← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.004 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210114.8 Arrest- Rolnummer: 4/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-02-28 Raadplegingen: 433 - laatst gezien 2026-06-20 09:24 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 115 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek », ingesteld door Luc Lamine, door Alphonsius Mariën en door Serge Artunoff en anderen. Strafrecht - Racisme en xenofobie - Ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van misdaden van genocide, misdaden tegen de mensheid of oorlogsmisdaden - Toepassingsgebeid - Misdaden die als dusdanig zijn vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht. Wettelijke bepalingen: Wet - 05-05-2019 - 115 - 10 ELI link Pub nr 2019030435 Tekst van de beslissing Rolnummers 7229, 7278, 7283, 7302, 7303 en 7308 Arrest nr. 4/2021 van 14 januari 2021 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 115 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek », ingesteld door Luc Lamine, door Alphonsius Mariën en door Serge Artunoff en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter A. Alen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 juli 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 juli 2019, heeft Luc Lamine beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 115 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 mei 2019). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 november 2019, heeft Alphonsius Mariën beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wetsbepaling. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 november 2019, heeft Luc Lamine beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wetsbepaling. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 november 2019, heeft Luc Lamine beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van dezelfde wetsbepaling. e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 november 2019, heeft Luc Lamine beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van dezelfde wetsbepaling. f. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 november 2019, is beroep tot vernietiging van dezelfde wetsbepaling ingesteld door Serge Artunoff, Yalim Bogoz, Cengiz Demirci, Taniyel Dikranian, Yahni Harutyun, Mariam Nersessian, Kirikur Okmen, Peter Petrossian, Serco Proudian, Noebar Sipaan, Karen Tadevosyan, Roza Tadevosyan en Nicolas Tavitian, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Van Nuffel, advocaat bij de balie te Brussel. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7229, 7278, 7283, 7302, 7303 en 7308 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme (UNIA), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Kaiser, Mr. M. Verdussen en Mr. C. Jadot, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij in de zaak nr. 7308); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Vanpraet, Mr. B. Van den Berghe en Mr. R. Veranneman, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen (in alle zaken). De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7283, 7302, 7303 en 7308 hebben memories van antwoord ingediend. 3 Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme (UNIA); - de Ministerraad (in de zaken nrs. 7283, 7302, 7303 en 7308). Bij beschikking van 15 juli 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, dat, in geval van een dergelijk verzoek, de zaken zullen worden behandeld op de terechtzitting van 24 september 2020, op het tijdstip dat later door de voorzitter zal worden bepaald, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 september 2020 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7308 om te worden gehoord, heeft de voorzitter bij beschikking van 31 augustus 2020 het tijdstip van de terechtzitting van 24 september 2020 bepaald op 16.00 uur. Op de openbare terechtzitting van 24 september 2020 : - zijn verschenen : . Mr. E. Van Nuffel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 7308; . Mr. C. Jadot, tevens loco Mr. M. Kaiser en Mr. M. Verdussen, voor het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme (UNIA); . Mr. J. Vanpraet, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 4 II. In rechte -A- Wat de zaken nrs. 7229, 7283, 7302 en 7303 betreft Ten aanzien van het belang A.1.1. Ter staving van haar belang verwijst de verzoekende partij in de zaken nrs. 7229, 7283, 7302 en 7303 naar de rechtspraak van het Hof waaruit volgt dat bepalingen die in een vrijheidsberovende straf voorzien, een dermate essentieel aspect van de vrijheid van de burger raken dat zij niet slechts die personen aanbelangen die het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke procedure. Vermits de bestreden bepaling in een vrijheidsberovende straf voorziet, zou zij beschikken over het rechtens vereiste belang bij de vernietiging daarvan. A.1.2. In de verzoekschriften in de zaken nrs. 7229 en 7302 voegt de verzoekende partij daaraan toe dat zij een eigen mening heeft over de Rwandese genocide en de kans wil hebben « deze genuanceerde mening, wanneer daartoe in een zeer bijzonder geval aanleiding zou kunnen zijn, te uiten zonder strafbaar te zijn op grond van de bestreden bepaling ». Zij verwijst ter zake naar commentaren die zij op haar facebook-pagina evenals op verscheidene websites heeft gepost bij bepaalde publicaties. A.2.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partij. A.2.2. De loutere omstandigheid dat de bestreden bepaling voorziet in een vrijheidsberovende straf, zou niet volstaan om te doen blijken van het rechtens vereiste belang. De verzoekende partij dient in concreto aan te tonen dat zij gevat wordt of dreigt te worden door de strafbaarstelling, hetgeen te dezen niet is aangetoond. Zij zou daarenboven volstrekt ongeloofwaardig zijn waar zij ter staving van haar belang aanvoert dat de bestreden bepaling, door in een vrijheidsberovende straf te voorzien, raakt aan een essentieel aspect van haar vrijheid als burger, terwijl uit de ontwikkeling van de middelen blijkt dat zij betoogt dat het toepassingsgebied van de strafbaarstelling en de vrijheidsberovende straf moet worden uitgebreid. A.2.3. Ten aanzien van het beroep in de zaak nr. 7303 merkt de Ministerraad op dat het enige middel in die zaak geen betrekking heeft op de vrijheidsberovende straf waarin de bestreden bepaling voorziet. De verzoekende partij bekritiseert louter dat de geldboete die kan worden opgelegd naar aanleiding van een inbreuk op de bestreden bepaling niet gekoppeld is aan de economische draagkracht van de persoon ten aanzien van wie zij eventueel wordt uitgesproken. De verzoekende partij zou niet aantonen hoe zij hierdoor persoonlijk, rechtstreeks en ongunstig zou worden geraakt. A.3. De verzoekende partij antwoordt dat het een negatie zou zijn van de opdracht van het Hof indien de beroepen niet-ontvankelijk zouden worden verklaard vanwege het feit dat de verzoekende partij het toepassingsgebied van de bestreden bepaling verruimd wil zien. Wat de zaak nr. 7303 betreft, benadrukt de verzoekende partij dat de geviseerde geldboete onlosmakelijk verbonden is met de vrijheidsstraf, zodat de bestreden bepaling - wegens de ongrondwettigheid van de geldboete - in haar geheel moet worden vernietigd. Gelet op de commentaren die de verzoekende partij op haar facebook-pagina evenals op verscheidene websites heeft gepost bij bepaalde publicaties, zou zij rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door de bestreden bepaling. Het loutere feit dat nog klachten moeten worden ingediend of vervolgingen moeten worden opgestart, neemt niet weg dat de bestreden norm haar situatie rechtstreeks en ongunstig kan raken vanaf de bekendmaking daarvan. 5 Wat de zaak nr. 7308 betreft Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.4. Ter staving van hun belang stellen de verzoekende partijen dat zij allen van Armeense afkomst zijn en afstammelingen van slachtoffers van de genocide die de Armeense bevolking in het Ottomaanse rijk heeft ondergaan tijdens de Eerste Wereldoorlog. De ontkenning en minimalisering van de misdaden ten aanzien van de Armeense bevolking doet afbreuk aan de identiteit van de Armeense gemeenschap en raakt eenieder van haar leden. Een misdaad tegen de mensheid, en in het bijzonder een misdaad van genocide, vertrekt steeds vanuit de verwerping van de andere. De ontkenning of de minimalisering van die misdaad zet datzelfde doel voort. De verzoekende partijen hebben er aldus een moreel belang bij dat de wet de vervolging mogelijk maakt van diegenen die de Armeense genocide ontkennen of minimaliseren, teneinde hen te beschermen tegen dergelijk haatdiscours. Vermits de bestreden bepaling dat niet mogelijk maakt, hebben de verzoekende partijen belang bij de vernietiging ervan. Voorts beroepen de verzoekende partijen zich op hun hoedanigheid van deelnemers aan de acties en de beslissingen van het Comité van Armeniërs van België. In die hoedanigheid zetten zij zich persoonlijk in voor de erkenning van de Armeense genocide en voor de bestraffing van haar ontkenning voor politieke doeleinden. A.5. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen. Zij zouden niet in concreto aantonen op welke wijze zij worden geraakt door de bestreden bepaling. Het loutere feit dat zij morele bezwaren hebben tegen de bestreden bepaling of dat zij deelnemen in de acties en aan de beslissingen van het Comité van Armeniërs van België, zou niet volstaan. De Ministerraad herinnert er daarbij aan dat verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals het voormelde comité, niet beschikken over de vereiste hoedanigheid om voor het Hof in rechte te treden. Ten aanzien van het belang van de tussenkomende partijen A.6. Het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme (hierna : UNIA) stelt, ter staving van zijn belang, dat onderhavige tussenkomst betrekking heeft op de toepassing van artikel 20, 5°, van de wet van 30 juli 1981 « tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden ». Op grond van artikel 6, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 « tussen de federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 » mag UNIA in rechte treden in alle geschillen waartoe de toepassing van die wet aanleiding kan geven. Vermits de Armeense genocide wordt uitgesloten van de strijd tegen negationisme, kan de bestreden bepaling het bij wet toegekende doel van UNIA rechtstreeks en nadelig raken. Het recht op gelijke bescherming van de menselijke waardigheid van de slachtoffers van genocide en van hun afstammelingen wordt rechtstreeks geraakt door de bestreden bepaling, die de Armeense genocide uitsluit. A.7. De Ministerraad betwist het belang van UNIA om tussen te komen. Op grond van het samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 mag UNIA slechts in rechte treden ter bestrijding van discriminaties die op welbepaalde gronden steunen. Het bij de bestreden bepaling gecreëerde verschil in behandeling steunt evenwel niet op één van de in het samenwerkingsakkoord vermelde discriminatiegronden, doch wel op het al dan niet bestaan van een eindbeslissing van een internationaal gerecht. Het onderwerp van het beroep valt dus buiten het maatschappelijk doel van UNIA, zodat zij niet rechtsgeldig kan tussenkomen. Daarenboven betreft de bevoegdheid van UNIA om krachtens artikel 6 van het samenwerkingsakkoord in rechte te treden voor geschillen inzake de wet van 30 juli 1981, enkel de geschillen inzake die wet zoals zij bestond op het ogenblik van het aannemen van het samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013. Die bevoegdheid strekt zich aldus niet uit tot latere amendementen, zoals die welke werden aangebracht bij de bestreden wet. Die bevoegdheid is daarenboven beperkt tot vorderingen inzake « de toepassing » van die wet, en omvat niet de bevoegdheid om in rechte te treden tegen een wijziging van die wet. 6 Ten gronde A.8. In hun enig middel voeren de verzoekende partijen een schending aan van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet en van de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de bestreden bepaling enkel van toepassing is op een misdaad die is vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht. Die beperking van het toepassingsgebied van de bestreden bepaling op basis van het criterium « vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht » heeft tot gevolg dat de Armeense genocide wordt uitgesloten van de geboden bescherming. De bestreden bepaling is aldus in tegenspraak met de erkenning van de Armeense genocide door België, bij een resolutie van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 23 juli 2015 en bij een resolutie van de Senaat van 26 maart 1998. Vermits de wetgever - zij het bij een politieke handeling - de Armeense genocide had erkend, vermocht hij niet zonder verantwoording gebruik te maken van de mogelijkheid die wordt geboden door artikel 1, lid 4, van het kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 « betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het stafrecht » (hierna : het kaderbesluit 2008/913/JBZ) om de strafbaarstelling van de ontkenning en de minimalisering te beperken tot misdaden vastgesteld door een internationaal gerecht. Het gehanteerde criterium van onderscheid is niet pertinent, noch redelijk verantwoord. Zo is de verwijzing door de wetgever naar het beginsel van niet-retroactiviteit niet pertinent. De wetgever verwart aldus de handeling die hij wenst te bestraffen (de ontkenning, de minimalisering, de vergoelijking) en het onderwerp daarvan (de misdaad van genocide, de misdaad tegen de mensheid, de oorlogsmisdaad). In zoverre de wetgever verwijst naar de verplichtingen die voortvloeien uit het kaderbesluit 2008/913/JBZ, merken de verzoekende partijen op dat, inzake grondrechten, internationale normen slechts minimumvoorschriften bevatten en dat de lidstaten steeds meer bescherming mogen bieden. Voorts biedt artikel 1, lid 4, van het voormelde kaderbesluit de lidstaten enkel de mogelijkheid om de strafbaarstelling te beperken tot misdaden die zijn vastgesteld door een internationaal gerecht, zonder hen daartoe te verplichten. De laattijdige omzetting van dat kaderbesluit biedt evenmin een verantwoording, nu de termijn daarvoor reeds op 28 november 2010 is verstreken en de laattijdigheid enkel aan de wetgever zelf te wijten is. De tijd die is verstreken sedert de feiten kan evenmin verantwoorden dat zij worden uitgesloten van de geboden bescherming. In het internationaal recht wordt immers aanvaard dat een rechter een feit als bewezen beschouwt indien de aangevoerde feiten toelaten om ze « buiten redelijke twijfel » vast te stellen. De Armeense genocide is aldus buiten redelijke twijfel vastgesteld. Het criterium « vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht » is evenmin nodig om de voorzienbaarheid van de strafbaarstelling te waarborgen. Aldus volgt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake de strafbaarstelling van de ontkenning van misdaden tegen de mensheid dat het bestaan van die misdaden kan worden vastgesteld aan de hand van het begrip « duidelijk vastgesteld feit », hetgeen bijvoorbeeld kan voortvloeien uit de consensus tussen historici. De verzoekende partijen wijzen er ter zake op dat een historicus en een rechter dezelfde methodes gebruiken om de onderzochte feiten vast te stellen : in beide gevallen doet de confrontatie van feiten de waarheid naar boven komen. De beperking tot misdaden die zijn vastgesteld door een internationaal gerecht lijkt dan ook een doel na te streven dat vreemd is aan het doel van de wet om racisme en xenofobie te bestrijden. Die beperking waarborgt de eerbiediging van in kracht van gewijsde gegane beslissingen en beschermt aldus niet zozeer de feiten zelf, doch wel de kwalificatie die daaraan is gegeven door een internationaal gerecht. Daarenboven zou het verschil in behandeling naargelang de misdaad al dan niet is vastgesteld door een internationaal gerecht, niet evenredig zijn. De uitsluiting van een misdaad die niet is vastgesteld door een internationaal gerecht, heeft immers tot gevolg dat het ontkennen van die misdaad niet meer wordt bestraft en dat het slachtoffer van de misdaad de vervalser lijkt. De feiten van de Armeense genocide zouden bovendien gelijkaardig of zelfs identiek zijn aan feiten die later in de vorige eeuw zijn begaan en die wel het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing van een internationaal gerecht. Het is daarbij veelzeggend dat de holocaust wordt beschouwd als een herhaling van de Armeense genocide. De beperking tot misdaden « vastgesteld door een internationaal gerecht » is tot slot niet nodig ter bescherming van de vrijheid van meningsuiting. De bestreden bepaling bestraft immers niet als dusdanig de ontkenning van de misdaad als historisch feit, doch wel het haatdragend karakter van uitlatingen die aanzetten tot haat of geweld ten aanzien van een bepaalde groep. Het feit dat de ontkende misdaad al dan niet werd vastgesteld door een internationaal gerecht is bijgevolg irrelevant. Een misdaad tegen de mensheid kan ook op andere gronden met zekerheid worden vastgesteld, zonder dat de rechter bij wie de strafbare ontkenning van die misdaad aanhangig is gemaakt zich nog moet uitspreken over het bestaan van die misdaad. 7 A.9. De tussenkomende partij ondersteunt de grieven van de verzoekende partijen. Zij verwijst er daarenboven op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State bij de bestreden wet heeft benadrukt dat artikel 1, lid 4, van het kaderbesluit 2008/913/JBZ enkel toelaat het « ontkennen » en « verregaand bagatelliseren » van de bedoelde misdaden alleen strafbaar te stellen indien ze het voorwerp zijn van een eindbeslissing van een internationaal gerecht. Het is krachtens die bepaling evenwel niet toegestaan de strafbaarstelling aldus te beperken inzake het « vergoelijken » van die misdrijven, wat in de bestreden bepaling overeenstemt met het « pogen te rechtvaardigen of goedkeuren ». De wetgever heeft ter zake geantwoord dat hij voor alle negationistische gedragingen dezelfde constitutionele bestanddelen wou vaststellen, dit teneinde geen discriminatie te creëren tussen strafbare gedragingen. Om het door de Raad van State opgeworpen probleem te verhelpen, had de wetgever de bescherming van de slachtoffers evenwel naar boven moeten nivelleren, en niet naar beneden. De tussenkomende partij merkt voorts op dat de wetgever zichzelf tegenspreekt, waar hij ter verantwoording van het bestreden criterium enerzijds aanvoert te willen vermijden dat de rechter zich inmengt in het academische debat over de pertinentie van de ene of de andere juridische kwalificatie, en anderzijds benadrukt dat hij de ontkenning van feiten veeleer dan van kwalificaties wil bestraffen. De wetgever heeft aldus zelf belang gehecht aan de feiten en niet aan de kwalificatie daarvan. Wat de Armeense genocide betreft, staan die feiten onbetwistbaar vast. Om te vermijden dat de rechter zich moet uitspreken over de juridische kwalificatie, had de wetgever bovendien kunnen opteren voor andere criteria die meer bescherming zouden bieden aan de slachtoffers van een genocide. In zoverre de wetgever de verstreken tijd sedert de betrokken misdaad aanvoert, miskent hij het internationale beginsel van de niet-verjaarbaarheid van die misdaden, gelet op hun antidemocratische, haatdragende en xenofobe aard. Zij voegt daar nog aan toe dat het onderscheid tussen de misdaden erkend door een internationaal gerecht en de niet-erkende misdaden niet pertinent en gepast is ten aanzien van het doel om racistische, haatdragende en xenofobe uitlatingen te bestrijden. De internationale strafgerechten verzekeren niet noodzakelijk de vaststelling van de internationale verantwoordelijkheid voor feiten die overeenstemmen met een misdaad tegen de mensheid. Hun beslissingen dreigen een gefragmenteerd beeld te geven van de werkelijkheid. Zo is het Internationaal Strafhof enkel bevoegd voor feiten die betrekking hebben op Staten die zijn statuut hebben geratificeerd en is de oprichting van een rechtbank ad hoc afhankelijk van de politieke wil. Voorts hangt de kwalificatie van feiten als een misdaad van genocide of een misdaad tegen de mensheid niet louter af van de internationale rechtbanken. Teneinde conform en volledig te zijn, zou het criterium van de vaststelling van de feiten door een internationaal gerecht moeten worden aangevuld met andere criteria. De tussenkomende partij stelt voorts dat het aantal meldingen dat zij ontvangt inzake de ontkenning van genocides, andere dan de genocide gepleegd door het Duitse nationaalsocialistische regime, aanzienlijk hoger is voor de Armeense genocide dan voor andere genocides die thans wel door de bestreden bepaling worden beschermd. Rekening houdende met die realiteit in België van racisme en xenofobie ten aanzien Armeniërs, is het bestreden criterium niet pertinent ten aanzien van het nagestreefde doel. Voorts verzet de ernstige aard van een misdaad van genocide en de ontkenning daarvan zich tegen beperkingen zoals de vereiste van de vaststelling daarvan door een gerechtelijke beslissing. Wat de evenredigheid van het verschil in behandeling betreft, merkt de tussenkomende partij op dat het enkele feit dat de Armeense genocide niet juridisch erkend is, leidt tot een volledige afwezigheid van bescherming van de waardigheid van de Armeense identiteit, van het zelfvertrouwen van haar leden en van de herinnering van die genocide. Er bestaat evenwel geen dermate groot verschil tussen de materiële werkelijkheid en het lijden van de slachtoffers van, enerzijds, de Armeense genocide en, anderzijds, de andere genocides, dat een dergelijk belangrijk verschil in behandeling kan verantwoorden. A.10.1. De Ministerraad stelt dat het tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever behoort om de negationistische gedragingen die hij het meest verwerpelijk acht, strafbaar te stellen. Hij vermocht de strafbaarstelling te beperken tot een misdaad van genocide, een misdaad tegen de mensheid of een oorlogsmisdaad die als dusdanig werd vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht. De bestreden bepaling is aldus in overeenstemming met het kaderbesluit 2008/913/JBZ en het Aanvullend Protocol van 28 januari 2003, die zij beoogt om te zetten. 8 A.10.2. Wat de aangevoerde schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie betreft, antwoordt de Ministerraad dat het niet onredelijk is dat de wetgever als constitutief bestanddeel van het misdrijf vereist dat de feiten zijn vastgesteld door een internationaal gerecht. Dit is een objectief criterium, hetgeen niet wordt betwist door de verzoekende partijen. Dat criterium is bovendien pertinent en redelijk verantwoord in het licht van de nagestreefde doelstelling om een evenwicht te vinden tussen het tegengaan van negationistische gedragingen enerzijds en het niet meer dan nodig beperken van de vrijheid van meningsuiting anderzijds. Door de strafbaarstelling te beperken tot feiten die bewezen werden verklaard door een onafhankelijk en onpartijdig internationaal gerecht en ten aanzien waarvan dus de juridische zekerheid bestaat dat zij effectief hebben plaatsgevonden, heeft de wetgever voorzien in een uitzonderlijke en welomschreven inperking van de vrijheid van meningsuiting. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vereist niet dat ook rekening wordt gehouden met parlementaire resoluties of regeringsstandpunten, die immers niet kunnen worden vergeleken met eindbeslissingen van een internationaal gerecht die tot stand komen na een uitvoerig en op tegenspraak gevoerd onderzoek dat gepaard gaat met de nodige procedurele waarborgen. De vereiste van een eindbeslissing van een internationaal gerecht draagt er bovendien toe bij dat duidelijk en voorzienbaar is in welke gevallen negationisme strafbaar is. Artikel 1, lid 4, van het kaderbesluit 2008/913/JBZ biedt de lidstaten daarenboven uitdrukkelijk de mogelijkheid om de strafbaarstelling in die zin te beperken. Het feit dat de wetgever meer bescherming vermag te bieden dan de internationale minimumnormen, impliceert geenszins dat hij daartoe gehouden is. Dit geldt des te meer indien hij een evenwicht moet vinden tussen twee grondrechten. Door de vereiste van een eindbeslissing van een internationaal gerecht heeft de wetgever willen verhinderen dat de strafrechter zich zou moeten uitspreken over de feiten die het voorwerp zouden kunnen uitmaken van genocide, misdaden tegen de mensheid of oorlogsmisdaden. Voorts wordt door die vereiste onzekerheid vermeden over de toepassing in de tijd van de strafbepaling. Zonder de vereiste dat de feiten zijn vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht, zou een persoon immers kunnen worden vervolgd voor het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van feiten, waarbij de Belgische strafrechter vervolgens moet beoordelen of die feiten een misdaad van genocide, een misdaad tegen de mensheid of een oorlogsmisdaad uitmaken. Aldus zou niet worden voldaan aan de vereiste van de voorzienbaarheid van de strafbaarstelling. In zoverre de verzoekende partijen tot slot aanvoeren dat het volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volstaat dat het voorwerp van de negationistische gedraging « duidelijk is vastgesteld » opdat die gedraging onder het nationaal recht kan worden bestraft, wijst de Ministerraad erop dat dit geen afbreuk doet aan de appreciatiemarge waarover een lidstaat beschikt om de strafbaarstelling te regelen. Uit de omstandigheid dat een lidstaat iets mag doen krachtens het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, kan niet worden afgeleid dat hij verplicht is dit te doen. A.10.3. Wat betreft de aangevoerde schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, antwoordt de Ministerraad dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voortvloeit dat er geen enkele verplichting bestaat voor de lidstaten om negationisme te bestraffen. Die verplichting vloeit enkel voort uit het Aanvullend Protocol van 28 januari 2003 en het kaderbesluit 2008/913/JBZ. Door de strafbaarstelling van negationistische uitingen te beperken tot feiten die zijn vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht, heeft de wetgever dan ook geen afbreuk gedaan aan het recht op bescherming van het privéleven zoals gewaarborgd bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.10.4. De Ministerraad stelt voorts dat de grief van de tussenkomende partij inzake een vermeende schending van artikel 1, lid 4, van het kaderbesluit 2008/913/JBZ door de bestreden bepaling niet-ontvankelijk is. Het Hof vermag immers niet te toetsen aan een Europese bepaling. Daarenboven betreft het een nieuwe grief, die niet voor het eerst in een memorie van tussenkomst kan worden opgeworpen. In ieder geval is die grief niet gegrond. Zoals ook blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet, wou de wetgever geen onderscheid maken tussen de strafbare gedragingen en geldt het bestreden criterium om die reden voor alle negationistische gedragingen. Voorts zou de tussenkomende partij verkeerdelijk stellen dat de bestreden bepaling leidt tot een volledige afwezigheid van bescherming van de waardigheid van de Armeense identiteit. Niets verhindert dat negationistische gedragingen in voorkomend geval worden gestraft op grond van de overige bepalingen van artikel 20 van de wet van 30 juli 1981, indien de voorwaarden daarvoor vervuld zijn. 9 -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling B.1.1. Het bestreden artikel 115 van de wet van 5 mei 2019 « houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek » heeft artikel 20 van de wet van 30 juli 1981 « tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden » aangevuld met een bepaling onder 5°, die luidt : « Met gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van vijftig euro tot duizend euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft : […] 5° hij die in een van de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden, feiten overeenstemmend met een misdaad van genocide, een misdaad tegen de mensheid of een oorlogsmisdaad zoals bedoeld in artikel 136quater van het Strafwetboek, en als dusdanig vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht, ontkent, schromelijk minimaliseert, poogt te rechtvaardigen of goedkeurt, wetende of verondersteld zijnde te weten dat dit gedrag hetzij een persoon, hetzij een groep, een gemeenschap of leden ervan zou kunnen blootstellen aan discriminatie, haat of geweld wegens een van de beschermde criteria of godsdienst, in de zin van artikel 1, lid 3, van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht, en dit, zelfs buiten de in artikel 5 bedoelde domeinen ». B.1.2. Met de bestreden bepaling beoogde de wetgever « enerzijds de omzetting in nationaal recht van de verplichtingen inzake de bestraffing van het negationisme, als omschreven in kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van de Europese Unie betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht. Anderzijds wordt de uitvoering beoogd van het aanvullend Protocol van de Raad van Europa van 28 januari 2003 bij het Europees Verdrag betreffende de computercriminaliteit van 23 november 2001, dat de staten die partij zijn verplicht bepaalde ‘ negationistische ’ gedragingen in het nationaal recht strafbaar te stellen » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3515/001, p. 140). 10 B.1.3. Artikel 1 van het kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 « betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht » (hierna : het kaderbesluit 2008/913/JBZ) bepaalt : « 1. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende opzettelijke gedragingen strafbaar worden gesteld : […]

  1. c)het publiekelijk vergoelijken, ontkennen of verregaand bagatelliseren van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden in de zin van de artikelen 6, 7 en 8 van het Statuut van het Internationaal Strafhof, gericht tegen een groep personen, of een lid van die groep, die op basis van ras, huidskleur, godsdienst, afstamming dan wel nationale of etnische afkomst wordt gedefinieerd indien de gedraging van dien aard is dat zij het geweld of de haat tegen een dergelijke groep of een lid van een dergelijke groep dreigt aan te wakkeren; […] 4. Elke lidstaat kan bij of na de vaststelling van het kaderbesluit een verklaring afleggen dat hij het ontkennen of verregaand bagatelliseren van de in lid 1, onder
  2. c)en/of d), bedoelde misdrijven alleen strafbaar zal stellen indien de in deze leden bedoelde misdrijven het voorwerp zijn van een eindbeslissing van een nationaal gerecht van die lidstaat en/of van een internationaal gerecht, dan wel een eindbeslissing van een internationaal gerecht ». B.1.4. Gebruik makend van de mogelijkheid die het voormelde artikel 1, lid 4, van het kaderbesluit 2008/913/JBZ aan de lidstaten biedt, heeft de wetgever het toepassingsgebied van de bestreden strafbepaling beperkt aan de hand van het criterium dat de misdaad van genocide, de misdaad tegen de mensheid of de oorlogsmisdaad « als dusdanig [is] vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht ». Blijkens de parlementaire voorbereiding « verwijzen de termen ‘ internationaal gerecht ’ naar het Internationaal Strafhof of naar een internationaal straftribunaal opgericht bij beslissing van de VN-Veiligheidsraad op grond van Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3515/001, p. 151). 11 In de parlementaire voorbereiding wordt inzake dat criterium benadrukt « dat men het gepast heeft geacht om van dat criterium gebruik te maken, omdat noch het kaderbesluit noch het aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de computercriminaliteit enige beperking oplegt met betrekking tot de draagwijdte ratione temporis van het misdrijf negationisme in het nationale recht, afgezien van de verklaring die kan worden afgelegd overeenkomstig artikel 1, § 4, van het kaderbesluit, wat in casu in aanmerking werd genomen. Teneinde geen onzekerheid te creëren over de toepassing in de tijd van de strafbepalingen waarvan de invoeging in de wet van 30 juli 1981 wordt voorgesteld, wordt erin voorzien dat de nieuwe bepaling van toepassing zal zijn op de feiten die als misdaden van genocide, misdaden tegen de mensheid of oorlogsmisdaden zijn vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht » (ibid., p. 155). Ten aanzien van de omvang van de beroepen tot vernietiging B.2.1. Het Hof moet de omvang van de beroepen tot vernietiging vaststellen uitgaande van de inhoud van de verzoekschriften en in het bijzonder op basis van de uiteenzetting van de middelen. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de bepalingen waartegen middelen zijn gericht. B.2.2. Uit de verzoekschriften in de zaken nrs. 7229, 7278, 7283 en 7302, blijkt dat de middelen enkel betrekking hebben op de bestreden bepaling in zoverre het toepassingsgebied van de daarin voorgeschreven strafbaarstelling wordt beperkt aan de hand van het criterium dat de misdaad van genocide, de misdaad tegen de mensheid of de oorlogsmisdaad « als dusdanig [is] vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht ». Uit het verzoekschrift en de uiteenzetting van het middel in de zaak nr. 7308 blijkt dat de grieven van de verzoekende partijen in die zaak eveneens enkel betrekking hebben op de beperking van de strafbaarstelling tot de misdaden « als dusdanig vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht ». Daarenboven bekritiseert de verzoekende partij in de zaak nr. 7303 dat de bestreden bepaling « de geldboete niet koppelt aan de economische draagkracht van de schuldigen ». B.2.3. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg in die mate. 12 Ten aanzien van het belang B.3. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen. B.4. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.5.1. De verzoekende partij in de zaak nr. 7278 en de verzoekende partij in de zaken nrs. 7229, 7283, 7302 en 7303 leiden uit het enkele feit dat de bestreden bepaling in een vrijheidsberovende straf voorziet af dat zij beschikken over het rechtens vereiste belang. De verzoekende partij in de zaken nrs. 7229, 7283, 7302 en 7303 voegt daaraan toe dat zij een eigen mening heeft over de Rwandese genocide, en dat zij « de kans [wil] hebben deze genuanceerde mening, wanneer daartoe in een zeer bijzonder geval aanleiding zou kunnen zijn, te uiten zonder strafbaar te zijn op grond van de bestreden bepaling ». B.5.2. Zoals is vermeld in B.2.2, viseren de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7229, 7278, 7283 en 7302 de bestreden bepaling enkel in zoverre de strafbaarstelling van het ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van feiten overeenstemmend met een misdaad van genocide, een misdaad tegen de mensheid of een oorlogsmisdaad wordt beperkt tot de voormelde misdaden die « als dusdanig [zijn] vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht ». Daarbij tonen zij evenwel niet aan in welk opzicht zij persoonlijk door de beperking van de strafbaarstelling rechtstreeks en ongunstig zouden kunnen worden geraakt. Voorts bekritiseert de verzoekende partij in de zaak nr. 7303 dat de bestreden bepaling « de geldboete niet koppelt aan de economische draagkracht van de schuldigen ». De verzoekende partij toont niet aan dat zij daardoor rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt en ter zake over een persoonlijk belang beschikt dat kan worden onderscheiden van het algemeen belang. 13 Het feit dat de verzoekende partijen een wet afkeuren op grond van een persoonlijke, subjectieve appreciatie of op grond van de gevoelens die deze wet bij hen oproepen, kan tot slot niet worden aangehouden ter verantwoording van het rechtens vereiste belang. B.5.3. De beroepen in de zaken nrs. 7229, 7278, 7283, 7302 en 7303 zijn niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. B.6.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7308 werpen ter staving van hun belang op dat zij van Armeense afkomst zijn en afstammelingen van slachtoffers van de Armeense genocide. B.6.2. De beperking, in de bestreden bepaling, van de daarin voorgeschreven strafbaarstelling tot de misdaden die « als dusdanig [zijn] vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht », heeft tot gevolg dat de Armeense genocide niet onder die strafbaarstelling ressorteert. Bijgevolg kunnen de verzoekende partijen, als afstammelingen van slachtoffers van de Armeense genocide, rechtstreeks en ongunstig in hun situatie worden geraakt door de bestreden bepaling en beschikken zij over het vereiste belang bij de vernietiging ervan. B.6.3. Vermits de verzoekende partijen in die hoedanigheid blijk geven van het rechtens vereiste belang, dient niet te worden nagegaan of zij in de andere door hen aangevoerde hoedanigheid, namelijk als deelnemers aan de acties en de beslissingen van het Comité van Armeniërs van België, eveneens over het vereiste belang beschikken. B.7. De Ministerraad betwist tot slot het belang van de tussenkomende partij in de zaak nr. 7308. B.8. Artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt : « Wanneer het Grondwettelijk Hof uitspraak doet op beroepen tot vernietiging als bedoeld in artikel 1, kan ieder die van een belang doet blijken, zijn opmerkingen in een memorie aan het Hof richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt daardoor geacht partij in het geding te zijn ». 14 Van een belang in de zin van die bepaling doet blijken de persoon die aantoont dat zijn situatie rechtstreeks kan worden geraakt door het arrest dat het Hof in verband met het beroep tot vernietiging dient te wijzen. B.9.1. Het Interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme (hierna : UNIA) werd opgericht bij het samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 « tussen de federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van racisme en discriminatie onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 », waarbij rechtspersoonlijkheid aan UNIA werd toegekend. Krachtens artikel 3 van dat samenwerkingsakkoord heeft UNIA als opdracht « het bevorderen van de gelijkheid van kansen en omgaan met de diversiteit in onze samenleving en het bestrijden van elke vorm van discriminatie, onderscheid, uitsluiting, beperking, uitbuiting of voorkeur op grond van : een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationaliteit, nationale of etnische afstamming, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, sociale positie, geboorte, vermogen, leeftijd, het geloof, levensbeschouwing, gezondheidstoestand, politieke overtuiging of syndicale overtuiging, handicap, fysieke of genetische eigenschap ». Krachtens artikel 6, § 3, tweede lid, van dat samenwerkingsakkoord is UNIA bevoegd om, binnen de perken van zijn opdrachten bepaald bij het voormelde artikel 3, in rechte op te treden in alle rechtsgeschillen zoals bij de toepassing van de wet van 30 juli 1981 « tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden ». B.9.2. De bestreden bepaling beoogt de uitbreiding van de voormelde wet van 30 juli 1981 door te voorzien in de strafbaarstelling van het ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van een misdaad van genocide, een misdaad tegen de mensheid of een oorlogsmisdaad. UNIA ondersteunt de grieven van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7308, met name dat de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van het privéleven in zoverre die strafbaarstelling wordt beperkt tot de voormelde misdaden die « als dusdanig [zijn] vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht ». 15 B.9.3. De bestreden bepaling kan bijgevolg de opdracht van UNIA en het collectief belang dat zij verdedigt, raken. Zij beschikt dus over het vereiste belang. Ten gronde B.10. In hun enig middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepaling de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet en de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt, in zoverre de daarin neergelegde strafbaarstelling inzake het ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van feiten overeenstemmend met een misdaad van genocide, een misdaad tegen de mensheid of een oorlogsmisdaad wordt beperkt aan de hand van het criterium dat die misdaad « als dusdanig [is] vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht ». De bestreden bepaling zou aldus een ongerechtvaardigd verschil in behandeling instellen tussen de slachtoffers van misdaden die zijn vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht en de slachtoffers van misdaden die niet aldus zijn vastgesteld, doordat enkel de eerstgenoemde misdaden ressorteren onder de bescherming van de wet tegen haatdragend discours. B.11.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.11.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. 16 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.12. Het behoort in beginsel tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om vast te stellen welk gedrag een strafrechtelijke sanctie verdient, zij het dat de door hem gemaakte keuzes op dat vlak redelijkerwijze moeten worden verantwoord. Die beoordelingsbevoegdheid van de wetgever is evenwel aan beperkingen onderworpen wanneer de Belgische Staat zich internationaalrechtelijk ertoe heeft verbonden een bepaald gedrag strafbaar te stellen. B.13.1. Het recht op de eerbiediging van het privéleven, zoals het wordt gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. De voormelde bepalingen sluiten een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, maar vereisen dat in die inmenging wordt voorzien door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven verzekeren, ook in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31). B.13.2. Zowel de etnische identiteit als de reputatie van voorouders kunnen, in welbepaalde omstandigheden, het privéleven en de identiteit van een persoon raken en aldus onder het toepassingsgebied van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ressorteren (EHRM, grote kamer, 15 maart 2012, Aksu t. Turkije, §§ 58-61 en 81; 21 november 2013, Putistin t. Oekraïne, §§ 33 en 36-41; 11 maart 2014, Jelševar e.a. t. Slovenië, § 37; 9 december 2014, Dzhugashvili t. Rusland, §§ 26-35; grote kamer, 15 oktober 2015, Perinçek t. Zwitserland, §§ 200-203 en 227). 17 Aldus heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens erkend dat het recht van de Armeniërs op de eerbiediging van hun waardigheid en die van hun voorouders, met inbegrip van de eerbiediging van hun identiteit die is opgebouwd rond het besef dat hun gemeenschap het slachtoffer is geweest van een genocide, beschermd wordt door artikel 8 van het Europees Verdrag wat het recht op de eerbiediging van het privéleven betreft (EHRM, grote kamer, 15 oktober 2015, Perinçek t. Zwitserland, § 227). B.13.3. De bestreden bepaling, die voorziet in de strafbaarstelling van het ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van feiten overeenstemmend met een misdaad van een genocide, een misdaad tegen de mensheid of een oorlogsmisdaad, strekt mede ter bescherming van het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op de eerbiediging van het privéleven, waartoe het recht op een identiteit behoort. B.14.1. Door het uiten van welbepaalde meningen strafbaar te stellen, beperkt de bestreden bepaling evenwel de vrijheid van meningsuiting, die bij artikel 19 van de Grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is gewaarborgd. B.14.2. De in die artikelen gewaarborgde vrijheid van meningsuiting is een van de pijlers van een democratische samenleving. Zij geldt niet alleen voor de « informatie » of de « ideeën » die gunstig worden onthaald of die als onschuldig of onverschillig worden beschouwd, maar ook voor die welke de Staat of een of andere groep van de bevolking « schokken, verontrusten of kwetsen ». Zo willen het het pluralisme, de verdraagzaamheid en de geest van openheid, zonder welke er geen democratische samenleving kan bestaan (EHRM, 7 december 1976, Handyside t. Verenigd Koninkrijk, § 49; 23 september 1998, Lehideux en Isorni t. Frankrijk, § 55; 28 september 1999, Öztürk t. Turkije, § 64; grote kamer, 13 juli 2012, Mouvement Raëlien suisse t. Zwitserland, § 48). B.14.3. Niettemin brengt de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bepaalde plichten en verantwoordelijkheden met zich mee (EHRM, 4 december 2003, Gündüz t. Turkije, § 37), onder meer de principiële plicht bepaalde grenzen « die meer bepaald de bescherming van de goede naam en de rechten van anderen nastreven » niet te overschrijden (EHRM, 24 februari 1997, De Haes en Gijsels t. België, § 37; 21 januari 1999, Fressoz en Roire 18 t. Frankrijk, § 45; 15 juli 2003, Ernst e.a. t. België, § 92). De vrijheid van meningsuiting kan, krachtens artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, onder bepaalde voorwaarden worden onderworpen aan formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, met het oog op, onder meer, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. De uitzonderingen waarmee zij gepaard gaat, dienen echter « eng te worden geïnterpreteerd, en de noodzaak om haar te beperken moet op overtuigende wijze worden aangetoond » (EHRM, grote kamer, 20 oktober 2015, Pentikäinen t. Finland, § 87). Artikel 19 van de Grondwet verbiedt dat de vrijheid van meningsuiting aan preventieve beperkingen wordt onderworpen, maar niet dat misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheid worden gepleegd, worden bestraft. In onderhavig geval stelt de bestreden bepaling geen preventieve maatregelen vast, maar de strafbaarstelling van reeds gedane uitspraken. B.15.1. Wanneer het recht op eerbiediging van het privéleven in conflict dreigt te komen met de vrijheid van meningsuiting, dient een billijk evenwicht te worden gevonden tussen die rechten en vrijheden, die gelijke bescherming verdienen. De wetgever beschikt over een appreciatiemarge bij de uitwerking van een wettelijke regeling die de eerbiediging van het privéleven verzekert in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen. Er zijn immers verschillende manieren om de eerbiediging van het privéleven te verzekeren en de aard van de verplichting hangt af van het specifieke aspect van het privéleven dat in het geding is. In dezelfde zin beschikt de wetgever over een appreciatiemarge bij het beoordelen of en in welke mate een inmenging in de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is (EHRM, grote kamer, 7 februari 2012, Von Hannover t. Duitsland, §§ 104-107; grote kamer, 15 oktober 2015, Perinçek t. Zwitserland, § 198). Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 46; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 51). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kent aan de Staten evenwel een ruime beoordelingsbevoegdheid 19 toe wanneer een afweging moet worden gemaakt tussen tegenstrijdige door het Europees Verdrag beschermde belangen (EHRM, 18 januari 2011, MGN Limited t. Verenigd Koninkrijk, § 142; 10 januari 2013, Ashby Donald en anderen t. Frankrijk, § 40; 13 februari 2020, Sanofi Pasteur t. Frankrijk, § 57). B.15.2. Specifiek wat de strafbaarstelling van negationistische gedragingen betreft, verduidelijkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat bij die belangenafweging rekening moet worden gehouden met de aard van de verklaringen die de betwiste meningsuiting aanneemt, de geografische en historische achtergrond waarin de beperking van de vrije meningsuiting plaatsvindt, de mate waarin de betwiste meningsuiting de rechten van de betrokkenen raakt, het al dan niet bestaan van consensus tussen de lidstaten over de noodzaak om gebruik te maken van strafsancties ten aanzien van uitlatingen van die aard, het bestaan van internationaalrechtelijke bepalingen in die materie en de zwaarte van de inmenging in de vrijheid van meningsuiting (EHRM, grote kamer, 15 oktober 2015, Perinçek t. Zwitserland, § 228). B.16. Het Hof dient te onderzoeken of de bestreden bepaling, in zoverre de daarin neergelegde strafbaarstelling inzake het ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van misdaden van genocide, misdaden tegen de mensheid of oorlogsmisdaden wordt beperkt tot misdaden die « als dusdanig [zijn] vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht », bestaanbaar is met de door de verzoekende partijen aangehaalde grondwets- en verdragsbepalingen die het recht op eerbiediging van het privéleven waarborgen, ermee rekening houdend dat die strafbepaling de vrijheid van meningsuiting beperkt. B.17.1. Met het strafbaar stellen, bij de bestreden bepaling, van het ontkennen, schromelijk minimaliseren, pogen te rechtvaardigen of goedkeuren van feiten overeenstemmend met een misdaad van genocide, een misdaad tegen de mensheid of een oorlogsmisdaad, heeft de wetgever uitvoering gegeven aan de Europese verplichting die is neergelegd in artikel 1, lid 1, van het kaderbesluit 2008/913/JBZ. 20 Artikel 1, lid 4, van dat kaderbesluit laat de lidstaten toe de strafbepaling inzake « het ontkennen of verregaand bagatelliseren » van de bedoelde misdrijven te beperken aan de hand van het criterium dat die misdrijven « het voorwerp zijn van een eindbeslissing van een nationaal gerecht van die lidstaat en/of van een internationaal gerecht, dan wel een eindbeslissing van een internationaal gerecht ». Artikel 7 van het kaderbesluit bepaalt voorts dat het kaderbesluit en de uitvoering ervan door de lidstaten geen schending kan inhouden van de vrijheid van meningsuiting. B.17.2. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever het gepast heeft geacht gebruik te maken van dat criterium, « omdat noch het kaderbesluit noch het aanvullend Protocol bij het Verdrag betreffende de computercriminaliteit enige beperking oplegt met betrekking tot de draagwijdte ratione temporis van het misdrijf negationisme in het nationale recht » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3515/001, p. 155). Door de bestreden strafbepaling te beperken tot misdaden « als dusdanig vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht », heeft de wetgever aldus beoogd in voldoende rechtszekerheid biedende bewoordingen te bepalen ten aanzien van welke misdaden de vermelde negationistische gedragingen strafbaar zijn. De wetgever heeft op die manier het wettigheidsbeginsel in strafzaken in acht willen nemen, dat voortvloeit uit de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet en artikel 7, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en dat uitgaat van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. B.17.3. Rekening houdend met het feit dat de bestreden bepaling, vermits ze afbreuk doet aan de vrijheid van meningsuiting en een strafwet is, een restrictieve interpretatie behoeft, volgt uit hetgeen voorafgaat dat de door de wetgever gemaakte keuze om gebruik te maken van de in artikel 1, lid 4, van het kaderbesluit 2008/913/JBZ neergelegde mogelijkheid om de strafbaarstelling te beperken aan de hand van het criterium dat de beoogde misdaden « als dusdanig [zijn] vastgesteld door een eindbeslissing van een internationaal gerecht », niet zonder redelijke verantwoording is. 21 B.18. De bestreden bepaling schendt aldus niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het enige middel is niet gegrond. 22 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 14 januari 2021. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Alen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.004 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.