← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.013

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.013 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210128.8 Arrest- Rolnummer: 13/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-04 Raadplegingen: 355 - laatst gezien 2026-06-20 02:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 40bis, § 2, 2°, en 40ter, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » schenden de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet niet UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 40bis, § 2, 2°, en 40ter, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad van State. Vreemdelingenrecht - Verblijfsrecht - Gezinshereniging - Wettelijke samenwoning - Uitsluiting - Situatie van een huwelijksbeletsel met de buitenlandse wettelijk samenwonende. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 40bis,§2,2° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 40ter,§2 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Rolnummer 7200 Arrest nr. 13/2021 van 28 januari 2021 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 40bis, § 2, 2°, en 40ter, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, R. Leysen, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 244.636 van 28 mei 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 juni 2019, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 40bis, § 2, 2°, en 40ter, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen en in samenhang met de artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre zij de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd overeenkomstig het voorschrift van artikel 1476, § 1, van het Burgerlijk Wetboek en die personen zijn die worden beoogd in de artikelen 161 tot 163 van het Burgerlijk Wetboek, automatisch uitsluiten van het recht op gezinshereniging, terwijl dat niet het geval is voor de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd maar die niet worden beoogd in de artikelen 161 tot 163 van het Burgerlijk Wetboek ? ». Memories zijn ingediend door : - C. I.B., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Andrien, advocaat bij de balie te Luik; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Derriks, advocaat bij de balie te Brussel. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 25 november 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 december 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 9 december 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil C. I.B., verzoekende partij die voor de verwijzende rechter een administratief cassatieberoep heeft ingesteld, is van Congolese nationaliteit en is moeder van een meerderjarige Belgische onderdaan. Zij legt met haar dochter een verklaring van wettelijke samenwoning af op 3 november 2014. Na andere vruchteloze regularisatieaanvragen dient C. I.B. op 11 augustus 2016 een aanvraag in tot gezinshereniging. Die aanvraag maakt op 16 september 2016 het voorwerp uit van een weigeringsbeslissing met bevel om het grondgebied te verlaten, die vervolgens wordt aangevochten voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die op 7 september 2018 het beroep gedeeltelijk verwerpt. 3 C. I.B. stelt bij de Raad van State een administratief cassatieberoep in tegen het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, bij verzoekschrift van 4 oktober 2018. De verwijzende rechter is van mening dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de artikelen 40bis en 40ter van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » correct heeft toegepast en twijfelt of de door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag pertinent is. Hij beslist evenwel, bij arrest van 28 mei 2019, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.1. Volgens de verzoekende partij voor de verwijzende rechter is er een discriminatie tussen de wettelijk samenwonenden die worden beoogd in de artikelen 161 tot 163 van het Burgerlijk Wetboek, namelijk diegenen voor wie een huwelijksbeletsel geldt – waarvan zij deel uitmaakt -, en de wettelijk samenwonenden die niet door die bepalingen worden beoogd, in zoverre de eerstgenoemden automatisch van gezinshereniging worden uitgesloten krachtens de in het geding zijnde bepalingen, in tegenstelling tot de laatstgenoemden. A.1.2. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter betwist niet dat het aldus gemaakte onderscheid op een objectief criterium berust, maar niets in de parlementaire voorbereiding laat toe het doel, de pertinentie en het evenredige karakter ervan te begrijpen. A.1.3. Verwijzend naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », ziet de verzoekende partij voor de verwijzende rechter niet duidelijk welk doel de wetgever voor ogen had toen hij dat verschil in behandeling invoerde. Twee hypothesen kunnen worden overwogen. Enerzijds zou het beoogde doel de bescherming kunnen zijn van paren die een seksuele relatie hebben. Zulk een opvatting van het begrip paar, of zelfs van het huwelijk, blijkt geenszins uit het Burgerlijk Wetboek. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter is hoe dan ook van mening dat het beschermen van een samenlevingsvorm die « lijkt » op die van gehuwden niet legitiem is. Anderzijds zou het doel kunnen zijn schijnsamenwoningen te vermijden. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter twijfelt aan de legitimiteit van zulk een doel omdat het berust op de verkeerde premisse dat een partnerschap tussen personen die niet mogen huwen, noodgedwongen met bedrieglijk opzet wordt aangegaan. A.1.4. Indien de voormelde doelstellingen toch als legitiem zouden worden beschouwd, is de verzoekende partij voor de verwijzende rechter van mening dat de automatische onmogelijkheid, voor wettelijk samenwonenden die niet mogen huwen, om een gezinshereniging aan te vragen niet pertinent is om die doelstellingen te verwezenlijken. De onmogelijkheid om te huwen kan immers zijn ingegeven door andere redenen, zoals het ontbreken van een wil daartoe of de onwettigheid van zulk een verbintenis volgens een ander nationaal recht, bijvoorbeeld voor homoseksuelen. Overigens, indien het erom gaat schijnsamenwoningen te vermijden, zijn artikel 1476bis van het Burgerlijk Wetboek, alsook de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 40bis van de wet van 15 december 1980, reeds doeltreffend om die te bestrijden. Vanaf het ogenblik dat de intentie van de toekomstige samenwonenden is onderzocht door de ambtenaar van de burgerlijke stand en de duur en de stabiliteit van hun relatie vervolgens zijn geverifieerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, is het niet meer pertinent om hun principieel elke gezinshereniging te verbieden. A.1.5. Hoe dan ook doet de verzoekende partij voor de verwijzende rechter gelden dat het verschil in behandeling niet evenredig is met de beoogde doelstellingen. Niet alleen zijn er de reeds aangehaalde maatregelen, te weten artikel 1476bis van het Burgerlijk Wetboek en de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 40bis van de wet van 15 december 1980, maar de maatregel is ook beperkt in de tijd (vijf jaar) en de Staat kan hem beëindigen in geval van fraude. Zo kan het openbaar ministerie te allen tijde een zaak aanhangig maken bij de rechtbank van eerste aanleg. Kortom, voldoende maatregelen zijn reeds genomen om schijnsamenwoningen te voorkomen. Het is bijgevolg kennelijk onevenredig om aanvragen tot gezinshereniging principieel af te wijzen voor de wettelijk samenwonenden voor wie een huwelijksbeletsel geldt, indien er geen sprake is van bedrieglijk opzet en zij bovendien bewijzen dat hun relatie duurzaam en stabiel is. Een dergelijke absolute uitsluiting laat niet toe rekening 4 te houden met de eventuele inmengingen in het recht op eerbiediging van het gezinsleven. De rechter kan thans immers geen rekening houden met het bestaande gezinsleven van de kandidaten voor een gezinshereniging. A.2.1. In hoofdorde voert de Ministerraad aan dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën niet vergelijkbaar zijn. Zowel de personen die zich in een situatie bevinden waarin een huwelijksbeletsel geldt als de anderen hebben weliswaar een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd maar, ofschoon zij vergelijkbaar zijn in het burgerlijk recht, geldt dat niet wat het verblijfsrecht en a fortiori het recht op gezinshereniging betreft. Het recht van de Europese Unie definieert immers zelf de « familieleden » die in aanmerking komen voor een gezinshereniging. Zo wordt het begrip « partnerschap » specifiek opgevat als zijnde gelijkwaardig met het huwelijk. A.2.2. Krachtens artikel 3, lid 2, b), van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 « betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden tot wijziging van de verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG » (hierna : de richtlijn 2004/38/EG), vergemakkelijken de lidstaten, via hun nationaal recht, de binnenkomst en het verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft. Volgens de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt de maatschappelijke realiteit van feitelijke paren beoogd, alsook de situatie van ongehuwd samenwonen, die in Europa steeds vaker voorkomt. De Ministerraad herinnert overigens eraan dat die bepaling voortvloeit uit een politiek akkoord op Europees niveau. Het standpunt van de Europese Commissie volgens hetwelk het begrip « familie » als zodanig niet de feitelijke paren dekt, maar dat die situatie kan worden geregeld door het interne recht van de lidstaten, wijst ook in die richting (Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG-Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven, SEC/2003/1293). A.2.3. Uit de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » en de wet van 8 juli 2011 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging » (hierna : de wet van 8 juli 2011) blijkt dat de personen die men met die wetten wil beschermen, de personen zijn die een samenlevingsproject hebben dat lijkt op dat van gehuwden. Bijgevolg kunnen personen voor wie, hoewel zij een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd, het onmogelijk is een dergelijk project te koesteren, niet nuttig worden vergeleken met de personen die worden beoogd door het recht op gezinshereniging. De Ministerraad onderstreept dat de verzoekende partij voor de verwijzende rechter ten onrechte ervan uitgaat dat een wettelijke samenwoning als zodanig een recht op gezinshereniging zou toekennen. De situatie waarbij dat recht wordt toegekend, onder voorwaarden, is niet het burgerrechtelijk begrip van de wettelijke samenwoning, maar het begrip « partnerschap » in het vreemdelingenrecht. A.2.4. Alleen de personen die als paar samenleven kunnen een verblijfsrecht aanvragen op grond van de in het geding zijnde bepalingen. Het tegenovergestelde zou, volgens de Ministerraad, neerkomen op een uitholling van de voorwaarden die door de wetgever zijn gesteld in artikel 40bis, § 2, 2°, van de wet van 15 december 1980, meer bepaald die welke betrekking hebben op een gemeenschappelijk kind of het ontbreken van een duurzame en stabiele partnerrelatie met een andere persoon. A.2.5. Samengevat is de Ministerraad van mening dat het uitgangspunt dat een wettelijk samenwonende een verblijfsrecht zou genieten omdat het burgerrechtelijk instituut van de wettelijke samenwoning niet dezelfde beletsels inhoudt als het huwelijk, erop zou neerkomen dat aan de wettelijk samenwonende meer rechten worden toegekend, terwijl het de wil van de wetgever was om de situatie van de partners, in het kader van een duurzame relatie, af te stemmen op die van de gehuwden. A.2.6. Voor het overige herinnert de Ministerraad eraan dat, zoals het Hof reeds kon benadrukken in zijn arrest nr. 157/2006 van 18 oktober 2006, een bevestigend antwoord op de prejudiciële vraag afbreuk zou kunnen doen aan de orde van de bestaande familiestructuren. A.2.7. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, indien de categorieën als vergelijkbaar zouden worden beschouwd, het verschil in behandeling gegrond zou zijn op een objectief criterium, dat het zou beantwoorden aan een legitiem doel en dat het noodzakelijk zou zijn en evenredig met dat doel. 5 Volgens de Ministerraad was het doel dat met de omzetting van de richtlijn 2004/38/EG werd nagestreefd de regeling van de gezinshereniging open te stellen voor ongehuwde partners die met elkaar een stabiele en duurzame relatie hebben. In dat verband onderstreept de Ministerraad dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 8 juli 2011 aantoont dat de situaties werden beoogd waarin de seksuele relatie in principe centraal stond. De onmogelijkheid, voor wettelijk samenwonenden voor wie een huwelijksbeletsel geldt, om een gezinshereniging aan te vragen is gegrond op een objectief criterium, namelijk het bestaan van een samenlevingsproject dat vergelijkbaar is met dat van gehuwden, met andere woorden de wens om als paar samen te leven. De Ministerraad brengt ook in herinnering dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de wetgever op geldige wijze specifieke criteria kon bepalen voor het verblijfsrecht in het kader van een gezinshereniging (arrest nr. 120/2017 van 12 oktober 2017, B.6.2). A.2.8. Met het onderscheid worden doelstellingen nagestreefd die de Ministerraad legitiem acht. Het strekt ertoe misbruiken te bestrijden en gezinshereniging te contingenteren. Die beletsels maken het mogelijk de gezinshereniging af te bakenen en verminderen de risico’s op schijnsamenwoning. De Ministerraad herinnert eraan dat het Hof in zijn arrest nr. 43/2015 van 26 maart 2015 heeft erkend dat het doel van bestrijding van misbruiken in het kader van een aanvraag tot gezinshereniging legitiem is. Op dezelfde manier is de Ministerraad van mening dat het Hof ook heeft erkend dat de bestrijding van misbruiken die voortvloeien uit een schijnsamenwoning legitiem is (arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013). A.2.9. Het criterium dat de wetgever heeft gekozen is, volgens de Ministerraad, een pertinent criterium omdat het niet de strikte gelijkheid tussen paren verbreekt. Er dient immers te worden vastgesteld dat alle paren zonder onderscheid aan dezelfde huwelijksbeletsels zijn onderworpen. A.2.10. De Ministerraad is ten slotte van mening dat de maatregel evenredig is met de legitieme doelstellingen die hij nastreeft. Enerzijds is de maatregel niet onredelijk omdat het recht van bloedverwanten in opgaande lijn op een gezinshereniging uitdrukkelijk werd opgeheven bij de wet van 8 juli 2011 en omdat die hervorming door het Hof geldig werd verklaard, in zijn arrest nr. 121/2013. Het feit dat een contract van wettelijke samenwoning werd gesloten tussen een bloedverwant in opgaande lijn en een bloedverwant in neergaande lijn verandert niets daaraan. Anderzijds heeft de maatregel geen onevenredige gevolgen voor de andere rechten van de beoogde personen. Hij verhindert niet een verblijfsmachtiging toe te kennen op basis van andere wettelijke gronden. Op dezelfde manier doet de in het geding zijnde maatregel geen afbreuk aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens omdat dat artikel voor de lidstaten geen positieve verplichting inhoudt om een verblijfsrecht toe te kennen aan een vreemdeling die, zelfs wettelijk, zou samenwonen met een eigen onderdaan. Die laatste conclusie, zo brengt de Ministerraad in herinnering, wordt aanvaard door zowel het Hof (arrest nr. 120/2017) als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 27 september 2011, Bah t. Verenigd Koninkrijk), dat eveneens stelt dat « de relatie tussen volwassenen niet noodzakelijk de bescherming van artikel 8 van het Verdrag geniet, zonder dat het bestaan wordt aangetoond van aanvullende elementen van afhankelijkheid, andere dan de normale affectieve banden » (EHRM, 17 januari 2006, Aoulmi t. Frankrijk). -B- B.1.1. De prejudiciële vraag betreft de artikelen 40bis, § 2, 2°, en 40ter, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980), die betrekking hebben op de gezinshereniging van de familieleden van een burger van de Unie en van de familieleden van een Belg, die bepalen : 6 « Art. 40bis. […] § 2. Als familielid van de burger van de Unie worden beschouwd : […] 2° de partner, die hem begeleidt of zich bij hem voegt, met wie de burger van de Unie overeenkomstig een wet een geregistreerd partnerschap heeft gesloten. De partners moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :

  1. a)bewijzen een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele partnerrelatie te onderhouden. Het duurzaam en stabiel karakter van deze relatie is aangetoond : - indien de partners bewijzen gedurende minstens één jaar, voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken in België of een ander land te hebben samengewoond; - ofwel indien de partners bewijzen dat zij elkaar sedert ten minste twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag, kennen en het bewijs leveren dat zij regelmatig, telefonisch, via briefwisseling of elektronische berichten met elkaar contact onderhielden en dat zij elkaar in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag drie maal ontmoet hebben en dat deze ontmoetingen in totaal 45 of meer dagen betreffen; - ofwel indien de partners een gemeenschappelijk kind hebben;
  2. b)met elkaar komen samenleven;
  3. c)beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. De minimumleeftijd van de partners wordt teruggebracht tot achttien jaar wanneer zij het bewijs leveren van een samenwoning van ten minste een jaar voordat de vreemdeling bij wie men zich voegt, in het Rijk aankwam;
  4. d)ongehuwd zijn en geen duurzame en stabiele partnerrelatie hebben met een andere persoon;
  5. e)geen personen zijn bedoeld in artikelen 161 tot 163 van het Burgerlijk Wetboek;
  6. f)ten aanzien van geen van beiden is een definitieve beslissing genomen tot weigering van de voltrekking van het huwelijk op basis van artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek. […] ». 7 « Art. 40ter. […] § 2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de volgende familieleden van een Belg die niet zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft uitgeoefend krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie : 1° de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, mits zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen; 2° de familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4°, mits het de vader en moeder van een minderjarige Belg betreft die hun identiteit bewijzen door middel van een geldig identiteitsdocument en zij de Belg die het recht op gezinshereniging opent vergezellen of zich bij hem voegen. De familieleden bedoeld in het eerste lid, 1°, moeten bewijzen dat de Belg : 1° beschikt over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen. Aan die voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan indien de bestaansmiddelen ten minste gelijk zijn aan honderdtwintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en zoals geïndexeerd volgens artikel 15 van voormelde wet. Bij het beoordelen van deze bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid. Er wordt daarentegen geen rekening gehouden met de middelen verkregen uit het leefloon, de financiële maatschappelijke dienstverlening, de kinderbijslagen en toeslagen, de inschakelingsuitkeringen en de overbruggingsuitkering. De werkloosheidsuitkering komt alleen in aanmerking indien de Belg bewijst dat hij actief werk zoekt. Deze voorwaarde is niet van toepassing indien alleen zijn minderjarige familieleden bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3°, de Belg vergezellen of zich bij hem voegen. 2° beschikt over voldoende huisvesting die hem in staat stelt zijn familielid of familieleden die hem vergezellen of zich bij hem voegen te herbergen en die voldoet aan de voorwaarden opgelegd aan een onroerend goed dat als hoofdverblijfplaats wordt verhuurd zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de Belg bewijst dat het onroerend goed aan de opgelegde voorwaarden voldoet. 3° beschikt over een ziektekostenverzekering die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt. Als een attest van geen huwelijksbeletsel is afgegeven, wordt er naar aanleiding van het onderzoek van een aanvraag tot gezinshereniging gebaseerd op het voltrokken huwelijk, waarvoor het attest is afgegeven, geen nieuw onderzoek uitgevoerd, tenzij er nieuwe gegevens zijn. 8 Wat de personen betreft bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° en 2°, moeten de echtgenoten of de partners beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. Deze minimumleeftijd wordt echter teruggebracht tot achttien jaar indien de echtelijke band of het geregistreerd partnerschap dat als gelijkwaardig wordt beschouwd met het huwelijk reeds vóór de indiening van het verzoek tot gezinshereniging bestond of indien ze, in het geval van een wettelijk geregistreerd partnerschap, bewijzen dat ze vóór de indiening van het verzoek tot gezinshereniging minstens één jaar hebben samengewoond. Onverminderd de artikelen 42ter en 42quater, kan aan het verblijf van een familielid van een Belg ook een einde worden gemaakt wanneer de voorwaarden van het tweede lid niet meer zijn vervuld ». B.1.2. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de prejudiciële vraag meer bepaald betrekking heeft op artikel 40ter, § 2, 1°, in samenhang gelezen met artikel 40bis, § 2, 2°, e), van de wet van 15 december 1980, in zoverre die bepalingen de meerderjarige Belgische onderdanen die een geregistreerd partnerschap, namelijk een verklaring van wettelijke samenwoning, hebben gesloten, verhinderen een gezinshereniging met hun partner te verkrijgen wanneer zij zich bevinden in de situatie van een huwelijksbeletsel bedoeld in artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek. Het Hof beperkt zijn onderzoekt tot die hypothese. B.1.3. Het begrip « geregistreerd partnerschap » werd in artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 ingevoerd bij de wet van 25 april 2007 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ». In de parlementaire voorbereiding van die wet wordt die toevoeging als volgt verantwoord : « Het geregistreerd partnerschap is een nieuw begrip in het vreemdelingenrecht. Hiervoor kan worden verwezen naar de definitie van de relatie van samenleven in de voornoemde omzendbrief van de minister van Justitie van 23 september 2004 (punt M.1) : het gaat om een relatie van samenleven tussen personen van een verschillend of van hetzelfde geslacht die in toepassing van de Belgische wet of een buitenlandse wet formeel werd geregistreerd door een overheid. In ons land gaat het om de wettelijke samenwoning die wordt voorzien in artikelen 1475 tot 1479 van het Burgerlijk Wetboek. Het begrip van een duurzame en stabiele relatie wordt momenteel reeds gebruikt in het kader van de voornoemde omzendbrief van 30 september 1997. Het kan gaan om een relatie die begon op het moment dat beide partners nog in het buitenland verbleven, om een in België bestaande relatie of een combinatie van beide. 9 Naar analogie met de voorziene regel wordt voorzien dat de twee partners ouder moeten zijn dan 21 jaar om van het recht op gezinshereniging te kunnen genieten. Deze leeftijd wordt teruggebracht tot 18 jaar indien ze het bewijs leveren dat ze minstens één jaar vóór de komst van de vreemdeling bij wie men zich in België komt voegen, hebben samengewoond. De situatie van de partners van een burger van de Unie die niet voldoen aan de voorwaarden die vastgelegd zijn om het recht op gezinshereniging, op basis van ontwerpartikel 40bis, te kunnen genieten wordt, zoals in het verleden, geregeld op basis van artikel 9 van de wet. Overeenkomstig artikel 3.2, laatste lid, van de richtlijn houdt het onderzoek van de aanvraag voor een machtiging tot verblijf op deze basis een nauwkeurig onderzoek van de persoonlijke situatie van de betrokken personen in. De eventuele beslissing tot weigering wordt met redenen omkleed (cf. art. 62 van de wet) » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2845/001, p. 41). B.1.4. De specifieke voorwaarde met betrekking tot het huwelijksbeletsel werd op haar beurt ingevoegd bij de wet van 8 juli 2011 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging ». Zij werd als volgt verantwoord in de parlementaire voorbereiding : « Het samenlevingscontract wordt steeds vaker misbruikt sinds het een verblijfsrechterlijk voordeel kan opleveren. Na het verschijnsel van de schijnhuwelijken worden we steeds vaker geconfronteerd met de schijnsamenwoonst, louter voor het verblijfsrechterlijk voordeel. Dit amendement legt strengere voorwaarden op voor het gebruik van het kanaal van de samenwoonst in het verkrijgen van een verblijfsvergunning ». (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0443/002, p. 5). « In de context van de verblijfsregelgeving kunnen enkel de partnerrelaties - dit zijn de seksuele relaties waarin er een wens bestaat als koppel samen te leven - in overweging worden genomen voor gezinshereniging. Immers kan worden opgemerkt dat, door het recht op gezinshereniging te openen voor vreemdelingen met een wettelijk geregistreerd partnerschap er een bescherming werd beoogd voor de personen die een samenlevingsproject hebben dat lijkt op dat van echtgenoten maar voor wie het huwelijk niet mogelijk is, omdat ze dat niet wensen of omdat hun nationaal recht dat niet toestaat. Zij dienen in aanmerking te kunnen komen voor een gelijkaardige bescherming als die verleend wordt aan de personen die met elkaar zijn gehuwd. Dergelijke toepassing bleek reeds uit de aanvullende vereisten die werden gesteld : het niet-gehuwd zijn, het hebben van een duurzame en stabiele partnerrelatie en de afwezigheid van een duurzame en stabiele partnerrelatie met een andere persoon dan de persoon met wie hij een partnerschap heeft gesloten. Bedoeling van deze wetswijziging is om dit duidelijker weer te geven en toepassingsproblemen in de praktijk verder uit te sluiten. Bijgevolg worden daarnaast ook de situaties van huwelijksbeletselen (vb. uitsluiting huwelijk tussen broer en zus) voortaan ook uitdrukkelijk uitgesloten » (ibid., DOC 53-0443/004, p. 9). 10 « Dit artikel preciseert daarenboven het kader van de wettelijke samenwoning. De verblijfsregelgeving bepaalt dat gezinshereniging alleen in aanmerking komt wanneer sprake is van een partnerrelatie (dit is een relatie waarbinnen de partners als paar wensen samen te leven). Er is alleen sprake van een partnerrelatie wanneer die relatie niet louter tot doel heeft een verblijfsrechtelijk voordeel te verwerven. Tevens wordt opgemerkt dat, door het recht op gezinshereniging te openen voor vreemdelingen die een wettelijk geregistreerd partnerschap hebben gesloten, wordt beoogd de personen te beschermen die een gemeenschappelijk levensproject hebben aangegaan dat vergelijkbaar is met dat van echtgenoten, maar voor wie een huwelijk uitgesloten is, omdat zij niet willen huwen, of omdat hun nationaal recht dat niet toestaat. Zij moeten in aanmerking kunnen komen voor een gelijkwaardige bescherming als die welke verleend wordt aan gehuwde personen. Een dergelijke toepassing bleek al uit de bijkomende vereisten die werden gesteld, met name niet gehuwd zijn, een duurzame en stabiele partnerrelatie hebben en er geen duurzame en stabiele partnerrelatie op nahouden met een andere persoon dan de persoon met wie een partnerschap werd gesloten. Met deze wetswijziging wordt beoogd die aspecten duidelijker in de verf te zetten en toepassingsproblemen in de praktijk uit te sluiten. Bijgevolg worden de situaties als een huwelijk tussen broer en zus voortaan ook uitdrukkelijk uitgesloten » (ibid., DOC 53-0443/007, pp. 4-5). « Voorts worden, overeenkomstig de vigerende huwelijksbeletselen, de partnerrelaties tussen de in de artikelen 161 en 162 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde personen van deze regeling uitgesloten (bijvoorbeeld de band tussen broer en zus). Door die beperking wordt de gezinshereniging afgebakend, met name met betrekking tot de bepalingen inzake schijnsamenwoning » (ibid., DOC 53-0443/018, p. 16). B.2. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de vreemdelingen die een verklaring van wettelijke samenwoning afleggen met een persoon van Belgische nationaliteit met wie zij wettelijk gezien niet kunnen huwen wegens het bestaan van een huwelijksbeletsel en, anderzijds, de vreemdelingen die een verklaring van wettelijke samenwoning afleggen met een persoon van Belgische nationaliteit met wie er geen huwelijksbeletsel bestaat. In zoverre die twee categorieën van personen een verklaring van wettelijke samenwoning kunnen afleggen, zijn zij voldoende vergelijkbaar. B.3. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. 11 Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.4. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de situatie van een huwelijksbeletsel bedoeld in artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt : « Het huwelijk is verboden tussen alle bloedverwanten in de rechte opgaande en nederdalende lijn en de aanverwanten in dezelfde lijn ». B.5. Uit de in B.1.4 geciteerde parlementaire voorbereiding blijkt dat het doel dat met de in het geding zijnde bepalingen wordt nagestreefd, in zoverre zij een gezinshereniging toestaan met de persoon die gebonden is door een geregistreerd partnerschap, erin bestond de personen te beschermen die niet gehuwd zijn, hetzij omdat zij dat niet wensen, hetzij omdat hun nationaal recht dat niet toestaat, maar die een samenlevingsproject hebben aangegaan dat vergelijkbaar is met dat van echtgenoten, door hun een bescherming te bieden die vergelijkbaar is met die welke aan gehuwden wordt verleend. Het doel om die paren een ruimere bescherming te verlenen, vloeit voort uit de wil om zich te conformeren aan de wens van de Europese wetgever om « de binnenkomst en het verblijf van de partner waarmee de burger van de Unie een naar behoren gestaafde duurzame relatie heeft, [te begunstigen] » (Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 251, lid 2, tweede alinea, van het EG- Verdrag over het gemeenschappelijk standpunt van de Raad met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven, SEC/2003/1293), vanuit de vaststelling dat de lidstaten niet konden voorbijgaan aan het groeiende fenomeen van ongehuwd samenwonen en « feitelijke » paren (voorstel van richtlijn van het Europees Parlement en de Raad « betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden zich op het grondgebied van de lidstaten vrij te verplaatsen en er vrij te verblijven », COM

(2001)0257). Hoewel artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 de familieleden beoogt van een Belg die niet zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten heeft uitgeoefend, wordt de voormelde legitieme doelstelling eveneens te hunnen aanzien nagestreefd. 12 B.
  1. De in het geding zijnde artikelen hebben tot doel de situatie van personen die een samenlevingsproject hebben dat lijkt op dat van echtgenoten, te beschermen. De voorwaarde dat men geen van de personen bedoeld in artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek mag zijn, is bijgevolg pertinent ten opzichte van het doel van bescherming van de feitelijke paren, omdat zulk een relatie niet kan bestaan tussen personen voor wie een huwelijksbeletsel geldt. Die voorwaarde is overigens pertinent ten opzichte van het doel dat erin bestaat te vermijden dat personen het burgerrechtelijk instituut van de verklaring van wettelijke samenwoning instrumentaliseren om leden van hun familie een verblijfsrecht te laten genieten dat zij niet zouden kunnen verkrijgen op grond van de bepalingen inzake gezinshereniging. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust bijgevolg op een objectief en pertinent criterium en is redelijk verantwoord. B.7.
  2. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij het arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013, houdt het ontbreken van de mogelijkheid, voor meerderjarige Belgen, om een gezinshereniging met hun bloedverwanten in opgaande lijn aan te gaan, geen onevenredige aantasting in van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, noch van het recht op bescherming van het gezinsleven : « Door in artikel 40ter van de wet van 15 december 1980 de gezinshereniging van minderjarige Belgen met hun beide ouders toe te laten zonder bijkomende voorwaarden, houdt de wetgever rekening met de bijzondere band van afhankelijkheid tussen jonge kinderen en hun ouders. Daarentegen is het feit dat de meerderjarige Belg gescheiden leeft van zijn ouders in de regel het gevolg van een persoonlijke keuze. Bovendien heeft de meerderjarige Belg, op het nationale grondgebied een affectief netwerk kunnen opbouwen. Ook al kunnen die banden niet worden gelijkgesteld met de verwantschapsbanden die hem met zijn rechtstreekse bloedverwanten in de opgaande lijn verbinden, blijft het niettemin een feit dat de integratie van de meerderjarige Belg wiens ouders geen burgers van de Unie zijn, de permanente aanwezigheid op het nationale grondgebied van zijn ouders voor hem minder noodzakelijk maakt. Bovendien kunnen die laatsten, zowel met het oog op een kort verblijf, als met het oog op een langdurig verblijf, een toelating tot verblijf vragen op grond van de bepalingen vervat in titel I van de wet van 15 december 1980, die in beginsel op algemene wijze voor alle vreemdelingen gelden. Er is derhalve geen onevenredige aantasting van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie noch van het recht op de bescherming van het gezinsleven doordat aan de ouders van een meerderjarige Belg geen verblijfstitel in het kader van gezinshereniging kan worden verleend » (arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013, B.54.2). Het feit dat er een verklaring van wettelijke samenwoning bestaat tussen de meerderjarige Belg en zijn ouders die geen Europese burger zijn, kan die conclusie niet wijzigen. 13 B.7.
  3. Ten slotte heeft de voorwaarde dat men geen van de personen bedoeld in artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek mag zijn, geen onevenredige gevolgen, aangezien er, voor een bloedverwant in opgaande lijn van een meerderjarige Belg, die geen Europese burger is, andere wettelijke gronden bestaan om tot verblijf te worden toegelaten. Er is bijgevolg geen onevenredige aantasting van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, noch van het recht op bescherming van het gezinsleven. B.
  4. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 40bis, § 2, 2°, en 40ter, § 2, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » schenden de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 28 januari
  5. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.013 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.