id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.001 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210114.5 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210114.4 Arrest- Rolnummer: 1/2021 Invoerdatum: 2021-05-04 Raadplegingen: 729 - laatst gezien 2026-06-20 09:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Tekst van de beslissing Rolnummer 7071 Arrest nr. 1/2021 van 14 januari 2021 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector », gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 27 november 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 5 december 2018, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, in die zin geïnterpreteerd dat de beperking - tot 25 % van de jaarlijkse basisbezoldiging - van de rente die is uitgekeerd ingevolge een arbeidsongeval dat is vergoed in het stelsel van de overheidssector en waarvan het slachtoffer de uitoefening van ambten behoudt, enkel betrekking heeft op de in het kader van de wet van 3 juli 1967 uitgekeerde renten en niet op de in het kader van de wet van 10 april 1971 betaalde renten, indien dat slachtoffer andere renten geniet die uit vroegere arbeidsongevallen voortvloeien, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangezien het twee categorieën van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, verschillend behandelt, namelijk, enerzijds, de slachtoffers van arbeidsongevallen die alle zijn vergoed in het kader van de wet van 3 juli 1967, op wie de beperking tot alle renten en bijslagen wegens verergering die zij genieten, wordt toegepast, en, anderzijds, de slachtoffers van arbeidsongevallen waarvan sommige worden vergoed in het kader van de wet van 10 april 1971, voor wie de beperking van de rente enkel van toepassing zal zijn op de in het kader van de wet van 3 juli 1967 betaalde vergoedingen ? ». Memories zijn ingediend door : - Catherine Devilez, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Massin, advocaat bij de balie te Charleroi; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Slegers en Mr. J. Lebeer, advocaten bij de balie te Brussel. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Slegers en Mr. S. Ben Messaoud, advocaat bij de balie te Brussel, heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 21 oktober 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 12 november 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 12 november 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 2 oktober 1998 is Catherine Devilez het slachtoffer van een ongeval terwijl zij werkt voor een werkgever die onderworpen is aan de toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (hierna : de wet van 10 april 1971). Dat ongeval, dat haar een blijvende arbeidsongeschiktheid berokkent die wordt geraamd op 19 %, geeft haar recht op een lijfrente die haar wordt uitgekeerd door de verzekeringsonderneming van haar werkgever met toepassing van artikel 24 van dezelfde wet. Op 9 september 2008, terwijl zij inmiddels werkt in dienst van de « Office de la Naissance et de l’Enfance » (ONE), instelling van openbaar nut die onderworpen is aan de toepassing van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967), is Catherine Devilez opnieuw het slachtoffer van een arbeidsongeval dat haar ditmaal een blijvende arbeidsongeschiktheid berokkent die wordt geraamd op 12 %. Op 28 november 2013 deelt de ONE Catherine Devilez, die het werk intussen heeft hervat, mee dat, gezien de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid die uit haar ongeval van 1998 voortvloeit, het bedrag van de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid die haar met toepassing van de wet van 3 juli 1967 verschuldigd is, moet worden beperkt tot 6 % opdat de in artikel 6, § 1, van diezelfde wet bedoelde grens van 25 % niet wordt overschreden. Bij een vonnis van 27 juni 2017 zegt de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Dinant, waarbij het geschil door Catherine Devilez aanhangig is gemaakt, voor recht dat het verbod om een rente uit te keren met een waarde die hoger ligt dan 25 % van de bezoldiging op grond waarvan die rente werd berekend, verbod dat uit artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 voortvloeit, enkel betrekking heeft op de in die wet bedoelde rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid en dus niet de met toepassing van de wet van 10 april 1971 verschuldigde lijfrente beoogt. Het Arbeidshof te Luik, afdeling Namen, waarbij het hoger beroep van de ONE aanhangig is gemaakt, merkt op dat, wanneer een slachtoffer van twee arbeidsongevallen wordt vergoed voor elk van die beide ongevallen met toepassing van de wet van 3 juli 1967, de in artikel 6, § 1, van die wet bedoelde grens van 25 % overeenkomstig het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 176/2002 van 5 december 2002 van toepassing moet zijn op de som van de twee renten wegens blijvende arbeidsongeschiktheid die door die persoon zijn ontvangen en niet op elk van de ontvangen renten, afzonderlijk beschouwd. Het Arbeidshof merkt ook op dat, wanneer, zoals te dezen, een van beide ongevallen wordt vergoed door een rente uit te keren met toepassing van de wet van 10 april 1971, die niet in aanmerking kan worden genomen voor de toepassing van de voormelde grens van 25 %, aangezien artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 enkel de in die wet bedoelde rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid beoogt. Het Arbeidshof, dat het verzoek van de ONE inwilligt, beslist dus om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad en Catherine Devilez voeren aan dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. A.
- De Ministerraad merkt eerst op dat, zoals het Hof in zijn arrest nr. 176/2002 van 5 december 2002 beklemtoont, de beperking van het bedrag van de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid waarin artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 voorziet, enkel betrekking heeft op het slachtoffer van een arbeidsongeval dat, terwijl het de uitoefening van zijn ambten heeft hervat of werd aangewezen voor andere ambten die verenigbaar zijn met zijn nieuwe gezondheidstoestand, integraal een bezoldiging behoudt op een niveau dat minstens identiek is aan het niveau van de bezoldiging die het vóór het ongeval ontving. 4 De Ministerraad brengt ook in herinnering dat de wetgevende macht over een grote vrijheid beschikt bij het definiëren van de sociale bescherming die zij wenst te bieden, en dat het niet aan het Hof staat te oordelen over de opportuniteit of het wenselijke karakter van een in de wet vermelde regel. Hij is van mening dat de waarborgen die de wet van 3 juli 1967 aan het slachtoffer van een arbeidsongeval biedt met betrekking tot de uitoefening van zijn ambten en het niveau van zijn bezoldiging, alsook de vastheid van betrekking die de overheidssector kenmerkt, de beperking verantwoorden van het bedrag van de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid die is ingevoerd in de in artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 bedoelde gevallen. De Ministerraad merkt op dat die beperking een tegenwicht vormt voor het voordeel dat uit het integrale behoud van de bezoldiging en bijgevolg uit het beperkte karakter van de geleden schade wordt gehaald. Hij voegt eraan toe dat die beperking niet meer van toepassing is wanneer het desbetreffende personeelslid de rijksdienst verlaat. De Ministerraad zet vervolgens uiteen dat het systeem van schadeloosstelling voor arbeidsongevallen dat bij de wet van 3 juli 1967 is ingevoerd, berust op een logica die verschilt van die van het systeem dat bij de wet van 10 april 1971 is geregeld en dat de vergelijking van beide regelingen niet nuttig is. De Ministerraad preciseert dat het slachtoffer van een arbeidsongeval dat hem een blijvende arbeidsongeschiktheid berokkent, in de private tewerkstellingssector geen vastheid van betrekking geniet die soortgelijk is aan die welke de ambtenaren genieten en dat het niet zeker is dat het eenzelfde niveau van bezoldiging behoudt wanneer het het werk bij zijn werkgever hervat. De vergoeding van zijn verlies aan verdienvermogen, van de grotere inspanningen die het moet leveren om te werken en van het geleden nadeel wordt dus niet beperkt zoals dat met toepassing van artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 geschiedt voor de ambtenaren die het slachtoffer zijn van een bij die wet geregeld arbeidsongeval. A.
- Catherine Devilez brengt eerst in herinnering dat het fundamentele verschil tussen de regeling van schadeloosstelling voor arbeidsongevallen waarin de wet van 10 april 1971 voorziet en de in de wet van 3 juli 1967 bedoelde regeling van schadeloosstelling kan worden verantwoord door de objectieve verschillen tussen de situatie van de werknemers van de privésector en die van de werknemers van de overheidssector, voor zover iedere regel van elke regeling in overeenstemming is met de logica van het systeem waartoe hij behoort. Zij is vervolgens van mening dat het in de prejudiciële vraag opgeworpen verschil in behandeling kan worden verantwoord door overwegingen die soortgelijk zijn aan die welke in het arrest van het Hof nr. 9/2016 van 21 januari 2016 worden uiteengezet. Catherine Devilez beweert ook dat de toepassing van de in artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 bedoelde grens van 25 % op een situatie die soortgelijk is aan de hare, tot gevolg heeft dat het bedrag van de met toepassing van die wet verschuldigde rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid sterk wordt verminderd en dat de specifieke kenmerken van elk van beide voormelde regelingen van schadeloosstelling alsook de verschillen in aard tussen die rente en die welke met toepassing van de wet van 10 april 1971 verschuldigd is, worden genegeerd. Zij is ten slotte van mening dat de toepassing van artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 op een situatie zoals de hare zou leiden tot een discriminatie, in zoverre die erop neer zou komen dat twee categorieën van ambtenaren die in de prejudiciële vraag zijn geïdentificeerd, op dezelfde manier worden behandeld, zonder dat daarvoor een verantwoording bestaat. -B- B.
- Volgens artikel 3, eerste lid, 1°, b), van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 3 juli 1967), gewijzigd bij artikel 13 van de wet van 19 oktober 1998 « tot wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » (hierna : de wet van 5 19 oktober 1998), heeft degene die getroffen is door een arbeidsongeval waarvan de schadeloosstelling wordt geregeld bij de wet van 3 juli 1967, recht op een rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van dat ongeval. Die rente wordt « vastgesteld op grond van de jaarlijkse bezoldiging waarop het slachtoffer recht heeft op het tijdstip dat het ongeval zich heeft voorgedaan » en is « evenredig met het aan het slachtoffer toegekende percentage aan arbeidsongeschiktheid » (artikel 4, § 1, eerste lid, van de wet van 3 juli 1967, vervangen bij artikel 9, 1°, van de wet van 19 oktober 1998). Het bedrag van de jaarlijkse bezoldiging die in aanmerking wordt genomen, mag niet groter zijn dan 24 332,08 euro (artikel 4, § 1, tweede lid, van dezelfde wet). B.
- Artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967, vervangen bij artikel 9 van de wet van 17 mei 2007 « tot wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 » (hierna : de wet van 17 mei 2007), bepaalt : « Zolang het slachtoffer de uitoefening van ambten behoudt, mogen de rente bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, b, en de bijslag bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, c, niet hoger liggen dan 25 % van de bezoldiging op grond waarvan de rente werd vastgesteld ». B.
- Het slachtoffer van een arbeidsongeval dat met toepassing van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (hierna : de wet van 10 april 1971) wordt vergoed, heeft, in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van dat ongeval, recht op een « jaarlijkse vergoeding » (artikel 24, tweede lid, van die wet). Na enkele jaren wordt die vergoeding vervangen door een « lijfrente » (artikel 24, laatste lid, van dezelfde wet). B.
- Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling zou doen ontstaan tussen twee categorieën van slachtoffers van een arbeidsongeval die, vanwege dat ongeval recht hebben op een rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 3, eerste lid, 1°, b), van dezelfde wet, met een waarde die onder de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde grens van 25 % ligt en de uitoefening van hun ambten na het ongeval hebben hervat en die, vóór dat ongeval, reeds het slachtoffer van een ander arbeidsongeval 6 waren geweest : enerzijds, de slachtoffers die vanwege dat vroegere ongeval reeds recht hadden op een rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 3, eerste lid, 1°, b), van de wet van 3 juli 1967 en, anderzijds, die welke wegens de blijvende arbeidsongeschiktheid die ingevolge hun eerste ongeval is vastgesteld, recht hadden op de in artikel 24, laatste lid, van de wet van 10 april 1971 bedoelde lijfrente. Enkel aan de slachtoffers die tot de eerste categorie behoren zou het recht kunnen worden ontzegd om het geheel van de rente te ontvangen die ertoe strekt een schadeloosstelling toe te kennen voor het tweede arbeidsongeval, om reden dat de som van het bedrag van die rente en van het bedrag van de rente die reeds is ontvangen op grond van het eerste arbeidsongeval, de bij artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 vastgestelde grens van 25 % zou overschrijden. B.5.
- Vóór de vervanging ervan bij artikel 9 van de wet van 17 mei 2007 bepaalde artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 : « Zolang het slachtoffer de uitoefening van ambten behoudt, mag de rente niet hoger liggen dan 25 pct. van de bezoldiging op grond waarvan zij is vastgesteld ». B.5.
- Bij zijn arrest nr. 176/2002 van 5 december 2002 heeft het Hof geoordeeld dat die bepaling in die zin moest worden geïnterpreteerd dat zij niet alleen het bedrag beperkt van elke krachtens de wet van 3 juli 1967 verschuldigde rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid, afzonderlijk beschouwd, maar ook het bedrag dat voortvloeit uit de samenvoeging van dergelijke rentes die zijn uitgekeerd aan een persoon die het slachtoffer van meerdere arbeidsongevallen zou zijn geweest. Het heeft eveneens geoordeeld dat artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967, in die zin geïnterpreteerd dat het enkel van toepassing is op elke rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid afzonderlijk beschouwd, onbestaanbaar was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.5.
- Bijgevolg dient krachtens artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 het bedrag van die rente, ook al ligt het niet hoger dan « 25 % van de bezoldiging » op grond waarvan die rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid werd berekend met toepassing van artikel 4 van de wet van 3 juli 1967, te worden verminderd indien de som van dat bedrag en van het bedrag van een andere soortgelijke rente die door dezelfde persoon ingevolge een ander arbeidsongeval is ontvangen, het voormelde maximum overschrijdt. 7 B.
- Aangezien artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967, uitsluitend de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid beoogt die met toepassing van artikel 3, eerste lid, 1°, b), van die wet verschuldigde is, maakt de in het geding zijnde bepaling het niet mogelijk om het bedrag van een dergelijke rente te verminderen wanneer de som van het bedrag van die rente en van een lijfrente die de begunstigde ervan ontvangt met toepassing van artikel 24, laatste lid, van de wet van 10 april 1971, de bij de in het geding zijnde bepaling ingevoerde grens van 25 % overschrijdt. B.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.8.
- In zoverre zij de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen regelt, heeft de wet van 3 juli 1967 tot doel aan het slachtoffer van een arbeidsongeval een « vergoeding [te] verzekeren welke aangepast is aan het nadeel opgelopen tengevolge van een [arbeidsongeval] » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 1023/1, pp. 3-4; Parl. Hand., Kamer, 21 maart 1967, p. 30; Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 242, p. 3). B.8.
- De in artikel 3, eerste lid, 1°, b), van de wet van 3 juli 1967 bedoelde rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid strekt ertoe de schade te herstellen die het slachtoffer van het arbeidsongeval lijdt wegens onder meer de vermindering van zijn economische waarde op de algemene arbeidsmarkt (Cass., 24 maart 1986, A.R. 5052; Cass., 12 december 1988, A.R. 8421; Cass., 1 juni 1993, A.R. 6367; Cass., 17 maart 1997, S.95.0144.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970317.6). 8 B.8.
- Die rente maakt een « eigen vergoedingswijze [uit] van de door het ongeval […] veroorzaakte schade » en de uitbetaling ervan is onafhankelijk van de uitbetaling van de bezoldiging van het slachtoffer van dat ongeval (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 1023/1, p. 5; Parl. St., Kamer, 1966-1967, nr. 339/6, p. 7; Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 242, pp. 6-7). Het slachtoffer van een arbeidsongeval kan dus in beginsel tegelijk zijn bezoldiging en de met toepassing van artikel 3, eerste lid, 1°, b), van de wet van 3 juli 1967 verschuldigde rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid ontvangen (artikel 5 van die wet, vervangen bij artikel 9 van de wet van 17 mei 2007). B.
- De beperking van het bedrag van de rente die bij artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 is ingevoerd, wordt in de eerste plaats gemotiveerd door de omstandigheid dat, wanneer het slachtoffer de uitoefening van de ambten die op het ogenblik van het ongeval aan het slachtoffer waren toegewezen, kan voortzetten, het verlies dat uit dat ongeval voortvloeit, « beperkt [is] door het feit dat het slachtoffer zijn ambt verder kan blijven vervullen en bijgevolg geniet van de hieraan verbonden geldelijke voordelen » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 1023/1, p. 5). Die « redelijk » geachte grens wordt ook gemotiveerd door het recht dat bij artikel 6, § 2, van dezelfde wet aan het slachtoffer wordt toegekend om na het ongeval een bezoldiging van hetzelfde niveau te behouden, wanneer het slachtoffer, wegens het ongeval, ongeschikt is geworden om de ambten die het uitoefende, uit te oefenen, werd aangewezen om andere ambten uit te oefenen die verenigbaar zijn met zijn nieuwe gezondheidstoestand waarmee normaliter een lagere bezoldiging overeenstemt dan die waarop het op het ogenblik van het ongeval recht had (Parl. St., Kamer, 1966-1967, nr. 339/6, p. 8; Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 314, p. 23). B.
- Bij zijn arrest nr. 176/2002 heeft het Hof geoordeeld dat die overwegingen verantwoorden dat het bedrag van een rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid, waarvan de waarde lager is dan 25 % van de bezoldiging op grond waarvan zij wordt vastgesteld, wordt verminderd in de in artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 beschreven omstandigheden, wanneer de som van die rente en van een andere soortgelijke rente die de begunstigde ervan ontvangt, de bij die bepaling ingevoerde grens van 25 % overschrijdt. 9 In geval van opeenvolgende ongevallen waarvoor een schadeloosstelling is toegekend via verschillende rentes op grond van verschillende bezoldigingen, dient die grens te worden bepaald op grond van de hoogste bezoldiging, op voorwaarde dat die het wettelijk maximum niet overschrijdt. B.
- Zoals de in de wet van 3 juli 1967 bedoelde rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid strekt de lijfrente die met toepassing van artikel 24, laatste lid, van de wet van 10 april 1971 in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid wordt toegekend, ertoe de schade te herstellen die het slachtoffer van het arbeidsongeval lijdt wegens de vermindering van zijn economische waarde op de algemene arbeidsmarkt (Cass., 10 maart 1980, Arr. Cass., 1979-1980, II, nr. 430; Cass., 15 december 2014, S.12.0097.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141215.2; Cass., 9 maart 2015, S.14.0009.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150309.2). B.
- Rekening houdend met de overwegingen die aan de oorsprong van artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 liggen, is het dus niet redelijk verantwoord om het bedrag van een rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid die met toepassing van die wet is toegekend, te verminderen om reden dat de som van die rente en van een andere soortgelijke rente de grens van 25 % waarin die bepaling voorziet, overschrijdt, en het bedrag van een rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid die met toepassing van de wet van 3 juli 1967 is toegekend en waarvan het bedrag onder die grens van 25 % ligt, niet te verminderen wanneer de som van die laatste rente en van een lijfrente die door dezelfde persoon met toepassing van artikel 24, laatste lid, van de wet van 10 april 1971 is ontvangen, die grens overschrijdt. Het verschil in behandeling tussen de twee in B.4 beschreven categorieën van personen is bijgevolg zonder redelijke verantwoording. B.
- In die mate is artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 6, § 1, van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het het bedrag van een rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid die met toepassing van die wet is toegekend niet vermindert wanneer het bedrag onder de grens van 25 % waarin die bepaling voorziet, ligt en de som van die rente en van een lijfrente die door dezelfde persoon met toepassing van artikel 24, laatste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 is ontvangen, die grens overschrijdt, terwijl het het bedrag van een rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid die met toepassing van de wet van 3 juli 1967 is toegekend, vermindert om reden dat de som van die rente en van een andere soortelijke rente de grens van 25 % overschrijdt. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 januari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.001 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970317.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141215.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150309.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div