id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 19 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.153 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201119.7 Arrest- Rolnummer: 153/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-11-20 Raadplegingen: 296 - laatst gezien 2026-06-19 17:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 118 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek », ingesteld door Hans Evenepoel en Mariette De Winter. Tekst van de beslissing Rolnummer 7304 Arrest nr. 153/2020 van 19 november 2020 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 118 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek », ingesteld door Hans Evenepoel en Mariette De Winter. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 november 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 118 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 mei 2019) door Hans Evenepoel en Mariette De Winter, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Maus, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, en Mr. P. Smeyers, advocaat bij de balie te Brussel. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wirtgen en Mr. T. Moonen, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 23 september 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 7 oktober 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 7 oktober 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 450bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), zoals ingevoegd bij artikel 118 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek ». Zij voeren aan dat de bestreden bepaling afbreuk doet aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In hun eerste middel bekritiseren zij dat de bestreden bepaling de cumulatie van een strafrechtelijke verbeurdverklaring en een belastingheffing enkel uitsluit wanneer de verbeurdverklaring volgt op een gegrond verklaarde en volledig ingevorderde fiscale vordering, doch dat die bepaling niet van toepassing is op de andere situaties waarbij een cumulatie van een verbeurdverklaring en een belastingheffing dreigt te ontstaan. In hun tweede middel bekritiseren zij het feit dat de cumulatie van een strafrechtelijke verbeurdverklaring en een belastingheffing enkel wordt uitgesloten voor de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de fiscale misdrijven zijn verkregen, doch niet voor de vermogensvoordelen die uit niet-fiscale misdrijven zijn verkregen. 3 A.2.
- Ter staving van hun belang voeren de verzoekende partijen aan dat zij het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijk onderzoek. Naar aanleiding van dat strafrechtelijk onderzoek heeft de fiscale administratie, na inzage van het strafdossier, lastens de verzoekende partijen aanvullende aanslagen in de personenbelasting gevestigd voor de aanslagjaren 1999, 2001, 2002 en
- Die aanslagen waren gebaseerd op de vermoedelijke niet-aangegeven vermogensvoordelen van de verzoekende partijen. Op 13 november 2009 hebben de verzoekende partijen bezwaar aangetekend tegen die aanslagen. Dat bezwaar werd niet behandeld door de fiscale administratie, in afwachting van het verdere verloop van de strafprocedure. De eerste verzoekende partij werd uiteindelijk effectief strafrechtelijk vervolgd en bij arrest van 27 januari 2016 van de correctionele kamer van het Hof van Beroep te Brussel definitief veroordeeld. Het Hof van Beroep heeft bij dat arrest lastens de eerste verzoekende partij « de verbeurdverklaring uit[gesproken] van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de bewezen verklaarde misdrijven zijn verkregen, maar niet in het vermogen van de veroordeelde konden worden terug gevonden, geraamd op honderd duizend euro ». Na die veroordeling en verbeurdverklaring, die inmiddels ook werd uitgevoerd, verkregen de verzoekende partijen op 16 januari 2018 een beslissing van de fiscale administratie, waarbij hun bezwaar werd afgewezen. De verzoekende partijen hebben daartegen bij de rechtbank van eerste aanleg beroep ingesteld, dat bij vonnis van 21 oktober 2019 werd afgewezen. Op 2 december 2019 hebben de verzoekende partijen tegen dat vonnis hoger beroep aangetekend. A.2.
- De verzoekende partijen stellen dat er op het ogenblik van de strafrechtelijke verbeurdverklaring nog geen sprake was van een gegrond verklaarde fiscale vordering, waardoor hun situatie principieel buiten het toepassingsgebied van de bestreden bepaling valt. Zij zijn van oordeel over een voldoende belang te beschikken om voor het Hof aan te voeren dat zij door de bestreden bepaling worden gediscrimineerd, doordat zij het slachtoffer dreigen te worden van een cumulatie van een verbeurdverklaring en een belastingheffing, terwijl de wetgever met de bestreden bepaling een dergelijke cumulatie net wenste te vermijden. Door evenwel te bepalen dat die cumulatie enkel uitgesloten is indien voorafgaand aan de strafrechtelijke verbeurdverklaring de vordering van de fiscale administratie gegrond werd verklaard en effectief werd betaald door de belastingplichtige, ressorteert de situatie van de verzoekende partijen niet onder dat cumulatieverbod. De verzoekende partijen merken op dat de bestreden bepaling in werking zal zijn getreden op het ogenblik dat het Hof van Beroep uitspraak moet doen over hun fiscale vordering, en dat zij zich alsdan in een juridisch discriminerende positie zullen bevinden. Vanwege het beperkte toepassingsgebied van de bestreden bepaling, zal de fiscale rechter immers geen rekening moeten houden met de reeds uitgesproken strafrechtelijke verbeurdverklaring. Bij de vernietiging van de bestreden bepaling zouden de verzoekende partijen een nieuwe kans krijgen om hun situatie gunstiger geregeld te zien, hetgeen een voldoende belang uitmaakt. A.3.
- De Ministerraad stelt vast dat het beroep, hoewel het formeel gericht is tegen het gehele artikel 450bis van het WIB 1992, in werkelijkheid geen grieven bevat tegen het eerste lid van die bepaling. Bijgevolg is het beroep in die mate niet-ontvankelijk. A.3.
- Voorts betwist de Ministerraad het belang van de verzoekende partijen bij de vernietiging van de bestreden bepaling. Bij arrest van 27 januari 2016 werden immers reeds een definitieve strafrechtelijke veroordeling en een verbeurdverklaring uitgesproken. Voorts werden bij een vonnis van 12 oktober 2019 de fiscale aspecten van het dossier beoordeeld. De juridische situatie van de verzoekende partijen werd aldus volledig beoordeeld vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling op 1 januari
- De verzoekende partijen hebben geen belang bij het bestrijden van een toekomstige regeling, die op hun situatie kennelijk niet van toepassing is. 4 -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de omvang van het beroep B.1.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 118 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek ». Die bepaling heeft in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), in titel VII (« Vestiging en inning van de belastingen »), hoofdstuk X (« Strafbepalingen »), afdeling II (« Strafrechtelijke sancties »), een artikel 450bis ingevoegd, dat luidt : « Ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, houdt de rechter bij de straftoemeting rekening met de verschuldigde administratieve geldboeten en belastingverhogingen. Artikel 42, 3°, van het Strafwetboek vindt geen toepassing op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de fiscale misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen in geval de vordering van de fiscale administratie gegrond wordt verklaard en tot een effectieve betaling van deze volledige vordering heeft geleid ». Het in de bestreden bepaling vermelde artikel 42, 3°, van het Strafwetboek bepaalt : « Bijzondere verbeurdverklaring wordt toegepast : […]; 3° Op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen ». 5 B.1.
- Uit het verzoekschrift en de uiteenzetting van de middelen blijkt dat de grieven van de verzoekende partijen enkel gericht zijn tegen het tweede lid van het bij de bestreden bepaling ingevoegde artikel 450bis van het WIB 1992, in zoverre dat bepaalt dat de bijzondere verbeurdverklaring niet kan worden toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit fiscale misdrijven zijn verkregen indien de vordering van de fiscale administratie gegrond wordt verklaard en tot een effectieve betaling van die volledige vordering heeft geleid. De verzoekende partijen betwisten het beperkte toepassingsgebied van die bepaling. B.1.
- Het Hof beperkt zijn onderzoek in die mate. Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.
- De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging. De verzoekende partijen zouden geen belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepaling, vermits hun juridische situatie volledig zou zijn beoordeeld vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling en die bepaling aldus kennelijk niet van toepassing zou zijn op hun situatie. B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.
- Tot staving van hun belang voeren de verzoekende partijen aan dat zij het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijk onderzoek. Dat strafrechtelijk onderzoek heeft enerzijds geleid tot een definitieve veroordeling van de eerste verzoekende partij bij arrest van 27 januari 2016 van de correctionele kamer van het Hof van Beroep te Brussel, waarbij op grond van artikel 42, 3°, van het Strafwetboek de verbeurdverklaring werd uitgesproken van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de bewezen verklaarde misdrijven zijn verkregen. Anderzijds heeft dat strafrechtelijk onderzoek aanleiding gegeven tot aanvullende aanslagen in de personenbelastingen ten laste van de verzoekende partijen, die waren gebaseerd op de vermoedelijke niet-aangegeven vermogensvoordelen. Bij beslissing van 16 januari 2018 werd het bezwaar van de verzoekers tegen die aanvullende aanslagen afgewezen. Die beslissing maakt thans het voorwerp uit van een procedure bij het Hof van Beroep te Gent. 6 B.
- Uit die uiteenzetting in het verzoekschrift blijkt aldus dat de strafrechtelijke veroordeling van de eerste verzoekende partij en de verbeurdverklaring van de uit het misdrijf verkregen vermogensvoordelen op grond van artikel 42, 3°, van het Strafwetboek werden uitgesproken bij arrest van 27 januari 2016, dat in kracht van gewijsde is getreden. De bestreden bepaling, die erin voorziet dat het voormelde artikel 42, 3°, van het Strafwetboek geen toepassing vindt op de uit de fiscale misdrijven verkregen vermogensvoordelen indien de vordering van de fiscale administratie gegrond werd verklaard en tot een effectieve betaling van de volledige vordering heeft geleid, is pas in werking getreden op 1 januari 2020, zijnde nadat de strafzaak lastens de verzoekende partijen definitief was beslecht. Bijgevolg kan die bepaling de verzoekende partijen niet rechtstreeks en ongunstig raken en doen zij niet blijken van het vereiste belang bij de vernietiging ervan. Het enkele feit dat er bij het Hof van Beroep nog een geschil aanhangig is inzake de vordering van de fiscale administratie strekkende tot een aanvullende aanslag inzake de personenbelasting, doet aan hetgeen voorafgaat geen afbreuk. De bestreden bepaling betreft immers louter de strafrechtelijke verbeurdverklaring, die reeds definitief werd uitgesproken vóór de inwerkingtreding daarvan, en regelt geenszins de vordering van de fiscale administratie. B.
- Het beroep tot vernietiging is bijgevolg niet ontvankelijk. 7 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 19 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.153 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div