← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.008 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210121.6 Arrest- Rolnummer: 8/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-04 Raadplegingen: 352 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - De eerste prejudiciële vraag is niet ontvankelijk. - De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over de artikelen 5 en 9 van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 « betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein », gesteld door de Correctionele Rechtbank Luik, afdeling Hoei. Wegvervoer - Waalse Gewest - Maatregelen tot bescherming van de staat van het wegennet - Overtredingen - Overschrijding van de maximale lading door een voertuig dat op een openbare weg rijdt -

  1. Administratieve sancties -
  2. Strafsancties. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 19-03-2009 - 5 - 68 ELI link Pub nr 2009202017 Decreet Waalse Gewest - 19-03-2009 - 9 - 68 ELI link Pub nr 2009202017 Tekst van de beslissing Rolnummer 7081 Arrest nr. 8/2021 van 21 januari 2021 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 5 en 9 van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 « betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein », gesteld door de Correctionele Rechtbank Luik, afdeling Hoei. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 11 december 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 december 2018, heeft de Correctionele Rechtbank Luik, afdeling Hoei, de volgende prejudiciële vragen gesteld : «
  3. Schendt artikel 5 van het Waalse decreet van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het voor een identieke overtreding zijnde de overschrijding van de maximale lading door een voertuig dat op een openbare weg rijdt, in andere sancties voorziet dan die welke bepaald zijn bij artikel 4, § 1, van de wet van 21 juni 1985 met toepassing van de artikelen 18 en 81 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen ?
  4. Schendt artikel 9 van het Waalse decreet van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het voor een identieke overtreding zijnde de overschrijding van de maximale lading door een voertuig dat op een openbare weg rijdt, in een mogelijke toepassing van eventuele administratieve sancties voorziet indien het openbaar ministerie de zaak niet in behandeling heeft genomen, terwijl, indien de overtreding zou zijn vastgesteld op grond van artikel 18 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, de toepassing van een administratieve sanctie niet mogelijk zou zijn gebleken ? ». Memories zijn ingediend door : - F. F.R., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Lespire en Mr. A. Biemar, advocaten bij de balie te Luik; - het Waalse Gewest (vertegenwoordigd door zijn Regering), bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele, advocaat bij de balie te Brussel. Het Waalse Gewest heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 12 november 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet, ter vervanging van rechter J.-P. Moerman, wettig verhinderd, en J. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 25 november 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 25 november 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 8 augustus 2017 stelt de domaniale politie van het Waalse Gewest vast dat de vrachtwagen die wordt bestuurd door Fabrice Fiorello Riina op het gewestelijk openbaar domein overladen is; die laatste begaat dus de overtredingen die zijn vastgelegd in de derde en vierde paragraaf van artikel 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 « betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein » (hierna : het decreet van 19 maart 2009). Met toepassing van artikel 8bis van dat decreet stelt de politie aan Fabrice Fiorello Riina een onmiddellijke inning van een bedrag van 1 600 euro voor. Op 22 november 2017, na te hebben vastgesteld dat Fabrice Fiorello Riina heeft geweigerd dat bedrag te betalen en dat de procureur des Konings niet te kennen heeft gegeven, binnen de voorgeschreven termijn, dat hij de overtreder strafrechtelijk zou vervolgen of gebruik zou maken van de bevoegdheden die hem bij de artikelen 216bis en 216ter van het Wetboek van Strafvordering zijn toegewezen, beslist de bevoegde ambtenaar van het Waalse Gewest aan de voornoemde bestuurder een administratieve geldboete van 12 800 euro op te leggen, met toepassing van artikel 9 van het decreet van 19 maart
  5. Nadat Fabrice Fiorello Riina bij haar een beroep aanhangig heeft gemaakt tegen die administratieve beslissing, oordeelt de Correctionele Rechtbank Luik, afdeling Hoei, samen met de verzoeker, dat de overlading van een vrachtwagen ook kan worden bestraft met toepassing van federale regels die in andere sancties voorzien, en dat de regels van het decreet van 19 maart 2009 nadelig zijn voor de overtreder. Zij beslist dan ook de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.
  6. Volgens Fabrice Fiorello Riina moeten beide prejudiciële vragen bevestigend worden beantwoord. Hij is van mening dat de overtredingen die zijn omschreven in artikel 5, §§ 3 en 4, van het Waalse decreet van 19 maart 2009, identiek zijn aan de overtredingen die zijn omschreven in artikel 18, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 « houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen » (hierna : het koninklijk besluit van 15 maart 1968). Hij klaagt aan dat de wijze van bestraffing van dat soort strafbaar gedrag varieert naar gelang van de identiteit van de autoriteiten die dat gedrag vaststellen en naargelang het openbaar ministerie al dan niet beslist tot vervolging. Fabrice Fiorello Riina voert ook aan dat, zelfs bij een onmiddellijke inning van een geldsom met toepassing van artikel 8bis van het decreet van 19 maart 2009, het openbaar ministerie een minnelijke schikking in strafzaken kan voorstellen die de betaling van een heel wat lager bedrag inhoudt, met toepassing van artikel 4, § 1, van de wet van 21 juni 1985 « betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen » (hierna : de wet van 21 juni 1985) en van het voormelde koninklijk besluit van 15 maart
  7. A.
  8. Volgens de Waalse Regering moeten de twee prejudiciële vragen ontkennend worden beantwoord. Zij wijst in eerste instantie erop dat de in de prejudiciële vragen opgeworpen verschillen in behandeling niet bestaan omdat, in het Waalse Gewest, sinds het decreet van 19 maart 2009 werd gewijzigd bij het decreet van 24 november 2016 « houdende wijziging van het decreet van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijk openbaar wegen- en waterwegendomein en diverse bepalingen betreffende het vervoer over de weg » (hierna : het decreet van 24 november 2016), alleen het decreet van 19 maart 2009 van toepassing is op overtredingen van de regelgeving betreffende de totale massa en de aslast van voertuigen die gebruikmaken van de openbare weg. De Waalse Regering herinnert eraan dat, sinds de inwerkingtreding van artikel 6, § 1, XII, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, die regelgeving een gewestelijke aangelegenheid is en dat de gewesten daardoor voortaan, in die aangelegenheid, de hoogte van de strafrechtelijke 4 sancties vrij kunnen bepalen of kunnen beslissen om administratieve sancties in te voeren. De Regering merkt op dat het decreet van 24 november 2016, doordat het werd aangenomen ingevolge die regionalisering, artikel 4, § 1, van de wet van 21 juni 1985 en de artikelen 18 en 81 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 impliciet heeft opgeheven in zoverre die federale bepalingen betrekking hebben op het overschrijden van de maximaal toegelaten massa en van de aslast van voertuigen die gebruikmaken van de openbare weg. De Waalse Regering is daarnaast van mening dat de federale aard van de Staat het Hof zou beletten om een verschil tussen, enerzijds, de regels die een gewest heeft aangenomen in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheden en, anderzijds, de regels die door de federale overheid zijn aangenomen voordat de betrokken aangelegenheid naar de gewesten werd overgeheveld, als discriminerend te beschouwen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.
  9. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de eerste prejudiciële vraag betrekking heeft op artikel 5, §§ 3 en 4, van het decreet van het Waalse Gewest van 19 maart 2009 « betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein » (hierna : het decreet van 19 maart 2009), dat, in de versie die van toepassing is op de feiten die aan de verwijzingsbeslissing ten grondslag liggen, bepaalt : « §
  10. Degenen die een voertuig of een sleep van voertuigen besturen waarvan de massa van [lees: « over»] de assen, onverminderd de toepassing van de meettolerantie van het weegtoestel, het toegelaten maximum overschrijdt, worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en een geldboete van 75 euro tot 75.000 euro of met slechts één van die straffen. §
  11. Degenen die een voertuig of een sleep van voertuigen besturen waarvan de totale massa, onverminderd de toepassing van de meettolerantie van het weegtoestel, het toegelaten maximum overschrijdt, worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en een geldboete van 75 euro tot 75.000 euro of met slechts één van die straffen ». B.
  12. Artikel 9 van het decreet van 19 maart 2009, in de versie die van toepassing is op de feiten die aan de verwijzingsbeslissing ten grondslag liggen, bepaalt : « §
  13. Voor zover de feiten krachtens artikel 5 […] strafbaar zijn met een strafrechtelijke sanctie, kan een administratieve boete aan de overtreder opgelegd worden in plaats van een strafrechtelijke sanctie. Het bedrag van de administratieve boete : […] 5 3° wordt bepaald door de opdeciemen zoals bedoeld in de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten toe te passen op het bedrag van de onmiddellijke inning voor de in artikel 5, §§ 3 tot 5 bedoelde overtredingen. De administratieve boete wordt verdubbeld indien de volgende voorwaarden op cumulatieve wijze worden vervuld : 1° bij herhaling van een overtreding als bedoeld in artikel 5, §§ 3 tot 5, binnen drie jaar te rekenen van de definitieve administratieve beslissing tot oplegging van een administratieve boete die zonder onderscheid betrekking heeft op één van de overtredingen; 2° het bedrag van de onmiddellijke inning die van toepassing is op de nieuwe overtreding is minstens gelijk aan het bedrag toegepast op de overtreding die het voorwerp uitmaakt van de definitieve administratie beslissing of schade is aangericht aan het gewestelijke openbaar waterwegendomein ten gevolge van de nieuwe overtreding. […] De Regering wijst één of meerdere sanctionerende ambtenaren aan, hierna ‘ de ambtenaar ’ genoemd, […]. De Regering [lees: ambtenaar] legt de administratieve boetes op onder voorwaarden die zijn onafhankelijkheid en zijn onpartijdigheid waarborgen. […] […] §
  14. De Procureur des Konings beschikt over een termijn van negentig dagen, te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal tot vaststelling van de overtreding, om de ambtenaar bedoeld in § 1 kennis te geven van zijn bedoeling om al dan niet strafrechtelijke vervolgingen op te starten of al dan niet gebruik te maken van de bevoegdheden die hem bij de artikelen 216bis en 216ter van het Strafrechtelijk wetboek toegewezen worden. De kennisgeving door de Procureur des Konings van zijn bedoeling om strafrechtelijke vervolgingen op te starten of gebruik te maken van de bevoegdheden die hem bij de artikelen 216bis en 216ter van het Strafrechtelijk wetboek toegewezen worden sluit de mogelijkheid uit om een administratieve boete op te leggen. Indien de Procureur des Konings kennis geeft van zijn bedoeling om geen strafvervolgingen in te stellen of geen gebruik te maken van de bevoegdheden die hem bij de artikelen 216bis en 216ter van het Strafrechtelijk wetboek toegewezen worden of indien hij zijn beslissing niet heeft meegedeeld na afloop van de termijn bedoeld in het eerste lid, mag de in § 1 bedoelde ambtenaar de procedure opstarten waarbij een administratieve boete opgelegd wordt. §
  15. Wanneer de procedure tot oplegging van een administratieve boete opgestart mag worden, bezorgt de in § 1 bedoelde ambtenaar de vermoedelijke overtreder, indien hij de toepassing van een dergelijke boete nodig acht, een bericht bij ter post aangetekend schrijven en een nieuw afschrift van het proces-verbaal, met de volgende stukken en gegevens : 1° de feiten waarvoor hij overweegt een administratieve boete op te leggen; 6 2° een uittreksel van de overtreden bepalingen; 3° het bedrag van de administratieve boete die hij overweegt op te leggen; 4° de vermoedelijke overtreder heeft het recht om zijn verweermiddelen bij ter post aangetekend schrijven te laten gelden binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen van de datum van mededeling van het bericht; 5° hij kan binnen dezelfde termijn bij ter post aangetekend schrijven vragen om zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen, behalve wanneer het bedrag van de overwogen administratieve boete niet hoger is dan 62,50 euro; 6° hij heeft het recht om zich door een raadsman te laten vertegenwoordigen of bijstaan en om zijn dossier in te kijken. Indien de vermoedelijke overtreder vraagt om zijn verweermiddelen mondeling voor te dragen, geeft de in § 1 bedoelde ambtenaar hem bij ter post aangetekend schrijven kennis van de plaats, de dag en het uur waarop hij gehoord zal worden. Dat verhoor vindt plaats ten vroegste binnen vijftien dagen na verzending van het aangetekend schrijven. Er wordt proces-verbaal van het verhoor van de overtreder opgemaakt. Het wordt getekend door de ambtenaar bedoeld in § 1 en door de overtreder. Indien de overtreder het niet eens is met de inhoud van het proces-verbaal, wordt hij erom verzocht zijn opmerkingen daarin te laten gelden. […] §
  16. Na afloop van de termijn van vijftien dagen bedoeld in § 3, eerste lid, 4°, en, in voorkomend geval, na de datum vastgelegd voor het verhoor van de vermoedelijke overtreder of diens raadsman, beslist de in § 1 bedoelde ambtenaar, rekening houdend met de schriftelijk of mondeling voorgedragen verweermiddelen, indien er verweermiddelen waren, om de aanvankelijk overwogen administratieve boete of een lagere boete op te leggen, of om geen administratieve boete op te leggen. Hij kan de overtreder maatregelen tot uitstel van de uitvoering toestaan. In geval van verzachtende omstandigheden kan hij de administratieve boete verlagen tot onder het wettelijke minimum. Zijn gemotiveerde beslissing en het proces-verbaal van verhoor worden bij ter post aangetekend schrijven aan de overtreder meegedeeld. […] §
  17. Een beslissing waarbij een administratieve boete opgelegd wordt, mag niet meer genomen worden na afloop van de termijn van honderdtachtig dagen na het proces-verbaal tot vaststelling van de overtreding. §
  18. De overtreder die de beslissing van de ambtenaar die hem een administratieve boete oplegt wenst aan te vechten, kan een beroep indienen binnen een termijn van 30 dagen, op straffe van verval, te rekenen van de datum van zijn kennisgeving. 7 Het beroep wordt d.m.v. een verzoekschrift voor de correctionele rechtbank ingediend. […] Het verzoekschrift bevat de identiteit en het adres van de overtreder, de aangevochten beslissing en de motieven van de betwisting van die beslissing. Het beroep schorst de uitvoering van de beslissing. De bepalingen van de voorafgaande leden worden vermeld in de beslissing waarbij de boete opgelegd wordt. De rechtbank kan de overtreder maatregelen tot uitstel van de uitvoering toestaan. In geval van verzachtende omstandigheden kan hij de administratieve boete verlagen tot onder het wettelijke minimum. […] De beslissingen van de correctionele rechtbank […] zijn niet vatbaar voor beroep. […] §
  19. De beslissing waarbij een administratieve boete opgelegd wordt heeft uitvoerende kracht na afloop van een termijn van dertig dagen, die ingaat op de datum van kennisgeving, behalve in geval van beroep. De overtreder […] [beschikt] over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na die waarop de beslissing uitvoerende kracht heeft verworven om de boete te betalen. […] §
  20. De personen die krachtens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek burgerlijk aansprakelijk zijn, zijn ook aansprakelijk voor de betaling van de strafrechtelijke geldboete, van de onmiddellijke inning of van de administratieve boete en van de gerechts- of procedurekosten. De opdrachtgever, de verlader, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur van een vervoer van goederen maakt een aangifte aan de vervoerder aan wie hij het vervoer van een afneembare laadbak of een container toevertrouwt, over; die aangifte vermeldt het gewicht van die container of afneembare laadbak. De vervoerder geeft toegang tot elk nuttig document dat door de verlader is overgemaakt. De opdrachtgever, de verlader, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur van een vervoer van goederen worden op dezelfde wijze gestraft als de daders van de overtredingen bedoeld in artikel 5, §§ 3 tot 5, indien zij instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die tot deze overtredingen hebben geleid of indien ze het tweede lid niet toegepast hebben ». B.3.
  21. Artikel 18, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 « houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen » (hierna : het koninklijk besluit van 15 maart 1968), zoals het werd gewijzigd bij de artikelen 8 en 45, 2°, van het koninklijk besluit van 12 december 1975, bepaalt : 8 « §
  22. Geen voertuig waarvan het gewicht in beladen toestand meer bedraagt dan het hoogste toegelaten gewicht mag zich op de openbare weg bevinden. §
  23. Onverminderd de bepalingen van artikel 32 van dit besluit, mag geen voertuig zich op de openbare weg bevinden wanneer het gewicht op de grond onder elk van de assen of, eventueel, het maximumgewicht onder het steunpunt, het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan 5 pct. overschrijdt ». B.3.
  24. Artikel 81 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, zoals het werd vervangen bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 17 januari 1989, bepaalt : « Elke overtreding van dit algemeen reglement wordt bestraft met de straffen vastgelegd in de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen ». B.3.
  25. Artikel 4, § 1, van de wet van 21 juni 1985 « betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen » (hierna : de wet van 21 juni 1985), zoals het werd gewijzigd bij artikel 87 van de wet van 29 december 2010 « houdende diverse bepalingen (I) » en bij artikel 48 van de wet van 29 december 2010 « houdende diverse bepalingen (II) », bepaalt : « Overtreding van deze wet en van de besluiten die betrekking hebben op de technische eisen betreffende de voertuigen voor vervoer te land, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tien frank tot tienduizend frank of met een van die straffen alleen, onverminderd de vergoeding van de schade indien daartoe grond bestaat. […] De bepalingen van hoofdstuk VII van het eerste boek, alsmede artikel 85 van het Strafwetboek zijn mede van toepassing op die overtredingen. In geval van herhaling binnen twee jaar na een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wegens dezelfde overtreding, mag de straf niet minder zijn dan het dubbel van de straf die vroeger wegens dezelfde overtreding is uitgesproken. Met uitzondering van de inbreuken bedoeld in het tweede tot vierde lid, neemt de politierechtbank kennis van de inbreuken bepaald in dit artikel ». 9 De bedragen van de geldboete waarin het eerste lid van de voormelde bepaling voorziet « worden geacht rechtstreeks te zijn uitgedrukt in euro, zonder omrekening » (artikel 2 van de wet van 26 juni 2000 « betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet », in samenhang gelezen met artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 « betreffende de opdécimes [lees : opdeciemen] op de strafrechtelijke geldboeten »). Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
  26. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat, in die prejudiciële vraag, het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de grondwettigheid van de hoogte van de straf die is vastgelegd bij artikel 5, §§ 3 en 4, van het decreet van 19 maart
  27. B.
  28. In de regel komt het het rechtscollege dat aan het Hof een prejudiciële vraag stelt toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.6.
  29. Te dezen is bij de Correctionele Rechtbank Luik, afdeling Hoei, een beroep aanhangig gemaakt dat gericht is tegen de beslissing van een ambtenaar om een administratieve geldboete op te leggen waarvan het bedrag is bepaald met toepassing van artikel 9, § 1, tweede lid, 3°, van het decreet van 19 maart 2009, zoals weergegeven in B.
  30. Door te verwijzen naar het « bedrag van de onmiddellijke inning » , beoogt die bepaling een bedrag dat wordt bepaald met toepassing van artikel 8bis van hetzelfde decreet, dat, sinds de vervanging ervan bij artikel 8 van het decreet van 24 november 2016 « houdende wijziging van het decreet van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein en diverse bepalingen betreffende het vervoer over de weg » (hierna : het decreet van 24 november 2016), bepaalt : « §
  31. De domaniaal politieagent die een inbreuk op artikel 5 […] vaststelt kan, met de instemming van de overtreder, overgaan tot de onmiddellijke inning van een geldsom. […] 10 §
  32. In geval van overtreding van artikel 5, § 3, bedraagt de onmiddellijke inning onverminderd de toepassing van de meettolerantie van het weegtoestel : 1° 250 euro in geval van overlading tot 5 %; 2° 500 euro in geval van overlading van meer dan vijf procent tot tien procent; 3° 1 000 euro in geval van overlading van meer dan tien procent tot vijftien procent; 4° 1 500 euro in geval van overlading van meer dan vijftien procent tot twintig procent; 5° 2 000 euro in geval van overlading van meer dan twintig procent; 6° 2 500 euro in geval van overlading van meer dan dertig [procent] tot veertig [procent]; 7° 3 000 euro in geval van overlading van meer dan veertig procent tot vijftig procent; 8° 3 500 euro in geval van overlading van meer dan vijftig procent tot zestig procent; 9° 4 000 euro in geval van overlading van meer dan zestig procent. §
  33. In geval van overtreding van artikel 5, § 4, bedraagt de onmiddellijke inning onverminderd de toepassing van de meettolerantie van het weegtoestel : 1° 500 euro in geval van overschrijding van de maximaal toegelaten massa tot tien procent; 2° 1 000 euro in geval van overschrijding van de maximaal toegelaten massa van meer dan tien tot vijftien procent; 3° 2 000 euro in geval van overlading van de maximaal toegelaten massa van meer dan vijftien tot twintig procent; 4° 3 000 euro in geval van overlading van de maximaal toegelaten massa van meer dan twintig tot dertig procent; 5° 4 000 euro in geval van overschrijding van de maximaal toegelaten massa van meer dan dertig tot veertig procent; 6° 5 000 euro in geval van overschrijding van de maximaal toegelaten massa van meer dan veertig procent. §
  34. In afwijking van de §§ 3 en 4 wordt aan de voertuigen en voertuigencombinaties met een maximaal toegelaten massa zoals hierna vermeld een geldboete opgelegd : 1° 3.5 t maximaal toegelaten massa wordt niet overschreden, een onmiddellijke inning van twintig procent van de bedragen bedoeld in de §§ 3 en 4; 11 2° een maximaal toegelaten massa hoger dan 3,5 ton en kleiner dan 12 ton, een onmiddellijke inning van vijftig procent van de bedragen bedoeld in de §§ 3 en 4; 3° een maximaal toegelaten massa hoger dan of gelijk aan 12 ton zonder hoger te zijn dan 32 ton, een onmiddellijke inning van vierentachtig [lees : tachtig] procent van de bedragen bedoeld in de §§ 3 en
  35. […] §
  36. Indien meerdere overtredingen bedoeld in de §§ 3 tot 6 gelijktijdig worden vastgesteld, worden de bedragen van de onmiddellijke inningen gecumuleerd zonder 7 500 euro te mogen overschrijden. […] §
  37. De onmiddellijke betaling van de som dooft de mogelijkheid uit om de overtreder een administratieve geldboete op te leggen voor het beoogde feit. De onmiddellijke betaling van de som belet de procureur des Konings niet om de artikelen 216bis of 126ter van het Wetboek van Strafvordering toe te passen of strafrechtelijke vervolgingen in te stellen. Bij toepassing van de artikelen 216bis of 216ter van het Wetboek van Strafvordering wordt de onmiddellijk geïnde som toegerekend op de som bepaald door het openbaar ministerie en het eventuele overschot wordt terugbetaald. Bij een veroordeling van belanghebbende wordt de onmiddellijk geïnde som toegerekend op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en de uitgesproken geldboete, en het eventuele overschot wordt terugbetaald. Bij een vrijspraak wordt de onmiddellijk geïnde som teruggegeven. Bij een voorwaardelijke veroordeling wordt de onmiddellijk geïnde som teruggegeven na aftrek van de gerechtskosten. Bij een overtreding van artikel 5 […] van het decreet en wanneer de overtreder geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft en de voorgestelde som niet onmiddellijk betaalt of weigert te betalen, moet hij een som in consignatie geven die gelijk is aan het totaalbedrag van de onmiddellijke inningen die per overtreding verschuldigd zijn. […] ». B.6.
  38. Na afloop van het onderzoek van het beroep dat bij haar aanhangig is gemaakt, kan de Correctionele Rechtbank Luik, afdeling Hoei, indien zij van oordeel is dat een administratieve geldboete kon worden opgelegd, « de overtreder maatregelen tot uitstel van de uitvoering toestaan » of, « in geval van verzachtende omstandigheden[, …] de administratieve boete verlagen tot onder het wettelijke minimum » (artikel 9, § 7, van het decreet van 19 maart 2009). 12 Zij kan evenwel geen strafrechtelijke boete opleggen aan de verzoekende partij met toepassing van artikel 5, §§ 3 en 4, van het decreet van 19 maart 2009, omdat de procureur des Konings bij haar in die zin geen vordering tot veroordeling heeft ingesteld. Bovendien wordt de betrokken administratieve geldboete opgelegd « in plaats van [de] strafrechtelijke sanctie » vastgesteld bij artikel 5, §§ 3 en 4, van het decreet van 19 maart 2009 (artikel 9, § 1, van het decreet van 19 maart 2009). Bijgevolg is artikel 5, §§ 3 en 4, van het decreet van 19 maart 2009, in zoverre het de hoogte bepaalt van de straf die kan worden opgelegd aan personen die de gedragingen aannemen die het strafbaar stelt, niet van toepassing op de zaak die hangende is voor het rechtscollege dat de vragen aan het Hof heeft gesteld. B.
  39. Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, die betrekking heeft op de grondwettigheid van de hoogte van die straf, is dus klaarblijkelijk niet nuttig voor het oplossen van het geschil. B.
  40. De eerste prejudiciële vraag is niet ontvankelijk. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
  41. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat, in de prejudiciële vraag, het Hof wordt verzocht de situaties te vergelijken van twee categorieën van personen aan wie wordt verweten een voertuig te besturen, op een openbare weg van het Waalse gewestelijk openbaar domein, waarvan de totale massa of de aslast buitensporig is : enerzijds, de personen die, door dat gedrag, zich blootstellen aan de strafrechtelijke sancties bepaald bij artikel 5, §§ 3 en 4, van het decreet van 19 maart 2009, en, anderzijds, de personen die, door datzelfde gedrag, zich blootstellen aan de strafrechtelijke sancties bepaald bij artikel 4, § 1, van de wet van 21 juni 1985, in samenhang gelezen met artikel 18, §§ 1 en 2, en artikel 81 van het koninklijk besluit van 15 maart
  42. 13 B.10.
  43. Bij artikel 6, § 1, XII, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), zoals het werd ingevoegd bij artikel 25 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, wordt, bij de diverse gewestelijke aangelegenheden met betrekking tot het « verkeersveiligheidsbeleid », « de regelgeving inzake maximaal toegelaten massa en massa’s over de assen van de voertuigen die gebruikmaken van de openbare wegen », ondergebracht. Die bevoegdheidstoewijzing beoogt de « creatie van een homogeen bevoegdheidspakket ‘ zwaar vervoer over de weg ’ » om, in het bijzonder, de « gewestelijke wegeninspectie » in staat te stellen om, onder meer, de naleving van de regels inzake de « maximum toegelaten massa » en de « massa’s over de assen » van de voertuigen die gebruikmaken van de openbare weg te controleren (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2232/1, p. 135). Zij breidt de bevoegdheid van de gewesten dus uit tot het geheel van die regels. B.10.
  44. De gewesten zijn bevoegd om strafrechtelijke sancties te bepalen die gelden bij niet-naleving van de regels die onder hun bevoegdheid vallen (artikel 11, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, vervangen bij artikel 5 van de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur). Zij kunnen ook administratieve sancties bepalen om een dergelijke niet-naleving te bestraffen. B.
  45. De in B.1 geciteerde tekst van artikel 5, §§ 3 en 4, van het decreet van 19 maart 2009 volgt uit wijzigingen van dat decreet bij artikel 3, 3° en 4°, van het decreet van 24 november
  46. Het doel van het decreet van 24 november 2016 bestond erin het bij het decreet van 19 maart 2009 bepaalde sanctiesysteem aan te passen en, onder meer, de overtredingen van de « regelgeving inzake maximaal toegelaten massa en massa’s over de assen van de voertuigen die gebruik maken van de openbare wegen », die voordien door de federale overheid waren bepaald, erin op te nemen omdat die regelgeving een gewestelijke aangelegenheid was geworden krachtens artikel 6, § 1, XII, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (Parl. St., Waals Parlement, 2016-2017, nr. 624/1, p. 3 en nr. 624/4, p. 3). 14 B.
  47. De wijzigingen die artikel 3, 3° en 4°, van het decreet van 24 november 2016 heeft aangebracht aan artikel 5 van het voormelde decreet van 19 maart 2009, hebben dus, voor het grondgebied van het Waalse Gewest, de federale strafrechtelijke regels die zijn vastgelegd in artikel 4, § 1, van de wet van 21 juni 1985, in samenhang gelezen met artikel 18, §§ 1 en 2, en artikel 81 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, impliciet opgeheven, in zoverre die regels ertoe strekken het besturen, op een openbare weg van het Waalse gewestelijk openbaar domein, van een voertuig met een buitensporige totale massa of aslast te bestraffen. Omdat, in die mate, die federale regels niet meer van toepassing zijn in het Waalse Gewest, is het in B.9 omschreven verschil in behandeling onbestaande. B.
  48. Aangezien zij op een verkeerde vaststelling berust, behoeft de tweede prejudiciële vraag geen antwoord. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - De eerste prejudiciële vraag is niet ontvankelijk. - De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 21 januari
  49. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.