← België

ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.162

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 december 2020 ECLI n

stallatie van een slimme meter. Het bestreden artikel 24 machtigt de Regering tot het bepalen, « in voorkomend geval », van de gevallen en nadere regels volgens welke de distributienetbeheerder « alternatieve technologische oplossingen » in de woning aanbiedt aan eenieder die beweert elektrohypersensitief te zijn en daartoe een aanvraag indient, maar niet tot het bepalen van de objectiveringscriteria voor het intolerantieprobeem. Bovendien toont het gebruik van de bewoordingen « in voorkomend geval » aan dat die machtiging niet dwingend is, zodat geenszins wordt gewaarborgd dat de gezondheid van de elektrohypersensitieve gebruikers wordt beschermd. Het bestreden artikel 67 bevat zijnerzijds geen enkele bepaling in verband met elektrohypersensitiviteit. De ordonnantie van 23 juli 2018 preciseert evenmin welk type slimme meter zal worden geïnstalleerd, noch of een filter zal worden geplaatst. Bovendien lijden niet alleen elektrohypersensitieve personen gezondheidsschade, maar wel alle personen die worden blootgesteld aan de golven. De bestreden bepalingen betekenen dus een significante stap achteruit in het beschermingsniveau dat wordt geboden op het gebied van de bescherming van een gezond leefmilieu, zonder dat die achteruitgang steunt op motieven van algemeen belang. Tot slot valt te vrezen dat de objectiveringscriteria die uiteindelijk zullen worden toegepast, het nagenoeg onmogelijk zullen maken te ontsnappen aan de verplichting de installatie van een slimme meter te aanvaarden. A.28.

  1. In het tweede onderdeel merken de verzoekende partijen op dat noch in de tekst van de ordonnantie van 23 juli 2018, noch in de parlementaire voorbereiding gewag wordt gemaakt van de « brandveiligheid » van de slimme meters, aangezien er alleen sprake is van de « operationele veiligheid van het net ». Welnu, de kans dat een slimme meter een brand veroorzaakt, is reëel. Bij ontstentenis van verantwoording en technische keuring van de slimme meters inzake de beveiliging tegen brand, houdt de uitrol van die meters dus een groot risico in voor de gebruikers. Bovendien kan de uitrol van de slimme meters niet beperkt worden op basis van een criterium dat verband houdt met het brandgevaar. A.29.
  2. In hoofdorde is de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van mening dat het middel niet ontvankelijk is voor zover het is afgeleid uit de schending van artikel 23, 4°, van de Grondwet, artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en uit de schending van het voorzorgsbeginsel en van de standstill-verplichting, in zoverre de verzoekende partijen niet aangeven in welk opzicht de bestreden bepalingen die bepalingen en beginselen zouden schenden. Het middel is overigens niet ontvankelijk voor zover de kritiek van de verzoekende partijen niet gericht is tegen de ordonnantie van 23 juli 2018, maar tegen het gezondheidsrisico en het brandgevaar, die onder de bevoegdheid van de federale overheid vallen. 14 A.29.
  3. In ondergeschikte orde is de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van mening dat het middel niet gegrond is. Enerzijds werd de gezondheid van de netgebruikers besproken tijdens de parlementaire debatten en kwam men tot het besluit dat er in de huidige stand van de kennis en het gevoerde onderzoek geen enkele wetenschappelijke basis bestaat die wijst op een gevaar dat wordt veroorzaakt door de installatie van slimme meters. Hoe dan ook beschikt de ordonnantiegever ter zake over een beoordelingsmarge en heeft hij in artikel 24ter, § 2, in fine, van de ordonnantie van 19 juli 2001, uitdrukkelijk voorzien in een bescherming voor de elektrohypersensitieve personen. Ten aanzien van de machtiging aan de Regering tonen de verzoekende partijen niet aan in welk opzicht zij discutabel zou zijn, waarbij de tenuitvoerlegging ervan hoe dan ook niet onder de bevoegdheden van het Hof valt. Anderzijds worden de veiligheidsnormen van de producten vastgesteld door de federale overheid en mogen de verzoekende partijen niet ervan uitgaan dat de producten die op de markt zullen worden gebracht, gevaarlijk of gebrekkig zijn. Artikel 24 van de ordonnantie van 23 juli 2018 bepaalt overigens dat de installatie slechts mag plaatsvinden als zij technisch haalbaar is en de toepasselijke technische normen worden nageleefd. A.30.
  4. De Waalse Regering stelt in hoofdorde dat het middel niet ontvankelijk is. Enerzijds geven de verzoekende partijen niet duidelijk aan welke bepalingen van de ordonnantie van 23 juli 2018 de in het middel beoogde bepalingen zouden schenden. Zij leggen overigens niet uit in welk opzicht de artikelen 24 en 67 van die ordonnantie zouden indruisen tegen artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Anderzijds betreffen de grieven van de verzoekende partijen de technische normen waaraan de slimme meters moeten voldoen. Welnu, consumentenbescherming en de veiligheid van producten en diensten zijn materies die vallen onder de bevoegdheid van de federale overheid. De Brusselse wetgever heeft dus niet de bevoegdheid om het in de handel brengen van een bepaald product te verbieden. De veiligheidsnormen voor de slimme meters zijn trouwens vastgelegd in de richtlijn 2014/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 « betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit (herschikking) », die ten uitvoer is gelegd bij het koninklijk besluit van 15 april 2016 « betreffende meetinstrumenten ». A.30.
  5. Om dezelfde redenen is het eerste onderdeel van het derde middel niet gegrond. A.30.
  6. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel herinnert de Waalse Regering eraan dat het niet ontvankelijk is in zoverre de verzoekende partijen niet aangeven welke bepalingen van de ordonnantie van 23 juli 2018 worden beoogd en voor zover zij een legaliteitskritiek naar voren brengen. Het tweede onderdeel is trouwens niet gegrond, want het brengt de federale wetgeving inzake consumentenbescherming, productnormen en brandveiligheid in het geding. Artikel 24 van de voormelde ordonnantie bepaalt overigens dat de installatie van een slimme meter technisch haalbaar moet zijn en de parlementaire voorbereiding geeft aan dat de tellers die door de cvba « Sibelga » zijn gekozen aan de brandveiligheidsnormen voldoen. Er is ook geen wetenschappelijk bewijs voor het eventuele brandgevaar, doordat die problematiek betrekking heeft op ongevallen met tellers in het buitenland, die niet voldoen aan de geldende nationale normen. A.31.
  7. Volgens de Vlaamse Regering is het middel deels niet ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het « voorzorgs- en standstill-beginsel ». Het Hof wordt verzocht te controleren of die bepalingen worden geschonden, zonder dat zij werden aangevoerd in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Er kan evenmin worden gesteld dat artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet rechten bevat die vergelijkbaar zijn met de rechten die zijn vastgelegd door die internationale bepalingen. A.31.
  8. Ten aanzien van het eerste onderdeel is de Vlaamse Regering van mening dat de Brusselse wetgever zijn keuze inzake uitrol van slimme meters heeft gebaseerd op een minutieuze afweging van de betrokken risico's. Uit de studies waarop de ordonnantiegever steunt, blijkt dat het stralingsniveau van de slimme meters ver onder het toegestane niveau blijft. Er is dus geen achteruitgang van het geboden beschermingsniveau. Desalniettemin heeft de Brusselse wetgever de Brusselse Hoofdstedelijke Regering belast met het bepalen van de procedure en de maatregelen die moeten worden genomen als een gebruiker verklaart elektrohypersensitief te 15 zijn. De studies en interviews die de verzoekende partijen voorleggen, veranderen daar niets aan. Sommige van de voorgelegde studies zijn ouder dan dewelke waarop de Brusselse wetgever zich heeft gebaseerd, en die laatste beschikt bovendien over een ruime beoordelingsmarge om maatregelen te nemen die leiden tot een rationeler energiegebruik. Het is overigens aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering om, onder het toezicht van de gewone rechter en de Raad van State, te bepalen welke maatregelen de distributienetbeheerder moet nemen in geval van intolerantie voor slimme meters. De verzoekende partijen tonen niet aan in welk opzicht die delegatie aan de Regering een in het middel beoogde bepaling zou schenden. Bovendien is het Hof niet bevoegd om zich uit te spreken over de uitvoering van een wettelijke bepaling. A.31.
  9. Ten aanzien van het tweede onderdeel preciseert de Vlaamse Regering dat de Brusselse wetgever een waarborg heeft opgenomen in de ordonnantie van 23 juli 2018 door te bepalen dat er geen slimme meter zal worden geïnstalleerd als dat technisch niet mogelijk is. Voorts is, op het gebied van brandbeveiliging, de federale overheid bevoegd om de basisnormen te bepalen, terwijl de gemeenschappen en gewesten bevoegd zijn om die normen aan te vullen en toe te passen, zonder ze te kunnen wijzigen. Hoewel de ordonnantie van 23 juli 2018 geen specifieke normen inzake brandbeveiliging bevat, zijn wel nog de federale basisnormen van toepassing. De ordonnantie van 23 juli 2018 neemt, tot slot, ook de Europese regels inzake brandveiligheid en het op de economische markt brengen van een product in acht. A.31.
  10. De Vlaamse Regering concludeert dat het middel niet gegrond is. A.32.
  11. De cvba « Sibelga », tussenkomende partij, is van mening dat het middel slechts ontvankelijk is voor zover het is afgeleid uit de schending van artikel 23, 4°, van de Grondwet. Welnu, de uitrol van slimme meters, die als doel heeft bij te dragen tot de energietransitie en de huishoudens de gelegenheid te geven om energiebesparingen door te voeren, is gerechtvaardigd op grond van redenen van algemeen belang. A.32.
  12. De tussenkomende partij is van mening dat het middel niet gegrond is, aangezien de ordonnantie van 23 juli 2018 het beschermingsniveau niet vermindert, maar daarentegen het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu versterkt door een geleidelijke uitrol van de slimme meters op te leggen en door rekening te houden met de bezwaren in verband met elektrohypersensitiviteit. Die ordonnantie van 23 juli 2018 schendt geenszins het voorzorgsbeginsel, omdat zij past in het wettelijke kader dat is vastgesteld, enerzijds door de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 1 maart 2007 « betreffende de bescherming van het leefmilieu tegen de eventuele schadelijke effecten en hinder van niet-ioniserende stralingen », en anderzijds door de federale overheid wat consumentenbescherming, productnormen en brandbestrijding betreft. De kritiek van de verzoekende partijen betreft dan ook aspecten die door de federale en Europese autoriteiten worden geregeld binnen het kader van hun eigen bevoegdheden. A.33.
  13. De verzoekende partijen antwoorden dat het middel betrekking heeft op artikel 24ter, § 2, laatste lid, van de ordonnantie van 19 juli 2001, ingevoegd bij het bestreden artikel 24, en op de ontstentenis van een bepaling betreffende elektrohypersensitiviteit in artikel 67 van de ordonnantie van 23 juli 2018 of, meer algemeen, in de ordonnantie van 1 april
  14. De manifeste schending van de standstill-verplichting vloeit voort uit het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu, bedoeld in artikel 23, 4°, van de Grondwet. A.33.
  15. Ten aanzien van het eerste onderdeel antwoorden de verzoekende partijen dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering niet vermeldt dat de kilowattuurmeters bedoeld in het koninklijk besluit van 15 april 2016 « betreffende meetinstrumenten » slimme meters zijn. Hoe dan ook valt de bescherming tegen de schadelijke effecten van elektromagnetische velden onder de bevoegdheid van de gewesten, en niet onder die van de federale overheid. A.33.
  16. Wat betreft de toepassing van het voorzorgsbeginsel begrijpen de verzoekende partijen niet hoe het probleem van intolerantie voor slimme meters behoorlijk geobjectiveerd kan worden als er, zoals de Brusselse Hoofdstedelijke Regering beweert, geen wetenschappelijke basis is om de symptomen van elektrohypersensitiviteit in verband te brengen met blootstelling aan elektromagnetische velden. Bovendien zijn de criteria die een objectieve beoordeling van het probleem van elektrohypersensitiviteit mogelijk maken, niet vermeld in de ordonnantie van 23 juli 2018, noch opgenomen in een uitvoeringsbepaling. Aangezien die criteria niet op voorhand kunnen worden vastgelegd, zijn de bestreden bepalingen, die blijkbaar gebaseerd zijn op het voorzorgsbeginsel, niet toepasbaar. Het spreekt echter voor zich dat de inhoud van de bestreden bepalingen volledig en direct toepasbaar moet zijn en derhalve preciseringen moet bevatten die betrekking hebben op de essentiële elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de objectivering van elektrohypersensitiviteit. 16 A.33.
  17. Ten aanzien van het tweede onderdeel antwoorden de verzoekende partijen dat zij geen wetenschappelijk bewijs met betrekking tot het brandprobleem bij slimme meters kunnen voorleggen, aangezien die meters nog niet geïnstalleerd zijn in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. A.
  18. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering repliceert dat de regels van de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende entiteiten van het land zijn vastgelegd in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en niet in de ordonnantie van 23 juli 2018, die niet ten grondslag ligt aan de kritiek van de verzoekende partijen. De gewesten kunnen weliswaar de nationale basisnormen aanpassen en aanvullen, maar het komt in eerste instantie de federale wetgever toe ze vast te stellen. Het middel is dan ook niet ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen bepalingen die niets te maken hebben met de ordonnantie van 23 juli
  19. Voor het overige herinnert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering eraan dat de ordonnantiegever, bij de aanneming van de bekritiseerde ordonnantie van 23 juli 2018, rekening heeft gehouden met talrijke studies en aanbevelingen van de bevoegde instanties. A.35.
  20. De Vlaamse Regering repliceert dat artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu garandeert, maar niet een recht op gezondheid. Het middel, dat gesteund is op een aantasting van de gezondheid van de gebruikers van slimme meters, is derhalve niet ontvankelijk. A.35.
  21. Met betrekking tot de criteria van elektrohypersensitiviteit repliceert de Vlaamse Regering dat de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht de delegatie aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de in het middel beoogde bepalingen zou schenden. De bewering dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering niet gemachtigd zou zijn om de criteria voor de toekenning van een afwijking op de installatie van een slimme meter vast te leggen, omdat zij alleen de gevallen en regels zou kunnen vaststellen volgens welke de netbeheerder rekening moet houden met de elektrohypersensitiviteit van een gebruiker, kan evenmin worden gevolgd. Enerzijds houdt de bevoegdheid van de Regering om de « gevallen » vast te stellen waarin rekening wordt gehouden met elektrohypersensitiviteit in dat zij bevoegd is om de criteria voor die elektrohypersensitiviteit te bepalen. Anderzijds is het in aanmerking nemen van die elektrohypersensitiviteit een uitvoering van het voorzorgsbeginsel. A.35.
  22. De Vlaamse Regering merkt vervolgens ten eerste op dat de verzoekende partijen de omvang van de aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering gegeven delegatie niet bekritiseren. Immers, zij beroepen zich niet op een schending van de bepalingen die de delegatie van bevoegdheden door de Brusselse wetgever aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering regelen, maar op de schending van de bepalingen die het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu waarborgen. Hoe dan ook beschikt de ordonnantiegever over een ruime delegatiebevoegdheid op het gebied van bescherming van een gezond leefmilieu en van de gezondheid. Het volstaat dat de ordonnantiegever het doel van de regelgeving definieert, wat hij te dezen gedaan heeft. Ten tweede, zelfs als er een significante achteruitgang van het geboden beschermingsniveau zou zijn, zijn er motieven van algemeen belang die dat rechtvaardigen, namelijk dwingende doelstellingen op Europees niveau op het gebied van energie-efficiëntie. A.
  23. De tussenkomende partij repliceert dat de verplichte verplaatsing van een technicus, zoals de verzoekende partijen vragen, bevestigt dat de verzoekende partijen hun persoonlijke opvatting van het algemeen belang wensen te laten prevaleren, wat niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. De ordonnantie van 23 juli 2018 vermindert overigens niet het beschermingsniveau dat door de vroegere wetgeving werd geboden, aangezien de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, op het ogenblik dat de ordonnantie in kwestie werd aangenomen, reeds de mogelijkheid had om de plaatsing van slimme meters toe te staan, door goedkeuring van het jaarlijks investeringsplan van de distributienetbeheerder. 17 –B– Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.
  24. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van verscheidene bepalingen van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 juli 2018 « tot wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de ordonnantie van 1 april 2004 betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen » (hierna : de ordonnantie van 23 juli 2018). De bestreden bepalingen wijzigen, enerzijds, de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 19 juli 2001 « betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 19 juli 2001) en, anderzijds, de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 1 april 2004 « betreffende de organisatie van de gasmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, betreffende wegenisretributies inzake gas en elektriciteit en houdende wijziging van de ordonnantie van 19 juli 2001 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 1 april 2004). B.1.2.
  25. De slimme elektriciteitsmeter wordt gedefinieerd in artikel 2, 21ter, van de ordonnantie van 19 juli 2001, ingevoegd bij het bestreden artikel 3, 5°, van de ordonnantie van 23 juli 2018 : « Een elektronisch systeem dat het stroomverbruik kan meten en informatie toevoegt die een klassieke meter niet verstrekt, en die gegevens kan overmaken en ontvangen door gebruik van een elektronische communicatievorm ». De slimme elektriciteitsmeters zijn een van de elementen van een « slim net », als volgt gedefinieerd in artikel 2, 21quater, van de ordonnantie van 19 juli 2001, ingevoegd bij het bestreden artikel 3, 6°, van de ordonnantie van 23 juli 2018 : 18 « Geavanceerd energienetwerk dat in het algemeen is samengesteld uit bidirectionele communicatiesystemen, slimme meters en systemen voor de opvolging en controle van de werking van het netwerk ». B.1.2.
  26. De slimme gasmeter wordt als volgt gedefinieerd in artikel 3, 20bis, van de ordonnantie van 1 april 2004, ingevoegd bij het bestreden artikel 55, 1°, van de ordonnantie van 23 juli 2018 : « Een elektronisch systeem dat het gasverbruik kan meten en informatie toevoegt die een klassieke meter niet verstrekt, en die gegevens kan overmaken en ontvangen door gebruik van een elektronische communicatievorm ». De slimme gasmeters zijn een van de elementen van een « slim net », als volgt gedefinieerd in artikel 3, 20ter, van de ordonnantie van 1 april 2004, ingevoegd bij het bestreden artikel 55, 2°, van de ordonnantie van 23 juli 2018 : « Geavanceerd energienetwerk dat in het algemeen is samengesteld uit bidirectionele communicatiesystemen, slimme meters en systemen voor de opvolging en controle van de werking van het netwerk ». B.1.
  27. De slimme elektriciteitsmeters en gasmeters worden vanaf hun installatie of, in voorkomend geval, vanaf de activering van een communicerende functie uitgerust met functionaliteiten die hen onderscheiden van de klassieke elektriciteitsmeters en gasmeters, namelijk de analoge meters of elektronische meters, waarmee geen gegevens kunnen worden verzonden en ontvangen. Artikel 24ter, § 3, van de ordonnantie van 19 juli 2001, ingevoegd bij het bestreden artikel 24 van de ordonnantie van 23 juli 2018, bepaalt : « De slimme meter levert lokaal aan de netgebruiker informatie in realtime over de elektriciteit die hij afneemt of injecteert. Deze informatie in realtime moet gemakkelijk geëxporteerd kunnen worden naar een informatietoepassing beschikbaar op de markt ongeacht of de meter in modus van actieve communicatie met de netbeheerder staat ». Artikel 18ter, § 3, van de ordonnantie van 1 april 2004, ingevoegd bij het bestreden artikel 67 van de ordonnantie van 23 juli 2018, bepaalt : 19 « De slimme meter levert lokaal aan de netgebruiker informatie in real time over de elektriciteit die hij afneemt of injecteert. Deze informatie in real time moet gemakkelijk geëxporteerd kunnen worden naar een informatietoepassing beschikbaar op de markt ». B.2.
  28. De zo uitgebreid mogelijke uitrol van slimme elektriciteitsmeters en gasmeters wordt opgelegd door het Unierecht en draagt bij tot de uitvoering van het energiebeleid van de Europese Unie. Overeenkomstig artikel 1, § 2, van de ordonnantie van 23 juli 2018 zet die laatste immers vier Europese richtlijnen gedeeltelijk om. B.2.2.
  29. De ordonnantie van 23 juli 2018 zet de richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 « betreffende gemeenschappelijke regels

terne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG » (hierna : de richtlijn 2009/72/EG) gedeeltelijk om. Artikel 3, lid 11, van die richtlijn bepaalt : « Teneinde energie-efficiëntie te bevorderen bevelen de lidstaten, of indien de lidstaat hierin voorziet, de regulerende instanties, ten sterkste aan dat elektriciteitsbedrijven het gebruik van elektriciteit optimaliseren, bijvoorbeeld door het aanbieden van diensten op het gebied van energiebeheer of het ontwikkelen van innovatieve prijsformules, in voorkomend geval door de invoering van slimme metersystemen dan wel of slimme netwerken (smart grids) ». B.2.2.

  1. Bijlage I (« Voorschriften inzake consumentenbescherming ») van dezelfde richtlijn bepaalt in punt 2 ervan : « De lidstaten zorgen ervoor dat er slimme metersystemen worden ingevoerd die de actieve participatie van de consumenten aan de markt voor levering van elektriciteit ondersteunen. De invoering van dergelijke metersystemen kan worden onderworpen aan een economische evaluatie op lange termijn van de kosten en baten voor de markt en de individuele consument of aan een onderzoek ter bepaling van welke vorm van slim meten economisch haalbaar en kosteneffectief is en welke termijn haalbaar is voor de distributie ervan. Een dergelijke evaluatie vindt uiterlijk plaats op 3 september
  2. Onder voorbehoud van deze evaluatie stellen de lidstaten of de bevoegde autoriteit die zij aanwijzen, een tijdschema van maximaal 10 jaar op

voering van slimme metersystemen. 20 Wanneer de ingebruikname van slimme meters positief wordt beoordeeld, wordt uiterlijk in 2020 minstens 80 % van de consumenten voorzien van deze slimme meetsystemen. De lidstaten of de bevoegde autoriteit die zij aanwijzen waarborgen de interoperabiliteit van dergelijke metersystemen die op hun grondgebied worden ingevoerd en houden rekening met de toepassing van adequate normen en beste praktijken en het belang van de ontwikkeling van de interne markt voor elektriciteit ». B.2.3.1. De ordonnantie van 23 juli 2018 zet ook de richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 « betreffende de gemeenschappelijke regels

terne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG » (hierna : de richtlijn 2009/73/EG) gedeeltelijk om. Artikel 3, lid 8, van die richtlijn bepaalt : « Teneinde energie-efficiëntie te bevorderen bevelen de lidstaten, of indien de lidstaat hierin voorziet, de regulerende instantie, ten sterkste aan dat aardgasbedrijven het gebruik van gas optimaliseren, bijvoorbeeld door het aanbieden van diensten op het gebied van energiebeheer of het ontwikkelen van innovatieve prijsformules, dan wel in voorkomend geval door de invoering van slimme metersystemen of slimme netwerken (smart grids) ». B.2.3.

  1. Bijlage I (« Voorschriften inzake consumentenbescherming ») van dezelfde richtlijn bepaalt in punt 2 ervan : « De lidstaten zorgen ervoor dat er slimme metersystemen worden ingevoerd die de actieve participatie van de consumenten aan de markt voor levering van gas ondersteunen. De invoering van dergelijke metersystemen kan worden onderworpen aan een economische evaluatie op de lange termijn van de kosten en baten voor de markt en de individuele consument of aan een onderzoek ter bepaling van welke vorm van slim meten economisch haalbaar en kosteneffectief is en welke termijn haalbaar is voor de distributie ervan. Een dergelijke evaluatie vindt uiterlijk plaats op 3 september
  2. Onder voorbehoud van deze evaluatie stellen de lidstaten of de bevoegde autoriteit die zij aanwijzen, een tijdschema op

voering van slimme metersystemen. De lidstaten of de bevoegde autoriteit die zij aanwijzen waarborgen de interoperabiliteit van deze metersystemen die op hun grondgebied worden ingevoerd en houden rekening met de toepassing van adequate normen en beste praktijken en het belang van de ontwikkeling van de interne markt voor aardgas ». 21 B.2.4.1. Het « intelligent meetsysteem » wordt gedefinieerd in artikel 2, 28), van de richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 « betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (hierna : de richtlijn 2012/27/EU). Het gaat om een : « elektronisch systeem dat het energieverbruik kan meten, meer informatie levert dan een traditionele meter, en data kan doorgeven en ontvangen middels een vorm van elektronische communicatie ». De definitie van het intelligent meetsysteem, die wordt gebruikt op Europees niveau, valt dus ruimschoots samen met die van de « slimme meter » in respectievelijk artikel 2, 21ter, van de ordonnantie van 19 juli 2001 en in artikel 3, 20bis, van de ordonnantie van 1 april 2004. B.2.4.2. De Europese Unie beschouwt de intelligente meetsystemen als een etappe op weg naar de oprichting van slimme netwerken. Het « slim netwerk » wordt gedefinieerd als : « een gemoderniseerd energienetwerk waaraan tweewegs digitale communicatie tussen de leverancier en de gebruiker, slimme bemetering en monitoring- en toezichtsystemen zijn toegevoegd » (punt 3, a), van de aanbeveling van de Commissie van 9 maart 2012 « inzake de voorbereiding van de uitrol van slimme metersystemen (2012/148/EU) » (hierna : aanbeveling 2012/148/EU) en punt 2, a), van de aanbeveling van de Commissie van 10 oktober 2014 « betreffende het model voor de privacyeffectbeoordeling van slimme netten en slimme metersystemen (2014/724/EU) » (hierna : de aanbeveling 2014/724/EU)). De invoering van slimme netten « maken de belangrijkste onderdelen van het energiebeleid mede mogelijk ». De intelligente meetsystemen worden beschouwd als de « ruggengraat van het toekomstige koolstofvrije elektriciteitssysteem », en zijn « erkend als facilitator voor de omvorming van de energie-infrastructuur om grotere hoeveelheden variabele hernieuwbare energie op te kunnen nemen, de energie-efficiëntie te verbeteren en de leveringszekerheid te garanderen » (uittreksels uit de overwegingen 1 en 2 van de aanbeveling 2014/724/EU en overweging 1 van de aanbeveling 2012/148/EU). 22 B.2.4.3. Artikel 9 van de richtlijn 2012/27/EU bepaalt : « 1. De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van elektriciteit, aardgas, stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden, voor zover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over de werkelijke tijd van het verbruik. Een dergelijke individuele meter tegen concurrerende prijzen wordt altijd ter beschikking gesteld wanneer :

  1. a)een bestaande meter wordt vervangen, tenzij dit technisch onmogelijk is of niet kostenefficiënt in verhouding tot de geraamde potentiële besparingen op lange termijn;
  2. b)een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw of ingeval van een ingrijpende renovatie overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU. 2. Indien, en voor zover, de lidstaten gebruikmaken van intelligente meetsystemen en slimme meters voor aardgas en/of elektriciteit invoeren in overeenstemming met de Richtlijnen 2009/72/EG en 2009/73/EG :
  3. a)zorgen zij ervoor dat de meetsystemen de eindafnemer informatie verschaffen over de werkelijke tijd van het verbruik en dat de voor de eindafnemer beoogde energie-efficiëntie en voordelen ten volle in acht worden genomen bij het vastleggen van de minimumfuncties van de meters en de verplichtingen die aan marktdeelnemers worden opgelegd;
  4. b)zorgen zij ervoor dat de slimme meters en het dataverkeer worden beveiligd, en dat de privacy van de eindafnemer wordt beschermd, in overeenstemming met de Uniewetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens en van de persoonlijke levenssfeer;
  5. c)schrijven zij voor, in het geval van elektriciteit, dat de meterbeheerder op verzoek van de eindafnemer ervoor zorgt dat van de meter of meters de hoeveelheid elektriciteit kan worden afgelezen die bij de eindafnemer aan het net wordt geleverd;
  6. d)zorgen zij ervoor dat, op verzoek van de eindafnemer, meetgegevens inzake de input en output van elektriciteit, in een gemakkelijk te begrijpen vorm die vergelijking van aanbiedingen op basis van gelijke criteria mogelijk maakt, beschikbaar worden gesteld aan de eindafnemer of aan een derde partij die namens de eindafnemer optreedt;
  7. e)schrijven zij voor dat de afnemers bij de installatie van slimme meters het nodige advies en de nodige informatie krijgen, in het bijzonder over het volledige potentieel van die meters wat meterstandbeheer en controle van het energieverbruik betreft. […] ». B.2.4.4. De bestreden ordonnantie van 23 juli 2018 zet de richtlijn 2012/27/EU gedeeltelijk om. 23 B.2.5.1. Na de ordonnantie van 23 juli 2018 werd de richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 « betreffende gemeenschappelijke regels

terne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (herschikking) » (hierna : de richtlijn (EU) 2019/944) aangenomen. Artikel 19 van die richtlijn bepaalt : «

  1. Teneinde energie-efficiëntie te bevorderen en eindafnemers meer zeggenschap te geven, bevelen de lidstaten, of […] de regulerende instanties ten sterkste aan dat elektriciteitsbedrijven en andere marktdeelnemers het gebruik van elektriciteit optimaliseren, onder meer […] door de invoering van interoperabele slimme-metersystemen, met name met energiebeheersystemen voor de consument en met slimme netwerken (smart grids), overeenkomstig de gegevensbeschermingsregels van de Unie.
  2. De lidstaten zorgen ervoor dat er op hun grondgebied slimme-metersystemen worden ingevoerd die de actieve deelname van de afnemers aan de elektriciteitsmarkt ondersteunen.

voering van die systemen kan een kostenbatenbeoordeling worden gevraagd die overeenkomstig de in bijlage II vastgestelde beginselen wordt uitgevoerd. […]

  1. De lidstaten die daadwerkelijk slimme-metersystemen invoeren, zorgen ervoor dat de eindafnemers op een transparante en niet-discriminerende wijze bijdragen aan de met de invoering verbonden kosten, en houden daarbij rekening met de baten die de invoering op lange termijn voor de gehele waardeketen oplevert. […] […] ». B.2.5.
  2. Bijlage II van die richtlijn (« Slimmemetersystemen ») bepaalt : «
  3. De lidstaten zorgen ervoor dat op hun grondgebied slimme-metersystemen worden ingevoerd die kunnen worden onderworpen aan een economische evaluatie op lange termijn van de kosten en baten voor de markt en de individuele consument of aan een onderzoek om te bepalen welke vorm van slimme-metersystemen vanuit economisch standpunt redelijk en kosteneffectief is en welke termijn haalbaar is voor de distributie ervan.
  4. Bij een dergelijke evaluatie wordt rekening gehouden met de methode voor een kosten-batenanalyse en de minimumfunctionaliteiten voor slimme-metersystemen voorzien in Aanbeveling van de Commissie 2012/148/EU, alsook met de beste beschikbare technieken om het hoogste niveau van cyberbeveiliging en gegevensbescherming te garanderen. 24
  5. Onder voorbehoud van deze evaluatie stellen de lidstaten of, wanneer een lidstaat dit zo heeft bepaald, de aangewezen bevoegde instantie een tijdschema van maximaal tien jaar op

voering van slimme-metersystemen. Indien de ingebruikname van slimme-metersystemen positief wordt beoordeeld, wordt minstens 80 % van de eindafnemers voorzien van slimme meters binnen zeven jaar vanaf de datum van de positieve beoordeling of uiterlijk in 2024 voor die lidstaten die met de systematische invoering van slimme- metersystemen zijn gestart vóór 4 juli 2019 ». B.2.6.

  1. De bestreden ordonnantie van 23 juli 2018 zet ten slotte de richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 « betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen » (hierna : de richtlijn 2014/94/EU) gedeeltelijk om. B.2.6.
  2. Artikel 4, lid 7, van de richtlijn 2014/94/EU bepaalt : « Bij het opladen aan publiek toegankelijke oplaadpunten voor elektrische voertuigen wordt, voor zover dit technisch haalbaar en financieel gezien redelijk is, gebruikgemaakt van slimme metersystemen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 28, van Richtlijn 2012/27/EU, waarbij tevens de in artikel 9, lid 2, van genoemde richtlijn bedoelde eisen in acht worden genomen ». Ten aanzien van de omvang van het beroep B.3.
  3. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, de Vlaamse Regering en de tussenkomende partij « Sibelga » voeren aan dat de grieven uitsluitend zijn gericht tegen de artikelen 24 en 67 van de ordonnantie van 23 juli 2018, zodat het beroep voor het overige niet ontvankelijk is. B.3.
  4. In hun memorie van antwoord erkennen de verzoekende partijen dat de middelen zijn gericht tegen de artikelen 24 en 67 van de ordonnantie van 23 juli 2018, maar zijn zij van mening dat de andere bestreden bepalingen nauw verbonden zijn met die bepalingen. B.4.
  5. Het Hof bepaalt het onderwerp van het beroep tot vernietiging op basis van de inhoud van het verzoekschrift en inzonderheid rekening houdend met de uiteenzetting van de middelen. Het onderzoekt alleen de bestreden bepalingen waartegen een middel is gericht. 25 B.4.
  6. De in het verzoekschrift uiteengezette middelen zijn daadwerkelijk enkel gericht tegen de artikelen 24 en 67 van de ordonnantie van 23 juli
  7. Het Hof beperkt zijn onderzoek derhalve tot die bepalingen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
  8. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert de onontvankelijkheid van het beroep wegens ontstentenis van belang aan. Zij betwist allereerst het belang van de eerste en de tweede verzoekende partij, waarbij zij aanvoert dat de bestreden bepalingen hun maatschappelijk doel niet raken. Vervolgens betwist zij het belang van de derde en de vierde verzoekende partij, overwegende dat de elektrogevoeligheid geen erkende ziekte is en derhalve niet medisch kan worden aangetoond. Ten slotte zou het belang van de vijfde verzoekende partij, die niet verklaart elektrogevoelig te zijn, zich niet onderscheiden van dat van de meeste burgers. B.6.
  9. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.6.
  10. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. B.7.
  11. Het beroep tot vernietiging is ingediend door een vereniging zonder winstoogmerk, een beroepsvereniging en drie natuurlijke personen. B.7.
  12. Het statutair doel van de eerste verzoekende partij bestaat in « de oprichting van een kwalitatief leefmilieu in de stad voor de bewoners », hetgeen met name « de strijd tegen 26 vervuiling en de milieuhinder, alsook de verbetering van het leefmilieu » en « de collectieve deelname van de burgers aan het definiëren en verdedigen van hun leefmilieu » impliceert, wat kan inhouden dat wordt nagedacht over de gegrondheid van de uitrol van slimme elektriciteitsmeters en gasmeters. De ordonnantie van 23 juli 2018 kan derhalve het statutair doel van de eerste verzoekende partij raken. B.7.
  13. Daar de eerste verzoekende partij beschikt over een belang bij het beroep, dient niet te worden onderzocht of de andere verzoekende partijen eveneens belang erbij hebben in rechte op te treden. B.7.
  14. Het beroep is ontvankelijk. Ten gronde Wat betreft het eerste middel B.8.
  15. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van de artikelen 2, 3, lid 3, tweede alinea, en 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. B.8.
  16. Uit het verzoekschrift blijkt dat het middel is gericht tegen artikel 24 van de ordonnantie van 23 juli 2018, in zoverre het een artikel 24ter, §§ 1 en 2, invoegt in de ordonnantie van 19 juli 2001, en tegen artikel 67 van de ordonnantie van 23 juli 2018, in zoverre het een artikel 18ter, §§ 1 et 2, invoegt in de ordonnantie van 1 april
  17. B.9.
  18. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geen autonome werking omdat het enkel geldt voor het « genot van de rechten en vrijheden » welke in het Verdrag zijn vermeld (EHRM, grote kamer, 19 februari 2013, X en anderen t. Oostenrijk, § 94). 27 De verzoekende partijen voeren geen andere bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens aan, in samenhang gelezen met artikel 14 ervan. Het middel is dus onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 14 van dat Verdrag. B.9.
  19. Bovendien tonen de verzoekende partijen niet aan hoe de artikelen 2, 3, lid 3, tweede alinea, en 9 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zouden zijn geschonden. Daarentegen zetten de verzoekende partijen uiteen hoe artikel 23 van de Grondwet zou zijn geschonden. B.
  20. Bijgevolg onderzoekt het Hof het middel enkel in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die eveneens het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie inhouden. Eerste onderdeel B.
  21. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat de bestreden artikelen 24 en 67 van de ordonnantie van 23 juli 2018, zonder redelijke verantwoording een gedifferentieerde uitrol van slimme elektriciteits- en gasmeters organiseert, dat wil zeggen een uitrol die prioritair bepaalde categorieën van gebruikers van het elektriciteits- en gasnet beoogt, met uitsluiting van anderen. Meer bepaald wordt het bestaan bekritiseerd van « prioritaire niches », alsook de mogelijkheid om, overeenkomstig de bestreden artikelen 24 en 67, nieuwe categorieën van eventuele begunstigden te bepalen, na een specifieke en transversale studie van de Reguleringscommissie voor energie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BRUGEL), na een openbaar onderzoek en na een debat in het Parlement. B.12.
  22. Het bestreden artikel 24 van de ordonnantie van 23 juli 2018 herstelt artikel 24ter van de ordonnantie van 19 juli 2001 als volgt : « §
  23. De distributienetbeheerder installeert geleidelijk slimme meters op het distributienet, overeenkomstig de volgende verplichte niches, rekening houdend met het 28 algemeen belang en voor zover dat technisch haalbaar, financieel redelijk en evenredig is, gelet op de potentiële energiebesparingen : 1° als een meter vervangen wordt, tenzij dit technisch niet mogelijk of rendabel zou zijn, gelet op de geraamde potentiële besparingen op lange termijn; 2° als er een aansluiting wordt uitgevoerd in een nieuw of een ingrijpend gerenoveerd gebouw, zoals omschreven in richtlijn 2010/31/EU. De distributienetbeheerder kan eveneens geleidelijk slimme meters op het distributienet installeren, overeenkomstig de volgende prioritaire niches vastgelegd in het investeringsplan waarvan sprake in artikel 12, rekening houdend met het algemeen belang en voor zover dat technisch haalbaar, financieel redelijk en evenredig is gelet op de potentiële energiebesparingen : 1° als de gebruiker van het distributienet beschikt over een elektrisch voertuig en dit laat weten aan de distributienetbeheerder; in dat geval wordt in het gebouw waarin hij woont een slimme meter geplaatst; 2° als de gebruiker van het distributienet een jaarlijks verbruik heeft van meer dan 6.000 kWh per jaar; 3° als de gebruiker van het distributienet beschikt over een opslageenheid die elektriciteit opnieuw in het distributienet kan injecteren, of over een warmtepomp; 4° als de eindafnemers hun flexibiliteit aanbieden via een aanbieder van flexibiliteit; 5° als een gebruiker van het distributienet het vraagt, tenzij dat niet technisch haalbaar of financieel redelijk en evenredig is gelet op de potentiële energiebesparingen; 6° als de gebruiker van het distributienet een prosumer is of elektriciteit opnieuw in het net kan injecteren. Op voorwaarde dat een specifiek en transversaal onderzoek van Brugel de economische, energetische en sociale geschiktheid van de ontwikkeling van slimme meters aantoont voor elke niche bedoeld in artikel 24ter, lid 1 en 2, alsook, desgevallend, voor elke nieuwe categorie van eventuele begunstigden, en na debat in het Parlement, kan de Regering andere situaties bepalen waarin de distributienetbeheerder slimme meters installeert, evenals de installatiemodaliteiten ervoor. Brugel legt dat onderzoek ter raadpleging voor aan het publiek. § 2.

art. 24ter, § 1, omschreven niches, mag niemand de installatie of het onderhoud van een slimme meter weigeren. Eenmaal een meter geplaatst is, mag niemand vragen deze weg te halen. 29 De distributienetbeheerder deelt twee maanden

stallatiedatum aan de gebruiker van het net zijn voornemen mee om een slimme meter te installeren. Die mededeling gaat vergezeld van bewustmaking en informatie over de slimme meters. Daarin staan met name nadere informatie over de kwaliteitsnormen van het product, het elektromagnetisch zendvermogen van het product, de mogelijkheid om het al dan niet communicerend te maken en de bepalingen die de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking van persoonsgegevens waarborgen. De Regering bepaalt de inhoud van de uitvoeringsbepalingen van dit communicatie-instrument.

§ 1

, eerste lid, 1° en 2° en tweede lid, 5° bedoelde eindafnemers, mag de netbeheerder geen persoonsgegevens verzamelen op afstand en enkel handelingen vanop afstand stellen na uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van de voor het leveringspunt geïdentificeerde eindafnemer. Die verplichting wordt ook opgelegd als een nieuwe eindafnemer geïdentificeerd wordt op een leveringspunt, los van de keuze van de eerder op het leveringspunt geïdentificeerde eindafnemer. Zij is herroepbaar op gewoon verzoek van de netgebruiker. In beide gevallen heeft zijn wens gevolg binnen 15 werkdagen. Om de rechten van de verbruiker te waarborgen, kan de Regering de nadere regels bepalen inzake de wijze waarop de netgebruiker zijn wens inzake het delen van zijn persoonsgegevens meedeelt aan de netbeheerder.

§ 1

, eerste lid, 1° tot 4°, en 6° bedoelde eindafnemers, kan de netbeheerder de persoonsgegevens op afstand verzamelen. Op grond van aan Brugel voorgelegde objectieve en niet discriminerende criteria, kan de netbeheerder handelingen op afstand stellen om de beveiligde werking van het net en de exploitatie ervan veilig te stellen. De eindafnemer kan zich echter verzetten tegen het verzamelen van persoonsgegevens op afstand, zijn wens heeft gevolg binnen 15 werkdagen. Om de rechten van de verbruiker te waarborgen, kan de Regering de nadere regels bepalen inzake de wijze waarop de netgebruiker zijn wens inzake het delen van zijn persoonsgegevens meedeelt aan de netbeheerder. Na een onafhankelijk en vergelijkend onderzoek dat ertoe strekt een objectieve diagnose te stellen van de elektrogevoeligheid en de impact ervan op de volksgezondheid in het Brussels Gewest te bepalen en dat binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de ordonnantie wordt uitgevoerd door een comité van deskundigen, stelt de Regering, in voorkomend geval, de gevallen en regels vast volgens welke de distributienetbeheerder alternatieve technologische oplossingen in de woningen aanbiedt aan eenieder die beweert elektrogevoelig te zijn en daartoe een aanvraag indient. […] ». B.12.

  1. Het bestreden artikel 67 van de ordonnantie van 23 juli 2018 voegt een artikel 18ter in de ordonnantie van 1 april 2004 in, dat bepaalt : « §
  2. De netbeheerder kan progressief, rekening houdend met het algemeen belang en voor zover zulks technisch mogelijk, financieel redelijk en proportioneel is, slimme meters installeren op het distributienet, conform de volgende verplichte niches : 30 1° wanneer een bestaande meter wordt vervangen, tenzij zulks technisch niet mogelijk of rendabel is, gelet op de op lange termijn geraamde mogelijke besparingen; 2° wanneer wordt overgegaan tot de aansluiting in een nieuw gebouw of wanneer een gebouw zwaar gerenoveerd wordt, zoals bepaald in richtlijn 2010/31/EU. De beheerder kan ook intelligente meters installeren op het distributienet wanneer een gebruiker erom verzoekt, tenzij zulks technisch niet mogelijk, financieel niet redelijk en proportioneel is. Op voorwaarde dat een specifiek en transversaal onderzoek van Brugel de economische, energetische en sociale geschiktheid van de ontwikkeling van slimme meters aantoont

het eerste lid bedoelde gevallen, alsook, desgevallend, voor elke nieuwe categorie van eventuele begunstigden, en na debat in het Parlement, kan de Regering andere situaties bepalen waarin de distributienetbeheerder slimme meters installeert, evenals de installatiemodaliteiten ervoor. Brugel legt dat onderzoek ter raadpleging voor aan het publiek. § 2. In geval van de in artikel 18, § 1 bedoelde niches, mag niemand de installatie of het onderhoud van een slimme meter weigeren of vragen deze weg te halen. De distributienetbeheerder deelt twee maanden

stallatiedatum aan de gebruiker van het net zijn voornemen mee om een slimme meter te installeren. Die mededeling gaat vergezeld van bewustmaking en informatie over de slimme meters. Daarin staan met name nadere informatie over de kwaliteitsnormen van het product, het elektromagnetisch zendvermogen van het product, de mogelijkheid om het al dan niet communicerend te maken en de bepalingen die de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking van persoonsgegevens waarborgen. De Regering bepaalt de inhoud van de uitvoeringsbepalingen van dit communicatie-instrument.

§ 1

, 1° en 2° bedoelde eindafnemers, mag de netbeheerder slechts persoonlijke gegevens vanop afstand verzamelen en vanop afstand handelingen stellen na uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van de voor het leveringspunt geïdentificeerde eindafnemer. Die verplichting geldt ook wanneer een nieuwe eindafnemer wordt geïdentificeerd voor een leveringspunt, ongeacht de keuze van de voorheen voor het leveringspunt geïdentificeerde eindafnemer. Die verplichting kan worden herroepen op eenvoudig verzoek van de netwerkgebruiker. In elk geval, sorteert dat verzoek effect binnen 15 werkdagen. Om de rechten van de verbruiker te waarborgen, kan de regering de nadere regels vaststellen voor de mededeling, door de netwerkgebruiker, van zijn bereidheid om zijn persoonlijke gegevens met de netbeheerder te delen. […] ». B.12.3.

  1. Luidens artikel 24ter, § 1, eerste en tweede lid, van de ordonnantie van 19 juli 2001 en artikel 18ter, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 1 april 2004 installeren de distributienetbeheerders geleidelijk, rekening houdend met het algemeen belang en voor zover dat technisch haalbaar, financieel redelijk en evenredig is, gelet op de potentiële 31 energiebesparingen, slimme elektriciteits- en gasmeters op het distributienet voor sommige categorieën of « niches » van netgebruikers. B.12.3.
  2. Wat het elektriciteitsnet betreft, worden de categorieën of « niches » van gebruikers ten aanzien van wie de distributienetbeheerder geleidelijk slimme meters moet of kan installeren, bepaald in artikel 24ter, § 1, eerste en tweede lid, van de ordonnantie van 19 juli
  3. Het betreft enerzijds de « verplichte niches », die bestaan uit de netgebruikers : - wier meter wordt vervangen, tenzij dat technisch niet mogelijk of niet rendabel zou zijn, gelet op de potentiële besparingen op lange termijn; - voor wie een nieuwe aansluiting wordt uitgevoerd in een nieuw of ingrijpend gerenoveerd gebouw. Voor die gebruikers gebeurt de installatie van een slimme elektriciteitsmeter stelselmatig geleidelijk (artikel 24ter, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 19 juli 2001). Het betreft anderzijds de « prioritaire niches », die bestaan uit de netgebruikers : - die beschikken over een elektrisch voertuig en dit laten weten aan de distributienetbeheerder; - wier jaarlijks verbruik meer bedraagt dan 6 000 kWh; - die beschikken over een opslageenheid die elektriciteit opnieuw in het distributienet kan injecteren of over een warmtepomp; - die, als eindafnemers, flexibiliteit aanbieden via een aanbieder van flexibiliteit; 32 - die daarom vragen, tenzij dat niet technisch haalbaar of niet rendabel zou zijn, gelet op de potentiële besparingen op lange termijn; - die « prosumers » zijn of elektriciteit opnieuw in het net kunnen injecteren. Voor die netgebruikers kan de distributienetbeheerder slimme elektriciteitsmeters geleidelijk op het net installeren (artikel 24ter, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 19 juli 2001). Met het oog op die geleidelijke installatie van slimme elektriciteitsmeters voor die gebruikers moet de distributienetbeheerder de « prioritaire niches » bedoeld in artikel 24ter, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 19 juli 2001 preciseren in het investeringsplan bedoeld in artikel 12 van dezelfde ordonnantie. Dat vijfjarig investeringsplan van de distributienetbeheerder wordt voorgelegd aan het toezicht en aan de controle van de Reguleringscommissie voor energie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BRUGEL) en moet worden goedgekeurd door de Regering, krachtens artikel 12, § 3, van de ordonnantie van 19 juli
  4. Dat investeringsplan moet voorzien in « de staat van de studies, projecten en implementaties van slimme netten en slimme meters » en in de « voor de eventuele uitrol van deze meters prioritair geïdentificeerde niches » (artikel 12, § 1, derde lid, 8° en 9°, van de ordonnantie van 19 juli 2001, zoals gewijzigd bij artikel 12, 1°, c) en d), van de ordonnantie van 23 juli 2018). B.12.3.
  5. Wat de gasmarkt betreft, kan de distributienetbeheerder geleidelijk slimme meters installeren voor de categorieën of « niches » van gebruikers bepaald in artikel 18ter, § 1, eerste en tweede lid, van de ordonnantie van 1 april
  6. Het betreft enerzijds de « verplichte niches », die bestaan uit de netgebruikers : - wier meter wordt vervangen, tenzij dat niet technisch mogelijk of niet rendabel is gelet op de potentiële besparingen op lange termijn; - voor wie wordt overgegaan tot een nieuwe aansluiting in een nieuw gebouw of wanneer een gebouw ingrijpend gerenoveerd wordt. 33 Voor die gebruikers kan de installatie van een slimme gasmeter geleidelijk plaatshebben (artikel 18ter, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 1 april 2004). Het betreft anderzijds de netgebruikers die vragen om de installatie van een slimme meter. Voor die netgebruikers kan de distributienetbeheerder eveneens slimme gasmeters installeren op het net, tenzij dat technisch niet mogelijk of niet rendabel is gelet op de potentiële besparingen op lange termijn (artikel 18ter, § 1, tweede lid, van de ordonnantie van 1 april 2004). B.12.3.
  7. Naast die categorieën van gebruikers beoogd in respectievelijk de voormelde artikelen 24ter en 18ter kan de Regering, na debat in het Parlement, andere gevallen bepalen waarin de distributienetbeheerder slimme meters installeert, alsook de installatievoorwaarden ervan vaststellen. Die bepaling van nieuwe categorieën van netgebruikers

stallatie van slimme meters is slechts mogelijk na een specifiek en transversaal onderzoek door BRUGEL, onderworpen aan een openbare raadpleging, waaruit de economische, ecologische en sociale geschiktheid van de ontwikkeling van slimme meters blijkt voor de gevallen beoogd in respectievelijk artikel 24ter, § 1, eerste en tweede lid, van de ordonnantie van 19 juli 2001 of in artikel 18ter, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 1 april 2004, alsook, in voorkomend geval, voor elke nieuwe categorie van eventuele begunstigden (artikel 24ter, § 1, derde lid, van de ordonnantie van 19 juli 2001 en artikel 18ter, § 1, derde lid, van de ordonnantie van 1 april 2004). B.

  1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 34 B.14.
  2. Wanneer een schending van het beginsel van gelijkheid en niet–discriminatie wordt aangevoerd, moet in de regel worden gepreciseerd welke categorieën van personen met elkaar moeten worden vergeleken en in welk opzicht de bestreden bepalingen een verschil in behandeling teweegbrengen dat discriminerend zou zijn. Die vereisten zijn ingegeven, onder meer, door de zorg om aan de andere partijen in het geding de mogelijkheid te bieden op de argumenten van de verzoekende partij te repliceren, waartoe een duidelijke en ondubbelzinnige uiteenzetting van de middelen onontbeerlijk is. B.14.
  3. De verzoekende partijen identificeren niet de categorieën van personen die met elkaar moeten worden vergeleken en bekritiseren enkel de juistheid en de relevantie van de keuze van de Brusselse ordonnantiegever om te voorzien in een geleidelijke uitrol van slimme meters door de distributienetbeheerders. B.14.
  4. Uit de proceduregeschriften blijkt evenwel dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, de Waalse Regering en de Vlaamse Regering, alsook de tussenkomende partij « Sibelga », hebben kunnen begrijpen dat de verzoekende partijen het verschil in behandeling in het geding brengen tussen, enerzijds, de netgebruikers die behoren tot een « verplichte niche » of een « prioritaire niche », of zelfs nieuwe categorieën die eventueel worden vastgesteld door de Regering, voor wie is voorzien in een geleidelijke installatie van de slimme meters en, anderzijds, de andere netgebruikers. B.
  5. De distributienetgebruikers, ongeacht of ze al dan niet behoren tot de beoogde categorieën voor de geleidelijke installatie van slimme meters, zijn voldoende vergelijkbaar. B.
  6. Ten aanzien van de doelstellingen die worden nagestreefd met de geleidelijke installatie van de slimme meters blijkt uit B.2.1 tot B.2.4 dat de Europese Unie aan de lidstaten de verplichting oplegt om « slimme metersystemen » uit te rollen voornamelijk om de energie-efficiëntie te bevorderen, door de netgebruikers de mogelijkheid te bieden actief deel te nemen aan de energiemarkt. De slimme elektriciteitsmeters stellen de netgebruikers immers in staat om hun elektriciteitsverbruik of zelfs hun elektriciteitsproductie met precisie te kennen, en met name de exacte momenten waarop dat verbruik of die productie plaatsvindt. 35 Dankzij die gedetailleerde kennis kunnen de gebruikers hun verbruik aanpassen en streven naar een lager elektriciteitsverbruik. Bovendien beoogt de Europese wetgever het aandeel van de hernieuwbare energiebronnen in de geproduceerde energie te verhogen, het elektriciteits- en gasverbruik te verminderen en de bevoorradingszekerheid te waarborgen, met name door een gedetailleerde kennis, door de distributienetbeheerder, van het verbruik en de injecties op het net dat hij beheert. B.
  7. Het Hof stelt in dat verband vast dat de voordelen van een gesegmenteerde uitrol en van een geïntegreerde benadering van elektriciteit en gas teneinde de installatiekosten te optimaliseren, zijn onderzocht, zoals de Europese wetgever daartoe verzoekt in bijlage I van de richtlijn 2009/72/EG, in bijlage I van de richtlijn 2009/73/EG, in bijlage II van de richtlijn (EU) 2019/944 en in de aanbeveling 2012/148/EU. In de parlementaire voorbereiding van de ordonnantie van 23 juli 2018 wordt overigens aangegeven dat die studie « is uitgevoerd en […] in september 2012 aan de Europese Commissie [werd] overhandigd » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2017-2018, A-664/1, p. 11). B.18.
  8. Door, op basis van de studies verricht voor rekening van BRUGEL, te beslissen om de geleidelijke installatie van de slimme meters te organiseren streeft de Brusselse ordonnantiegever na de Europese doelstelling bestaande in het bevorderen van de energie- efficiëntie te bereiken, waarbij wordt gewaakt over een billijk evenwicht tussen de kosten van die geleidelijke installatie en de economische en andere baten voor de gemeenschap. B.18.
  9. Wegens het technische karakter van de materie moet aan de Brusselse ordonnantiegever een ruime beoordelingsmarge worden verleend bij de keuze van de criteria om de netgebruikers van elkaar te onderscheiden naargelang zij al dan niet behoren tot de beoogde categorieën voor de geleidelijke installatie van slimme meters. B.19.
  10. Zoals wordt aangegeven in de memorie van toelichting heeft de ordonnantie van 23 juli 2018 « tot doel bepaalde Europese voorschriften van toepassing op de energiemarkt zoals gedefinieerd in verschillende richtlijnen, te integreren en een antwoord te geven op de 36 huidige uitdagingen van de elektriciteits- en gasmarkten » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2017-2018, A-664/1, p. 1) : « Het gaat er eveneens om een kader te verstrekken

voering van slimme meters. Deze nieuwe generatie meters moet beetje bij beetje geïnstalleerd worden en zal in de loop der tijd de elektromechanische technologie zoals die momenteel geïnstalleerd is volledig vervangen in het aanbod van meterfabrikanten. Deze zogenaamde ‘ intelligente ’ technologie wordt door de Europese wetgeving ten zeerste ondersteund. Zo verplicht richtlijn 2012/27/EU tot de plaatsing van slimme meters in nieuwbouw of constructies die zwaar verbouwd worden, en bepaalt richtlijn 2014/94/EU, in de mate dat dit technisch mogelijk en economisch redelijk is, dat voor het opladen van elektrische voertuigen in de voor het publiek toegankelijke oplaadpunten een beroep gedaan moet worden op intelligente meetinstrumenten. Deze ‘ intelligentie ’ biedt vele mogelijkheden, onder meer op het vlak van het dynamisch beheer van netwerken. Ze kan dus een kans vormen voor de kwaliteit van het beheer van het netwerk, met name in een context van ontwikkeling van gedecentraliseerde hernieuwbare elektrische productie en de toegang hiertoe. Om echter te garanderen dat alle marktspelers kunnen genieten van deze ontwikkeling, bijvoorbeeld vanuit het oogpunt van de gemaakte kosten, dienen de principes voor deze invoering vastgelegd te worden, onder meer de categorieën van prioritaire klanten. Daarnaast moet de invoering van deze technologie gebeuren met respect voor de wetgeving betreffende de bescherming van persoonsgegevens : daarom legt deze ordonnantie de functies vast van de meters en de principes voor het beheer en de verwerking van de door deze meters ingezamelde en meegedeelde gegevens. Hiervoor baseert deze ordonnantie zich op de aanbevelingen van de Privacycommissie. Deze ordonnantie legt eveneens een kader vast voor de ontwikkeling van diensten die zouden kunnen voortvloeien uit de invoering van slimme meters : met name de flexibiliteitsdiensten. Deze flexibiliteit moet begrepen worden als de mogelijkheid van de klant om zijn afname of injectie van elektriciteit aan te passen bij wijze van antwoord op een extern signaal. Deze flexibiliteit kan tegemoetkomen aan de behoeften van de netbeheerders, met name in het kader van hun opdracht om de vraag en het aanbod op deze netten in evenwicht te brengen » (ibid., p. 2). B.19.2.1. Wat betreft de destijds ontworpen bestreden artikelen 24 en 67 van de ordonnantie van 23 juli 2008 vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Er wordt een nieuw artikel 24ter ingevoerd in de ordonnantie elektriciteit, met als doel het

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.