← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.150

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.150 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201119.4 Arrest- Rolnummer: 150/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-11-20 Raadplegingen: 753 - laatst gezien 2026-06-20 05:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 « houdende fiscale en begrotingsbepalingen », zoals zij voor de aanslagjaren 1987 en 1988 van toepassing waren, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 « houdende fiscale en begrotingsbepalingen », in de versie ervan die op de aanslagjaren 1987 en 1988 van toepassing is, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Tekst van de beslissing Rolnummer 7190 Arrest nr. 150/2020 van 19 november 2020 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 « houdende fiscale en begrotingsbepalingen », in de versie ervan die op de aanslagjaren 1987 en 1988 van toepassing is, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 16 mei 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 mei 2019, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Zijn de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, zoals zij op het ogenblik van de feiten van kracht waren, bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, - in zoverre die artikelen het, voor de schuldenaars van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die geen fiscaal beroep instellen tegen het door de belastingadministratie in aanmerking genomen belastbaar inkomen, de RVA, onverminderd de gronden voor stuiting en schorsing van de verjaring, mogelijk maken van die schuldenaars de betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid te vorderen binnen een redelijke termijn vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier van het betrokken jaar; - in zoverre die artikelen het, voor de schuldenaars van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die een fiscaal beroep instellen tegen het door de belastingadministratie in aanmerking genomen belastbaar inkomen, de RVA mogelijk maken van die schuldenaars de betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid te vorderen binnen een redelijke termijn bij het verstrijken van het fiscaal beroep, zelfs indien zodoende het fiscaal beroep wordt beslecht binnen een termijn, vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier van het betrokken jaar, die onredelijk lijkt, in het bijzonder wanneer het fiscaal beroep niet leidt tot een nieuwe berekening van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die verschuldigd is ? ». Memories zijn ingediend door : - Sophie De Mesmaeker en Gwendoline Brodhaag, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Berenboom en Mr. A. Joachimowicz, advocaten bij de balie te Brussel; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Lemaire, advocaat bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Lemaire. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA); - de Ministerraad. Bij beschikking van 23 september 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 7 oktober 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. 3 Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 7 oktober 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Gwendoline Brodhaag en haar overleden echtgenoot Jean De Mesmaeker (die in de zaak is opgevolgd door Sophie De Mesmaeker), appellanten voor de verwijzende rechter, werden door de RVA onderworpen aan een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid met betrekking tot hun gezamenlijk belastbaar inkomen voor de aanslagjaren 1987 en

  1. Op 7 maart 1989 geeft de RVA de echtgenoten De Mesmaeker-Brodhaag kennis van de berekening van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die zij verschuldigd zijn op het gezamenlijk belastbaar inkomen voor het aanslagjaar 1987, en op 7 oktober 1991 doet de RVA hetzelfde voor het aanslagjaar
  2. Op 8 september 1989, ingevolge een rechtzetting door de belastingadministratie, geeft de RVA kennis van een nieuwe berekening van die bijdrage voor het aanslagjaar
  3. De echtgenoten De Mesmaeker-Brodhaag dienen bij de gewestelijke belastingdirecteur een bezwaarschrift in, om het cijfer van het belastbaar inkomen voor de twee in het geding zijnde aanslagjaren te betwisten, en zij brengen de RVA daarvan op de hoogte bij brieven van 16 juli 1990 en van 15 oktober
  4. De administratie verwerpt de bezwaarschriften bij beslissingen van 9 januari 1990 en 14 januari
  5. Op 12 februari 1990 en op 22 februari 1993 stellen de echtgenoten De Mesmaeker-Brodhaag tegen die beslissingen hoger beroep in bij het Hof van Beroep te Brussel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard bij een arrest van 7 december
  6. Vervolgens wordt cassatieberoep ingesteld, dat nadien wordt verworpen op 20 december
  7. De RVA, die op 16 april 2013 door de belastingadministratie op de hoogte is gebracht van het einde van de procedure van betwisting, zendt de echtgenoten De Mesmaeker-Brodhaag op 13 mei 2013 en op 3 september 2013 nieuwe berekeningsbladen toe met betrekking tot de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid voor de aanslagjaren 1987 en 1988, waarvan de bedragen overeenstemmen met de oorspronkelijke bedragen, vermeerderd met de verwijlintresten. Gezien het opzettelijk niet betalen door de echtgenoten De Mesmaeker-Brodhaag na herinnering, maakt de RVA de zaak bij dagvaarding van 22 april 2015 aanhangig bij de Arbeidsrechtbank Waals-Brabant met het oog op de invordering van de in het geding zijnde bijdragen. Bij een vonnis van 25 april 2017 willigt de Rechtbank de vordering van de RVA in. Bij verzoekschriften van 29 september 2017 en van 2 november 2017 stellen de echtgenoten De Mesmaeker-Brodhaag hoger beroep in voor de verwijzende rechter. Zij voeren aan dat de vordering van de RVA tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid verjaard is, aangezien de verjaringstermijn van vijf jaar is ingegaan op de datum van het opstellen, door de belastingadministratie, van elk van de aanslagbiljetten. Gelet op een overvloedige rechtspraak van het Hof over de verjaring van de vordering tot invordering van de in het geding zijnde bijdrage, met name in zijn arresten nrs. 71/2004, 104/2009 en 131/2013, beslist de verwijzende rechter, bij arrest van 16 mei 2019, om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. 4 III. In rechte -A- A.
  8. De appellanten voor de verwijzende rechter betwisten allereerst de interpretatie die door de verwijzende rechter is gegeven aan de in de prejudiciële vraag bedoelde normen, namelijk de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 « houdende fiscale en begrotingsbepalingen » (hierna : de wet van 28 december 1983), terwijl de prejudiciële vraag in werkelijkheid lacunes in de wetgeving beoogt. Een eerste lacune houdt in dat er geen regel bestaat die het aanvangspunt van de verjaringstermijn van de invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid vaststelt, een tweede houdt in dat er geen enkele bepaling bestaat die in bijzondere gronden voor schorsing of stuiting van de verjaring voorziet. A.2.
  9. De appellanten voor de verwijzende rechter beklemtonen vervolgens dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op twee categorieën van personen die vergelijkbaar zijn, namelijk, enerzijds, de schuldenaars van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die een fiscaal beroep met betrekking tot hun belastbaar inkomen instellen en, anderzijds, de schuldenaars van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid die geen fiscaal beroep met betrekking tot hun belastbaar inkomen instellen. A.2.
  10. De Ministerraad en de RVA betwisten de vergelijkbaarheid van de voormelde categorieën van personen. Het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling vloeit in werkelijkheid immers voort uit de regel voor de berekening van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid waarbij wordt verwezen naar het nettobedrag van de gezamenlijk belastbare inkomsten in de personenbelasting (artikel 60 van de wet van 28 december 1983). Indien geen fiscaal bezwaar wordt ingediend, is het gegeven met betrekking tot het gezamenlijk belastbaar inkomen definitief na het verstrijken van de termijn die openstaat om dat bezwaar in te dienen. In het tegenovergestelde geval is het logischerwijs pas aan het einde van het fiscaal geschil dat het gezamenlijk belastbaar inkomen definitief zal worden. Bijgevolg bevinden beide categorieën van personen zich in wezenlijk verschillende situaties en kunnen zij verschillend worden behandeld, zodat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.
  11. De appellanten voor de verwijzende rechter zijn van mening dat de kwestie van het aanvangspunt van de verjaringstermijn in het geding is, maar zij betwisten de door de verwijzende rechter gegeven interpretatie. Bij ontstentenis van een fiscaal beroep blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de RVA zijn vordering tot invordering van die bijdrage binnen een redelijke termijn na de datum van uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier van het betrokken jaar dient in te stellen. De verwijzende rechter is ten onrechte van oordeel dat de RVA, wanneer een fiscaal beroep is ingesteld, zijn vordering tot invordering van de bijdrage kan instellen binnen een redelijke termijn bij het verstrijken van het fiscaal beroep. Volgens de appellanten voor de verwijzende rechter zou die interpretatie de rechtspraak van het Hof schenden. Enerzijds, wordt daarbij een ander aanvangspunt van de verjaring in de plaats gesteld van dat wat door het Hof naar voren is gebracht, namelijk de datum van uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier van het betrokken jaar. Anderzijds, zou het erkennen van het verstrijken van het fiscaal beroep als aanvangspunt van de verjaring erop neerkomen dat men het laat afhangen van de tijd die de hoven en rechtbanken nodig hebben om uitspraak te doen, hetgeen het Hof niet heeft gewild. A.4.
  12. In het verlengde van wat voorafgaat brengen de appellanten voor de verwijzende rechter in herinnering dat geen van de in het geding zijnde bepalingen erin voorziet dat het fiscaal beroep een grond voor schorsing of stuiting van de verjaring uitmaakt. Het feit dat het niet opportuun is om uit die bepalingen een grond voor schorsing van de verjaring af te leiden, wordt bovendien versterkt door het feit dat het fiscaal beroep, voor de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid, de verwijlintresten net niet schorst (artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 « tot uitvoering van Hoofdstuk III - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen » (hierna : het koninklijk besluit van 4 juli 1984)). Niets toont aan dat de wetgever de bedoeling had om te voorzien in de schorsing, door het fiscaal beroep, van de verjaring van de vordering van de RVA. Het oorspronkelijk doel van de wetgever, dat erin bestond de bijzondere bijdrage zo snel mogelijk te innen, vormt trouwens een extra aanwijzing in die zin. 5 A.4.2.
  13. Wat betreft de stuitende werking van het fiscaal geschil voor de verjaringstermijn van de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid, stellen de Ministerraad en de RVA vast dat die stuitende werking uit de economie zelf van de bevrijdende verjaring voortvloeit. Aangezien de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid een persoonlijke rechtsvordering is in de zin van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, gaat de verjaring pas in op de dag waarop de verplichting tot betaling eisbaar wordt (arrest nr. 104/2009 van het Hof van 9 juli 2009; Cass., 4 oktober 2010, S.10.0006.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101004.3, en 5 maart 2012, S.11.0058.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120305.4). De vaststelling van het belastbaar inkomen vormt te dezen evenwel een opschortende voorwaarde voor de eisbaarheid van de verplichting. Overeenkomstig artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek vormt het fiscaal geschil dus een wettelijk beletsel voor de invordering van de bijzondere bijdrage (Cass., 4 oktober 2010, S.10.0006.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101004.3). Dat zou niet anders kunnen zijn, aangezien het fiscaal bezwaar niet alleen de berekening maar ook het bestaan zelf van de schuld inzake de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid in het geding brengt. A.4.2.
  14. De Ministerraad en de RVA beklemtonen dat uit diverse rechtspraak blijkt dat de verjaringstermijn van de invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid wordt geschorst tijdens het fiscaal geschil, aangezien de RVA dan in de wettelijke onmogelijkheid verkeert om over te gaan tot de berekening (Brussel, 25 februari 2016, A.R. 2014/AB/720, Brussel, 11 mei 2016, A.R. 2005/AB/46859, Brussel, 15 juni 2016, A.R. 2014/AB/1147, Gent, 5 februari 2015, A.R. 2014/AR/32, Antwerpen, 17 maart 2016, A.R. 2015/AA/119). Die conclusie is inherent aan de berekeningswijze van de bijdrage, aangezien de RVA zich dient te baseren op het bedrag van het gezamenlijk belastbaar inkomen. Dat laatste dient evenwel definitief te zijn vastgesteld opdat kan worden overgegaan tot de berekening. Bovendien blijkt uit het arrest van het Hof nr. 38/2016 van 10 maart 2016 dat de verjaring geen aanvang kan nemen zolang de schuldvordering niet vaststaat wat het bestaan zelf ervan betreft. A.4.2.
  15. Voor het overige betwisten de Ministerraad en de RVA de bewering van de appellanten voor de verwijzende rechter volgens welke het koninklijk besluit van 4 juli 1984 een aanwijzing zou zijn voor het niet-verjaringstuitende karakter van het fiscaal beroep. Integendeel, indien de Koning uitdrukkelijk erin heeft voorzien dat de schuldenaars de verplichting hebben om de RVA op de hoogte te brengen van fiscale betwistingen (artikel 3 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984), is dat omdat Hij heeft geoordeeld dat het indienen van een bezwaar de RVA belet om de betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid te vorderen zolang geen uitspraak is gedaan over het bezwaar of over het gerechtelijk beroep. A.5.
  16. Gelet op de onmogelijkheid om een grond voor schorsing of stuiting van de verjaring af te leiden uit de in het geding zijnde bepalingen, dient, volgens de appellanten voor de verwijzende rechter, het gemeen recht, namelijk artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, te worden toegepast. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat de RVA geen enkele verjaringstuitende handeling in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek heeft verricht, terwijl hij dat had kunnen doen en aldus zijn rechten had kunnen vrijwaren totdat een beslissing een einde maakt aan het fiscaal geschil. A.5.
  17. De Ministerraad en de RVA betwisten de bewering volgens welke de RVA de mogelijkheid zou hebben gehad om een verjaringstuitende handeling in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek te verrichten. Zelfs al zou de RVA een rechtsvordering hebben ingesteld zonder de uitkomst van het fiscaal beroep af te wachten, zoals de appellanten voor de verwijzende rechter suggereren, zou de rechtbank geen andere keuze hebben gehad dan de vordering van de RVA af te wijzen of de uitspraak aan te houden, aangezien zowel het bestaan als het bedrag van de eventuele bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid zouden hebben afgehangen van een te wijzen beslissing in het fiscaal geschil. Geen enkele wet legt de verplichting op om een dergelijke bewarende vordering in te stellen, die absurd zou zijn en hoe dan ook ernstige ontvankelijkheidsvragen zou doen rijzen. Op het argument dat de in artikel 62 van de wet van 28 december 1983 bedoelde provisionele storting het voorwerp kon uitmaken van een procedure tot invordering door de RVA, antwoorden de Ministerraad en de RVA dat het enkel voorschotten betreft die in mindering moeten worden gebracht. Het is hoogstens een middel, voor de schuldenaars, om te vermijden dat zij verwijlintresten verschuldigd zijn. De aanvang van de intresten is echter volkomen verschillend van die van de termijn voor de invordering van de bijzondere bijdrage op grond van fiscale inlichtingen die definitief moeten zijn. Enkel de toekomstige bijdrageplichtige kan kiezen om die voorschotten te betalen, zodat de RVA in geen geval gebruik kan maken van die beslissing om de bijdrage in te vorderen, die op die datum nog niet opeisbaar is. 6 A.5.
  18. De appellanten voor de verwijzende rechter antwoorden de Ministerraad en de RVA dat de onmogelijkheid om in rechte te treden uit geen enkele wet voortvloeit. Integendeel, de artikelen 62 en 64 van de wet van 28 december 1983 regelen juist de procedure tot invordering van de bijdrage door de RVA. Bovendien, in tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad en de RVA aanvoeren, maken diezelfde bepalingen het mogelijk om het opeisbare karakter van de schuldvordering van de RVA te bevestigen, zelfs wanneer het fiscaal geschil nog niet is beslecht. A.6.
  19. In ondergeschikte orde, indien de in het geding zijnde bepalingen in die zin zouden worden geïnterpreteerd dat, wanneer een fiscaal beroep wordt ingesteld, de verjaringstermijn voor de invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid, een aanvang neemt na de beslechting van het fiscaal geschil, zijn de appellanten voor de verwijzende rechter van mening dat het verschil in behandeling dat eruit voortvloeit, hoe dan ook is toe te schrijven aan een gebrek aan wetsbepalingen ad hoc, en niet aan de in het geding zijnde bepalingen. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de aldus aan het licht gebrachte lacune niet in voldoende precieze en volledige bewoordingen is uitgedrukt en dient het aan de wetgever te worden overgelaten om de wettelijke regeling die hij passend acht, aan te nemen. A.6.
  20. Indien een dergelijke lacune door het Hof zou worden vastgesteld, overeenkomstig hetgeen de appellanten voor de verwijzende rechter in ondergeschikte orde vragen, zijn de Ministerraad en de RVA van mening dat die klaarblijkelijk in voldoende precieze en volledige bewoordingen zou worden uitgedrukt. Uit het arrest van het Hof nr. 131/2013 van 26 september 2013 vloeit voort dat het aan de verwijzende rechter zou staan om in elk geval en op basis van concrete en objectieve elementen te bepalen op welke datum de vijfjarige verjaring is ingegaan, rekening houdend met de gronden voor stuiting en schorsing van de verjaring, en daarbij tevens te waken over de inachtneming van de redelijke termijn. A.
  21. Aanvullend stellen de Ministerraad en de RVA vast dat het Hof zich, in zijn arrest nr. 131/2013, niet heeft uitgesproken over de situatie van een fiscaal bezwaar dat is gevolgd door een beroep. Het gaat bijgevolg erom te onderzoeken of en in welke mate de lering van het Hof kan worden overgenomen met betrekking tot de in het geding zijnde zaak. Steunend op een arrest van het Arbeidshof te Brussel, merken de Ministerraad en de RVA op dat het vereist is om een onderscheid te maken tussen, enerzijds, de verjaringstermijn, die ingaat op het einde van de maand volgend op die gedurende welke het berekeningsblad is toegezonden, en, anderzijds, de redelijke termijn waarbinnen de RVA in rechte dient te treden, die wordt berekend vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier (Brussel, 3 september 2015, A.R. 2012/AB/382). De twee termijnen mogen niet met elkaar worden verward, in zoverre de redelijke termijn het de verjaring juist mogelijk maakt in te gaan. Uit de rechtspraak van het Hof vloeit bijgevolg voort dat de rechter dient na te gaan of de RVA, door zijn houding of door zijn nalatigheid, het ingaan van de verjaring niet onredelijk heeft uitgesteld. Bijgevolg preciseren de Ministerraad en de RVA dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de verjaring van een vordering, wijze van verval van een rechtsvordering, en de overschrijding van de redelijke termijn, die in concreto moet worden beoordeeld door de rechter, rekening houdend met de elementen van elke zaak. Te dezen zou het redelijke karakter van de termijn moeten afhangen van de mogelijkheid, voor de administratieve overheid, om over alle inlichtingen te beschikken die noodzakelijk zijn om in rechte te treden. De RVA bevindt zich evenwel in de onmogelijkheid om tijdens het fiscaal geschil in rechte te treden, omdat de inlichtingen hoe dan ook onvolledig zijn. Voor het overige brengen de Ministerraad en de RVA in herinnering dat de RVA geenszins verantwoordelijk is voor de duur van het fiscaal beroep. Ten slotte zijn zij van mening dat het niet denkbaar is dat de invordering door de RVA van de schuldvordering inzake sociale zekerheid, die van openbare orde is, onmogelijk kan worden gemaakt door de vertraging in het verloop van de fiscale procedure, die bovendien is ingesteld door de schuldenaar. De Ministerraad en de RVA beklemtonen bovendien dat, indien de redelijke termijn waarbinnen de RVA in rechte dient te treden om de bijzondere bijdrage in te vorderen, zou ingaan op de datum van uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier, zelfs wanneer de belastingplichtige een fiscaal bezwaar heeft ingediend, en indien die termijn niet werd gestuit, de vordering van de RVA stelstelmatig zou mislukken wanneer de uiteindelijke beslissing meer dan vijf jaar na de datum van uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier wordt genomen. Die situatie komt in de praktijk evenwel niet zelden voor. Een dergelijk formalisme zou bijgevolg overdreven zijn, in de zin van het recht op toegang tot de rechter, zoals het door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt geïnterpreteerd, aangezien de termijn afhankelijk zou zijn van omstandigheden buiten de wil van de verzoeker (EHRM, 22 juli 2010, Melis t. Griekenland), te dezen de RVA. 7 A.
  22. In ondergeschikte orde voeren de Ministerraad en de RVA aan dat het verschil in behandeling objectief en evenredig kan worden verantwoord. Dat verschil in behandeling vloeit voort uit een objectief criterium, namelijk het al dan niet indienen, door de belastingplichtige, van een fiscaal bezwaar. De mogelijkheid om een bezwaar in te dienen is het logische gevolg van het voorrecht van de Staat in fiscale zaken. De betwisting wordt aan het oordeel van de belastingplichtige overgelaten en staat dus volkomen los van de RVA. Bijgevolg wordt het aanvangspunt van de verjaringstermijn van de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid enkel uitgesteld door het fiscaal geschil dat door de belastingplichtige is ingeleid, zodat het uitstel noch afhangt van de willekeur van de RVA, noch van die van de belastingadministratie, en zodoende het arrest van het Hof nr. 131/2013 in acht neemt. De Ministerraad en de RVA zijn vervolgens van mening dat het verschil in behandeling pertinent is ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel, dat erin bestaat ervoor te zorgen dat de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid wordt berekend op basis van een definitieve grondslag die niet vatbaar is voor betwisting. Ten slotte voeren de Ministerraad en de RVA aan dat de regel volgens welke de verjaring wordt gestuit tijdens het fiscaal geschil, niet onevenredig is met het nagestreefde doel. Enerzijds, wordt het fiscaal beroep, hoewel het een tijdelijke hinderpaal voor de vordering van de RVA vormt, uitsluitend in het belang van de schuldenaar ingesteld, aangezien het ertoe strekt het bedrag van de belastbare inkomsten te verminderen. Anderzijds, zouden de schuldenaars, indien de verjaring niet zou worden gestuit tijdens het fiscaal geschil, er voordeel uit kunnen halen en paradoxaal genoeg worden bevoordeeld ten opzichte van de schuldenaars die hun inkomsten vanaf het begin correct aangeven. A.
  23. Voor het overige zijn de Ministerraad en de RVA het niet eens met de interpretatie die blijkbaar in aanmerking is genomen door de verwijzende rechter, die lijkt te oordelen dat de RVA, in geval van een ongunstige uitkomst voor de indieners van het bezwaarschrift in het fiscaal geschil, met andere woorden wanneer de oorspronkelijke inkomsten niet worden herzien, geen nieuw berekeningsblad voor de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid dient op te stellen. Die interpretatie druist in tegen de rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat van oordeel is dat bij een bezwaar rekening moet worden gehouden met het berekeningsblad dat de RVA aan de schuldenaar toezendt zodra het fiscaal geschil is beëindigd. Niets geeft evenwel aan dat die rechtspraak enkel van toepassing is wanneer een rectificerend berekeningsblad noodzakelijk is. Kortom, het fiscaal beroep blijft een wettelijk beletsel voor de opeisbaarheid van de schuld inzake de bijzondere bijdrage, ook al zou geen enkel fiscaal gegeven worden herzien. Elke andere interpretatie zou leiden tot een onbegrijpelijke situatie met een verschillende aanvang van de verjaringstermijn, naar gelang van de uitkomst van het fiscaal geschil. A.
  24. Ten slotte brengen de Ministerraad en de RVA in herinnering dat het Hof, in zijn arrest nr. 164/2014 van 6 november 2014, heeft geoordeeld dat artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het als gevolg kan hebben dat de verjaringstermijn verstrijkt vooraleer de begunstigde van het derdenbeding kennis ervan heeft of redelijkerwijze kennis ervan diende te hebben. Dat arrest kan te dezen worden overgenomen omdat de RVA zich in de situatie bevindt van een begunstigde derde ten opzichte van de uitkomst van het fiscaal geschil. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.
  25. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de grondwettigheid van de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 « houdende fiscale en begrotingsbepalingen » (hierna : de wet van 28 december 1983), in de versie ervan die van toepassing is op de aanslagjaren 1987 en
  26. 8 B.2.
  27. Artikel 60 van de wet van 28 december 1983, zoals van toepassing op de aanslagjaren 1987 en 1988, ingevolge de wijzigingen ervan bij artikel 7 van de « herstelwet » van 31 juli 1984 (hierna : de wet van 31 juli 1984), dat op 20 augustus 1984 in werking is getreden, en bij artikel 56 van de wet van 7 november 1987 « waarbij voorlopige kredieten worden geopend voor de begrotingsjaren 1987 en 1988 en houdende financiële en diverse bepalingen » (hierna : de wet van 7 november 1987), dat op 1 januari 1988 in werking is getreden, bepaalt : « De personen die onderworpen zijn aan om het even welk stelsel van sociale zekerheid of onder enig opzicht gerechtigd zijn op ten minste één van de prestaties van de sociale zekerheid en van wie het netto bedrag van de gezamenlijk belastbare inkomsten in de personenbelasting meer dan 3 miljoen frank bedraagt zijn jaarlijks gehouden tot betaling van een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid voor de aanslagjaren 1983 tot 1988 ». B.2.
  28. Sinds de vervanging ervan bij artikel 8 van de wet van 31 juli 1984, dat op 20 augustus 1984 in werking is getreden, bepaalt artikel 61 van de wet van 28 december 1983 : « §
  29. Het bedrag van die bijdrage wordt bepaald op 10 p.c. van het belastbaar inkomen van elk aanslagjaar. In afwijking van het eerste lid, wanneer het inkomen lager ligt dan 5 miljoen F, wordt het bedrag van de bijdrage bepaald op 25 p.c. van het deel van het inkomen dat 3 miljoen overtreft. §
  30. Wanneer de gezamenlijke belastbare inkomsten in de personenbelasting die 3 miljoen F overtreffen, verkregen worden door meerdere personen, dan is de bijdrage verschuldigd door elk van hen en wordt ze ingevorderd voor een bedrag dat evenredig is aan de verhouding van de inkomsten die elk heeft verkregen tot de gezamenlijke belastbare inkomsten ». B.2.
  31. Artikel 61bis van de wet van 28 december 1983, ingevoegd bij artikel 8 van de wet van 31 juli 1984, dat een aanvullende bijdrage voor sociale zekerheid invoert, is niet van toepassing op de aanslagjaren 1987 en
  32. 9 B.2.
  33. Ingevoegd bij artikel 117 van de wet van 4 augustus 1986 « houdende fiscale bepalingen », dat op 30 augustus 1986 in werking is getreden, bepaalt artikel 61ter van de wet van 28 december 1983 : « De bedragen van 3 miljoen frank, 4 miljoen frank en 5 miljoen frank gesteld in de artikelen 60, 61 en 61bis worden, vanaf het aanslagjaar 1987, jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast, tot het beloop van de verhogingscoëfficiënt van het gemiddelde van de voor het voorlaatste jaar vastgestelde indexcijfers ten opzichte van het gemiddelde van de indexcijfers van het vorige jaar. Het gemiddelde van de indexcijfers wordt afgerond op het hogere of lagere honderdste van een punt naargelang het cijfer van de duizendsten van een punt al of niet vijf bereikt. De aangepaste bedragen worden afgerond op het hogere of lagere duizendtal naargelang het cijfer van de honderdtallen al of niet vijf bereikt ». B.2.
  34. Artikel 62 van de wet van 28 december 1983 bepaalde oorspronkelijk : « De bijdrage moet het voorwerp uitmaken van een provisionele storting te verrichten vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar. Bij gebreke aan, of in geval van ontoereikendheid van provisionele storting op 1 december, is een nalatigheidsinterest verschuldigd ingaand op deze datum tegen een rentevoet van 1,25 % per maand tot en met de maand waarin de betaling geschiedt. Bij overschrijding van de provisionele storting worden moratoriuminteresten toegekend tegen een rentevoet van 1 % per kalendermaand, ten vroegste met ingang van 1 december van het jaar waarvoor de provisie is verschuldigd. Bij laattijdige provisionele storting wordt er met de maand waarin de storting gedaan wordt geen rekening gehouden. De maand waarin het bericht betreffende de terbeschikkingstelling van het terug te geven bedrag aan betrokkene verstuurd wordt, wordt als een volledige maand aangerekend ». Zoals het van toepassing is op het aanslagjaar 1988, bepaalt artikel 62 van de wet van 28 december 1983, gewijzigd bij artikel 57 van de wet van 7 november 1987, die op 1 februari 1988 in werking is getreden : « De bijdrage moet het voorwerp uitmaken van een provisionele storting te verrichten vóór 1 december van het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar. 10 Bij gebreke aan, of in geval van ontoereikendheid van provisionele storting op 1 december, is een nalatigheidsinterest verschuldigd ingaand op deze datum tegen een rentevoet van 0,8 % per maand tot en met de maand waarin de betaling geschiedt. Bij overschrijding van de provisionele storting worden moratoriuminteresten toegekend tegen een rentevoet van 0,6 % per kalendermaand aan de personen bedoeld in de artikelen 60 en 61bis, ten vroegste met ingang van 1 december van het jaar waarvoor de provisie verschuldigd is. De Koning kan, wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is, de tarieven bedoeld in het tweede en het derde lid aanpassen. Bij laattijdige provisionele storting wordt er met de maand waarin de storting gedaan wordt geen rekening gehouden. De maand waarin het bericht betreffende de terbeschikkingstelling van het terug te geven bedrag aan betrokkene verstuurd wordt, wordt als een volledige maand aangerekend ». B.2.
  35. Artikel 63 van de wet van 28 december 1983 bepaalt : « Op verzoek van de personen, bedoeld in artikel 60, mag hun werkgever de bijdrage inhouden op het loon dat hij verschuldigd is, eventueel voor het bedrag bedoeld in artikel 61, derde lid, om het in hun naam en voor hun rekening te storten ». Artikel 64 van de wet van 28 december 1983 bepaalt : « De bijdrage, de provisionele storting en de verwijlinteresten worden door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening geïnd, ingevorderd en besteed aan de werkloosheidsverzekering. De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening is gemachtigd langs gerechtelijke weg tot de invordering over te gaan. De Koning bepaalt de technische en administratieve voorwaarden waarin de Rijksdienst de inning en invordering uitvoert. Hij mag de Rijksdienst geen ruimere bevoegdheden verlenen dan die welke toegekend zijn aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid ». Artikel 65 van de wet van 28 december 1983 bepaalt : « De Koning bepaalt de wijze van betaling van de bijdrage aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening ». 11 Artikel 66 van de wet van 28 december 1983 bepaalt : « De openbare besturen, inzonderheid de besturen die afhangen van het Ministerie van Financiën, het Ministerie van Middenstand en het Ministerie van Sociale Zaken, zijn verplicht aan de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening de inlichtingen te verstrekken welke deze nodig heeft met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk ». Artikel 67 van de wet van 28 december 1983 bepaalt : « De bijdrage wordt beschouwd als een persoonlijke bijdrage, die verschuldigd is in uitvoering van de sociale wetgeving. De berekeningswijze ervan wijkt te uitzonderlijken titel af van artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en van artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ». Artikel 68 van de wet van 28 december 1983 bepaalt : « Voor zover het bedrag ervan niet hoger ligt dan het werkelijk verschuldigde bedrag, worden de bijdrage en de provisionele storting, voor het jaar van de betaling afgetrokken van de gezamenlijke netto inkomsten van de verschillende in artikel 6 van het Wetboek van inkomstenbelastingen bedoelde categorieën, op dezelfde gronden als de in artikel 71 van hetzelfde Wetboek bedoelde uitgaven ». Artikel 69 van de wet van 28 december 1983 voegt aan artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek een 12° toe, dat luidt als volgt : « de betwistingen betreffende de verplichting van de sociaal verzekerden om een bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid te storten krachtens hoofdstuk III van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen ». 12 B.2.
  36. Zoals het van toepassing is op de aanslagjaren 1987 en 1988, bepaalt artikel 70, eerste lid, van de wet van 28 december 1983, gewijzigd bij artikel 58 van de wet van 7 november 1987, die op 1 januari 1988 in werking is getreden, en bij artikel 109, § 3, van de programmawet van 30 december 1988, dat op 15 november 1988 in werking is getreden : « De tijdens de jaren 1984, 1985, 1986, 1987, 1988 behaalde roerende inkomsten, die krachtens artikel 220bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen niet worden aangegeven in de jaarlijkse aangifte in de personenbelasting, worden gevoegd bij het bedrag van het globaal belastbaar inkomen, met uitzondering evenwel van de in de artikelen 19 en 174, tweede lid, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek bedoelde inkomsten, voor het bepalen van de in artikel 60 voorgeschreven heffingsbasis van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid ». B.2.
  37. Artikel 71 van de wet van 28 december 1983 bepaalt : « Het koninklijk besluit nr. 55 van 16 juli 1982 tot instelling voor 1982 van een bijzondere en éénmalige bijdrage voor sociale zekerheid, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 125 van 30 december 1982, en het koninklijk besluit nr. 124 van 30 december 1982 tot instelling voor 1983 van een bijzondere en éénmalige bijdrage voor sociale zekerheid worden ingetrokken ». B.2.
  38. Artikel 72 van de wet van 28 december 1983, zoals gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 31 juli 1984, bepaalt : « Ten aanzien van de in artikel 60 bedoelde personen houden de artikelen 29 tot 31 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de fiscale en financiële bepalingen op uitwerking te hebben met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgend op die gedurende welke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. De personen die het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de in artikel 71 bedoelde koninklijke besluiten nr. 55 van 16 juli 1982 en nr. 124 van 30 december 1982 hebben ingeroepen moeten het saldo van de bijdragen storten : - ofwel uiterlijk twee maand na de conversie in obligaties aan toonder van de bij toepassing van artikel 30, § 1, van de voornoemde wet van 10 februari 1981 bij het Grootboek van de Staatsschuld op naam ingeschreven Staatsleningen, of na het vrijmaken van de bij toepassing van artikel 30, § 2, van dezelfde wet, bij de Nationale Bank van België voor rekening van de Deposito- en Consignatiekas neergelegde industriële obligaties of aandelen, indien deze conversie of dit vrijmaken heeft plaatsgehad voor de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad verschijnt; - ofwel uiterlijk twee maand na deze bekendmaking, in alle andere gevallen. 13 Artikel 62, tweede lid is niet van toepassing in de mate dat de ontoereikbaarheid van de provisionele storting het gevolg was van de toepassing van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 van de voornoemde koninklijke besluiten nrs. 55 en 124, voor zover de door het vorige lid opgelegde verplichting nageleefd wordt ». B.2.
  39. Artikel 73 van de wet van 28 december 1983 bepaalt : « De artikelen 60 tot 69 en 71 van deze wet hebben uitwerking met ingang van 4 augustus 1982 ». Ten gronde B.3.
  40. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van de artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983, zoals zij op het ogenblik van de feiten van toepassing waren, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij een verschil in behandeling doen ontstaan naargelang de schuldenaars van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid al dan niet een fiscaal beroep hebben ingesteld. B.3.
  41. De interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen door de verwijzende rechter steunt op het arrest nr. 131/2013 van 26 september 2013, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat die bepalingen niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij het de RVA, onverminderd de gronden voor stuiting en schorsing van de verjaring, mogelijk maken de betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid te vorderen nadat een redelijke termijn is verstreken vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier van het betrokken jaar. Volgens de verwijzende rechter vloeit daaruit voort dat het in het kader van een fiscaal beroep mogelijk zou zijn voor de RVA om de betaling van de bijdrage te vorderen binnen een mogelijk onredelijke termijn vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier van het betrokken jaar. 14 Wat betreft de interpretatie van de verwijzende rechter B.
  42. De appellanten voor de verwijzende rechter, alsook de Ministerraad en de RVA betwisten de wijze waarop de verwijzende rechter de in het geding zijnde bepalingen interpreteert. B.
  43. De artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 voorzien niet in een verjaringstermijn wat betreft de vordering van de RVA tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. Bij gebrek aan een andere tekst die haar onderwerpt aan een specifieke verjaringstermijn, verjaart die persoonlijke rechtsvordering overeenkomstig het gemeen recht. Het Hof heeft bij het arrest nr. 177/2009 van 12 november 2009 evenwel geoordeeld dat de objectieve verschillen die tussen de bijzondere bijdragen voor sociale zekerheid en de gewone bijdragen voor sociale zekerheid bestaan, niet volstaan om, ten aanzien van het nagestreefde doel, te verantwoorden dat de betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid gedurende de gemeenrechtelijke termijn kan worden gevorderd, terwijl de invordering van de geregulariseerde gewone bijdragen voor sociale zekerheid die de zelfstandigen verschuldigd zijn bij de aanvang of de hervatting van de beroepsbezigheid, na vijf jaar verjaart. Het Hof heeft daaruit een discriminerende lacune afgeleid die in voldoende precieze en volledige bewoordingen is uitgedrukt. Bijgevolg komt het voortaan de verwijzende rechter toe de verjaringstermijn van vijf jaar toe te passen. B.
  44. Doordat de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid een persoonlijke rechtsvordering is in de zin van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, begint de daaraan verbonden verjaringstermijn pas te lopen op de dag waarop de verplichting tot betaling van die bijdrage eisbaar wordt. De verplichting tot betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid moet worden onderscheiden van de verplichting tot betaling, door de schuldenaar, van de provisionele stortingen in de zin van artikel 62 van de wet van 28 december
  45. 15 De RVA kan het bestaan van een schuldvordering met betrekking tot die bijdrage of het bedrag ervan pas vaststellen wanneer bepaalde openbare besturen hem de nodige inlichtingen hebben verstrekt (artikel 66 van de wet van 28 december 1983). En het is slechts « aan de hand van [die] inlichtingen » dat hij « aan de tot betaling van de bijzondere bijdrage gehouden personen een berekeningsblad [zendt] met vermelding van het bedrag der verschuldigde bijdrage, de elementen op basis waarvan de bijdrage is vastgesteld, het eventueel saldo dat door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geïnd of teruggegeven moet worden en de verwijlintresten betreffende dit saldo », dat « uiterlijk [moet] worden gestort de laatste dag van de maand volgend op die van de toezending van het berekeningsblad » (artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984 « tot uitvoering van Hoofdstuk III - Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid - van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen », (hierna : het koninklijk besluit van 4 juli 1984)). B.
  46. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat, krachtens de artikelen 60, 64, eerste lid, en 66 van de voormelde wet van 28 december 1983, in samenhang gelezen met artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 juli 1984, « de verjaring van de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid slechts bij het verstrijken van [de in het tweede lid van dat artikel 2 bedoelde] betalingstermijn ingaat » (Cass., 27 juni 2011, S.10.0016.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110627.7; 5 maart 2012, S.11.0058.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120305.4). Het heeft ook gepreciseerd dat « de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening […] de terugvordering niet [mag] uitoefenen zolang de fiscale schuld van de bijdrageplichtige niet definitief is vastgelegd, zodat, bij fiscale betwisting of fiscaal verhaal, de verjaringstermijn pas intreedt bij het verstrijken van de maand die volgt op die tijdens welke een nieuw berekeningsblad opgesteld op basis van de definitieve fiscale beslissing werd overgemaakt door de Rijksdienst aan de bijdrageplichtige van de bijzondere bijdrage » (Cass., 5 maart 2012, voormeld; 4 oktober 2010, S.10.0006.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101004.3). B.
  47. Het is in die interpretatie dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt. 16 B.
  48. Uit de voormelde arresten van het Hof van Cassatie blijkt dat na afloop van het fiscaal beroep, op basis van de definitieve fiscale beslissing, door de RVA een nieuw berekeningsblad wordt opgesteld en toegezonden aan de schuldenaar van de bijzondere bijdrage, ongeacht het resultaat van de beslissing. Het zou immers niet verantwoord zijn dat de uitkomst van het fiscaal beroep, dat buiten de bezwaarprocedure van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid valt, andere gevolgen heeft voor de procedure tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. Bijgevolg onderzoekt het Hof de prejudiciële vraag zonder een onderscheid te maken naargelang het fiscaal beroep al dan niet leidt tot het opstellen van een nieuwe berekening van de verschuldigde bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. Wat betreft de prejudiciële vraag B.
  49. Uit de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht om de bestaanbaarheid te onderzoeken van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het gevolg van een fiscaal geschil voor de verjaringstermijn een niet-verantwoorde discriminatie zou doen ontstaan met betrekking tot de inachtneming van de redelijke termijn waarbinnen de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid kan worden ingevorderd. B.
  50. Bij zijn arrest nr. 131/2013 heeft het Hof geoordeeld : « B.5.
  51. Zoals de Ministerraad onderstreept, verantwoordt het specifieke karakter van de berekeningswijze van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid in principe dat de verjaringstermijn voor de invordering ervan ermee rekening houdt dat de nodige inlichtingen moeten worden verkregen van de belastingadministratie, en zelfs van de belastingplichtige zelf. B.5.
  52. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde wet onderstreepte de minister van Tewerkstelling en Arbeid in dat verband : ‘ De inlichtingen [zullen] automatisch […] worden doorgegeven aan de R.V.A. door de fiscale administraties. De diensten van Financiën verstrekken alle gegevens waarover zij in dit verband beschikken ’ (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 758/15, p. 78). 17 Tijdens de besprekingen in de Senaat wees de minister ook op het volgende : ‘ De vereiste samenwerking met de ambtenaren van Financiën bestaat en verloopt volledig naar wens. […] - er bestaat samenwerking tussen de R.V.A. en het departement van Financiën op dit gebied; - Financiën verstrekt aan de R.V.A. een lijst van de personen met inkomsten van meer dan 3 miljoen frank; - de R.V.A. ondervraagt dan de belastingplichtigen die naar zijn mening de bijdrage niet hebben betaald, over de redenen van dat verzuim (b.v. indien zij niet onderworpen zijn aan het stelsel van de R.S.Z.) ’ (Parl. St., Senaat, 1983-1984, nr. 604/2, pp. 86-88). B.5.
  53. Het is dus niet onredelijk om, in principe, de verjaring van de vordering tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid te laten ingaan op het einde van de maand volgend op die gedurende welke de RVA het berekeningsblad aan de bijdrageplichtige heeft toegezonden. B.
  54. Niettemin mag het aanvangspunt van een verjaringstermijn niet volledig aan de willekeur van een van de partijen worden overgelaten, noch uitsluitend afhangen van de tijd die de overheden nodig hebben om onderling overleg te plegen en hun beslissing te wijzen (zie EHRM, 6 november 2008, Kokkinis t. Griekenland, §§ 34 en 35). De zorg om rechtsonzekerheid te voorkomen vereist daarentegen dat het aanvangspunt en het verstrijken van verjaringstermijnen duidelijk vastliggen en verbonden zijn aan concrete en objectieve feiten. In de interpretatie van de verwijzende rechter laat de in het geding zijnde bepaling het aanvangspunt van de verjaringstermijn van de vordering tot invordering van de RVA echter uitsluitend afhangen van het tijdstip waarop die laatste beslist zijn berekeningsblad aan de belastingplichtige toe te zenden, waarbij dat tijdstip kan worden uitgesteld, door nalatigheden of zoals te dezen, wegens een slechte communicatie tussen de diensten van de belastingadministratie en de diensten van de RVA. B.
  55. Om de in B.4 uiteengezette redenen volstaan de andere objectieve verschillen tussen de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid en de geregulariseerde gewone bijdragen voor sociale zekerheid niet om het in het geding zijnde verschil in behandeling te verantwoorden. B.
  56. De artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, zoals zij op het ogenblik van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten van kracht waren, zijn bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij het de RVA, onverminderd de gronden voor stuiting en schorsing van de verjaring, mogelijk maken de betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid te vorderen nadat een redelijke termijn is verstreken vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier van het betrokken jaar ». 18 B.
  57. Uit het voormelde arrest blijkt dat de redelijke termijn waarbinnen de RVA de betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid kan vorderen, in beginsel wordt berekend vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier van het betrokken jaar. In het voormelde arrest sprak het Hof zich evenwel uit over een procedure tot invordering van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid in het kader waarvan geen fiscaal bezwaar was ingediend. Er moet een onderscheid worden gemaakt met de situatie waarin een fiscaal bezwaar is ingediend, aangezien de RVA de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid niet mag invorderen zolang de fiscale schuld van de bijdrageplichtige niet definitief is vastgelegd, zodat, bij fiscale betwisting of fiscaal verhaal, de verjaringstermijn pas aanvangt bij het verstrijken van de maand die volgt op die tijdens welke een nieuw berekeningsblad opgesteld op basis van de definitieve fiscale beslissing door de Rijksdienst werd toegezonden aan de bijdrageplichtige van de bijzondere bijdrage. B.
  58. De omstandigheid dat de termijn van een procedure tot invordering van de bijdrage voor sociale zekerheid tijdens welke een fiscaal beroep wordt ingesteld door de schuldenaar van die bijdrage, langer is dan die van een procedure tot invordering van de bijdrage voor sociale zekerheid tijdens welke geen fiscaal beroep wordt ingesteld, is op zich niet van dien aard dat zij de duur van de procedure onredelijk maakt. B.
  59. Bij een fiscaal geschil mag het aanvangspunt van de verjaringstermijn van de vordering tot invordering van de RVA niet uitsluitend afhangen van het tijdstip waarop die laatste beslist zijn nieuw berekeningsblad aan de belastingplichtige toe te zenden. Het staat bijgevolg aan de rechter om te onderzoeken of de betaling van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid niet werd gevorderd nadat een redelijke termijn is verstreken vanaf de datum waarop het fiscaal geschil definitief is beslecht. B.
  60. Bijgevolg worden de schuldenaars van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid niet verschillend behandeld naargelang zij al dan niet een fiscaal beroep hebben ingesteld, aangezien de waarborg van de redelijke termijn noch aan de enen, noch aan de anderen wordt ontzegd. 19 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 60 tot 73 van de wet van 28 december 1983 « houdende fiscale en begrotingsbepalingen », zoals zij voor de aanslagjaren 1987 en 1988 van toepassing waren, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 november
  61. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.150 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101004.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110627.7 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120305.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.