id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.165 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.20201217.4 Arrest- Rolnummer: 165/2020 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-12-17 Raadplegingen: 413 - laatst gezien 2026-06-19 17:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof vernietigt het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2019 « houdende een reglementering op het gebruik van vuurwerk, voetzoekers, carbuurkanonnen en wensballonnen ». UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2019 « houdende een reglementering op het gebruik van vuurwerk, voetzoekers, carbuurkanonnen en wensballonnen », ingesteld door Christophe Byl en anderen en door de bvba « PyroStar » en anderen. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 26-04-2019 - 10 ELI link Pub nr 2019012337 Tekst van de beslissing Rolnummers 7292 en 7293 Arrest nr. 165/2020 van 17 december 2020 In zake : de beroepen tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2019 « houdende een reglementering op het gebruik van vuurwerk, voetzoekers, carbuurkanonnen en wensballonnen », ingesteld door Christophe Byl en anderen en door de bvba « PyroStar » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en T. Detienne, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 november 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2019 « houdende een reglementering op het gebruik van vuurwerk, voetzoekers, carbuurkanonnen en wensballonnen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 mei 2019), door Christophe Byl, optredend onder de handelsnaam « CBF Pyrotechnics », de bvba « FARCES AMUSANTES », de bvba « T & T Fireworks », de bvba « Dewico », de bvba « Loots », de nv « Feestartikelen Salon Roger » en de bvba « Visual FX », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet en Mr. R. Veranneman, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 15 november 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van hetzelfde decreet door de bvba « PyroStar », de bvba « Technodexon » en Ben Vanwesenbeeck, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Sebreghts, Mr. C. Smeyers en Mr. J.-C. Beyers, advocaten bij de balie van Antwerpen. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7292 en 7293 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Godfroid, advocaat bij de balie van Antwerpen; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. C. Decordier, advocaat bij de balie te Gent; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J.-F. De Bock en Mr. V. De Schepper, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. Bij beschikking van 20 juli 2020 heeft het Hof de memorie van wederantwoord ingediend door de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA) onontvankelijk verklaard en uit de debatten geweerd. Bij beschikking van 21 oktober 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 november 2020 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 12 november 2020 in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7292 en de eerste twee verzoekende partijen in de zaak nr. 7293 wijzen erop dat zij allen beroepsmatig actief zijn in de pyrotechnische sector, meer bepaald als professionele ontwerper of afsteker van spektakelvuurwerk, als groothandelaar-importeur of als kleinhandelaar. Zij menen dat zij belang hebben bij een beroep tot vernietiging van het bestreden decreet, daar dat decreet, door het gebruik van pyrotechnische artikelen te verbieden of te beperken, hun aanzienlijke financiële schade berokkent. A.1.2. De derde verzoekende partij in de zaak nr. 7293 is een natuurlijke persoon die naar aanleiding van feestelijke gebeurtenissen feestvuurwerk wenst te kunnen afschieten. Zij meent dat zij belang heeft bij een beroep tot vernietiging van het bestreden decreet, omdat dat decreet een algemeen verbod op het afsteken van vuurwerk invoert, waarvan enkel onder uiterst restrictieve omstandigheden kan worden afgeweken. A.2. Volgens de Vlaamse Regering is het belang waarop de verzoekende partijen zich beroepen louter hypothetisch, omdat zij niet concreet aantonen dat het bestreden decreet een daling in de verkoop van pyrotechnische artikelen met zich meebrengt. Zij meent dat niet ervan kan worden uitgegaan dat de gemeenten hoe dan ook zullen weigeren uitzonderingen toe te staan op het in het bestreden decreet vervatte verbod. A.3. De vzw « Global Action in the Interest of Animals » (hierna : de vzw « GAIA ») is van oordeel dat zij doet blijken van een belang bij haar tussenkomst, doordat zij volgens haar statuten, onder meer, tot doel heeft te ijveren voor regelgeving die steeds beter tegemoetkomt aan de belangen en de rechten van dieren. Zij wijst erop dat het gebruik van vuurwerk nefaste gevolgen heeft voor het welzijn van dieren. Ten gronde In de zaak nr. 7292 Wat het eerste middel in de zaak nr. 7292 betreft A.4. Het eerste middel in de zaak nr. 7292 is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels en meer in het bijzonder van
(1)de federale bevoegdheid inzake de openbare veiligheid, brandveiligheid en brandpreventie, zoals die onder meer tot uiting komt in artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1° en 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980),
(2)de federale bevoegdheid inzake de reglementering van springstoffen, zoals die onder meer tot uiting komt in artikel 6, § 1, X, eerste lid, 10° en 13°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980,
(3)de gewestbevoegdheden inzake het leefmilieu en inzake dierenwelzijn, zoals die uiting komen in artikel 6, § 1, II en XI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980,
(4)de federale bevoegdheid inzake de productnormen, zoals die tot uiting komt in artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, en VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 « betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2013/29/EU) en
(5)het beginsel van de federale loyauteit, zoals gewaarborgd door artikel 143, § 1, van de Grondwet, en het evenredigheidsbeginsel. A.5.
- In een eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat de in het bestreden decreet geregelde aangelegenheid behoort tot de bevoegdheid van de federale overheid, en meer bepaald tot de residuaire bevoegdheden inzake de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de brandpreventie en inzake de reglementering van springstoffen. 4 A.5.
- Dat de brandveiligheid, de brandpreventie en de reglementering van springstoffen tot de residuaire bevoegdheden van de federale overheid behoren, komt volgens de verzoekende partijen tot uiting in artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1° en 8°, en X, eerste lid, 10° en 13°, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Uit de parlementaire voorbereiding van die bijzondere wet leiden zij af dat, onder meer, de wet van 28 mei 1956 « betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen » en het koninklijk besluit van 23 september 1958 « houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen » (hierna : het koninklijk besluit van 23 september 1958) tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren. Uit de rechtsleer leiden zij af dat de federale overheid bevoegd is gebleven voor de preventie van ontploffingen, die de gezamenlijke veiligheidsmaatregelen omvat ter voorkoming van omstandigheden die ontploffingen kunnen veroorzaken. A.5.
- Uit het voorgaande volgt volgens de verzoekende partijen dat, gelet op het exclusiviteitsbeginsel dat aan de bevoegdheidsverdeling ten grondslag ligt, het Vlaamse Gewest niet bevoegd is om een algemeen verbod op het gebruik van vuurwerk, voetzoekers, carbuurkanonnen en wensballonen in te voeren. In zoverre de brandveiligheid en de brandpreventie oneigenlijke concurrerende bevoegdheden zouden zijn, kan het Vlaamse Gewest volgens hen ter zake slechts regelend optreden bij het uitoefenen van zijn eigen bevoegdheden, waaraan naar hun oordeel te dezen niet is voldaan. A.6.
- In een tweede onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet onvoldoende verband houdt met de gewestbevoegdheden inzake de bescherming van het leefmilieu en het afvalstoffenbeleid en inzake het dierenwelzijn (artikel 6, § 1, II en XI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). A.6.
- Uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet leiden de verzoekende partijen af dat het in dat decreet vervatte verbod beoogt om geluidsoverlast voor mens en dier tegen te gaan, om woningbranden en lichamelijke verwondingen te voorkomen, om te verhinderen dat resten van vuurwerk, voetzoekers en wensballonnen als zwerfvuil achterblijven en om de inname van die resten door dieren tegen te gaan. In zoverre in de parlementaire voorbereiding wordt verwezen naar het tegengaan van woningbranden, herhalen de verzoekende partijen de argumentatie die ze bij het eerste onderdeel van het middel hebben uiteengezet. De doelstelling om geluidsoverlast voor mens en dier te voorkomen, vormt volgens hen een drogreden, vermits het in het bestreden decreet vervatte verbod van toepassing is ongeacht het geluidsniveau van de desbetreffende pyrotechnische artikelen. Zij wijzen onder meer erop dat het verbod eveneens geldt voor vuurwerk van categorie F1 (dat bestemd is om binnenskamers te worden gebruikt), voor geluidsarm vuurwerk en voor wensballonnen (die geen enkele geluidshinder veroorzaken). Met betrekking tot de in de parlementaire voorbereiding vervatte stelling dat er niet voldoende technische gegevens voorhanden zijn om een eventuele differentiatie in de aard van het vuurwerk decretaal te verankeren, menen de verzoekende partijen dat die stelling niet klopt, vermits het vuurwerk in Europese en in federale regelgeving is opgedeeld in verschillende categorieën. Met betrekking tot de doelstelling betreffende het tegengaan van zwerfvuil en het voorkomen van inname door dieren, menen zij dat het niet is omdat een product of restanten ervan mogelijkerwijs als zwerfvuil kunnen achterblijven en door dieren kunnen worden ingenomen, dat de gewesten bevoegd zouden zijn om het gebruik van die producten te verbieden. Er anders over oordelen, zou volgens hen erop neerkomen dat de gewesten het gebruik van elk product kunnen verbieden. A.7.
- In ondergeschikte orde voeren de verzoekende partijen, in een derde onderdeel van het middel, aan dat het bestreden decreet in strijd is met artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in samenhang gelezen met artikel 143, § 1, van de Grondwet en met het evenredigheidsbeginsel. 5 A.7.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat de toewijzing, bij artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, van de bevoegdheid voor het vaststellen van de productnormen aan de federale overheid, ingegeven is door de noodzaak om de Belgische economische en monetaire unie te vrijwaren en door de bedoeling om obstakels voor het vrije verkeer van goederen tussen de gewesten uit de weg te ruimen. Zij erkennen dat het in het bestreden decreet vervatte verbod op zich geen productnorm in de eigenlijke zin van het woord vormt, maar menen dat het de federale overheid verhindert een efficiënt beleid te voeren inzake productnormen en dat het aldus strijdig is met de federale loyauteit, zoals gewaarborgd bij artikel 143, § 1, van de Grondwet, en met het evenredigheidsbeginsel. Uit de rechtspraak van het Hof leiden zij af dat aan de verplichting tot federale loyauteit niet wordt voldaan wanneer een maatregel een marktuitsluitend effect sorteert voor bepaalde producten. Zij zijn van oordeel dat het bestreden verbod de facto neerkomt op het verbieden van het op de markt brengen van vuurwerk. Het gegeven dat de gemeenten voor uitzonderlijke gebeurtenissen kunnen afwijken van dat verbod, doet volgens hen geen afbreuk aan het marktuitsluitend effect van de maatregel, vermits de gemeenten zich in de mogelijkheid bevinden om geen uitzonderingen op het verbod toe te staan. Wat de wensballonnen betreft, wijzen de verzoekende partijen erop dat het marktuitsluitend effect van de bestreden maatregel absoluut is, vermits de gemeenten voor het oplaten van wensballonnen geen uitzonderingen kunnen toestaan op het in het bestreden decreet vervatte verbod. A.7.
- Bij de beoordeling van het marktuitsluitend effect van het bestreden decreet dient volgens de verzoekende partijen bovendien rekening te worden gehouden met artikel 4, lid 1, van de richtlijn 2013/29/EU, volgens hetwelk de lidstaten het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen die aan de eisen van de richtlijn voldoen, in beginsel niet mogen verbieden, beperken of belemmeren. Artikel 4, lid 2, van die richtlijn laat gebruiksbeperkingen weliswaar toe, maar die toelating geldt volgens de verzoekende partijen enkel voor vuurwerk van de categorieën F2 en F3, waardoor een gebruiksbeperking die geldt voor vuurwerk van categorie F1 (kindervuurwerk) en F4 (vuurwerk voor professioneel gebruik) niet mogelijk zou zijn. Bovendien zou de richtlijn geen beperkingen toelaten voor het gebruik van vuurwerk door professionelen, ongeacht de categorie van dat vuurwerk. Van de door de richtlijn geboden mogelijkheid om het gebruik van vuurwerk te beperken, kan volgens de verzoekende partijen bovendien enkel gebruik worden gemaakt ter bescherming van de openbare orde, de gezondheid of de veiligheid of ter bescherming van het milieu. De bescherming van het dierenwelzijn kan volgens hen aldus niet worden aangewend om over te gaan tot een beperking. Zij wijzen erop dat de richtlijn 2013/29/EU in het Belgische recht werd omgezet bij het koninklijk besluit van 20 oktober 2015 « betreffende het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen » (hierna : het koninklijk besluit van 20 oktober 2015). Zij menen dat het inherent is aan zowel de richtlijn 2013/29/EU als het koninklijk besluit van 20 oktober 2015 dat de producten die voldoen aan de op het Europees niveau geharmoniseerde voorschriften ook daadwerkelijk mogen worden verkocht en gebruikt. A.8.
- De Vlaamse Regering is in hoofdorde van oordeel dat het bestreden decreet past in het kader van de aan de gewesten toegewezen bevoegdheden inzake de bescherming van het leefmilieu, waartoe de bescherming tegen geluidshinder en het voorkomen van luchtvervuiling behoren, en inzake het dierenwelzijn. Zij wijst erop dat pyrotechnische artikelen angst en stress veroorzaken bij dieren en dat het afschieten van die artikelen zwerfvuil met zich meebrengt, dat niet alleen een negatief effect heeft op het leefmilieu, maar ook op het welzijn van dieren, daar die de restanten van de afgeschoten artikelen zouden kunnen opeten. Bovendien beklemtoont zij dat het afschieten van pyrotechnische artikelen leidt tot luchtverontreiniging. Uit het loutere gegeven dat in de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet ook wordt verwezen naar woningbranden als gevolg van het gebruik van vuurwerk, voetzoekers en wensballonnen kan volgens de Vlaamse Regering niet worden afgeleid dat de Vlaamse decreetgever de bevoegdheid inzake brandveiligheid en brandpreventie zou hebben willen uitoefenen. A.8.
- Met betrekking tot de door de verzoekende partijen aangevoerde kritiek dat het bestreden decreet geen onderscheid maakt tussen verschillende soorten van vuurwerk op basis van de geluidssterkte ervan, doet de Vlaamse Regering gelden dat een diversificatie niet pertinent zou zijn ten aanzien van de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen. Zij meent dat alle categorieën van vuurwerk negatieve gevolgen hebben voor het dierenwelzijn en het leefmilieu. Zij merkt daarbij op dat bij het gebruik van vuurwerk van de categorie F1 kleine partikels vrijkomen die een negatief effect hebben op de luchtkwaliteit, zeker daar dat vuurwerk binnenshuis wordt gebruikt, en dat het opeten van onderdelen ervan kan leiden tot intoxicatie van dieren. Het lichteffect ervan zou bovendien angst en stress opwekken bij dieren. Ook de andere categorieën van vuurwerk veroorzaken volgens haar niet alleen geluidshinder, maar ook lichthinder, geurhinder en zelfs verandering in de luchtdruk. Overigens zouden er nog niet voldoende technische gegevens voorhanden zijn om een eventuele differentiatie in de aard van het vuurwerk decretaal te verankeren. 6 A.9.
- In ondergeschikte orde is de Vlaamse Regering van oordeel dat de brandveiligheid en de brandpreventie niet behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de federale overheid. Zij meent dat die aangelegenheid een oneigenlijke concurrerende bevoegdheid is, waarbij de federale overheid de basisregels vastlegt en de deelentiteiten die regels kunnen verstrengen. Zij verwijst naar rechtsleer die van oordeel is dat de deelstaten inzake de brandveiligheid en de brandpreventie in werkelijkheid verder kunnen gaan dan een oneigenlijke concurrerende bevoegdheid toelaat, in die zin dat zij specifieke regels kunnen uitvaardigen die voorrang krijgen op de algemene regels van de federale overheid. A.9.
- De Vlaamse Regering is daarnaast van oordeel dat het bestreden decreet geen productnorm bevat, omdat dit decreet geen vereisten oplegt waaraan producten moeten voldoen om op de markt te kunnen worden gebracht. Zij meent dat daaruit ook voortvloeit dat dit decreet niet in strijd is met de richtlijn 2013/29/EU, die volgens haar uitsluitend regels vaststelt die betrekking hebben op het aanbieden op de markt van producten en niet op het gebruik ervan. Zij beklemtoont daarbij dat het bestreden decreet niet voorziet in een totaalverbod op het gebruik van pyrotechnische artikelen, daar de gemeenten toelating kunnen verlenen om dergelijke producten te gebruiken. Zij besluit dat het decreet het beleid van de federale overheid inzake productnormen of inzake springstoffen niet overdreven moeilijk maakt en aldus het beginsel van de federale loyauteit en het evenredigheidsbeginsel niet schendt. A.9.
- Indien het Hof van oordeel zou zijn dat met het bestreden decreet op het domein van de bevoegdheden van de federale overheid zou worden getreden, is de Vlaamse Regering de mening toegedaan dat het Vlaamse Gewest bevoegd is om dit te doen op basis van de impliciete bevoegdheden, bedoeld in artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus
- Zij is van oordeel dat de decreetgever het noodzakelijk heeft kunnen achten om het in het bestreden decreet vervatte verbod in te voeren met het oog op het wegwerken van de negatieve gevolgen verbonden aan het gebruik van pyrotechnische artikelen. De geregelde aangelegenheid leent zich volgens haar eveneens tot een gedifferentieerde behandeling. In dit kader wijst zij erop dat een verbod op het gebruik van pyrotechnische artikelen voorheen reeds was opgenomen in meerdere politieverordeningen van onderscheiden gemeenten. De weerslag van het bestreden decreet op de federale bevoegdheid is volgens haar bovendien marginaal. A.10.
- De Ministerraad is van oordeel dat het bestreden decreet in strijd is met de bevoegdheidverdelende regels, en meer bepaald met de federale bevoegdheden inzake de brandveiligheid en -preventie en inzake de springstoffen. Zelfs indien er een onrechtstreekse band zou bestaan tussen het bestreden decreet en de bevoegdheid van de gewesten inzake het dierenwelzijn, dan nog kan volgens de Ministerraad niet worden ontkend dat het zwaartepunt van de bestreden regeling binnen de federale bevoegdheden moet worden gesitueerd. A.10.
- De Ministerraad meent dat de decreetgever zich niet kan beroepen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, daar te dezen niet is voldaan aan de vereisten die worden gesteld aan de toepassing van dat artikel. Hij meent dat het bestreden decreet een substantiële weerslag heeft op de federale bevoegdheden, omdat het in dat decreet vervatte verbod de facto elke bevoegdheid ontneemt aan de federale overheid. Hij is tevens van oordeel dat de door de decreetgever aangehaalde bevoegdheidsgronden niet in verband kunnen worden gebracht met het aangenomen verbod, en a fortiori dat de bestreden regeling niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest. Hij ziet niet in hoe het dierenwelzijn enkel via een algemeen verbod op alle vormen van pyrotechnische producten kan worden beschermd en doet daarbij gelden dat de decreetgever ook had kunnen opteren voor andere maatregelen, zoals het regelen van de geluidsemissies van pyrotechnische producten. Hij meent bovendien dat de aangelegenheid zich niet leent tot een gedifferentieerde regeling, gelet op het feit dat de richtlijn 2013/29/EU voorziet in een harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen. A.10.
- De Ministerraad is voorts van oordeel dat het bestreden decreet werd aangenomen in strijd met het beginsel van de federale loyauteit, omdat het de facto elk federaal beleid inzake pyrotechnische producten uitholt, en als dusdanig onmogelijk maakt. A.10.
- De Ministerraad meent ten slotte dat het bestreden decreet in strijd is met de richtlijn 2013/29/EU en verwijst ter zake naar zijn argumentatie bij het tweede middel in de zaak nr.
- A.
- De vzw « GAIA » is van oordeel dat het bestreden decreet de bevoegdheidverdelende regels niet schendt, omdat het duidelijk erop gericht is het dierenwelzijn te verbeteren. Als er al een impact zou zijn op een exclusieve federale bevoegdheid, dan is die impact volgens haar marginaal en ondergeschikt. 7 Wat het tweede middel in de zaak nr. 7292 betreft A.12.
- Het tweede middel in de zaak nr. 7292 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met
(1)de vrijheid van handel en nijverheid, zoals onder meer gewaarborgd door artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980,
(2)de richtlijn 2013/29/EU, in het bijzonder de artikelen 4, 7, 39 en 41 ervan,
(3)het vrije verkeer van goederen zoals gewaarborgd door titel II van het eerste deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), in het bijzonder de artikelen 34 tot 36 ervan,
(4)artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en
(5)de richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 « betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/1535). A.12.
- De verzoekende partijen zetten uiteen dat het Hof met het tweede middel wordt gevraagd het bestreden decreet te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen en met inachtneming van de toepasselijke bepalingen van het recht van de Europese Unie. Zij wijzen erop dat de vrijheid van ondernemen, volgens artikel II.4 van het Wetboek van economisch recht, moet worden uitgeoefend met inachtneming van de in België van kracht zijnde internationale verdragen en van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid zoals vastgesteld door of krachtens de internationale verdragen en de wet. Zij menen dat daaruit volgt dat de vrijheid van ondernemen dient te worden gelezen in samenhang met de toepasselijke bepalingen van het recht van de Europese Unie en met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus
- Zij wijzen nog erop dat de vrijheid van ondernemen ook gewaarborgd wordt door artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. A.13.1.
- De verzoekende partijen menen dat het bestreden decreet het vrije verkeer van pyrotechnische artikelen die voldoen aan de eisen van de richtlijn 2013/29/EU beperkt en belemmert. Uit de bepalingen van die richtlijn en uit een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-137/17, 26 september 2018) leiden zij af dat het uitsluitend voor bepaalde categorieën van vuurwerk mogelijk is gebruiksbeperkingen op te leggen, dat dergelijke beperkingen enkel aan het « publiek » kunnen worden opgelegd en dat ze enkel kunnen worden gerechtvaardigd op grond van de bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid en het milieu. Zij menen dat het in het bestreden decreet vervatte verbod in geen enkel opzicht voldoet aan de door het Hof van Justitie gestelde vereisten, daar het verbod geldt voor alle categorieën van vuurwerk, daar het niet alleen geldt voor het « publiek », maar ook voor professionele vuurwerkafstekers en daar het wordt gemotiveerd vanuit het oogpunt van het dierenwelzijn. A.13.1.
- De verzoekende partijen merken op dat iedere maatregel van een lidstaat die de handel binnen de Unie belemmert, volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient te worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking in de zin van de artikelen 34 en 35 van het VWEU, die betrekking hebben op het vrije verkeer van goederen. A.13.1.
- De verzoekende partijen menen dat de beperking en de belemmering van het vrije verkeer van goederen niet kan worden verantwoord, omdat het in het bestreden decreet vervatte verbod niet geschikt is om het nagestreefde doel te verwezenlijken en omdat het verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken. Wat de geluidsimpact van pyrotechnische artikelen betreft, wijzen zij erop dat de producten die volgens de richtlijn 2013/29/EU op de markt mogen worden gebracht, moeten voldoen aan strenge eisen die met zich meebrengen dat het geluidsniveau niet schadelijk is. Zij menen dat de onevenredigheid van de bestreden maatregel blijkt uit het feit dat het verbod op algemene wijze geldt, ongeacht het geluidsniveau van de desbetreffende producten. Wat de nagestreefde doelstelling met betrekking tot het voorkomen van zwerfvuil en van inname door dieren betreft, doen zij gelden dat de bestreden maatregel verder gaat dan noodzakelijk is om die doelstelling te bereiken. A.13.1.
- In ondergeschikte orde, suggereren de verzoekende partijen het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de wijze waarop de richtlijn 2013/29/EU en de beginselen van het vrije verkeer van goederen en van de vrijheid van ondernemen dienen te worden geïnterpreteerd. 8 A.13.
- De verzoekende partijen menen dat het bestreden decreet ook een onevenredige inmenging vormt in de vrijheid van handel en nijverheid, zoals gewaarborgd door artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en door de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht. Het is volgens hen duidelijk dat een algemeen verbod op het gebruik van bepaalde producten een beperking inhoudt van de vrijheid van handel en nijverheid, zelfs als er in uitzonderlijke omstandigheden afwijkingen van dat verbod kunnen worden toegestaan. Zij beklemtonen dat het bestreden decreet de bevoegdheid van de gemeenten om afwijkingen van het algemeen verbod toe te staan, verregaand beperkt : dergelijke afwijkingen zijn enkel mogelijk voor uitzonderlijke gebeurtenissen, op een beperkt aantal plaatsen en gedurende een beperkte periode. Voor wensballonnen is het bovendien volstrekt onmogelijk om afwijkingen toe te staan. A.13.
- Volgens de verzoekende partijen is het bestreden decreet evenmin bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, omdat het meerdere niet te verantwoorden verschillen in behandeling in het leven roept, meer bepaald
(1)tussen, enerzijds, de verkopers en de gebruikers van pyrotechnische producten die voldoen aan de op Europees niveau geharmoniseerde regels en die onder het bestreden decreet vallen en, anderzijds, de verkopers en de gebruikers van andere producten met een vergelijkbaar veiligheids- of geluidsrisico die niet onder het decreet vallen, en
(2)tussen, enerzijds, de verkopers en de gebruikers van vuurwerk, carbuurkanonnen, voetzoekers en wensballonnen en, anderzijds, de verkopers en de gebruikers van andere pyrotechnische producten die voldoen aan de vereisten van de richtlijn 2013/29/EU. Zij menen bovendien dat het bestreden decreet de professionele vuurwerkafstekers, zonder redelijke verantwoording, op dezelfde wijze behandelt als de consumenten, terwijl zij zich zowel vanuit economisch oogpunt, als ten aanzien van de veiligheidswaarborgen waaraan ze moeten voldoen, in een fundamenteel andere positie bevinden, wat volgens hen blijkt uit de artikelen 4, lid 2, 6 en 7, lid 3, van de richtlijn 2013/29/EU. Zij menen ten slotte ook dat het niet redelijk is verantwoord dat alle categorieën van vuurwerk onder het gebruiksverbod vallen, terwijl het om duidelijk te onderscheiden categorieën gaat, met andere veiligheidsrisico’s en een andere impact op mens en dier. A.13.
- De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat het Vlaamse Gewest de uit artikel 5, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn (EU) 2015/1535 voortvloeiende plicht om technische voorschriften aan te melden bij de Europese Commissie niet is nagekomen. Zij zijn van oordeel dat het in het bestreden decreet vervatte verbod beantwoordt aan de in artikel 1, lid 1, d), van die richtlijn vervatte definitie van een « andere eis », daar het verbod van dien aard is dat op significante wijze de verhandeling van het product kan worden beïnvloed, en eveneens aan de in artikel 1, lid 1, f), van die richtlijn vervatte definitie van een « technisch voorschrift ». Zij menen dat het niet aanmelden van de maatregel bij de Europese Commissie met zich meebrengt dat professionele verkopers en gebruikers van vuurwerk, zonder redelijke verantwoording, anders worden behandeld dan andere categorieën van dienstverleners die onderworpen worden aan technische voorschriften die wel aan de Europese Commissie werden medegedeeld. Uit de rechtspraak van Hof van Justitie van de Europese Unie leiden zij af dat het niet aanmelden van het decreet bij de Europese Commissie leidt tot de niet-toepasselijkheid van het decreet. A.14.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het bestreden decreet geen beperking inhoudt van de vrijheid van handel en nijverheid, omdat het geen betrekking heeft op het in de handel brengen van de betrokken producten. Zij wijst erop dat het decreet enkel de bestaande logica omdraait en dit door een principieel verbod in te voeren met een mogelijkheid voor de gemeenten om afwijkingen toe te staan. Zij betwist de stelling van de verzoekende partijen dat de mogelijkheid voor de gemeenten om te voorzien in uitzonderingen op het verbod dermate beperkt is dat zij eigenlijk als onbestaande moet worden beschouwd. Wat de wensballonnen betreft, erkent de Vlaamse Regering dat het gebruiksverbod absoluut is, maar zij meent dat de risico’s verbonden aan het oplaten van dergelijke producten dermate groot zijn dat er een noodzaak bestaat om elk gebruik ervan te verbieden. De neergekomen restanten van wensballonnen tasten volgens haar het leefmilieu aan en brengen ernstige risico’s voor het dierenwelzijn met zich mee. Bovendien zouden de brandweerzones oproepen om wensballonnen volledig te bannen. Zij meent dan ook dat de vrijheid van handel en nijverheid niet wordt geschonden door een verbod op het oplaten van wensballonnen. Om dezelfde redenen is zij van oordeel dat het bestreden decreet niet in strijd is met de richtlijn 2013/29/EU. Zij verwijst naar overweging 16 van die richtlijn, waarin is vermeld dat er wat het gebruik van pyrotechnische artikelen betreft, in de verschillende lidstaten sterk uiteenlopende culturele gebruiken en tradities bestaan. Zij leidt daaruit af dat de richtlijn niet voorziet in een harmonisatie met betrekking tot het gebruik van die artikelen. 9 Wat het vrije verkeer van goederen betreft, is de Vlaamse Regering van oordeel dat het bestreden decreet geen invloed heeft op de in-, uit- en doorvoer van de desbetreffende producten binnen de Europese Unie. Zij doet gelden dat het decreet zich tot het Vlaamse Gewest beperkt. Zij meent dat er geen reden is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, omdat het bestreden decreet louter betrekking heeft op het gebruik van pyrotechnische producten en geenszins op het op de markt aanbieden of op het in-, uit- en doorvoeren ervan. A.14.
- Wat de aangevoerde discriminaties betreft, is de Vlaamse Regering allereerst van oordeel dat de verzoekende partijen niet verduidelijken wat moet worden verstaan onder de categorie van de verkopers en de gebruikers van andere producten met een vergelijkbaar veiligheids- of geluidsrisico die niet onder het decreet vallen. Zij merkt daarbij op dat het toepassingsgebied van het bestreden decreet beperkt is tot hetgeen noodzakelijk is om te verhelpen aan de door de decreetgever vastgestelde problemen. De regeling vervat in het bestreden decreet is volgens haar om die reden beperkt tot de producten die in de praktijk nefaste gevolgen hebben voor het leefmilieu en het dierenwelzijn. Zij meent bovendien dat slechts een deel van de nefaste gevolgen voor het leefmilieu en het dierenwelzijn te wijten is aan het onoordeelkundig gebruik van de desbetreffende producten door consumenten, zodat een algemene beperking van het verbod tot consumenten niet zou volstaan om de beoogde doelstellingen te bereiken. Met betrekking tot de door de verzoekende partijen bekritiseerde gelijke behandeling van het vuurwerk, ongeacht de categorie ervan, verwijst de Vlaamse Regering naar de parlementaire voorbereiding waarin is vermeld dat er niet voldoende technische elementen voorhanden zijn om een differentiatie binnen het vuurwerk decretaal te verankeren. Zij meent bovendien dat een differentiatie met betrekking tot de door de verzoekende partijen aangevoerde elementen niet pertinent zou zijn ten aanzien van de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen. Zij doet gelden dat de gemeenten zich in de beste positie bevinden om eventueel te differentiëren wat betreft de aard van het betrokken vuurwerk, wat betreft de plaats en het tijdstip van gebruik ervan en wat betreft de personen die een afwijking van het verbod kunnen verkrijgen. A.14.
- Wat de niet-aanmelding van het bestreden decreet bij de Europese Commissie betreft, is de Vlaamse Regering van oordeel dat dit decreet niet valt onder het toepassingsgebied van de richtlijn (EU) 2015/1535 en aldus niet diende te worden aangemeld. In ondergeschikte orde doet zij gelden dat de richtlijn (EU) 2015/1535 niet voorziet in een sanctie voor het niet naleven van de erin voorgeschreven meldingsplicht. A.
- De Ministerraad is van oordeel dat het bestreden decreet beide in het middel vermelde richtlijnen schendt. Wat de richtlijn (EU) 2015/1535 betreft, doet de Ministerraad gelden dat het bestreden decreet te beschouwen is als een « andere eis » en als een « technisch voorschrift » in de zin van die richtlijn en dat het aldus diende te worden aangemeld bij de Europese Commissie. Wat de richtlijn 2013/29/EU betreft, meent de Ministerraad dat de lidstaten van de Europese Unie het gebruik van vuurwerk enkel kunnen verbieden om redenen van openbare orde, gezondheid en veiligheid, of van milieubescherming, en bovendien enkel voor welbepaalde categorieën van vuurwerk. Hij betwist de stelling van de Vlaamse Regering dat het decreet geen algemeen verbod op het gebruik van pyrotechnische artikelen bevat. De louter hypothetische mogelijkheid voor de gemeenten om in uitzonderlijke omstandigheden af te wijken van dat verbod, kan volgens hem niet worden aangewend om te poneren dat het decreet geen algemeen verbod invoert. A.
- De vzw « GAIA » is van oordeel dat de verzoekende partijen niet duidelijk maken in welke zin het bestreden decreet het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou schenden. Zij meent dat slechts onrechtstreeks uit het betoog van de verzoekende partijen kan worden afgeleid dat zij van oordeel zijn dat de professionele vuurwerkafstekers door het decreet worden gediscrimineerd. De vzw « GAIA » is van oordeel dat de verzoekende partijen een foutief uitgangspunt hanteren, vermits de gemeenten voor uitzonderlijke gebeurtenissen de toestemming kunnen verlenen om op een beperkt aantal plaatsen en gedurende een beperkte periode vuurwerk af te steken, voetzoekers te laten ontploffen of carbuurkanonnen af te vuren. Zij is bovendien van oordeel dat het ten aanzien van het welzijn van dieren geen verschil uitmaakt of het vuurwerk wordt afgestoken door professionals dan wel door andere personen. 10 Wat het derde middel in de zaak nr. 7292 betreft A.
- Het derde middel in de zaak nr. 7292 is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met het beginsel van de gelijkheid van de burger voor het dragen van de openbare lasten. A.18.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat het bestreden decreet het billijke evenwicht verbreekt tussen, enerzijds, het algemeen belang en, anderzijds, de individuele rechten van de professionele verkopers en gebruikers van vuurwerk. De door de decreetgever nagestreefde doelstellingen staan volgens hen niet in verhouding met de inbreuk op het eigendomsrecht van de laatstgenoemden, omdat de weerslag van het bestreden decreet op het dierenwelzijn en het leefmilieu marginaal is, terwijl de weerslag ervan op het eigendomsrecht van de professionele verkopers en gebruikers van vuurwerk zeer groot is. A.18.
- De verzoekende partijen menen bovendien dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor de bekritiseerde inmenging in het eigendomsrecht. Zij verwijzen daarbij naar hun argumentatie bij het eerste en het tweede middel. Zij wijzen erop dat de bestreden maatregel het de professionele verkopers en gebruikers van vuurwerk bijzonder moeilijk maakt om hun ondernemingen verder te exploiteren, wat zou blijken uit een substantiële omzetvermindering in de vuurwerksector. De onevenredigheid blijkt volgens hen ook uit het feit dat niet is voorzien in een vergoedingsmechanisme. A.
- De Vlaamse Regering meent dat het bestreden decreet geen buitensporige last oplegt aan de professionele verkopers en gebruikers van pyrotechnische artikelen, daar de gemeenten worden gemachtigd om afwijkingen toe te staan van het in het decreet vervatte verbod. Zij ziet niet in waarom de decreetgever zou hebben moeten voorzien in een vergoedingsmechanisme. A.
- De vzw « GAIA » merkt op dat de gemeenten afwijkingen van het in het bestreden decreet opgenomen verbod kunnen toestaan, waaruit zij afleidt dat dit decreet het eigendomsrecht niet schendt. Zij meent bovendien dat overwegingen van dierenwelzijn een rechtvaardiging kunnen vormen om het eigendomsrecht te moduleren. Zij verwijst in dit kader naar artikel 13 van het VWEU. Wat het vierde middel in de zaak nr. 7292 betreft A.
- Het vierde middel in de zaak nr. 7292 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. A.
- De verzoekende partijen menen dat de decreetgever, door niet te voorzien in een overgangsregeling, op een discriminatoire wijze afbreuk heeft gedaan aan het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Zij zetten uiteen dat het op de markt aanbieden, het fabriceren, het opslaan, het onder zich houden, het verkopen, het vervoer en het gebruik van springstoffen, waaronder vuurwerk, onderworpen zijn aan vergunningsplichten. Zij menen dat de betrokken ondernemingen op rechtmatige wijze ervan konden uitgaan dat zij minstens tot het aflopen van die vergunningen hun activiteiten konden voortzetten. Vanuit die rechtmatige verwachtingen hebben die ondernemingen, volgens hen, vaak grootschalige investeringen gedaan. A.
- De Vlaamse Regering meent dat de decreetgever vermag te oordelen dat een beleidswijziging met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en dat hij in beginsel niet ertoe gehouden is in een overgangsregeling te voorzien. Zij wijst erop dat het bestreden decreet dateert van 26 april 2019 en in werking is getreden op 27 mei 2019, wat met zich meebrengt dat de regeling na één maand in werking is getreden en dat die meer dan zeven maanden voor de oudejaarsperiode bekend was. Zij meent dat aldus niet op een buitensporige wijze afbreuk werd gedaan aan het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. 11 In de zaak nr. 7293 Wat het eerste middel in de zaak nr. 7293 betreft A.
- Het eerste middel in de zaak nr. 7293 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel lex certa, doordat het bestreden decreet meerdere categorieën van personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, zonder redelijke verantwoording, op identieke wijze behandelt, doordat het in dat decreet vervatte verbod niet in een redelijke verhouding staat met het beoogde doel, doordat de bewoordingen van het decreet leiden tot rechtsonzekerheid en doordat de in dat decreet opgenomen strafbaarstelling niet nauwkeurig is omschreven. A.25.1.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat het bestreden decreet meerdere categorieën van personen die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden op identieke wijze behandelt, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording voorhanden is. De categorieën van personen die zij beogen zijn
(1)de personen die feestvuurwerk afsteken,
(2)de personen die spektakelvuurwerk afsteken en
(3)de personen die vuurwerk voor technisch gebruik of seinvuurwerk afsteken. Uit het koninklijk besluit van 23 september 1958, het koninklijk besluit van 20 oktober 2015 (waarmee de richtlijn 2013/29/EU werd omgezet) en het ministerieel besluit van 7 juni 2013 « tot indeling van pyrotechnische artikelen » leiden zij af dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen feestvuurwerk, spektakelvuurwerk en vuurwerk voor technisch gebruik en seinvuurwerk. Dat onderscheid is volgens hen gebaseerd op de toepassing van het desbetreffende vuurwerk, het doel ervan, evenals op het gevaar en het geluidsniveau ervan. Zij zetten uiteen dat de voormelde classificatie met zich meebrengt dat er, afhankelijk van de desbetreffende categorie waaronder het pyrotechnisch artikel valt, onderscheiden bepalingen en dus wezenlijk verschillende regels van toepassing zijn, bijvoorbeeld wat de minimale leeftijd en de gespecialiseerde kennis betreft waaraan kopers moeten voldoen. A.25.1.
- De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat het bij het bestreden decreet ingevoerde verbod voor alle personen geldt en dit ongeacht hun professionele achtergrond, hun kennis van pyrotechnische artikelen, hun leeftijd, het doel waarvoor het vuurwerk wordt aangewend en het geluidsniveau en het gevaar van het vuurwerk. Zij zijn van oordeel dat de decreetgever op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met de voormelde classificatie en dat er geen enkele redelijke verantwoording bestaat voor de bekritiseerde gelijke behandeling. De omstandigheid dat er op dit ogenblik geen definitie voorhanden is van « geluidsarm vuurwerk », kan volgens hen geen verantwoording vormen. A.25.1.
- De verzoekende partijen zijn daarnaast van oordeel dat het in het bestreden decreet vervatte verbod niet in een redelijke verhouding staat met het beoogde doel. In dit kader wijzen zij erop dat de algemene aard van het verbod met zich meebrengt dat het plaatsen van vuurwerkstokjes op een huwelijkstaart en van airbags in auto’s slechts mogelijk is wanneer de gemeente hiervoor een toestemming verleent. In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering beweert, kunnen de gemeenten volgens hen niet differentiëren op basis van de aard van het vuurwerk of op basis van de persoon die de afwijking van het verbod kan verkrijgen. A.25.
- Het bestreden decreet leidt volgens de verzoekende partijen bovendien tot rechtsonzekerheid, omdat de erin gebruikte begrippen « vuurwerk », « voetzoekers », « carbuurkanonnen », « wensballonnen » en « uitzonderlijke gebeurtenissen » niet worden gedefinieerd en de parlementaire voorbereiding evenmin enige verduidelijking bevat. Bovendien leidt dat decreet volgens hen tot rechtsonzekerheid, omdat het geen beoordelingskader bevat dat de gemeenten in acht dienen te nemen bij het toestaan van afwijkingen van het verbod en evenmin een procedure voor het aanvragen van een dergelijke afwijking. A.25.
- De verzoekende partijen zijn ten slotte van oordeel dat het bestreden decreet het beginsel lex certa, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schendt, omdat het niet naleven van het in dat decreet vervatte verbod kan worden bestraft met administratieve sancties, waarbij de strafbaarstelling niet nauwkeurig is omschreven. Zij wijzen erop dat het beginsel lex certa onder meer deel uitmaakt van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet. 12 A.
- De Vlaamse Regering meent dat het eerste middel in de zaak nr. 7293 niet gegrond is en beargumenteert haar standpunt op dezelfde wijze als haar standpunt bij het tweede middel in de zaak nr.
- Zij voegt eraan toe dat het bestreden decreet louter betrekking heeft op het vuurwerk dat gebruikt wordt voor vermaak en niet op het vuurwerk dat bestemd is voor niet-commercieel gebruik door de strijdkrachten, de politie of de brandweer. Zij beklemtoont dat het evident is dat het bestreden decreet evenmin een verbod invoert op airbags en gordelspanners. Zij voegt er eveneens aan toe dat er geen sprake kan zijn van een schending van het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel, zoals gewaarborgd door de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, omdat artikel 3 van het bestreden decreet bepaalt dat de gemeenten de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties » dienen na te leven. A.
- De vzw « GAIA » is van oordeel dat het eerste middel in de zaak nr. 7293 niet gegrond is en verwijst daarbij naar haar argumentatie bij het tweede middel in de zaak nr.
- Wat het tweede middel in de zaak nr. 7293 betreft A.
- Het tweede middel in de zaak nr. 7293 is afgeleid uit de schending van de artikelen 39, 134 en 143, § 1, van de Grondwet en van artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in samenhang gelezen met de richtlijn 2013/29/EU, met het evenredigheidsbeginsel, met het beginsel van de Belgische economische en monetaire unie en met het beginsel van de federale loyauteit. A.
- In een eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden decreet de bevoegdheidverdelende regels schendt. Zij menen dat het decreet geen grondslag kan vinden in de gewestbevoegdheid inzake het dierenwelzijn en dat het de federale residuaire aangelegenheden inzake de reglementering van springstoffen en inzake de brandpreventie regelt. A.30.
- In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de bevoegdheidsrechtelijke grondslag van het bestreden decreet de gewestbevoegdheid inzake het dierenwelzijn zou zijn, voeren de verzoekende partijen in een tweede onderdeel van het middel aan dat het decreet in strijd is met het beginsel van de federale loyauteit, het beginsel van de Belgische economische en monetaire unie en het evenredigheidsbeginsel. A.30.
- De verzoekende partijen zijn van oordeel dat het bestreden decreet, door geen onderscheid te maken in de categorieën van vuurwerk, de artikelen 1 en 4 van de richtlijn 2013/29/EU schendt en het de federale overheid onmogelijk of overdreven moeilijk maakt om haar vuurwerkbeleid doelmatig te voeren. A.30.
- Volgens de verzoekende partijen komt het in het bestreden decreet vervatte verbod de facto neer op een verbod van het op de markt brengen van pyrotechnische artikelen, wat volgens hen niet enkel strijdig is met de richtlijn 2013/29/EU, maar ook met artikel 6, § 1, VI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat bepaalt dat de gewesten hun bevoegdheden moeten uitoefenen met inachtneming van het beginsel van het vrije verkeer van goederen en van de vrijheid van handel en nijverheid. Zij zijn van oordeel dat het verbod een manifest onredelijke beperking van de vrijheid van handel en nijverheid en van het vrije verkeer van goederen inhoudt. Bovendien brengt het verbod volgens hen de Belgische economische unie in het gedrang en verstoort het het evenwicht van de federale constructie in haar geheel, doordat het leidt tot oneerlijke concurrentie tussen vuurwerkhandelaars, naargelang zij zijn gevestigd in het Vlaamse Gewest, dan wel in het Waalse Gewest of in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. A.
- De Vlaamse Regering is van oordeel dat het tweede middel in de zaak nr. 7293 niet gegrond is en beargumenteert haar standpunt op dezelfde wijze als bij het eerste middel in de zaak nr.
- A.
- De Ministerraad is van oordeel dat het tweede middel in de zaak nr. 7293 gegrond is en beargumenteert zijn standpunt op dezelfde wijze als bij het eerste en het tweede middel in de zaak nr.
- A.
- De vzw « GAIA » is van oordeel dat het bestreden decreet de bevoegdheidverdelende regels niet schendt en beargumenteert haar standpunt op dezelfde wijze als bij het eerste middel in de zaak nr.
- Daarnaast is zij van oordeel dat het bestreden decreet de richtlijn 2013/29/EU niet schendt. 13 Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.
- Indien het Hof van oordeel zou zijn dat het bestreden decreet dient te worden vernietigd, verzoekt de Vlaamse Regering het Hof de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven tot 31 januari 2021 en minstens om de gevolgen naar het verleden toe te handhaven. Zij meent dat een niet-gemoduleerde vernietiging van die bepalingen niet proportioneel zou zijn ten aanzien van de verstoring van de rechtszekerheid. Zij wijst erop dat meerdere administratieve handelingen werden genomen ter uitvoering van het bestreden decreet en dat de decreetgever met dat decreet precies de rechtszekerheid heeft willen bevorderen. -B- B.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7292 en 7293 vorderen de vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2019 « houdende een reglementering op het gebruik van vuurwerk, voetzoekers, carbuurkanonnen en wensballonnen », dat bepaalt : « Artikel
- Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid. Art.
- Het is verboden vuurwerk af te steken, voetzoekers te laten ontploffen, carbuurkanonnen af te vuren of wensballonnen op te laten. In afwijking van het eerste lid kan de gemeente voor uitzonderlijke gebeurtenissen vooraf de toestemming verlenen om op een beperkt aantal plaatsen en gedurende een beperkte periode vuurwerk af te steken, voetzoekers te laten ontploffen of carbuurkanonnen af te vuren. De gemeente bepaalt de voorwaarden voor het aanvragen en afleveren van die toestemming. Art.
- De gemeente kan een inbreuk op het verbod, vermeld in artikel 2, vervolgen en bestraffen, conform de vormvereisten, de termijnen en de procedures, vermeld in de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties. In geval van een inbreuk als vermeld in het eerste lid kan de gemeente een administratieve boete opleggen. Die boete mag niet hoger zijn dan de maximumbedragen, vermeld in artikel 4, § 1, 1°, van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties ». B.
- De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Mensen en dieren hebben te lijden onder de negatieve gevolgen van vuurwerk, voetzoekers, carbuurkanonnen en wensballonnen. De onverwachte, luide knallen die gepaard gaan met het afschieten van vuurwerk en het gebruik van voetzoekers en carbuurkanonnen, zorgen vaak voor ernstige angstreacties en stress bij dieren. Voornamelijk in de eindejaarsperiode verschijnen elk jaar opnieuw tientallen berichten in de media over dieren die verloren gelopen zijn, gewond zijn geraakt of zelfs overleden zijn als gevolg van vuurwerk en voetzoekers. Zo ontstaat heel wat vermijdbaar dierenleed. 14 De negatieve effecten zijn echter niet beperkt tot geluidsoverlast. Het onoordeelkundig gebruik van vuurwerk, voetzoekers en wensballonnen brengt ook heel wat risico’s met zich mee. Woningbranden als gevolg van vuurwerk en wensballonnen, en lichamelijke verwondingen zijn helaas geen zeldzaamheid. Daarnaast houden de resten van vuurwerk, voetzoekers en wensballonnen die als zwerfvuil achterblijven, dierenwelzijnsrisico’s in bij inname door dieren. […] Om tegemoet te komen aan de bezorgdheid over de veiligheid, de gezondheid en het dierenwelzijn die het gebruik van vuurwerk, voetzoekers, carbuurkanonnen en wensballonnen met zich meebrengt, is het aangewezen om te vertrekken vanuit het principe van een algemeen verbod. Bij uitzonderlijke gebeurtenissen kan dan eventueel toestemming verleend worden om op een beperkt aantal plaatsen en gedurende een beperkte periode vuurwerk af te steken, of voetzoekers of carbuurkanonnen te doen knallen. Gelet op de grote veiligheidsrisico’s bij het oplaten van wensballonnen is het aangewezen daarvoor geen uitzonderingen toe te staan. De steden en gemeenten kunnen het best inschatten of het wenselijk is dat op hun grondgebied een dergelijke toestemming wordt verleend en, zo ja, op welke plaatsen en tijdstippen, en onder welke voorwaarden dat dan kan gebeuren. Daarom ligt het voor de hand dat de beslissingsmacht over het al dan niet afleveren van een toestemming en het bepalen van de voorwaarden voor het aanvragen en afleveren van die toestemming, bij de steden en gemeenten wordt gelegd. Ook het toezicht op de naleving van die maatregel en de bestraffing van eventuele inbreuken kan het efficiëntst op lokaal niveau georganiseerd worden » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2018-2019, nr. 1924/1, p. 2). Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.
- De Vlaamse Regering voert aan dat de beroepen tot vernietiging niet ontvankelijk zijn bij gebrek aan belang van de verzoekende partijen. B.4.
- De verzoekende partijen in de zaak nr. 7292 en de eerste twee verzoekende partijen in de zaak nr. 7293 zijn allen beroepsmatig actief in de pyrotechnische sector, meer bepaald als professionele ontwerper of afsteker van spektakelvuurwerk, als groothandelaar-importeur of als kleinhandelaar. In die hoedanigheden kunnen zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door het bestreden decreet, dat een principieel verbod invoert op het afsteken van vuurwerk, het laten ontploffen van voetzoekers, het afvuren van carbuurkanonnen en het oplaten van wensballonnen. De omstandigheid dat de gemeenten onder de in artikel 2, tweede lid, van het bestreden decreet bepaalde voorwaarden kunnen afwijken van het voormelde verbod, doet geen afbreuk aan het belang waarop de verzoekende partijen zich beroepen. 15 Nu het belang van de voormelde verzoekende partijen vaststaat, dient niet te worden onderzocht of ook de derde verzoekende partij in de zaak nr. 7293 doet blijken van het rechtens vereiste belang bij haar beroep. B.4.
- De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.5.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7292 en 7293 voeren meerdere middelen aan. Sommige van die middelen betreffen de overeenstemming van het bestreden decreet met de bevoegdheidverdelende regels, andere de bestaanbaarheid van dat decreet met bepalingen van titel II van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met internationale normen en met algemene rechtsbeginselen. B.5.
- Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in de regel dat van de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II en met de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet voorafgaan. B.6.
- Het eerste middel in de zaak nr. 7292 is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels en meer in het bijzonder van
(1)de federale bevoegdheid inzake de openbare veiligheid, brandveiligheid en brandpreventie, zoals die onder meer tot uiting komt in artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1° en 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980),
(2)de federale bevoegdheid inzake de reglementering van springstoffen, zoals die onder meer tot uiting komt in artikel 6, § 1, X, eerste lid, 10° en 13°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980,
(3)de gewestbevoegdheden inzake het leefmilieu en inzake dierenwelzijn, zoals die uiting komen in artikel 6, § 1, II en XI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980,
(4)de federale bevoegdheid 16 inzake de productnormen, zoals die tot uiting komt in artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, en VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, al dan niet in samenhang gelezen met de richtlijn 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 « betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2013/29/EU) en
(5)het beginsel van de federale loyauteit, zoals gewaarborgd door artikel 143, § 1, van de Grondwet, en het evenredigheidsbeginsel. Het tweede middel in de zaak nr. 7293 is eveneens afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels en meer in het bijzonder van de artikelen 39, 134 en 143, § 1, van de Grondwet en artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, in samenhang gelezen met de richtlijn 2013/29/EU, met het evenredigheidsbeginsel en met het beginsel van de Belgische economische en monetaire unie. B.6.
- De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat het bestreden decreet een aangelegenheid regelt die behoort tot de residuaire bevoegdheden van de federale overheid, en meer bepaald tot de federale bevoegdheden inzake de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de brandpreventie, en inzake de springstoffen. Zij zijn daarbij van oordeel dat het bestreden decreet geen bevoegdheidsrechtelijke grondslag kan vinden in de gewestbevoegdheden inzake de bescherming van het leefmilieu en het dierenwelzijn. In ondergeschikte orde voeren zij aan dat het bestreden decreet de federale bevoegdheid inzake het vaststellen van productnormen schendt, evenals de beginselen van de Belgische economische en monetaire unie en van de federale loyauteit. B.7.
- Artikel 39 van de Grondwet bepaalt : « De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid ». 17 Artikel 143, § 1, van de Grondwet bepaalt : « Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht ». B.7.
- Artikel 6, § 1, II, VI, derde lid, VIII, eerste lid, 1° en 8°, X, eerste lid, 10° en 13°, en XI van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « De aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet zijn : […] II. Wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft : 1° De bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder; 2° Het afvalstoffenbeleid; 3° De politie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven onder voorbehoud van de maatregelen van interne politie die betrekking hebben op de arbeidsbescherming; 4° De waterproduktie en watervoorziening, met inbegrip van de technische reglementering inzake de kwaliteit van het drinkwater, de zuivering van het afvalwater en de riolering. 5° De financiële tegemoetkoming naar aanleiding van schade veroorzaakt door algemene rampen. De federale overheid is echter bevoegd voor : 1° Het vaststellen van de produktnormen; 2° De bescherming tegen ioniserende stralingen, met inbegrip van het radioactief afval; […] VI. Wat de economie betreft : […] In economische aangelegenheden oefenen de Gewesten hun bevoegdheden uit met inachtneming van de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen en van de vrijheid van handel en nijverheid, alsook met inachtneming van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, zoals vastgesteld door of krachtens de wet, en door of krachtens de internationale verdragen. 18 […] VIII. Wat de ondergeschikte besturen betreft : 1° de samenstelling, organisatie, bevoegdheid en werking van de provinciale en gemeentelijke instellingen en van de bovengemeentelijke besturen, met uitzondering van : […] - de organisatie van en het beleid inzake de politie, met inbegrip van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet, en de brandweer; […] 8° de verenigingen van provincies, bovengemeentelijke besturen en gemeenten tot nut van het algemeen, met uitzondering van het door de wet georganiseerde specifiek toezicht inzake brandbestrijding; […] X. Wat de openbare werken en het vervoer betreft : […] 10° de regels van politie over het verkeer op waterwegen, met uitsluiting van de regelgeving inzake het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking, het vervoer van radioactieve stoffen en het vervoer van ontplofbare stoffen; […] 13° de reglementering inzake het vervoer van gevaarlijke goederen en uitzonderlijk vervoer over de weg, met uitsluiting van de regelgeving inzake nucleair vervoer, het vervoer van explosieven en het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking; […] XI. Het dierenwelzijn ». B.8.
- Het bestreden decreet voert een principieel verbod in op het afsteken van vuurwerk, het laten ontploffen van voetzoekers, het afvuren van carbuurkanonnen en het oplaten van wensballonnen (artikel 2, eerste lid). Van dat verbod kan worden afgeweken door de gemeenten : voor uitzonderlijke gebeurtenissen kunnen zij vooraf de toestemming verlenen om op een beperkt aantal plaatsen en gedurende een beperkte periode vuurwerk af te steken, voetzoekers te laten ontploffen en carbuurkanonnen af te vuren (artikel 2, tweede lid). Wat het oplaten van wensballonnen betreft, kunnen de gemeenten evenwel niet afwijken van het verbod. 19 Inbreuken op het door het decreet ingevoerde verbod kunnen door de gemeenten worden bestraft met administratieve boetes (artikel 3). B.8.
- Uit de in B.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever met het bestreden decreet het dierenwelzijn heeft willen bevorderen, geluidshinder en zwerfvuil heeft willen tegengaan en woningbranden en lichamelijke verwondingen heeft willen voorkomen. B.
- De Vlaamse Regering is in hoofdorde van oordeel dat het bestreden decreet past in het kader van de aan de gewesten toegewezen bevoegdheden inzake de bescherming van het leefmilieu en inzake het dierenwelzijn. In ondergeschikte orde voert zij aan dat het decreet de aangelegenheid « brandveiligheid en brandpreventie » regelt en dat die aangelegenheid niet tot de exclusieve bevoegdheid van de federale overheid behoort. B.10.
- Op grond van artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd voor de voorkoming en bestrijding van de verschillende vormen van milieuverontreiniging. De decreetgever vindt in het eerste lid, 1°, van die bepaling de algemene bevoegdheid die hem in staat stelt hetgeen betrekking heeft op de bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht, tegen verontreiniging en aantasting, te regelen, evenals maatregelen te nemen ter bestrijding van geluidshinder. Op grond van het eerste lid, 2°, zijn de gewesten eveneens bevoegd voor het afvalstoffenbeleid. B.10.
- De aangelegenheid betreffende het dierenwelzijn (artikel 6, § 1, XI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980) werd aan de gewesten toegewezen bij artikel 24 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 2014). 20 Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat het begrip « dierenwelzijn » ruim dient te worden opgevat en in essentie « de aangelegenheden geregeld door of krachtens de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren » betreft. De federale overheid blijft evenwel bevoegd « voor de normering en de daarop toepasbare controle inzake de dierengezondheid en de kwaliteit van de dierlijke producten met het oog op het verzekeren van de veiligheid van de voedselketen » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2232/1, p. 153). B.10.
- De wet van 28 mei 1956 « betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen » (hierna : de wet van 28 mei 1956) vormt de basiswet inzake de reglementering van de ontplofbare stoffen. De in die wet geregelde aangelegenheid heeft nooit het voorwerp uitgemaakt van een uitdrukkelijke bevoegdheidstoewijzing aan de gemeenschappen of de gewesten, zodat die aangelegenheid in beginsel behoort tot de residuaire bevoegdheden van de federale overheid. B.10.
- Bij de overheveling naar de gewesten van de reglementering inzake het vervoer van gevaarlijke goederen en uitzonderlijk vervoer over de weg en van de regels van politie over het verkeer op waterwegen, heeft de bijzondere wetgever, bij de bijzondere wet van 6 januari 2014, uitdrukkelijk voorzien in een uitzondering op de desbetreffende gewestbevoegdheden voor wat betreft het vervoer van ontplofbare stoffen. Bij de bijzondere wet van 6 januari 2014 werden immers « de regels van politie over het verkeer op waterwegen » en « de reglementering inzake het vervoer van gevaarlijke goederen en uitzonderlijk vervoer over de weg » toegewezen aan de gewesten, zij het met uitsluiting van, onder meer, de regelgeving inzake het vervoer van ontplofbare stoffen (artikel 6, § 1, X, eerste lid, 10° en 13°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, ingevoegd bij artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 2014). 21 Met betrekking tot het vervoer van ontplofbare stoffen over de weg, vermeldt de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 : « Deze bevoegdheidsoverdracht omvat […] niet het vervoer van explosieven, die tot de bevoegdheid van de federale overheid blijven behoren. Ontplofbare stoffen zijn deze die in elk geval opgesomd worden in de volgende klassen van het Europees Verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR), ondertekend te Genève op 30 september 1957 : - Klasse 1; - Klasse 3 : UNO-nummers 1204, 2059, 3343, 3357 en 3064; - Klasse 4.1 : UNO-nummers 1310, 1320, 1321, 1322, 1336, 1337, 1344, 1347, 1348, 1349, 1354, 1355, 1356, 1357, 1517, 1571, 2852, 2907, 2555, 2556, 2557, 3317, 3319 en 3344; - Klasse 5.1 : UNO-nummers 1942, 2067, 2426 en 3375; - Klasse 9 : UNO-nummer
- Het betreft de aangelegenheid die in elk geval in de volgende teksten wordt geregeld : - de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen; - het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen; - het koninklijk besluit van 3 september 1958 houdende reglementering van het vervoer, de berging en de verkoop van ammoniumnitraat en van mengsels daarvan » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2232/1, p. 137). 22 B.10.
- Volgens artikel 1, eerste lid, van de wet van 28 mei 1956 regelt de Koning in het belang van de openbare veiligheid, onder meer, « het […] gebruiken […] van ontplofbare of voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en van daarmede geladen tuigen ». Volgens artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 september 1958 « houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen » worden « voor de toepassing van deze reglementering […] als springstoffen beschouwd de produkten die geschikt zijn om wegens hun ontplofbare, deflagrerende of pyrotechnische eigenschappen gebruikt te worden ». Artikel 2 van dat koninklijk besluit deelt de springstoffen in in klassen en categorieën en voorziet daarbij in een klasse C « Vuurwerk », waartoe het spektakelvuurwerk, het feestvuurwerk, het vuurwerk voor technisch gebruik en het seinvuurwerk behoort. De parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 verwijst eveneens naar het Europees Verdrag van 30 september 1957 « betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) », en onder meer naar de in dat verdrag omschreven klasse 1, waartoe het vuurwerk behoort. B.11.
- De bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de gewesten berust op een stelsel van exclusieve bevoegdheden, dat impliceert dat iedere rechtssituatie in beginsel slechts door één wetgever kan worden geregeld. Indien een regeling, zoals in casu, aanleunt bij meerdere bevoegdheidstoewijzingen, dient het Hof uit te maken waar het zwaartepunt van de geregelde rechtsverhouding ligt. B.11.
- De bevoegdheden die aan de gemeenschappen en de gewesten zijn toegewezen zijn in beginsel bepaald in termen van aangelegenheden en niet in termen van doelstellingen. De doelstelling die met het aannemen van een norm wordt nagestreefd kan aldus in beginsel niet uit zichzelf bepalen of die norm binnen de bevoegdheidssfeer valt van de decreetgever van wie hij uitgaat. B.12.
- Het bestreden decreet voert onder meer een principieel verbod in op het afsteken van vuurwerk, het laten ontploffen van voetzoekers en het afvuren van carbuurkanonnen, waarvan de gemeenten voor uitzonderlijke gebeurtenissen kunnen afwijken. 23 Dat decreet bevat geen enkele norm met betrekking tot de geluidshinder of de luchtverontreiniging die bij het gebruik van de voormelde producten niet mag worden overschreden en beoogt alle vormen van vuurwerk, inclusief het vuurwerk dat bestemd is voor gebruik binnenshuis en dat een geluidsniveau oplevert dat zowel voor mens als dier te verwaarlozen is. Los van het principieel verbod op het gebruik van vuurwerk, voetzoekers en carbuurkanonnen, bevat het bestreden decreet evenmin maatregelen in het kader van de aan de gewesten toegewezen bevoegdheid betreffende het afvalstoffenbeleid. Het zwaartepunt van de geregelde rechtssituatie betreft aldus het gebruik van de desbetreffende producten, die dienen te worden beschouwd als ontplofbare stoffen. Zoals blijkt uit het voorgaande, behoort de regeling van het gebruik van de ontplofbare stoffen tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid. B.12.
- Gelet op het feit dat de reglementering van het gebruik van de ontplofbare stoffen tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort, kan de decreetgever zich te dezen niet beroepen op zijn bevoegdheid om, in het kader van de aan de gewesten toegewezen bevoegdheden, de federale basisnormen inzake de brandveiligheid aan te vullen met specifieke normen. B.
- Door een principieel verbod op het afsteken van vuurwerk, het laten ontploffen van voetzoekers en het afvuren van carbuurkanonnen in te voeren, verbod waarvan de gemeenten onder de in het bestreden decreet omschreven voorwaarden kunnen afwijken, heeft de decreetgever een aangelegenheid geregeld die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. B.14.
- Er moet nog worden onderzocht of voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, dat bepaalt : « De decreten kunnen rechtsbepalingen bevatten in aangelegenheden waarvoor de Parlementen niet bevoegd zijn, voor zover die bepalingen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun bevoegdheid ». 24 Die bepaling staat het Vlaamse Gewest met name toe een decreet aan te nemen dat een federale aangelegenheid regelt op voorwaarde dat die bepaling noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn bevoegdheden, die aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en de weerslag van die bepaling op de federale aangelegenheid slechts marginaal is. B.14.
- Zonder dat het te dezen nodig is te onderzoeken of het bestreden decreet noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest en of de aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling, volstaat het vast te stellen dat de weerslag van dat decreet op de federale aangelegenheid betreffende de reglementering van het gebruik van ontplofbare stoffen niet marginaal is. Het bestreden decreet voert immers een principieel verbod in op het gebruik van vuurwerk, voetzoekers en carbuurkanonnen en regelt aldus op een verregaande wijze het gebruik van die producten. De omstandigheid dat de gemeenten de mogelijkheid hebben, zonder daartoe verplicht te zijn, om voor uitzonderlijke gebeurtenissen afwijkingen van het verbod toe te staan, is niet van dien aard dat de weerslag van het bestreden decreet op de federale aangelegenheid marginaal wordt. B.
- In zoverre het bestreden decreet betrekking heeft op het afsteken van vuurwerk, het laten ontploffen van voetzoekers en het afvuren van carbuurkanonnen, is het niet in overeenstemming met de bevoegdheidverdelende regels. B.16.
- Het bestreden decreet voert niet alleen een principieel verbod in op het afsteken van vuurwerk, het laten ontploffen van voetzoekers en het afvuren van carbuurkanonnen, maar ook een verbod op het oplaten van wensballonnen. Wensballonnen hebben geen explosieve samenstelling en kunnen bijgevolg niet worden gekwalificeerd als ontplofbare stoffen in de zin van de bevoegdheidverdelende regels. B.16.
- Uit de in B.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever met het verbod op het oplaten van wensballonnen meerdere doelstellingen heeft nagestreefd, meer bepaald het voorkomen van woningbranden en lichamelijke verwondingen, het tegengaan van zwerfvuil en het bevorderen van het dierenwelzijn. 25 B.16.
- Het in het bestreden decreet vervatte verbod op het oplaten van wensballonnen is absoluut. In tegenstelling tot wat in artikel 2, tweede lid, van het bestreden decreet voor het afsteken van vuurwerk, het laten ontploffen van voetzoekers en het afvuren van carbuurkanonnen is bepaald, beschikken de gemeenten niet over de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden af te wijken van het verbod op het oplaten van wensballonnen. B.17.
- Volgens artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is de federale overheid bevoegd voor het vaststellen van de productnormen. De gewestregeringen moeten bij de vaststelling van die normen worden betrokken (artikel 6, § 4, 1°, van diezelfde bijzondere wet). Productnormen zijn regels die op dwingende wijze bepalen aan welke eisen een product moet voldoen bij het op de markt brengen, onder meer ter bescherming van het milieu. Zij bepalen met name welk niveau van verontreiniging of hinder niet mag worden overschreden in de samenstelling of bij de emissies van een product, en kunnen specificaties bevatten over de eigenschappen, de beproevingsmethoden, het verpakken, het merken en het etiketteren van producten. B.17.
- In de parlementaire voorbereiding van artikel 6, § 1, II, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 558/1, p. 20; Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1063/7, pp. 37, 38, 39, 42, 43 en 44) is erop gewezen dat als « productnormen » waarvan het vaststellen aan de federale overheid wordt voorbehouden, alleen moeten worden beschouwd voorschriften waaraan producten, onder meer vanuit milieuoogpunt, moeten beantwoorden « bij het op de markt brengen ». Het voorbehouden van de bevoegdheid inzake productnormen aan de federale overheid is immers precies verantwoord door de noodzaak om de Belgische economische en monetaire unie te vrijwaren (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 558/1, p. 20; Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1063/7, p. 37) en om obstakels voor het vrije verkeer van goederen tussen de gewesten uit de weg te ruimen (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 558/5, p. 67). B.17.
- Het bestreden decreet bevat op zich geen eisen waaraan wensballonnen moeten voldoen bij het op de markt brengen en stelt aldus op zich geen productnormen vast. 26 B.18.
- Niettemin dient de decreetgever, zoals is bepaald in artikel 143, § 1, van de Grondwet, bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden de federale loyauteit in acht te nemen. B.18.
- De inachtneming van de federale loyauteit veronderstelt dat, wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, de federale overheid en de deelentiteiten het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet verstoren. De federale loyauteit betreft meer dan de loutere uitoefening van bevoegdheden : zij geeft aan in welke geest dat moet geschieden. Het beginsel van de federale loyauteit verplicht elke wetgever erover te waken dat de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid de uitoefening, door de andere wetgevers, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. B.18.
- Zonder dat het te dezen nodig is te onderzoeken of een algemeen verbod op het gebruik van wensballonnen op het ganse grondgebied van het Vlaamse Gewest ingepast kan worden in een of meer aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de gewesten, volstaat het vast te stellen dat een dergelijk verbod een marktuitsluitend effect sorteert, hetgeen de uitoefening van de bevoegdheid inzake productnormen door de federale wetgever, in de praktijk, onmogelijk maakt. In zoverre het betrekking heeft op het oplaten van wensballonnen schendt het bestreden decreet het door artikel 143, § 1, van de Grondwet gewaarborgde beginsel van de federale loyauteit. B.
- Uit het voorgaande volgt dat het eerste middel in de zaak nr. 7292 en het tweede middel in de zaak nr. 7293 gegrond zijn en dat het bestreden decreet dient te worden vernietigd. B.
- Vermits het onderzoek van de overige door de verzoekende partijen aangevoerde middelen niet zou kunnen leiden tot een ruimere vernietiging, dienen zij niet te worden onderzocht. 27 B.
- Er is geen aanleiding om in te gaan op het verzoek van de Vlaamse Regering om de gevolgen van het vernietigde decreet met toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof te handhaven. De loutere omstandigheid dat meerdere administratieve handelingen werden genomen ter uitvoering van het bestreden decreet kan de handhaving van de gevolgen te dezen niet verantwoorden. 28 Om die redenen, het Hof vernietigt het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2019 « houdende een reglementering op het gebruik van vuurwerk, voetzoekers, carbuurkanonnen en wensballonnen ». Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 december
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.165 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div