheiden van de klassieke elektriciteitsmeters, dit wil zeggen de analoge meters of elektronische meters zonder capaciteit om gegevens zowel te verzenden als te ontvangen. De minimale functionaliteiten van een slimme elektriciteitsmeter zijn, krachtens artikel 35bis, § 2, van het decreet van 12 april 2001 de volgende : - de voorafbetalingsfunctie en de weergave van een schatting van het beschikbare saldo op het scherm van de meter; 16 - de veilige aflezing op afstand van de indexcijfers voor de opgenomen of geïnjecteerde actieve energie per tarifair uurschema. De dagelijkse indexcijfers per tarifair uurschema moeten de laatste 40 dagen beslaan en de maandelijkse indexcijfers per tarifair uurschema, de laatste dertien maanden; - de omschrijving van verschillende tarifaire periodes; - de onderbreking en de toelating voor het meterherstel op afstand; - de lezing op afstand van de belastingscurven in de zin van het technisch reglement voor de laatste tien dagen; - de aanpassing op afstand van het contractueel vermogen; - de supervisie op afstand en de alarmregistratie; - de herconfiguratie en de updates op afstand; - het opvolgen van de evolutie van de spanning. B.2.1. De zo uitgebreid mogelijke aanleg van slimme elektriciteitsmeters wordt opgelegd door het Unierecht en draagt bij tot de verwezenlijking van het energiebeleid van de Europese Unie. B.2.2.1. Artikel 3, lid 11, van de richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG » (hierna : de richtlijn 2009/72/EG) bepaalt : « Teneinde energie-efficiëntie te bevorderen bevelen de lidstaten, of indien de lidstaat hierin voorziet, de regulerende instanties, ten sterkste aan dat elektriciteitsbedrijven het gebruik van elektriciteit optimaliseren, bijvoorbeeld door het aanbieden van diensten op het gebied van energiebeheer of het ontwikkelen van innovatieve prijsformules of in voorkomend geval door de invoering van slimme metersystemen dan wel of slimme netwerken (smart grids) ». 17 B.2.2. Bijlage I (« Voorschriften inzake consumentenbescherming ») van dezelfde richtlijn bepaalt in punt 2 ervan : « De lidstaten zorgen ervoor dat er slimme metersystemen worden ingevoerd die de actieve participatie van de consumenten aan de markt voor levering van elektriciteit ondersteunen. De invoering van dergelijke metersystemen kan worden onderworpen aan een economische evaluatie op lange termijn van de kosten en baten voor de markt en de individuele consument of aan een onderzoek ter bepaling van welke vorm van slim meten economisch haalbaar en kosteneffectief is en welke termijn haalbaar is voor de distributie ervan. Een dergelijke evaluatie vindt uiterlijk plaats op 3 september 2012. Onder voorbehoud van deze evaluatie stellen de lidstaten of de bevoegde autoriteit die zij aanwijzen, een tijdschema van maximaal 10 jaar op voor de invoering van slimme metersystemen. Wanneer de ingebruikname van slimme meters positief wordt beoordeeld, wordt uiterlijk in 2020 minstens 80 % van de consumenten voorzien van deze slimme meetsystemen. De lidstaten of de bevoegde autoriteit die zij aanwijzen waarborgen de interoperabiliteit van dergelijke metersystemen die op hun grondgebied worden ingevoerd en houden rekening met de toepassing van adequate normen en beste praktijken en het belang van de ontwikkeling van de interne markt voor elektriciteit ». B.2.3.1. Het « intelligent meetsysteem » wordt gedefinieerd in artikel 2, 28), van de richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 « betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG » (hierna : de richtlijn 2012/27/EU). Het gaat om een « elektronisch systeem dat het energieverbruik kan meten, meer informatie levert dan een traditionele meter, en data kan doorgeven en ontvangen middels een vorm van elektronische communicatie ». De definitie van het intelligent meetsysteem, die wordt gebruikt op Europees niveau, valt dus ruimschoots samen met die van de « slimme meter » vervat in artikel 2, 29°bis, van het decreet van 12 april 2001. B.2.3.2. De Europese Unie beschouwt de intelligente meetsystemen als een etappe op weg naar de oprichting van slimme netwerken. 18 Het « slim netwerk » wordt gedefinieerd als « een gemoderniseerd energienetwerk waaraan tweewegs digitale communicatie tussen de leverancier en de gebruiker, slimme bemetering en monitoring- en toezichtsystemen zijn toegevoegd » (punt 3, a), van de aanbeveling van de Commissie van 9 maart 2012 « inzake de voorbereiding van de uitrol van slimme metersystemen (2012/148/EU) » (hierna : de aanbeveling 2012/148/EU) en punt 2, a), van de aanbeveling van de Commissie van 10 oktober 2014 « betreffende het model voor de privacyeffectbeoordeling van slimme netten en slimme metersystemen (2014/724/EU) » (hierna : de aanbeveling 2014/724/EU). De invoering van slimme netwerken « maken de belangrijkste onderdelen van het energiebeleid mede mogelijk ». De intelligente meetsystemen worden beschouwd als « ruggengraat van het toekomstige koolstofvrije elektriciteitssysteem », en zijn « erkend als facilitator voor de omvorming van de energie-infrastructuur om grotere hoeveelheden variabele hernieuwbare energie op te kunnen nemen, de energie-efficiëntie te verbeteren en de leveringszekerheid te garanderen » (uittreksels uit de overwegingen 1 en 2 van de aanbeveling 2014/724/EU en de overweging 1 van de aanbeveling 2012/148/EU). B.2.3.3. Artikel 9 van de richtlijn 2012/27/EU bepaalt : « 1. De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van elektriciteit, aardgas, stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden, voor zover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over de werkelijke tijd van het verbruik. Een dergelijke individuele meter tegen concurrerende prijzen wordt altijd ter beschikking gesteld wanneer :
  3. a)een bestaande meter wordt vervangen, tenzij dit technisch onmogelijk is of niet kostenefficiënt in verhouding tot de geraamde potentiële besparingen op lange termijn;
  4. b)een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw of ingeval van een ingrijpende renovatie overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU. 2. Indien, en voor zover, de lidstaten gebruikmaken van intelligente meetsystemen en slimme meters voor aardgas en/of elektriciteit invoeren in overeenstemming met de Richtlijnen 2009/72/EG en 2009/73/EG : 19
  5. a)zorgen zij ervoor dat de meetsystemen de eindafnemer informatie verschaffen over de werkelijke tijd van het verbruik en dat de voor de eindafnemer beoogde energie-efficiëntie en voordelen ten volle in acht worden genomen bij het vastleggen van de minimumfuncties van de meters en de verplichtingen die aan marktdeelnemers worden opgelegd;
  6. b)zorgen zij ervoor dat de slimme meters en het dataverkeer worden beveiligd, en dat de privacy van de eindafnemer wordt beschermd, in overeenstemming met de Uniewetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en van de persoonlijke levenssfeer;
  7. c)schrijven zij voor, in het geval van elektriciteit, dat de meterbeheerder op verzoek van de eindafnemer ervoor zorgt dat van de meter of meters de hoeveelheid elektriciteit kan worden afgelezen die bij de eindafnemer aan het net wordt geleverd;
  8. d)zorgen zij ervoor dat, op verzoek van de eindafnemer, meetgegevens inzake de input en output van elektriciteit, in een gemakkelijk te begrijpen vorm die vergelijking van aanbiedingen op basis van gelijke criteria mogelijk maakt, beschikbaar worden gesteld aan de eindafnemer of aan een derde partij die namens de eindafnemer optreedt;
  9. e)schrijven zij voor dat de afnemers bij de installatie van slimme meters het nodige advies en de nodige informatie krijgen, in het bijzonder over het volledige potentieel van die meters wat meterstandbeheer en controle van het energieverbruik betreft ». B.2.3.4. Het bestreden decreet van 19 juli 2018 zet gedeeltelijk de richtlijn 2012/27/EU om. B.2.4.1. Na het decreet van 19 juli 2018, werd de richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 « betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2019/944) aangenomen. Artikel 19 van die richtlijn bepaalt : « 1. Teneinde energie-efficiëntie te bevorderen en eindafnemers meer zeggenschap te geven, bevelen de lidstaten, of […] de regulerende instanties ten sterkste aan dat elektriciteitsbedrijven en andere marktdeelnemers het gebruik van elektriciteit optimaliseren, onder meer […] door de invoering van interoperabele slimme-metersystemen, met name met energiebeheersystemen voor de consument en met slimme netwerken (smart grids), overeenkomstig de gegevensbeschermingsregels van de Unie. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat er op hun grondgebied slimme-metersystemen worden ingevoerd die de actieve deelname van de afnemers aan de elektriciteitsmarkt ondersteunen. Voor de invoering van die systemen kan een kostenbatenbeoordeling worden gevraagd die overeenkomstig de in bijlage II vastgestelde beginselen wordt uitgevoerd. 20 […] 4. De lidstaten die daadwerkelijk slimme-metersystemen invoeren, zorgen ervoor dat de eindafnemers op een transparante en niet-discriminerende wijze bijdragen aan de met de invoering verbonden kosten, en houden daarbij rekening met de baten die de invoering op lange termijn voor de gehele waardeketen oplevert. […] […] ». B.2.4.2. Bijlage II van die richtlijn (« Slimmemetersystemen ») bepaalt : « 1. De lidstaten zorgen ervoor dat op hun grondgebied slimme-metersystemen worden ingevoerd die kunnen worden onderworpen aan een economische evaluatie op lange termijn van de kosten en baten voor de markt en de individuele consument of aan een onderzoek om te bepalen welke vorm van slimme-metersystemen vanuit economisch standpunt redelijk en kosteneffectief is en welke termijn haalbaar is voor de distributie ervan. 2. Bij een dergelijke evaluatie wordt rekening gehouden met de methode voor een kosten-batenanalyse en de minimumfunctionaliteiten voor slimme-metersystemen voorzien in Aanbeveling van de Commissie 2012/148/EU, alsook met de beste beschikbare technieken om het hoogste niveau van cyberbeveiliging en gegevensbescherming te garanderen. 3. Onder voorbehoud van deze evaluatie stellen de lidstaten of, wanneer een lidstaat dit zo heeft bepaald, de aangewezen bevoegde instantie een tijdschema van maximaal tien jaar op voor de invoering van slimme-metersystemen. Indien de ingebruikname van slimme-metersystemen positief wordt beoordeeld, wordt minstens 80 % van de eindafnemers voorzien van slimme meters binnen zeven jaar vanaf de datum van de positieve beoordeling of uiterlijk in 2024 voor die lidstaten die met de systematische invoering van slimme- metersystemen zijn gestart vóór 4 juli 2019 ». Ten aanzien van de omvang van het beroep B.3.1. De Waalse Regering en de Vlaamse Regering stellen dat het eerste en het derde middel uitsluitend gericht zijn tegen artikel 16 van het decreet van 19 juli 2018, terwijl het tweede middel enkel betrekking heeft op artikel 24 van hetzelfde decreet. Voor het overige zou het beroep onontvankelijk zijn bij gebrek aan grieven. 21 B.3.2. In hun memorie van antwoord erkennen de verzoekende partijen dat de middelen gericht zijn tegen de artikelen 16 en 24 van het decreet van 19 juli 2018, maar zijn zij van oordeel dat de andere bestreden bepalingen nauw verbonden zijn met die bepalingen. B.4.1. Het Hof bepaalt het onderwerp van het beroep tot vernietiging op basis van de inhoud van het verzoekschrift en inzonderheid rekening houdend met de uiteenzetting van de middelen. Het onderzoekt alleen de bestreden bepalingen waartegen een middel is gericht. B.4.2. De in het verzoekschrift uiteengezette middelen zijn enkel daadwerkelijk gericht tegen de artikelen 16 en 24 van het decreet van 19 juli 2018. Het Hof beperkt bijgevolg zijn onderzoek tot die bepalingen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.5. De Waalse Regering betwist het belang van de eerste, de tweede en de vierde verzoekende partij, omdat de bestreden bepalingen niet hun statutair doel zouden raken. B.6. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.7.1. Het beroep tot vernietiging wordt ingesteld door vier verenigingen zonder winstoogmerk en twee natuurlijke personen. 22 B.7.2. Het statutair doel van de eerste verzoekende partij bestaat in de bevordering van een « echt ecologisch beleid », wat kan inhouden dat wordt nagedacht over de gegrondheid van de aanleg van slimme elektriciteitsmeters. Het bestreden decreet kan bijgevolg het statutair doel van de eerste verzoekende partij raken. Aangezien de andere voorwaarden voor de erkenning van het belang bij het beroep eveneens vervuld zijn, beschikt de eerste verzoekende partij over een belang bij het beroep, wat volstaat om het beroep ontvankelijk te verklaren. Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.8. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van de artikelen 2, 3, lid 3, tweede alinea, en 9, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. B.9.1. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, heeft artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geen autonome werking omdat het enkel geldt voor het « genot van de rechten en vrijheden », welke in het Verdrag zijn vermeld (EHRM, grote kamer, 19 februari 2013, X en anderen t. Oostenrijk, § 94). De verzoekende partijen voeren geen andere bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens aan, in samenhang gelezen met artikel 14 ervan. Het middel is dus onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 14 van dat Verdrag. B.9.2. Bovendien tonen de verzoekende partijen niet aan hoe de artikelen 2, 3, lid 3, tweede alinea, en 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zouden zijn geschonden. Daarentegen zetten de verzoekende partijen uiteen hoe artikel 23 van de Grondwet zou geschonden zijn. 23 B.10. Bijgevolg onderzoekt het Hof het middel enkel in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die eveneens het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie waarborgen. Eerste onderdeel B.11. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat het bestreden artikel 16 van het decreet van 19 juli 2018, zonder redelijke verantwoording een gesegmenteerde aanleg van slimme elektriciteitsmeters organiseert, dit wil zeggen een aanleg die prioritair bepaalde categorieën van gebruikers van het elektriciteitsnet beoogt, met uitsluiting van anderen. B.12.1. Het bestreden artikel 16 van het decreet van 19 juli 2018 herstelt artikel 35 van het decreet van 12 april 2001 in de volgende redactie : « § 1. Rekening houdend met het algemeen belang en onder voorwaarden van kosten- en batenoptimalisering, legt de distributienetbeheerder slimme meters aan op zijn netwerk voor de in de leden 2 en 6 beschreven segmenten of sectoren. Hij bepaalt zijn aanlegplan door het op te nemen in zijn aanpassingsplan bedoeld in artikel 15. Uiterlijk op 1 januari 2023 wordt de communicatiefunctie van een slimme meter systematisch geïnstalleerd en geactiveerd in de volgende gevallen, tenzij dit technisch onmogelijk of economisch niet verantwoord is : 1° wanneer de gebruiker van het net een residentiële afnemer in wanbetaling is zoals bedoeld in artikel 33bis/1; 2° wanneer de meter wordt vervangen; 3° wanneer een nieuwe aansluiting wordt uitgevoerd; 4° wanneer een distributienetgebruiker erom verzoekt. De Regering bepaalt onder welke voorwaarden de plaatsing of activering van de communicatiefunctie van een slimme meter als technisch onmogelijk of economisch niet redelijk wordt beschouwd. De Regering bepaalt de verplichtingen van de distributienetbeheerder ingeval de communicatiefunctie niet kan worden geactiveerd, met name wat betreft de informatieverstrekking aan de gebruiker en de maximale termijn voor de activering. 24 De Regering bepaalt de maximale termijn ten laste van de distributienetbeheerder voor de plaatsing van de slimme meter in het geval bedoeld in lid 2, 4°. Uiterlijk op 31 december 2029 bereikt de distributienetbeheerder de doelstelling van tachtig procent van slimme meters die op zijn net geplaatst worden voor de netgebruiker die voldoen aan één van de volgende kenmerken : 1° het gestandaardiseerd jaarlijks verbruik is gelijk aan 6 000kWh of meer; 2° het ontwikkelbaar elektrisch netto-vermogen van stroomproductie is gelijk aan 5kWe of meer; 3° de publiek toegankelijk oplaadpunten. § 2. De CWaPE publiceert jaarlijks een verslag over de evolutie van de aanleg van slimme meters, met inbegrip van de ontwikkeling van aanverwante diensten in het Waals Gewest Dit verslag bevat ook een luik over de ontwikkeling van het aantal budgetmeters en over de mogelijkheid om nieuwe prioritaire segmenten of sectoren in het aanlegplan van de distributienetbeheerders op te nemen. Op basis van dit verslag kan de CWaPE de regering voorstellen maatregelen in te voeren ter bevordering van de technische interoperabiliteit van de meters met de verschillende door de markt ontwikkelde diensten. De distributienetbeheerders richten een Opvolgingscomité op dat toeziet op de aanleg van slimme meters en in het bijzonder verantwoordelijk is voor de aanpak van alle sociale, economische en milieukwesties. Dit comité wordt geleid en voorgezeten door vertegenwoordigers van de distributienetbeheerders. De distributienetbeheerders richten het Comité op dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de consumentenrechtenorganisaties, vertegenwoordigers van de vakbonden, een vertegenwoordiger van elke in het Waals Parlement vertegenwoordigde en erkende politieke fractie, vertegenwoordigers van ondernemingen die actief zijn op het gebied van de levering van diensten en energie en elke persoon met deskundigheid op dit gebied. Elke organisatie wijst haar vertegenwoordigers aan. Een vertegenwoordiger van de CWaPE, een vertegenwoordiger van de minister van energie en een vertegenwoordiger van de administratie wonen de vergaderingen als waarnemers bij. Het Opvolgingscomité komt ten minste om de zes maanden en voor het eerst binnen drie maanden na het begin van de aanleg bijeen. § 3. Niemand mag zich tegen de plaatsing van een slimme meter verzetten, noch de afschaffing ervan vragen, op straffe van verval van het recht op toegang tot het net. 25 In afwijking van het vorige lid stelt de regering de procedure en de maatregelen vast die door de distributienetbeheerder moeten worden genomen wanneer een gebruiker of een andere persoon die onder hetzelfde dak woont, verklaart te lijden onder een intolerantieprobleem in verband met de slimme meter dat naar behoren is geobjectiveerd ». B.12.2. Luidens artikel 35, § 1, eerste, tweede en zesde lid, van het voormelde decreet van 12 april 2001 leggen de distributienetbeheerders, rekening houdend met het algemeen belang en onder voorwaarden van kosten- en batenoptimalisering, op hun netwerk slimme meters aan voor bepaalde segmenten of sectoren. Met het oog op die aanleg werken de netbeheerders een aanlegplan uit dat wordt opgenomen in hun aanpassingsplan. Het aanpassingsplan wordt onderworpen aan het toezicht en de controle van de Waalse Commissie voor Energie (hierna : de CWaPE), krachtens artikel 15, § 5, van het decreet van 12 april 2001. B.12.3. De segmenten of sectoren die de distributienetbeheerders moeten beogen voor de aanleg van de slimme meters worden bepaald in artikel 35, § 1, tweede en zesde lid, van het decreet van 12 april 2001. Het gaat enerzijds om segmenten of sectoren die worden gevormd door de netgebruikers : - die residentiële afnemers in wanbetaling zijn; - voor wie de meter wordt vervangen; - voor wie een nieuwe aansluiting wordt uitgevoerd of - die verzoeken om de installatie van een slimme elektriciteitsmeter. Voor die gebruikers vindt de installatie van een slimme meter systematisch plaats op uiterlijk 1 januari 2023 tenzij dit technisch onmogelijk of economisch niet redelijk is (artikel 35, § 1, tweede lid, van het decreet van 12 april 2001). 26 Het gaat anderzijds om segmenten of sectoren die worden gevormd door de netgebruikers : - van wie het gestandaardiseerd jaarlijks verbruik gelijk is aan 6 000 kWh of meer; - van wie het ontwikkelbaar elektrisch netto-vermogen van stroomproductie gelijk is aan 5kWe of meer; - die over publiek toegankelijke oplaadpunten beschikken. Voor die netgebruikers moet de distributienetbeheerder tegen uiterlijk 31 december 2029 de doelstelling bereiken van 80 % slimme elektriciteitsmeters die op het net zijn geplaatst (artikel 35, § 1, zesde lid, van het decreet van 12 april 2001). B.13. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.14.1. Wanneer een schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt aangevoerd, moet in de regel worden gepreciseerd welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en in welk opzicht de bestreden bepalingen een verschil in behandeling teweegbrengen dat discriminerend zou zijn. Die vereisten zijn ingegeven, onder meer, door de zorg om aan de andere partijen in het geding de mogelijkheid te bieden op de argumenten van de verzoekende partij te repliceren, waartoe een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting van de middelen onontbeerlijk is. 27 B.14.2. De verzoekende partijen identificeren niet de categorieën van personen die met elkaar moeten worden vergeleken en bekritiseren enkel de juistheid en de relevantie van de keuze van de decreetgever om te voorzien in een gesegmenteerde aanleg van slimme elektriciteitsmeters door de distributienetbeheerders. B.14.3. Uit de procedurestukken blijkt echter dat de Waalse en de Vlaamse Regering hebben kunnen begrijpen dat de verzoekende partijen het verschil in behandeling aan de orde stellen tussen enerzijds, de netgebruikers die een sector of een segment vormen waarvoor in de aanleg van slimme elektriciteitsmeters systematisch is voorzien uiterlijk op 1 januari 2023 of de netgebruikers die worden beoogd met de doelstelling van een aanleg van slimme meters ten belope van 80 % tegen 31 december 2029 uiterlijk en, anderzijds, de andere netgebruikers. B.15. De distributienetgebruikers, ongeacht of ze tot een prioritaire sector of segment behoren voor de aanleg van de slimme elektriciteitsmeters, zijn voldoende vergelijkbaar. B.16. Ten aanzien van de doelstellingen die met de aanleg van de slimme elektriciteitsmeters worden nagestreefd, blijkt uit B.2.1 tot B.2.4 dat de Europese Unie aan de lidstaten de verplichting oplegt om « slimme metersystemen » aan te leggen voornamelijk om de energie-efficiëntie te bevorderen, waarbij aan de netgebruikers de mogelijkheid wordt geboden actief deel te nemen aan de energiemarkt. De slimme elektriciteitsmeters stellen de netgebruikers immers in staat om met precisie hun elektriciteitsverbruik, en zelfs hun elektriciteitsproductie te kennen, en met name de exacte momenten waarop dat verbruik of die productie plaatsvindt. Aan de hand van die gedetailleerde kennis kunnen de gebruikers hun verbruik aanpassen en streven naar een lagere elektriciteitsverbruik. Bovendien beoogt de Europese wetgever het aandeel van de hernieuwbare energiebronnen in de geproduceerde energie te verhogen, het elektriciteitsverbruik te verminderen en de bevoorradingszekerheid te waarborgen, met name dankzij de gedetailleerde kennis die de distributienetbeheerder heeft van het elektriciteitsverbruik en de elektriciteitsinjecties op het net dat hij beheert. 28 B.17.1. Het Hof stelt in dat verband vast dat de voordelen van een gesegmenteerde aanleg en een geïntegreerde benadering van de elektriciteit teneinde de installatiekosten te optimaliseren werden bestudeerd, zoals de Europese wetgever daartoe verzoekt in bijlage I van de richtlijn 2009/72/EG, in bijlage II van de richtlijn (EU) 2019/944 en in de aanbeveling 2012/148/EU. B.17.2. Een dergelijke studie werd in het Waalse Gewest in 2012 uitgevoerd door de CWaPE, en in 2016 geactualiseerd. B.18. Door, op basis van de door de CWaPE uitgevoerde studies, te beslissen om de aanleg van slimme elektriciteitsmeters te beperken tot bepaalde sectoren of segmenten van het net, streeft de decreetgever de Europese doelstelling na om de energie-efficiëntie te bevorderen, en tegelijk erover te waken dat een billijk evenwicht wordt gewaarborgd tussen de kosten van die aanleg en de baten voor de gemeenschap; De memorie van toelichting vermeldt : « Teneinde de kosten voor de maatschappij te minimaliseren, de weerslag op de factuur voor de burgers te beperken en het algemene welzijn te maximaliseren, moet de aanleg van slimme meters gebeuren met oog voor een billijke verdeling van kosten en baten » (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 1129/1, p. 4). B.19. Om reden van het technische karakter van de materie moet aan de decreetgever een ruime beoordelingsmarge worden toegekend bij de keuze van de criteria om de netgebruikers te onderscheiden naargelang zij al dan niet prioritaire segmenten of sectoren vormen voor de aanleg van slimme elektriciteitsmeters. B.20.1.1. Wat de vier categorieën van netgebruikers betreft, voor wie in de installatie van een elektriciteitsmeter systematisch is voorzien uiterlijk op 1 januari 2023, wordt in de parlementaire voorbereiding vermeld : « Hoewel niet alle huishoudelijke consumenten in hetzelfde tempo moeten worden uitgerust, moeten de segmenten in een dalende volgorde van prioriteit worden uitgerust, rekening houdend met de gebruiksfinaliteit van slimme meters en met de beperkingen in de industrie (voorbeeld de budgetmeters worden niet langer vervaardigd). Op die basis werden de prioritaire segmenten geïdentificeerd als volgt : 29 - de vervanging van de budgetmeters; - de vervanging van de versleten meters en bij nieuwe aansluitingen; - de plaatsing wanneer de klant erom verzoekt tenzij zulks technisch onmogelijk of economisch niet redelijk is » (ibid., p. 5). De artikelsgewijze bespreking preciseert : « Het tweede lid voorziet in bepaalde gevallen van systematische installatie overeenkomstig de Europese verplichtingen : - in geval van vervanging van een bestaande meter (2°); - alsook in geval van een nieuwe aansluiting (3°). In andere gevallen van systematische installatie wordt voorzien, namelijk : - wanneer de huishoudelijke eindafnemer in wanbetaling is (1°). De slimme meter beschikt immers over een functie van vooruitbetaling die op afstand kan worden geactiveerd en op termijn de huidige budgetmeters zal vervangen. Die zijn immers gedoemd om te verdwijnen aangezien de fabrikant van de budgetmeters zijn productie heeft stopgezet (uitputting van de stock voorzien in 2020) en het contract dat verbonden is aan de informaticadrager van het desbetreffende platform afloopt in 2023. Beoogd worden dus ook de gevallen van vervanging van budgetmeters. Op verzoek van de gebruiker (4°) die overigens over een intelligente meter zou wensen te beschikken vóór de plaatsing ervan zoals geprogrammeerd in het aanpassingsplan van zijn distributienetbeheerder. Worden met name beoogd de prosumenten die in bepaalde gevallen belang erbij zouden kunnen hebben over een intelligente meter te beschikken om hun productieoverschot te valoriseren of flexibiliteitsdiensten aan te bieden. De distributienetbeheerder is, in dat geval, ertoe gehouden de intelligente meter te plaatsen binnen de termijn die zal worden vastgesteld door de Regering » (ibid., p .11). B.20.1.2. De decreetgever kan niet worden verweten dat hij rekening heeft gehouden met het feit dat de productie van mechanische elektriciteitsmeters weldra zal worden stopgezet en met het feit dat de leverancier van de budgetmeters de stopzetting heeft aangekondigd van de productie van de huidige budgetmeters en van de desbetreffende informaticadrager, door te voorzien in een prioritaire aanleg van slimme meters voor de huishoudelijke afnemers in wanbetaling. 30 B.20.1.3. Bovendien, door te bepalen dat een slimme elektriciteitsmeter zal worden geïnstalleerd in geval van vervanging van een meter of wanneer wordt overgegaan tot een nieuwe aansluiting, vormt het bestreden artikel 16 slechts de omzetting van artikel 9, lid 1, tweede alinea,
  10. a)en
  11. b)van de richtlijn 2012/27/EU. Zoals blijkt uit B.2.3.3 voorziet die bepaling immers in twee hypothesen waarin de « individuele meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over de werkelijke tijd van het verbruik », waarmee de intelligente meters worden beoogd, steeds ter beschikking worden gesteld : wanneer een bestaande meter wordt vervangen, tenzij dit technisch onmogelijk is of niet kostenefficiënt in verhouding tot de geraamde potentiële besparingen op lange termijn (artikel 9, lid 1, tweede alinea, a)); en wanneer een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw of in geval van een ingrijpende renovatie (artikel 9, lid 1, tweede alinea, b)). B.20.1.4. Het is overigens evident dat de decreetgever de installatie van een slimme elektriciteitsmeter bij de netgebruikers die daarom verzoeken vermocht toe te staan. Het gaat immers om een recht van elke netgebruiker, bedoeld in artikel 21 van de richtlijn (EU) 2019/944. B.20.2.1. In verband met de keuze van de netgebruikers die de categorie van gebruikers vormen voor wie de netbeheerder een doelstelling moet beogen van 80 % aanleg van slimme elektriciteitsmeters, vermeldt de parlementaire voorbereiding : « In de richtlijn 2009/72/EG was sprake van een uitrol van 80 % in acht jaar. De herziening van diezelfde richtlijn (nog steeds in bespreking) beoogt een doelstelling van 80 % in tien jaar. Gelet op de resultaten van de door de CWaPE uitgevoerde studie blijkt dat de door Europa opgelegde termijnen suboptimaal zijn. De termijn van aanleg moet het mogelijk maken om zowel de impact op de factuur te beperken als ervoor zorgen dat binnen een redelijk tijdsbestek kan worden genoten van de verwachte voordelen van het systeem voor de gebruikers die meer dan 6 000kWh/jaar verbruiken. Voor die verbruikers wordt voorgesteld een termijn vast te stellen die gelijk is aan eenmaal de door Europa bepaalde termijn, namelijk tien jaar. De doelstelling van de aanleg is dus dat 80 % van de gebruikers die meer dan 6 000kWh verbruiken of over een productieapparaat van meer dan 5kWe of over voor het publiek toegankelijke oplaadpunten beschikken, worden uitgerust met een slimme meter tegen 31 december 2029 » (ibid., p 5). 31 B.20.2.2. In de commissie heeft de minister van Energie gepreciseerd : « verscheidene kwaliteitsvolle sprekers werden gehoord […]. Sommige van die actoren zijn per definitie voorzichtiger of meer behoudsgezind dan anderen, maar er is rekening gehouden met de noodzaak om een evenwichtige oplossing te vinden tussen de wil om er onmiddellijk tegen aan te gaan en de wil om niet ‘ gedwongen ’ te werk te gaan wanneer de mentaliteit niet rijp is. […] Men dient eerst te overtuigen via een gefaseerde aanpak; […] Er is in de eerste plaats een vermindering van de perimeter van aanleg die thans de belangrijkste consumenten beoogt, dit wil zeggen zij die op jaarbasis meer dan 6 000 kilowattuur verbruiken. [Het] Waalse gemiddelde bedraagt 3 500 kilowattuur. […] Men kan thans beter preciseren hoe men prioritair de voornaamste verbruikers zal beogen. Dat wordt verantwoord door meerdere zeer begrijpelijke redenen. Die verbruikers zijn wellicht de grootste gebruikers van hun meter en hun motivatie is a priori groter. In termen van rationeel gebruik of flexibiliteit kunnen die verbruikers de grootste weerslag op het net hebben. Zij kunnen het voorbeeld tonen om geleidelijk aan de andere verbruikers van het belang te overtuigen. De kostprijs zal lager zijn voor de gemeenschap. Er is ook bepaald om jaarlijks de inwerkingstelling van de aanleg door de CWaPE jaarlijks te laten evalueren. De Regering zal dan de gelegenheid hebben om een verruiming van de perimeter van de aanleg te overwegen. De minister hoopt ook dat de kleinste verbruikers, zijnde diegenen die minder dan 6 000 kilowattuur verbruiken, geleidelijk aan belangstelling zullen tonen voor die meters. Indien zulks het geval is, zou men over enkele jaren kunnen overwegen om de drempel te verlagen teneinde een groter aantal verbruikers te beogen. Dat alles zal moeten gebeuren in het licht van een transparante voortgangscontrole en de verbintenis van de burgers in de overgang. Zij moeten geleidelijk aan daartoe worden gebracht waarbij elke dwang dient te worden vermeden » (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 1129/5, pp. 5-6). B.20.2.3. Teneinde de doelstelling te verwezenlijken van een aanlegpercentage van slimme elektriciteitsmeters van 80 % bij sommige netgebruikers, is het redelijk verantwoord de gebruikers te beogen wier elektriciteitsverbruik aanzienlijk is, diegenen die op het net een zekere hoeveelheid door hen geproduceerde elektriciteit injecteren en diegenen die over een publiek toegankelijk elektrisch oplaadpunt beschikken. 32 Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding en uit de memorie van de Waalse Regering kunnen vooral die gebruikers voordelen halen, in termen van rationeel energiegebruik, uit een precieze kennis van hun elektriciteitsverbruik of -productie, die wordt beschouwd als een eerste etappe naar een betere beheersing en een vermindering van het elektriciteitsverbruik. De decreetgever vermocht dus aan te nemen dat er een grotere acceptatiegraad zou zijn van de nieuwe technologie van de slimme meters bij die gebruikers. Bovendien is het redelijk te denken dat de acceptatie van de slimme elektriciteitsmeters door die eerste gebruikers andere gebruikers ertoe kan aanzetten zich ook uit te rusten met een slimme elektriciteitsmeter. Bovendien gaat het om de netgebruikers die een aanzienlijke invloed hebben op de elektriciteitsstromen van het net wegens hun verbruik of hun productie, zodat het voor de distributienetbeheerders voordelig is die stromen te kennen met oog op de verwezenlijking van hun wettelijke opdracht van netbeheer. B.21. Ten slotte blijkt niet dat de keuze van de prioritaire segmenten of sectoren voor de aanleg van slimme elektriciteitsmeters onevenredige gevolgen heeft. De netgebruikers die niet worden beoogd door de prioritaire aanleg van de slimme meters kunnen steeds om de plaatsing van een dergelijke meter verzoeken. Wat betreft de netgebruikers aan wie de plaatsing van een slimme meter wordt opgelegd of die prioritair worden beoogd door de gesegmenteerde aanleg, heeft de decreetgever in een geregelde voortgangscontrole van de evolutie van de aanleg van de slimme meters voorzien in de vorm van een opvolgingscomité en een jaarlijks verslag over de evaluatie van de aanleg opgesteld door de CWaPE. Hij heeft ook voorzien in mogelijkheden van afwijking van de aanleg, in geval van technische onmogelijkheid, van ontstentenis van een redelijke verhouding tussen kosten en baten en van naar behoren geobjectiveerde intolerantie voor slimme meters. B.22. Bijgevolg is de gesegmenteerde aanleg van de slimme elektriciteitsmeters, zoals georganiseerd in het bestreden artikel 16 van het decreet van 19 juli 2018, niet zonder redelijke verantwoording. B.23. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. 33 Tweede onderdeel B.24. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 35, § 3, van het decreet van 12 april 2001, ingevoegd bij het bestreden artikel 16 van het decreet van 19 juli 2018, de in het middel beoogde bepalingen schendt, in zoverre het de netgebruiker verbiedt zich te verzetten tegen de plaatsing van een slimme elektriciteitsmeter en de afschaffing ervan te vragen, op gevaar af zijn recht op toegang tot het net niet te kunnen uitoefenen. B.25. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « een gebruiker kan de plaatsing van een intelligente meter niet weigeren noch de afschaffing ervan vragen op gevaar af zijn recht op toegang tot het net niet te kunnen uitoefenen. De doelstelling is om de aanleg van de slimme meters niet te belemmeren » (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 1129/1, p. 12). B.26. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt niet wat die rechten, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, waarbij elke wetgever ermee is belast die rechten te waarborgen, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten. Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. B.27. In de veronderstelling dat de bestreden bepaling afbreuk doet aan een van de in artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde grondrechten, recht dat door de verzoekende partijen in hun verzoekschrift niet werd gespecificeerd, en zonder dat het noodzakelijk is te onderzoeken of die eventuele inbreuk een aanzienlijke achteruitgang veroorzaakt in de door een dergelijk recht geboden bescherming, bestaan er in ieder geval motieven van algemeen belang die die achteruitgang verantwoorden. 34 Met de organisatie van de aanleg van de slimme elektriciteitsmeters in het Waalse Gewest heeft de decreetgever immers rekening moeten houden met de op Europees niveau vastgestelde doelstelling om een ruime aanleg van slimme meters te organiseren teneinde energie-efficiëntie na te streven, met inachtneming van een evenwicht tussen kosten en baten van die aanleg, zoals is vermeld in B.18. Om die doelstelling te bereiken is het niet zonder redelijke verantwoording te bepalen dat de netgebruiker zich niet kan verzetten tegen de plaatsing van een slimme elektriciteitsmeter, noch de weghaling ervan mag vragen om een andere reden dan die van een naar behoren geobjectiveerde intolerantie voor slimme elektriciteitsmeters. B.28. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. Wat het tweede middel betreft B.29. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van de artikelen 2, 3, lid 2, en 6, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 5, 6 en 13 van de richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 « betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie » en van de artikelen 5, 6, 7, 17, 18, 21, 22 en 23 van de verordening (EU) 2016/79 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). B.30.1. Uit het verzoekschrift blijkt dat het middel is gericht tegen artikel 24 van het decreet van 19 juli 2018, in zoverre het een artikel 35septies in het decreet van 12 april 2001 invoegt. 35 B.30.2. De verzoekende partijen zetten niet uiteen in welk opzicht er een schending zou zijn van het recht op de eerbiediging van het privéleven gewaarborgd bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat het recht omvat op de bescherming van de persoonsgegevens, anders dan door een schending van de artikelen 5, 6 en 17 van de AVG. B.30.3. Bijgevolg beperkt het Hof zijn toetsing aan artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5, 6 en 17 van de AVG, tot artikel 24 van het decreet van 19 juli 2008. Eerste onderdeel B.31. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling de distributienetbeheerder in staat stelt informatie te verwerken die afkomstig is van de slimme elektriciteitsmeters om zijn « wettelijke of reglementaire opdrachten » uit te voeren, terwijl de AVG in de mogelijkheid voorziet om die informatie rechtmatig te gebruiken uitsluitend om de inachtneming van een « wettelijke verplichting » te verzekeren. Het begrip « wettelijke verplichting » in de AVG zou minder ruim zijn dan dat van « wettelijke of reglementaire opdrachten » dat wordt gebruikt in het decreet. B.32. Zoals het is ingevoegd bij het bestreden artikel 24 van het decreet van 19 juli 2018, bepaalt artikel 35septies, §§ 1 en 2, van het decreet van 12 april 2001 : « § 1. De distributienetbeheerder waarborgt de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de netgebruikers overeenkomstig de vigerende wetgeving en de bepalingen van Verordening 2016/679/EU. De slimme meters en netwerken moeten zodanig worden ontworpen dat accidentele of onwettige vernietiging van, toegang tot en wijziging van persoonsgegevens wordt voorkomen en dat een veilige communicatie van deze gegevens mogelijk wordt gemaakt. § 2. De distributienetbeheerder is verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens die afkomstig zijn van de door hem verzamelde slimme meter. 36 De distributienetbeheerder verwerkt de informatie van de slimme meter alleen om zijn wettelijke of reglementaire opdrachten uit te voeren of om een andere legitieme opdracht uit te voeren waarvoor de toestemming van de betrokken personen vrijwillig en uitdrukkelijk voor specifieke doeleinden is gegeven. De persoonlijke meetgegevens, met inbegrip van de afgeleide persoonsgegevens, mogen niet langer worden bewaard dan nodig is voor het bereiken van het doel waarvoor zij zijn verzameld. Deze termijn mag in geen geval langer zijn dan vijf jaar, behalve in het geval waarin de distributienetbeheerder verplicht is de gegevens voor de uitvoering van zijn opdrachten langer dan vijf jaar te bewaren. In dat geval motiveert de distributienetbeheerder de langere looptijd. De persoonsgegevens worden anoniem overgemaakt zodra hun individualisering niet langer nodig is voor de uitvoering van de doeleinden waarvoor ze zijn verzameld ». Krachtens de tweede paragraaf, tweede lid, van die bepaling, verwerkt de distributienetbeheerder, die de verantwoordelijke is voor de verwerking krachtens het eerste lid van dezelfde paragraaf, de informatie van een slimme elektriciteitsmeter « alleen om zijn wettelijke of reglementaire opdrachten uit te voeren of om een andere legitieme opdracht uit te voeren waarvoor de toestemming van de betrokken personen vrijwillig en uitdrukkelijk voor specifieke doeleinden is gegeven ». B.33. De AVG is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen (artikel 2, lid 1, van de genoemde verordening). Met « verwerking » van gegevens wordt bedoeld « een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens » (artikel 4, 2), van de AVG). 37 « Persoonsgegevens » zijn « alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (‘ de betrokkene ’); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon » (artikel 4, 1), van de AVG). B.34.1 Artikel 5 van de AVG bepaalt de beginselen die van toepassing zijn op de verwerking van de persoonsgegevens. Persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (artikel 5, lid 1, a), van de AVG). Zij moeten ook voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt (artikel 5, lid 1, b), van de AVG). B.34.2. De vereiste van rechtmatigheid van de gegevensverwerking, vermeld in artikel 5, lid 1, a), van de algemene verordening gegevensbescherming wordt gedetailleerd in artikel 6 van dezelfde verordening. Artikel 6, lid 1, bepaalt : « De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan :
  12. a)de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;
  13. b)de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;
  14. c)de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
  15. d)de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen;
  16. e)de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen; 38
  17. f)de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken ». B.35. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, staat artikel 35septies, § 2, tweede lid, van het decreet van 12 april 2001, in zoverre het de distributienetbeheerder toestaat informatie te verwerken van slimme elektriciteitsmeters uitsluitend om zijn « wettelijke of reglementaire opdrachten uit te voeren », de distributienetbeheerder niet toe persoonsgegevens te verwerken buiten de limitatief opgesomde gevallen van artikel 6 van de AVG. Krachtens artikel 6, lid 1, c), van de AVG, is de verwerking van persoonsgegevens rechtmatig indien ze noodzakelijk is om te voldoen aan een « wettelijke verplichting ». Die verwijzing « voldoen aan een wettelijke verplichting » betekent niet dat die verplichting noodzakelijkerwijze moet vastgelegd zijn in een « wet » in de formele betekenis van het woord, aangezien de verwijzing zich in een Europese norm bevindt. De verwijzing naar een « wettelijke verplichting » beperkt zich aldus ertoe te verwijzen naar elke verplichting die voortvloeit uit een norm van de rechtsorde van de Unie of van de lidstaat, zoals wordt bevestigd in artikel 6, lid 3, van de AVG dat bepaalt dat : « de rechtsgrond voor de in lid 1, punten
  18. c)en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij :
  19. a)het Unierecht; of
  20. b)lidstatelijk recht dat op een verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is ». Het feit dat de netbeheerder, overeenkomstig het voormelde artikel 35septies, § 2, tweede lid, persoonsgegevens kan verwerken om wettelijke of reglementaire opdrachten uit te voeren brengt bijgevolg geen schending teweeg van artikel 6 lid 1, c), van de AVG. 39 Tweede onderdeel B.36. De verzoekende partijen zijn van mening dat de aan de distributienetbeheerder gegeven mogelijkheid om persoonsgegevens afkomstig van slimme elektriciteitsmeters langer te bewaren dan de maximale bewaringstermijn van vijf jaar, bedoeld in artikel 35septies, § 2, derde lid, van het decreet van 12 april 2001, het recht op de gegevenswissing erkend in artikel 17 van de AVG onwerkzaam maakt. In het bijzonder het woord « opdrachten », gebruikt in het voormelde artikel 35septies, § 2, derde lid, zou vaag en weinig expliciet zijn. B.37. Artikel 35septies, § 2, derde lid, van het decreet van 12 april 2001 regelt de bewaring van de persoonsgegevens door de distributienetbeheerder. Krachtens die bepaling mogen de persoonsgegevens afkomstig van een slimme elektriciteitsmeter niet langer worden bewaard dan « nodig is voor het bereiken van het doel waarvoor zij zijn verzameld ». In ieder geval bedraagt de maximale bewaringstermijn vijf jaar « behalve in het geval waarin de distributienetbeheerder verplicht is de gegevens voor de uitvoering van zijn opdrachten langer dan vijf jaar te bewaren. In dat geval motiveert de distributienetbeheerder de langere looptijd ». B.38.1. Artikel 5, lid 1, e), van de AVG verankert het beginsel van de beperking in de tijd wat betreft de bewaring van de persoonsgegevens, meer precies gedurende een termijn die niet langer duurt dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt. Artikel 17, lid 1, a), van de AVG, dat dezelfde idee vertolkt, verankert het recht voor de betrokken persoon om de wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de daarmee samenhangende verplichting voor de verwerkingsverantwoordelijke om die gegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer zij niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt. 40 B.38.2. Het recht op gegevenswissing wordt echter gematigd in artikel 17, lid 3, van de AVG. Krachtens die bepaling kan het recht op uitwissing niet worden uitgeoefend « voor zover verwerking nodig is : […]
  21. b)voor het nakomen van een in het Unierecht of het lidstatelijk recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend; […] ». B.38.3. Daaruit volgt dat een betrokken persoon verhinderd kan zijn zijn recht op uitwissing van de hem betreffende persoonsgegevens uit te oefenen in de gevallen die limitatief zijn opgesomd in de AVG. Een van die hypothesen beoogt het geval waarin de verwerking van de persoonsgegevens noodzakelijk is voor « het nakomen van een […] wettelijke verwerkingsverplichting […] of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend » (artikel 17, lid 3, b), van de AVG). B.39. Aldus, door de distributienetbeheerder toe te staan persoonsgegevens afkomstig van slimme elektriciteitsmeters langer te bewaren dan vijf jaar wanneer hij daartoe verplicht is om zijn « opdrachten » uit te voeren, ligt artikel 35septies, § 2, derde lid, van het decreet van 12 april 2001 in het verlengde van artikel 17, lid 3, b), van de AVG. De « opdrachten » waarnaar wordt verwezen in die decretale bepaling beogen de opdrachten van algemeen belang die via wettelijke of reglementaire weg worden toegekend aan de distributienetbeheerder, zonder dat het noodzakelijk is ze exhaustief op te sommen. Indien een verwerking van persoonsgegevens, die de bewaring van die gegevens kan teweegbrengen, noodzakelijk is om een wettelijke of reglementaire opdracht van de distributienetbeheerder uit te voeren, kan het recht op uitwissing niet worden uitgeoefend gedurende de tijd die beperkt is tot uitvoering van die opdracht, zonder dat zulks artikel 5, lid 1, e), noch artikel 17, lid 1, van de AVG schendt. 41 Derde onderdeel B.40. De verzoekende partijen voeren aan dat het begrip « onderaannemer » in artikel 35septies, § 3, van het decreet van 12 april 2001 ruimer is dan datgene dat wordt gebruikt in de AVG. In het decreet zou dat begrip vaag zijn omdat daarin geen enkele precisering wordt gegeven wat betreft het type van opdrachten waarmee de onderaannemer kan worden belast. B.41.1. Artikel 35septies, § 3, eerste lid, van het decreet van 12 april 2001 bepaalt : « Onverminderd het permanent recht van de distributienetbeheerder mag niemand informatie van een slimme meter lezen, uitvoeren of verwerken zonder de voorafgaande, vrije, specifieke, verlichte en ondubbelzinnige toestemming van de betrokken netgebruiker, tenzij openbaarmaking aan een derde door een wettelijke of reglementaire bepaling is toegestaan en/of de informatie wordt overgemaakt aan een onderaannemer die namens en voor rekening van de distributienetbeheerder handelt ». Die bepaling laat toe persoonsgegevens van een slimme elektriciteitsmeter mede te delen met het oog op een lezing, een uitvoering of een verwerking van die gegevens, onder andere aan een onderaannemer die handelt in naam en voor rekening van de distributienetbeheerder, zonder dat de voorafgaande, vrije, specifieke, verlichte en ondubbelzinnige toestemming van de betrokken netgebruiker moet worden verkregen. B.42.2. Artikel 4 , 8), van de AVG definieert het begrip « onderaannemer » als volgt : « Een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt ». B.43. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, is het begrip « onderaannemer » in artikel 35septies, § 3, van het decreet van 12 april 2001 noch vaag noch ruimer dan het begrip vervat in de AVG. 42 Het is duidelijk dat de « onderaannemer » bedoeld in het voormelde artikel 35septies, § 3, diegene is die, in naam van en voor rekening van de distributienetbeheerder, een gegevensverwerking uitvoert in het kader van de uitoefening van een of meer aan die laatste toevertrouwde wettelijke of reglementaire opdrachten. Zoals is vermeld in B.32, kan, krachtens de tweede paragraaf, tweede lid, van artikel 35septies de distributienetbeheerder uitsluitend persoonsgegevens verwerken die afkomstig zijn van slimme elektriciteitsmeters om zijn wettelijke of reglementaire opdrachten uit te voeren of om een andere legitieme opdracht uit te voeren waarvoor de toestemming van de betrokken personen vrijwillig en uitdrukkelijk voor specifieke doeleinden is gegeven. De gegevensverwerking door een onderaannemer die handelt in naam van en voor rekening van de distributienetbeheerder moet in datzelfde kader zijn gesitueerd, dit wil zeggen binnen het precieze kader van de uitvoering van de opdrachten waarmee de distributienetbeheerder bij we

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.