← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.007 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210121.5 Arrest- Rolnummer: 7/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-04 Raadplegingen: 933 - laatst gezien 2026-06-19 22:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht :

  1. - Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zo geïnterpreteerd dat het belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld voor een fout die door de strafuitvoeringsrechtbank is begaan in de uitoefening van haar rechtsprekende functie zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer de persoon die ernaar streeft de Staat aansprakelijk te stellen geen partij was en geen partij had kunnen zijn in de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de betwiste rechterlijke beslissing, en om die reden de voorafgaande uitwissing ervan niet kon verkrijgen. - Dezelfde bepaling schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zo geïnterpreteerd dat zij niet belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld voor een fout die door de strafuitvoeringsrechtbank is begaan in de uitoefening van haar rechtsprekende functie zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer de persoon die ernaar streeft de Staat aansprakelijk te stellen geen partij was en geen partij had kunnen zijn in de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de betwiste rechterlijke beslissing, en om die reden de voorafgaande uitwissing ervan niet kon verkrijgen.
  2. De tweede, de derde, de vierde en de vijfde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Burgerlijk recht - Burgerlijke aansprakelijkheid - Aansprakelijkheid van de Staat - Fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie - Voorwaarden - Voorwaarden - Voorafgaande uitwissing van de rechterlijke beslissing - Fout begaan door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Tekst van de beslissing Rolnummer 7041 Arrest nr. 7/2021 van 21 januari 2021 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter A. Alen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 23 oktober 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 november 2018, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Is artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zo geïnterpreteerd dat het, zolang de in het geding zijnde rechterlijke beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, niet toelaat dat de Staat aansprakelijk wordt gesteld wegens een fout die een rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie begaat, wanneer de personen die de aansprakelijkheidsvordering hebben ingesteld, derden zijn ten opzichte van die rechterlijke beslissing en niet beschikken over rechtsmiddelen waardoor zij de vernietiging van die beslissing kunnen verkrijgen ? - Is artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zo geïnterpreteerd dat de Staat alleen aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout die een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie begaat, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels, terwijl een niet-gekwalificeerde fout volstaat om de Staat aansprakelijk te stellen wanneer die is begaan door een rechterlijke instantie die niet in laatste aanleg uitspraak doet ? - Is artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zo geïnterpreteerd dat de Staat alleen aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout die een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie begaat, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels, zonder dat wordt vastgesteld of de in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie al dan niet een hooggerechtshof is ? - Is artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zo geïnterpreteerd dat de Staat alleen aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout van de rechterlijke macht, of op zijn minst wegens een fout die een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie begaat, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels, terwijl, in het gemeen recht van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, de lichtste fout volstaat en in concreto wordt beoordeeld in het licht van het abstracte criterium van de goede huisvader, namelijk de normaal zorgvuldige en omzichtige persoon, die in dezelfde omstandigheden verkeert ? - Is artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zo geïnterpreteerd dat de Staat alleen aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout van de rechterlijke macht, of op zijn minst wegens een fout die een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie begaat, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de 3 toepasselijke rechtsregels, terwijl de aansprakelijkheid van de Staat door toedoen van een van zijn machten doorgaans steunt op het dubbele criterium van ofwel het verkeerde gedrag waaraan een normaal zorgvuldige en omzichtige overheid / wetgever / magistraat die in dezelfde omstandigheden verkeert, zich niet schuldig zou maken, ofwel de schending van een norm van nationaal recht of van een internationaal verdrag met uitwerking in de interne rechtsorde, waarbij de overheid / wetgever / magistraat ertoe wordt verplicht niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen ? ». Memories zijn ingediend door : - Thierry Kremer en Claudine Jacque, Béatrice Vandereyken, Pricillia Humblet, Nicolas Gimenne, Romuald Leblond en Olivia Vanderlinden, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. A. Wilmotte en Mr. E. Vanstechelman, advocaten bij de balie te Hoei; - Mohamed Belhadj, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Misson en Mr. C. Botteman, advocaten bij de balie te Luik; - Françoise Putzeys, handelend uit eigen naam en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van haar zoon Bastien Serveld, Isabelle Putzeys, handelend uit eigen naam en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van haar zoon Maxence Gruselet, Jean-Louis Putzeys, Benoit Gruselet en Alexis Gruselet, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Vanderweckene, advocaat bij de balie te Luik; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 17 juni 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 1 juli 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Ingevolge het verzoek van meerdere partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 2 juli 2020 de dag van de terechtzitting bepaald op 23 september
  3. Op de openbare terechtzitting van 23 september 2020 : - zijn verschenen : . Mr. A. Wilmotte, voor Thierry Kremer en anderen; . Mr. C. Botteman, tevens loco Mr. R. Molders-Pierre, advocaat bij de balie te Luik, voor Mohamed Belhadj; . Mr. B. Renson, voor de Ministerraad; 4 - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en J. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 13 december 2011, omstreeks 12.30 uur, barst een schietpartij los in Luik, waarbij vijf doden vallen en talrijke andere personen gewond raken. De dader van de schietpartij pleegt onmiddellijk erna zelfmoord. Er wordt achteraf een zesde slachtoffer ontdekt in de woning van de dader van de feiten. De dader van de feiten was eerder tot tweemaal toe veroordeeld tot vrijheidsstraffen. Hij had, bij een vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel van 5 oktober 2010, een maatregel van voorwaardelijke invrijheidstelling, gekoppeld aan de wettelijk bepaalde algemene voorwaarden en aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden, verkregen. Op 13 november 2011 dient iemand een klacht in wegens seksueel misbruik, gepleegd te Luik. Die persoon identificeert vervolgens de aanrander als zijnde de dader van de feiten van 13 december
  4. Die laatste wordt verzocht, bij oproeping die door de politiediensten in zijn brievenbus werd gedeponeerd, zich aan te dienen bij de politie op 13 december 2011, om 13.30 uur. Aan die oproeping wordt geen gevolg gegeven; de betrokkene pleegde enkele minuten eerder zelfmoord. Bij de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, wordt een vordering ingesteld door 22 personen, eisende en vrijwillig tussenkomende partijen, die hetzij naasten zijn, hetzij zelf slachtoffer van de bovenvermelde feiten. De vordering strekt ertoe de aansprakelijkheid van de Belgische Staat te doen erkennen, op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, voor fouten en tekortkomingen die zouden zijn begaan door de overheidsdiensten Justitie en Binnenlandse Zaken en die zouden hebben geleid tot de feiten van 13 december
  5. De grieven van de eisende partijen en van de tussenkomende partijen hebben met name betrekking op de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling door de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel, het ontbreken van een reactie van het openbaar ministerie op de niet-naleving, door de dader van de feiten, van de voorwaarden die aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling waren gesteld, naar aanleiding van de identificatie van de dader van de op 13 december 2011 gepleegde zedenfeiten, en op het tekortschieten van de FOD Binnenlandse Zaken in het toezicht op de naleving van de voorwaarden die waren gesteld aan de voorwaardelijke invrijheidstelling van de dader van de feiten. De Rechtbank van eerste aanleg Luik onderzoekt de ontvankelijkheid van de aansprakelijkheidsvordering die tegen de Staat werd ingesteld wegens de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel om aan de dader van de feiten een voorwaardelijke invrijheidstelling toe te kennen. Zij vermeldt het arrest van het Hof nr. 99/2014 van 30 juni
  6. Zij is van mening dat dit arrest bepaalde vragen onbeantwoord laat. Zij wijst erop, enerzijds, dat de in het geding zijnde beslissing werd gewezen door een rechterlijke instantie die, zonder een hooggerechtshof te zijn, uitspraak heeft gedaan in laatste aanleg en, anderzijds, dat de personen die de aansprakelijkheidsvordering hebben ingesteld derden waren ten opzichte van de procedure die tot de vermeende foutieve jurisdictionele handeling heeft geleid en dat zij niet beschikken over rechtsmiddelen waarmee zij de uitwissing van die handeling kunnen verkrijgen. De Rechtbank van eerste aanleg Luik is van mening dat het haar niet toekomt het voormelde arrest nr. 99/2014 naar analogie toe te passen op een situatie die verschilt van die welke in dat arrest werd beoogd, noch zelf dat arrest te interpreteren, en stelt aan het Hof de hiervoor weergegeven eerste vraag. De Rechtbank van eerste aanleg Luik merkt vervolgens op dat uit het voormelde arrest nr. 99/2014 kan worden afgeleid dat de Staat alleen aansprakelijk kan worden gesteld voor een fout die is begaan door een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie indien die fout in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels bestaat. Zij is van mening dat men zich moet afvragen of dat niet alleen geldt voor de in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instanties, maar ook voor de andere rechterlijke instanties en of, indien dat enkel het geval zou zijn voor de in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instanties, die uitdrukking alleen 5 de zogenoemde « hooggerechtshoven » beoogt, of alle rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen. Zij merkt overigens op dat, indien de vereiste van een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels alleen zou gelden voor de rechterlijke instanties die in laatste aanleg uitspraak doen, een niet-gekwalificeerde fout voldoende zou zijn om de Staat aansprakelijk te stellen indien zij is begaan door een rechterlijke instantie die niet in laatste aanleg uitspraak doet, terwijl dezelfde fout niet zou toelaten een beslissing van een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie in het geding te brengen. Zij stelt bijgevolg aan het Hof de hiervoor weergegeven tweede en derde prejudiciële vraag. De Rechtbank van eerste aanleg Luik vraagt zich bovendien af of de vereiste van een gekwalificeerde fout, waarvoor is geopteerd voor de in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instanties of voor de hooggerechtshoven, geen discriminatie doet ontstaan, meer bepaald ten opzichte van de uitvoerende en de wetgevende macht, die niet zulk een regeling genieten. Zij stelt bijgevolg aan het Hof de hiervoor weergegeven vierde en vijfde prejudiciële vraag. III. In rechte -A– Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.
  7. Thierry Kremer en anderen, eisende en tussenkomende partijen voor de verwijzende rechter, zetten uiteen dat uit het vonnis waarbij aan het Hof vragen worden gesteld, blijkt dat de verplichting om de voorafgaande uitwissing van de rechterlijke beslissing te verkrijgen teneinde de Staat aansprakelijk te kunnen stellen voor die beslissing, door de verwijzende rechter wordt geïnterpreteerd als een ontvankelijkheidsvoorwaarde van de herstelvordering, waarop slechts één afwijking zou bestaan, afgeleid uit het arrest van het Hof nr. 99/2014, wanneer de beweerde foutieve beslissing is gewezen door een hooggerechtshof en wanneer zij een voldoende gekwalificeerde schending van de rechtsregels vormt. Die partijen herinneren eraan dat zij derden waren in de procedure die heeft geleid tot de beslissing die zij als foutief beschouwen, en dat zij dus niet beschikken over rechtsmiddelen waarmee zij de uitwissing van die beslissing zouden kunnen verkrijgen. Zij wijzen erop dat, gelet op de aard en de gevolgen van de in het geding zijnde maatregel, de slachtoffers die over een rechtsmiddel beschikken omdat zij partij zijn in het geding en de slachtoffers die niet over een rechtsmiddel beschikken omdat zij geen partij zijn in het geding, zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, terwijl zij op dezelfde manier worden behandeld. Zij erkennen dat de coherentie van het jurisdictionele bestel en de rechtszekerheid, alsook de inachtneming van het gezag van gewijsde en de verplichting om de beschikbare rechtsmiddelen uit te putten legitieme doelstellingen zijn. Zij doen niettemin gelden dat het feit dat de ontvankelijkheid van een aansprakelijkheidsvordering die wordt ingesteld door een persoon die een derde was ten opzichte van een jurisdictionele handeling onderworpen wordt aan de voorwaarde van de voorafgaande uitwissing van die handeling, niet pertinent is gelet op die doelstellingen. A.
  8. Mohamed Belhadj en Françoise Putzeys en anderen, vrijwillig tussenkomende partijen voor de verwijzende rechter, zetten uiteen dat het Hof van Cassatie niet eist dat de betwiste jurisdictionele handeling moet zijn ingetrokken, gewijzigd, herroepen of vernietigd om de Staat burgerrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen. Die partijen doen gelden dat de Belgische en de Europese rechtspraak na het zogenoemde arrest « ANCA I » van het Hof van Cassatie van 19 december 1991 die benadering duidelijk bevestigen. Zij citeren in dat verband het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie Tragetti del Mediterraneo SpA t. Italië, van 13 juni
  9. Zij verwijzen ook naar de arresten van het Grondwettelijk Hof nrs. 99/2014 en 29/
  10. Zij herinneren eraan dat, vermits zij derden waren ten opzichte van de procedure die tot de betwiste beslissing heeft geleid, zij in de onmogelijkheid verkeerden om die beslissing te laten uitwissen. Zij leiden eruit af dat de voorwaarde van de voorafgaande uitwissing in casu verhindert de aansprakelijkheid van de Staat in het geding te brengen en dat zij dus onevenredige gevolgen heeft ten opzichte van het doel dat erin bestaat de rechtszekerheid te waarborgen. Zij zijn overigens van mening dat de voorwaarde van uitwissing van de betwiste beslissing niet noodzakelijk is om de doelstellingen te bereiken die erin bestaan de rechtszekerheid en de coherentie van het jurisdictionele bestel te vrijwaren. Zij doen in dat verband gelden dat het in het geding brengen van de aansprakelijkheid van de Staat, op zich niet de coherentie van het jurisdictionele bestel noch de rechtszekerheid in het gedrang brengt, omdat daarbij het gezag van gewijsde niet rechtstreeks wordt beoogd. 6 A.
  11. De Ministerraad preciseert dat de eerste prejudiciële vraag voortvloeit uit de vragen die rezen in verband met de draagwijdte van het arrest nr. 99/2014 van het Hof. Hij is van mening dat de oplossing waarvoor het Hof in dat arrest opteerde, te dezen ook kan worden gekozen om te antwoorden op de eerste prejudiciële vraag. Hij verzoekt het Hof dan ook te oordelen dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt, zo geïnterpreteerd dat het niet belet dat de Staat aansprakelijk wordt gesteld voor een fout die een rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie heeft begaan, wanneer de personen die de aansprakelijkheidsvordering hebben ingesteld derden zijn ten opzichte van de procedure die tot die beslissing heeft geleid en daartegen dus niet beschikken over rechtsmiddelen, op voorwaarde dat die fout in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels bestaat. Hij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 29/2017 van 23 februari 2017, dat die laatste voorwaarde heeft verduidelijkt, en is van mening dat men niet moet terugkomen op die rechtspraak. Hij verwijst eveneens naar het arrest van het Hof nr. 24/2019 van 14 februari 2019 en is van mening dat, in dezelfde geest en vanuit dezelfde bekommernis om coherentie, het recht op toegang tot een rechter en het beginsel van tegenspraak een « gerelativeerde » en redelijke interpretatie van de prejudiciële vraag vereisen. Ten aanzien van de tweede en de derde prejudiciële vraag A.
  12. Thierry Kremer en anderen doen gelden dat het verschil in behandeling dat in de tweede prejudiciële vraag in het geding is, te hunnen aanzien discriminerend is. Zij laten het aan het Hof over te beoordelen of moet worden geëist, wanneer de aansprakelijkheid van de Staat in het geding wordt gebracht voor een vermeende foutieve handeling die is gesteld door een hooggerechtshof, dat dit rechtscollege een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel heeft begaan. Zij wijzen erop dat te dezen, de bekritiseerde beslissing op zich niet in laatste aanleg is gewezen, vermits de gedetineerde en het parket een cassatieberoep kunnen instellen. A.
  13. Mohamed Belhadj en Françoise Putzeys en anderen verwijzen naar de arresten van het Hof nrs. 99/2014 en 29/2017, waarbij het Hof een evenwicht tot stand heeft gebracht tussen rechtszekerheid en het recht op toegang tot een rechter, door te verhinderen dat de lichtste fout die is begaan door een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie moet worden hersteld. Zij zetten uiteen dat dit evenwicht gerechtvaardigd is door de beslissende rol die de in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en in de toepassing van het recht, en door het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen kleeft. Zij hebben overigens vragen bij de precieze contouren van het begrip « gekwalificeerde fout » en zijn van mening dat de discriminatie nog wordt versterkt door het feit dat dit concept in de praktijk moeilijk kan worden toegepast. Zij doen gelden dat de te dezen betwiste beslissing daadwerkelijk een beslissing in laatste aanleg is, maar dat zij niet is gewezen door een hooggerechtshof, en zij leiden daaruit af dat de verantwoordingen die in het arrest nr. 99/2014 zijn gegeven voor de keuze van de vereiste van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel, te dezen niet pertinent zijn. A.6.
  14. De Ministerraad onderstreept dat het Hof, in zijn arrest nr. 99/2014, de uitdrukkingen « in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie » of « rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan » gebruikt, en niet de uitdrukking « hooggerechtshof ». Hij oordeelt dat het voormelde arrest niet kan worden geïnterpreteerd in die zin dat het alleen de hooggerechtshoven beoogt. Hij herinnert eraan dat een rechterlijke beslissing in laatste aanleg is gewezen indien zij niet of niet meer vatbaar is voor hoger beroep, zelfs indien zij nog het voorwerp kan uitmaken van een cassatieberoep, en leidt eruit af dat de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties die door het voormelde arrest nr. 99/2014 worden beoogd, niet kunnen worden beperkt tot de zogenoemde « hooggerechtshoven ». Hij voegt eraan toe dat alle beslissingen die door in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties zijn gewezen, een belangrijke rol spelen in de interpretatie en in de toepassing van het recht. Hij is van mening dat die analyse elke discriminatie voorkomt tussen de rechtzoekenden die beslissingen aanvechten die zijn gewezen door rechterlijke instanties die zich in laatste aanleg uitspreken zonder een hooggerechtshof te zijn en de rechtzoekenden die beslissingen aanvechten die zijn uitgesproken door een hooggerechtshof, zoals het Hof van Cassatie of de Raad van State. A.6.
  15. Hij doet gelden dat het verschil in behandeling dat wordt opgeworpen in de derde en de vierde prejudiciële vraag, werd verantwoord bij het voormelde arrest nr. 99/2014, en dat die rechtspraak te dezen moet worden bevestigd, zoals het Hof overigens reeds heeft gedaan bij zijn arrest nr. 29/
  16. 7 Ten aanzien van de vierde en de vijfde prejudiciële vraag A.
  17. Thierry Kremer en anderen herinneren eraan dat het Hof van Cassatie, bij zijn arresten van 8 december 1994 (de zogenoemde arresten « ANCA II »), van 5 juni 2008 en van 25 maart 2010, aanneemt dat de fout van een magistraat waarvoor de Staat aansprakelijk kan worden gesteld, bestaat in hetzij een gedraging die moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat die in dezelfde omstandigheden verkeert, hetzij, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaal- of internationaalrechtelijke norm met rechtstreekse werking. Zij zijn van mening dat het doel dat erin bestaat een evenwicht te vrijwaren tussen de rechtszekerheid en het recht op toegang tot een rechter niet belet, voor de beoordeling van de begane fout, het criterium van een normaal omzichtige en zorgvuldige magistraat te hanteren. Zij doen gelden dat elke publiekrechtelijke persoon, net zoals elke burger, onderworpen is aan de verplichting, opgelegd bij artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, om de schade die door zijn schuld is veroorzaakt te vergoeden. Zij zijn van mening dat het niet verantwoord is verschillende beoordelingscriteria toe te passen op de fout van de Staat, naar gelang van de macht die die fout begaat. A.
  18. Mohamed Belhadj en Françoise Putzeys en anderen herinneren ook eraan dat de fout van een magistraat waarvoor de Staat burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld, hetzij een verkeerd optreden kan zijn, hetzij een onwettigheid, en dat, overeenkomstig het gemeen recht van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, de lichtste fout van een magistraat volstaat om de Staat aansprakelijk te stellen. Zij doen gelden dat de redenering van het Hof in zijn arrest nr. 99/2014, die vereist dat de door de magistraat begane fout ernstig en klaarblijkelijk of gekwalificeerd moet zijn, te dezen niet kan worden gevolgd, zo niet zou een discriminatie worden gecreëerd onder rechtzoekenden. Zij erkennen dat de bescherming van de rechtszekerheid en de coherentie van het jurisdictionele bestel weliswaar belangrijke doelstellingen zijn, maar zijn van mening dat het niet noodzakelijk is, om die doelstellingen te bereiken, een begrip « fout » te hanteren dat verschillend is van het begrip dat wordt toegepast in het gemeen aansprakelijkheidsrecht. Zij voegen eraan toe dat de uitdagingen stuk voor stuk even belangrijk zijn wanneer het gaat om de wetgevende en de uitvoerende macht, terwijl de aansprakelijkheid van de Staat in het geding kan worden gebracht wegens een fout begaan door die machten, zonder dat voor een specifiek begrip van de fout wordt gekozen. Zij onderstrepen dat die vaststelling des te meer om opheldering vraagt omdat het mogelijk is dat het in het geding brengen van de aansprakelijkheid van de Staat in eenzelfde situatie betrekking heeft op verschillende van die machten. Zij wijzen ten slotte erop dat het niet begrijpelijk is dat rechtzoekenden die ernaar streven de Staat aansprakelijk te stellen, naargelang zij de ene of de andere macht van de Staat beogen terwijl het in fine de Staat is die wordt beoogd, met een strengere of minder strenge beoordeling van de fout worden geconfronteerd. A.9.
  19. De Ministerraad is van mening dat de specificiteit van de rechterlijke macht verantwoordt dat er verschillende regelingen voor gelden wat betreft het in het geding brengen van de aansprakelijkheid van de Staat. Hij zet uiteen dat er thans drie modellen bestaan in het systeem van de aansprakelijkheid van de overheid : het zogenoemde « gemeenschapsrechtelijke » model, afgeleid uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat vereist, om de Staat aansprakelijk te stellen, dat de fout die is begaan een voldoende gekwalificeerde schending van een gemeenschapsnorm moet zijn, het zogenoemde model « uitvoerende macht », dat steunt op de eenheid tussen onwettigheid en fout, en het zogenoemde model « rechterlijke macht », dat kan worden afgeleid uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie en volgens hetwelk een vergissing in de interpretatie of de toepassing van het recht, die eventueel wordt vastgesteld bij een arrest dat de beslissing wijzigt of verbreekt, slechts foutief is indien een normaal omzichtige en zorgvuldige magistraat die in dezelfde concrete omstandigheden verkeert, ze niet zou hebben begaan. Hij is van mening dat die drie modellen naast elkaar bestaan zonder dat een discriminatie wordt gecreëerd. Hij preciseert dat het het arrest van het Hof nr. 99/2014 is dat twee parallelle regelingen vastlegt inzake de aansprakelijkheid van de Staat voor de eigenlijke rechtspraak : een algemene regeling, die van toepassing is op de beslissingen van de rechterlijke instanties waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, en een uitzonderingsregeling, die alleen geldt voor de in laatste aanleg gewezen beslissingen. Hij oordeelt dat die dubbele regeling geen afbreuk doet aan de bepalingen die in de prejudiciële vragen worden beoogd. A.9.
  20. De Ministerraad onderstreept ten slotte dat uit een arrest van het Hof van Cassatie van 10 september 2010 kan worden afgeleid dat de schending van een grondwettelijke regel door een wetgevende macht niet systematisch moet worden gelijkgesteld met het bestaan van een fout van de Staat. Hij leidt eruit af dat het in het geding brengen van de aansprakelijkheid van de wetgevende macht dus op criteria berust die identiek zijn aan de criteria die het Hof heeft gebruikt in zijn arresten nrs. 99/2014 en 29/2017, wat betreft het in het geding brengen van de beslissingen van het Hof van Cassatie of van de Raad van State. 8 -B- Ten aanzien van het onderwerp van de prejudiciële vragen B.1.
  21. De vijf prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt : « Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden ». B.1.
  22. Opdat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie, vereist, in de interpretatie van de verwijzende rechter, die bepaling in beginsel dat de betwiste handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is herroepen, gewijzigd, vernietigd of ingetrokken wegens schending van een gevestigde rechtsnorm. Die interpretatie steunt op de ter zake relevante rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 19 december 1991, Arr. Cass, 1992, nr. 215; 8 december 1994, Arr. Cass., 1994, nr. 541; 5 juni 2008, C.06.0366.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.2; 27 juni 2008, C.07.0384.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080627.11; 25 maart 2010, C.09.0403.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.4). Zo heeft het Hof van Cassatie geoordeeld : « Dat in de huidige stand van de wetgeving […] de Staat, in de regel, op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan worden verklaard voor de schade ten gevolge van een door een rechter of een ambtenaar van het openbaar ministerie begane fout, wanneer die magistraat binnen de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheden heeft gehandeld of ieder redelijk en voorzichtig mens moet aannemen dat hij binnen die grenzen heeft gehandeld; dat echter, indien die handeling het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, de vordering tot vergoeding van de schade, in de regel, echter slechts ontvankelijk is als de litigieuze akte bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen is wegens schending van een gevestigde rechtsnorm en derhalve geen gezag van gewijsde meer heeft; Dat binnen die grenzen de aansprakelijkheid van de Staat voor de schadeverwekkende handeling van de Rechterlijke Macht niet strijdig is met de grondwettelijke of wettelijke bepalingen, en evenmin onverenigbaar is met de beginselen van de scheiding der machten en van het gezag van het rechterlijk gewijsde; dat die aansprakelijkheid evenmin onverenigbaar is met de onafhankelijkheid van de Rechterlijke Macht en van de magistraten ervan, die de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de procedure van verhaal op de rechter 9 willen beschermen, nu die onafhankelijkheid blijkbaar voldoende gewaarborgd is door de wettelijke onmogelijkheid om magistraten persoonlijk aansprakelijk te stellen buiten de gevallen waarin zij strafrechtelijk zijn veroordeeld en de gevallen waarin verhaal op de rechter mogelijk is » (Cass., 19 december 1991, voormeld). En : « De fout van een magistraat waarvoor de Staat op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan zijn bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen. Wanneer de betwiste handeling, zoals te dezen, bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de Staat in de regel alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm. Vóór die intrekking, wijziging, vernietiging of herroeping bestaat er geen vergoedbare schade. Er anders over beslissen zou het gezag ondermijnen van de rechtsmiddelen en in strijd zijn met de wezenlijke regels van de rechterlijke organisatie en met de opdracht gegeven aan de hoven en rechtbanken » (Cass., 5 juni 2008, C.09.0403.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.4). B.1.
  23. Het Hof onderzoekt de in het geding zijnde bepaling in die interpretatie. B.2.
  24. Uit de verwijzingsbeslissing en de bewoordingen van de prejudiciële vragen blijkt verder nog dat de verwijzende rechter van oordeel is dat het hem niet toekomt het arrest van het Hof nr. 99/2014 van 30 juni 2014 naar analogie toe te passen, omdat de aan hem voorgelegde situatie niet identiek is aan die welke aanleiding heeft gegeven tot de prejudiciële vraag waarop het Hof bij dat arrest heeft geantwoord. B.2.
  25. Bij zijn voormelde arrest nr. 99/2014 heeft het Hof voor recht gezegd : 10 « - Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, zelfs al bestaat die fout in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en zelfs al maakt die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk de vernietiging ervan te verkrijgen. - Dezelfde bepaling schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij niet belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld wegens een fout begaan in de uitoefening van de rechtsprekende functie door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels en wanneer die fout, gelet op de beperkte rechtsmiddelen die tegen de genoemde beslissing openstaan, het niet mogelijk maakt de vernietiging ervan te verkrijgen ». B.2.
  26. Het geschil naar aanleiding waarvan de prejudiciële vragen die hebben geleid tot het voormelde arrest nr. 99/2014 zijn gesteld, had betrekking op een aansprakelijkheidsvordering die tegen de Belgische Staat was ingesteld wegens vermeende fouten die de Raad van State zou hebben begaan bij het onderzoek van een beroep tot herziening van een beslissing van het Rechtscollege van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De verwijzende rechter had vastgesteld dat de partij die schadevergoeding vorderde de uitwissing van het arrest van de Raad van State dat haar benadeelde niet kon verkrijgen door de uitoefening van de beschikbare rechtsmiddelen. Het Hof heeft zijn onderzoek tot dat geval beperkt. B.
  27. In de voorliggende zaak is bij de verwijzende rechter een aansprakelijkheidsvordering ingesteld tegen de Belgische Staat wegens vermeende fouten die de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel zou hebben begaan bij het onderzoek van een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling van een gedetineerde. Die vordering is aanhangig gemaakt door personen aan wie schade werd berokkend door handelingen die die gedetineerde heeft gepleegd in de periode van de voorwaardelijke invrijheidstelling die hem door die rechtbank was toegekend. Aangezien de eisende en tussenkomende partijen voor de verwijzende rechter geen partij waren en geen partij hadden kunnen zijn in de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de voor hen nadelige beslissing, beschikten zij niet over enig rechtsmiddel om de uitwissing van die beslissing te verkrijgen voordat de aansprakelijkheid van de Staat in het geding zou worden gebracht. 11 Het Hof beperkt het onderzoek van de prejudiciële vragen tot die hypothese. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.4.
  28. Met de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.4.
  29. Zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter, verplicht artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ertoe vooraf de uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing te verkrijgen voordat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld voor die beslissing, met het enige voorbehoud van de hypothese die door het Hof bij zijn arrest nr. 99/2014 werd onderzocht. B.4.
  30. In die interpretatie behandelt de in het geding zijnde bepaling op identieke wijze alle personen die een aansprakelijkheidsvordering hebben ingesteld wegens een jurisdictioneel optreden, zonder een onderscheid te maken naargelang zij al dan niet partij waren in de procedure die tot de betwiste beslissing heeft geleid en naargelang zij dus al dan niet de mogelijkheid hebben gehad om een rechtsmiddel tegen die beslissing aan te wenden. B.
  31. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 12 B.
  32. Gelet op het doel en de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling bevinden de personen die partij waren in de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de betwiste beslissing, en die dus een rechtsmiddel kunnen aanwenden tegen die beslissing, en de personen die geen partij waren en geen partij hadden kunnen zijn in die procedure en die dus geen uitwissing van die beslissing kunnen verkrijgen door een rechtsmiddel aan te wenden, zich in wezenlijk verschillende situaties. B.
  33. In zoverre de in het geding zijnde bepaling het mogelijk maakt te beletten dat de partij die in een proces in het ongelijk wordt gesteld, de regelmatigheid van de rechterlijke beslissingen waarbij zij wordt afgewezen, in voorkomend geval tot in het oneindige, betwist, wordt, zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 99/2014, daarmee de doelstelling van rechtszekerheid die men ermee wenst te verwezenlijken, op relevante wijze nagestreefd. B.
  34. Het Hof dient derhalve nog te beoordelen of de in het geding zijnde bepaling een billijk evenwicht tot stand heeft gebracht tussen het recht van het slachtoffer om toegang te hebben tot een rechter teneinde de vergoeding van zijn schade te verkrijgen, en het vereiste van de rechtszekerheid, die de in het geding zijnde bepaling wenst te vrijwaren. B.9.
  35. Ten aanzien van het belang van de doelstelling die ermee wordt nagestreefd, kan ervan worden uitgegaan dat met de in het geding zijnde bepaling op algemene wijze een billijk evenwicht tussen de in het geding zijnde belangen tot stand is gebracht door te vereisen dat de Staat niet aansprakelijk kan worden gesteld zolang de betwiste rechterlijke beslissing niet is uitgewist door middel van de beschikbare rechtsmiddelen. B.9.
  36. Tegen de vonnissen van de strafuitvoeringsrechtbanken kan een cassatieberoep worden ingesteld door de partijen voor die rechtscolleges, dat in voorkomend geval kan leiden tot de uitwissing ervan uit de rechtsorde. Het voormelde cassatieberoep moet verplicht zijn ingesteld en hebben geleid tot de uitwissing van de betwiste beslissing, op straffe van niet- ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding tegen de Staat, die nadien wordt ingesteld door de personen die partij waren in de procedure die tot die beslissing heeft geleid. 13 B.9.
  37. Wanneer, zoals te dezen, de persoon die beweert benadeeld te zijn door de vermeende fout die een strafuitvoeringsrechtbank zou hebben begaan geen partij was en geen partij had kunnen zijn in de procedure die tot de betwiste beslissing heeft geleid en geen enkel rechtsmiddel heeft tegen die beslissing, zodat het voor die persoon onmogelijk is de herroeping, de vernietiging, de wijziging of de intrekking van de beslissing te verkrijgen, worden het slachtoffer echter tegelijkertijd het recht om de Staat aansprakelijk te stellen en de mogelijkheid om de vermeende onregelmatigheid die door die strafuitvoeringsrechtbank zou zijn begaan aan een jurisdictionele beoordeling te onderwerpen, ontzegd. Het Hof dient te bepalen of een dergelijk gevolg evenredig is met de nagestreefde doelstelling. B.10.
  38. Het feit te beletten dat de persoon die geen partij was en geen partij had kunnen zijn in de procedure die heeft geleid tot een beslissing waarvan hij beweert dat zij is aangetast door een fout begaan door een strafuitvoeringsrechtbank in de uitoefening van haar rechtsprekende functie, de aansprakelijkheid van de Staat in het geding kan brengen, kan ten opzichte van de nagestreefde doelstelling onevenredige gevolgen met zich meebrengen. B.10.
  39. Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek is bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zo geïnterpreteerd dat het een persoon die geen partij was en geen partij had kunnen zijn in de procedure die aanleiding heeft gegeven tot een rechterlijke beslissing niet toelaat, zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, de Staat aansprakelijk te stellen voor een fout die door de strafuitvoeringsrechtbank die die beslissing heeft genomen is begaan in de uitoefening van haar rechtsprekende functie. B.11.
  40. Het Hof wijst er niettemin op dat de in het geding zijnde bepaling anders kan worden geïnterpreteerd, in die zin dat het feit dat de betwiste beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, niet belet dat de rechter die uitspraak doet over de aansprakelijkheid de Staat kan veroordelen wegens een fout die door een strafuitvoeringsrechtbank is begaan in de uitoefening van haar rechtsprekende functie, wanneer de benadeelde partij die tracht de Staat aansprakelijk te stellen geen partij was en geen partij had kunnen zijn in de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de betwiste beslissing. 14 B.11.
  41. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Ten aanzien van de tweede tot de vijfde prejudiciële vraag B.12.
  42. Met de tweede tot de vijfde prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.12.
  43. In de door de verwijzende rechter aangenomen interpretatie van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek kan de Staat alleen aansprakelijk worden gesteld voor een fout die een in laatste aanleg uitspraak doende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie heeft begaan, wanneer die fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels. Die interpretatie steunt op de arresten van het Hof nrs. 99/2014 en 29/
  44. Bij zijn arrest nr. 99/2014 heeft het Hof geoordeeld : « B.20.
  45. Hoewel een lichte fout even aanzienlijke schade met zich kan meebrengen als een zware fout, dient ten aanzien van de afzonderlijk gelezen artikelen 10 en 11 van de Grondwet rekening te worden gehouden met de beslissende rol die de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en de toepassing van het recht en met het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen wordt toegekend. Het nastreven van een billijk evenwicht tussen het rechtszekerheidsbeginsel, enerzijds, en het recht op toegang tot de rechter, anderzijds, kan aldus verantwoorden dat het recht op de volledige vergoeding van de schade veroorzaakt door een fout begaan door een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie in de uitoefening van haar rechtsprekende functie slechts wordt gewaarborgd, zonder de voorafgaande uitwissing van de betwiste rechterlijke beslissing te vereisen, indien de rechterlijke instantie op voldoende gekwalificeerde wijze een toepasselijke rechtsregel heeft geschonden ». 15 Bij zijn arrest nr. 29/2017 heeft het daaraan toegevoegd : « B.8.
  46. Op die manier wordt rekening gehouden met de beslissende rol die de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instanties spelen in de interpretatie en de toepassing van het recht en met het bijzondere gezag dat aan hun beslissingen wordt toegekend. Een billijk evenwicht wordt zo gewaarborgd tussen het recht om toegang te hebben tot een rechter teneinde de vergoeding van zijn schade te verkrijgen en de rechtszekerheid ». B.13.
  47. In het gemeen recht kan de fout van de persoon wiens aansprakelijkheid in het geding wordt gebracht op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek bestaan hetzij in de overtreding van een wettelijke of reglementaire norm die rechtssubjecten verplicht om niets te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, hetzij, bij ontstentenis van zulk een norm, in de schending van een algemene gedragsnorm, die wordt beoordeeld in het licht van het gedrag dat kan worden verwacht van een normaal zorgvuldige en voorzichtige persoon die zich in dezelfde omstandigheden bevindt en die dezelfde functie uitoefent of dezelfde kwalificatie heeft als de persoon die aansprakelijk dreigt te worden gesteld. B.13.
  48. In de in B.12.2 uiteengezette interpretatie van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek creëert die bepaling een verschil in behandeling tussen personen die een aansprakelijkheidsvordering instellen wegens een jurisdictioneel optreden, naargelang de aangevoerde fout is begaan door een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan of door een rechterlijke instantie die niet in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan (tweede vraag). Zij creëert eveneens een verschil in behandeling tussen personen die ernaar streven de Staat aansprakelijk te stellen, naargelang de dader van de aangevoerde fout een rechterlijke instantie is die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan of een andere macht van de Staat (vijfde vraag). Zij creëert verder nog een verschil in behandeling tussen personen die een aansprakelijkheidsvordering instellen, naargelang de dader van de aangevoerde fout een rechterlijke instantie is die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan of een andere persoon voor wie het gemeen recht van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid geldt (vierde vraag). Ten slotte behandelt zij de personen die een aansprakelijkheidsvordering instellen wegens een jurisdictioneel optreden op dezelfde manier, zonder een onderscheid te maken naargelang de beslissing waarvan wordt beweerd dat zij door een fout is aangetast, is genomen door een « hooggerechtshof » of door een andere rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak heeft gedaan (derde vraag). 16 B.14.
  49. Het arrest nr. 99/2014 had betrekking op een situatie waarin de Staat aansprakelijk werd gesteld voor een beslissing die was gewezen door de Raad van State. Het arrest nr. 29/2017 betrof een situatie waarin de Staat aansprakelijk werd gesteld voor een beslissing die was gewezen door het Hof van Cassatie. In geen van beide arresten heeft het Hof de hypothese van andere rechterlijke instanties in aanmerking genomen. B.14.
  50. Het Hof heeft in de voormelde arresten geoordeeld dat, voor beslissingen gewezen door de Raad van State en door het Hof van Cassatie, de Staat slechts aansprakelijk kan worden gesteld, krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, indien de fout bestaat in een voldoende gekwalificeerde schending van de toepasselijke rechtsregels, gelet op het feit dat die hoge rechtscolleges een specifieke en beslissende rol spelen bij de interpretatie en de toepassing van het recht en dat een bijzonder gezag aan hun beslissingen wordt toegekend. B.14.
  51. Hoewel de vonnissen van de strafuitvoeringsrechtbanken worden gewezen « in laatste aanleg », daar zij niet vatbaar zijn voor hoger beroep, kan daaruit niet worden afgeleid dat die rechtscolleges een specifieke en beslissende rol spelen bij de interpretatie en de toepassing van het recht of dat een bijzonder gezag aan hun beslissingen wordt toegekend, in tegenstelling tot de beslissingen van het Hof van Cassatie, de Raad van State en het Grondwettelijk Hof. B.14.
  52. Daaruit volgt dat de door de verwijzende rechter aangenomen interpretatie van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is wanneer de Staat aansprakelijk wordt gesteld voor de fout die zou zijn begaan door een strafuitvoeringsrechtbank, zodat op die fout de in B.13.1 vermelde criteria van gemeen recht van toepassing zijn. B.
  53. De tweede tot de vijfde prejudiciële vraag, die steunen op de premisse dat de door de verwijzende rechter aangenomen interpretatie van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ook van toepassing is op de vermeende fout die zou zijn begaan door een strafuitvoeringsrechtbank, behoeven geen antwoord. 17 Om die redenen, het Hof zegt voor recht :
  54. - Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zo geïnterpreteerd dat het belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld voor een fout die door de strafuitvoeringsrechtbank is begaan in de uitoefening van haar rechtsprekende functie zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer de persoon die ernaar streeft de Staat aansprakelijk te stellen geen partij was en geen partij had kunnen zijn in de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de betwiste rechterlijke beslissing, en om die reden de voorafgaande uitwissing ervan niet kon verkrijgen. - Dezelfde bepaling schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zo geïnterpreteerd dat zij niet belet dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld voor een fout die door de strafuitvoeringsrechtbank is begaan in de uitoefening van haar rechtsprekende functie zolang die beslissing niet is ingetrokken, herroepen, gewijzigd of vernietigd, wanneer de persoon die ernaar streeft de Staat aansprakelijk te stellen geen partij was en geen partij had kunnen zijn in de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de betwiste rechterlijke beslissing, en om die reden de voorafgaande uitwissing ervan niet kon verkrijgen.
  55. De tweede, de derde, de vierde en de vijfde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 januari
  56. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.007 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080605.2 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080627.11 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.