id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.020 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210211.1 Arrest- Rolnummer: 20/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-19 Raadplegingen: 330 - laatst gezien 2026-06-19 17:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 154 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2016, schendt artikel 23 van de Grondwet niet. - Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij de belastingplichtigen wier pensioen de vastgestelde grens niet overschrijden wanneer zij daarenboven een gering inkomen genieten, uitsluit van de afbouwregel waarin zij voorziet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 154 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Personenbelasting - Belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten - Bijkomende belastingvermindering - Afbouwregel. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 10-04-1992 - 154 - 32 ELI link Pub nr 1992041050 Tekst van de beslissing Rolnummer 7057 Arrest nr. 20/2021 Van 11 februari 2021 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 154 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 8 november 2018, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 november 2018, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 154 van het WIB 1992, dat de toekenning van een bijkomende belastingvermindering koppelt aan de voorwaarde dat alle netto-inkomsten uitsluitend bestaan in pensioenen of vervangingsinkomsten, door een gepensioneerde een fiscaal voordeel en een deel van zijn nettopensioen te ontzeggen om de enige reden dat hij een zeer gering bedrag aan inkomsten ontvangt die in de zin van artikel 27 van het WIB 1992 fiscaal als baten worden gekwalificeerd, artikel 23 van de Grondwet, dat, met name in het socialezekerheidsrecht, elke vermindering van rechten verbiedt ? »; « Schendt artikel 154 van het WIB 1992, dat vereist dat enkel netto-inkomsten worden ontvangen die uitsluitend bestaan in pensioenen of vervangingsinkomsten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een niet redelijk verantwoorde ongelijkheid van behandeling invoert tussen een gepensioneerde, uitsluitend omdat hij, bovenop zijn pensioen, zelfs maar een euro aan inkomsten buiten zijn pensioen of vervangingsinkomsten ontvangt en op onbillijke wijze wordt uitgesloten van het voordeel van die maatregel, en een gepensioneerde die enkel zijn pensioen of vervangingsinkomsten ontvangt, en doet het op onevenredige wijze afbreuk aan de bijdragecapaciteit van een gepensioneerde belastingplichtige, in zoverre het het geringe inkomen uit een bijkomende activiteit tenietdoet en het pensioen van de gerechtigde ervan op overdreven wijze bezwaart door hem de bijkomende belastingvermindering te weigeren, waardoor hij aldus wordt onderworpen aan een onevenredige belasting, terwijl zijn vervangingsinkomsten, die zijn enige wezenlijke bron van inkomsten zijn, reeds beperkt zijn ? ». Memories zijn ingediend door : - Joseph Vermeulen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Charpentier, advocaat bij de balie te Hoei; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. I. Tasset, advocaat bij de balie te Luik. De Ministerraad heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 25 november 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 9 december 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 9 december 2020 in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, waarbij door J. Vermeulen een fiscale betwisting aanhangig is gemaakt, stelt vast dat de eiser een rustpensioen geniet, dat hij lid is van de commissie ruimtelijke ordening van zijn gemeente en dat hij in die hoedanigheid 62,50 euro aan presentiegeld heeft gekregen gedurende het beschouwde jaar. Zij stelt eveneens vast dat de eiser aan het gemeentebestuur zijn wens te kennen heeft gegeven om te kunnen afzien van dat presentiegeld en tevens kosteloos lid te blijven van de commissie, hetgeen hem werd geweigerd. De Rechtbank leidt daaruit af dat hij niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden die zijn vastgesteld bij artikel 154 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 om de daarin vermelde belastingvermindering te kunnen genieten. De Rechtbank is van oordeel dat die situatie te dezen aanleiding geeft tot een definitief verlies van de aan een pensioengerechtigde toegekende bijkomende belastingvermindering wegens het ontvangen van andere inkomsten dan vervangingsinkomsten, ook al zijn zij zeer gering. Zij beslist bijgevolg om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. Ingaand op het verzoek van J. Vermeulen stelt zij vervolgens de hiervoor weergegeven tweede vraag. III. In rechte -A- A.
- J. Vermeulen, eisende partij voor de verwijzende rechter, doet gelden dat het onrecht en de discriminatie waarvan hij het voorwerp uitmaakt, ook in die zin kunnen worden beschouwd dat zij het recht van iedere Belg om deel te nemen aan een vergadering met een politiek karakter en om een mandaat uit te oefenen wezenlijk aantasten. Hij zet uiteen dat hij, zoals de belastingadministratie hem gesuggereerd had, stappen bij zijn gemeentebestuur heeft ondernomen teneinde, hetzij, het presentiegeld als terugbetaling van kosten te laten aanmerken, hetzij af te zien van dat presentiegeld, zodat hij het voordeel van de aan gepensioneerden toegekende belastingvermindering kon behouden. Hij legt uit dat het voorstel dat aldus door de federale belastingadministratie is gedaan, werd verworpen door de gemeenteontvanger. Hij geeft aan dat de omstandigheid dat hij een jaarlijks presentiegeld van 62,50 euro ontvangt, hem een fiscaal voordeel van om en bij de 500 euro doet verliezen. Hij is van mening dat de afschaffing van dat fiscale voordeel tot gevolg heeft dat elke gepensioneerde persoon wordt ontmoedigd deel te nemen aan een commissie zoals die waarvan hij lid is, die een politieke vergadering is bestaande uit gemeenteraadsleden en burgers die door de gemeenteraad zijn benoemd na een verkiezingsproces. Hij vraagt het Hof bijgevolg om de door de in het geding zijnde bepaling veroorzaakte discriminatie te onderzoeken in het licht van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de artikelen 10, 11 en 14 van dat Verdrag en artikel 1 van het Twaalfde Aanvullend Protocol bij datzelfde Verdrag. A.2.
- De Ministerraad zet uiteen dat de zogenaamde « sociale » pensioenen steeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een duidelijk voordeligere fiscale behandeling dan die van de inkomsten uit arbeid. Hij legt uit dat de wetgever, bij artikel 87ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964, een belastingvermindering heeft toegekend die ertoe strekt de fiscale last te verminderen van de belastingplichtigen die als enig inkomen maar een minimumpensioenbedrag ontvangen en dat de in het geding zijnde bepaling een « afbouwregel » in stand houdt waarbij het voordeel van de bijkomende belastingvermindering, wanneer de netto-inkomsten uitsluitend uit pensioenen bestaan, afhangt van een maximumbedrag van die inkomsten. Hij preciseert dat de wil van de wetgever erin bestaat de begunstigden van pensioeninkomsten en van andere vervangingsinkomsten ten belope van een bepaald bedrag fiscaal te bevoordelen wanneer zij geen andere bronnen van belastbare inkomsten hebben. 4 A.2.
- Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, brengt de Ministerraad in herinnering dat het onderzoek van de inachtneming van de standstill-verplichting een vergelijking inhoudt tussen een situatie die onder de gelding van een nieuwe wet is ontstaan en een situatie die onder de gelding van een vroegere wet bestond. Hij doet gelden dat de verwijzende rechter niet vaststelt dat de in het geding zijnde bepaling rechten zou verminderen die de belastingplichtige zou hebben afgeleid uit een norm die tot dan van kracht was. Hij geeft aan dat de in het geding zijnde bepaling, door de bijkomende belastingvermindering voor te behouden aan de belastingplichtigen die slechts geringe pensioeninkomsten genieten, een regel vaststelt waarin lang vóór de afkondiging van artikel 23 van de Grondwet door de wetgever is voorzien. Hij zet uiteen dat het in het geding zijnde fiscale voordeel bestemd is voor een categorie van belastingplichtigen die geen andere bron van inkomsten kunnen genieten dan een minimumrustpensioen of een vervangingsinkomen voor een gelijkwaardig bedrag en dat de belastingplichtigen die zich andere bronnen van inkomsten kunnen verschaffen, door vrijwillig een winstgevende bezigheid uit te oefenen, zich onderscheiden van die categorie van belastingplichtigen. Hij is van mening dat het niet is omdat een fiscaal nadeel dat verband houdt met de weinige inkomsten die zijn gegenereerd door de door de belastingplichtige vrijwillig ondernomen winstgevende bezigheid te dezen aan het licht komt, dat de in het geding zijnde bepaling onbestaanbaar zou zijn met artikel 23 van de Grondwet. A.2.
- Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, is de Ministerraad van mening dat de twee vergeleken categorieën van personen, namelijk de personen met een bron van inkomsten als aanvulling op de pensioeninkomsten en de personen die uitsluitend pensioeninkomsten of vervangingsinkomsten ten belope van een bepaald bedrag genieten, zich klaarblijkelijk niet in vergelijkbare situaties bevinden, in zoverre de eerste categorie a priori een grotere economische geschiktheid dan de laatste heeft. Hij voegt eraan toe dat de verwijzende rechter aan het Hof een specifieke feitelijke situatie voorlegt die - althans gedeeltelijk - afhangt van de wil van de belastingplichtige, dat die situatie geen voortdurende of vaak voorkomende situatie is en dat zij dus niet kan worden vergeleken met de situatie van de belastingplichtigen die het in het geding zijnde fiscale voordeel genieten. A.
- In zijn memorie van antwoord doet de Ministerraad gelden dat J. Vermeulen bij het Hof een nieuwe prejudiciële vraag aanhangig maakt, die de verwijzende rechter niet heeft gesteld. Hij verzoekt het Hof om zijn rechtspraak te bevestigen volgens welke de partijen de prejudiciële vragen niet kunnen wijzigen, noch, a fortiori, er zelf kunnen stellen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling B.1.
- De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 154 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2016, dat bepaalde : « §
- Een bijkomende vermindering wordt verleend wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit pensioenen of vervangingsinkomsten. De bijkomende vermindering wordt berekend volgens de in de volgende paragrafen bepaalde regels. §
- De bijkomende vermindering is gelijk aan de belasting die overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 152bis wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit : 5 1° pensioenen of vervangingsinkomsten en het totale bedrag van die inkomsten niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering dat kan worden toegekend na de eerste twaalf maanden van volledige werkloosheid, de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen niet inbegrepen; 2° werkloosheidsuitkeringen en het bedrag van die uitkeringen niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering dat kan worden toegekend tijdens de eerste twaalf maanden van volledige werkloosheid; 3° wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en het bedrag van die inkomsten niet hoger is dan tien negenden van het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering dat kan worden toegekend na de eerste twaalf maanden van volledige werkloosheid, de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen niet inbegrepen. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden de totale netto- inkomens van de beide echtgenoten samengeteld voor de toepassing van het eerste lid. […] § 3/
- In de andere dan in de §§ 2 en 3 bedoelde gevallen en wanneer het totale netto- inkomen uitsluitend bestaat uit pensioenen of vervangingsinkomsten of uitsluitend bestaat uit wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen is de bijkomende vermindering gelijk aan 109 pct. van het positieve verschil tussen : 1° het bedrag van de belasting dat nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153, en 2° het verschil tussen : - wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit pensioenen of vervangingsinkomsten, die pensioenen of vervangingsinkomsten en het maximumbedrag dat overeenkomstig § 2, eerste lid, 1°, van toepassing is; - wanneer het totale netto-inkomen uitsluitend bestaat uit wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen, die wettelijke ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en het maximumbedrag dat overeenkomstig § 2, eerste lid, 3°, van toepassing is. De bijkomende vermindering wordt in voorkomend geval verdeeld naar de verhouding van het gedeelte van de belasting dat nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot 153 en dat respectievelijk betrekking heeft op pensioenen of andere vervangingsinkomsten, op werkloosheidsuitkeringen of op wettelijke ziekte- en invaliditeitsvergoedingen met het totaal van de belasting dat overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot
- Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden zowel de totale netto- inkomens als het bedrag van de overblijvende belasting van de beide echtgenoten samengeteld voor de toepassing van het eerste lid. De aldus berekende bijkomende vermindering wordt verdeeld in verhouding tot het bedrag van de belasting van elke echtgenoot die nog overblijft na toepassing van de artikelen 147 tot
- 6 §
- Voor de aanslagjaren 2016 tot 2018 worden de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde maximumbedragen bepaald op basis van de bedragen van de wettelijke werkloosheidsuitkeringen voor het jaar
- Voor de aanslagjaren 2019 en volgende worden de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde maximumbedragen bepaald op basis van de bedragen van de wettelijke werkloosheidsuitkeringen voor het vierde jaar voorafgaand aan het aanslagjaar ». B.1.
- Bij artikel 154 van het WIB 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2016, wordt een bijkomende vermindering van de belasting op pensioenen of vervangingsinkomsten in het leven geroepen, zodat geen enkele belasting verschuldigd is op de pensioenen of vervangingsinkomsten die niet hoger zijn dan een maximumbedrag dat op één lijn is gebracht met dat van de wettelijke werkloosheidsuitkeringen. Die bepaling bevat eveneens een afbouwregel, zodat een lichte overschrijding van de grensbedragen voor de pensioengerechtigde of de gerechtigde van het vervangingsinkomen geen volledig verlies van de belastingvermindering, maar alleen een progressieve vermindering ervan met zich meebrengt (artikel 154, § 3/1, van het WIB 1992). Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
- Met de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van artikel 154 van het WIB 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2016, met artikel 23 van de Grondwet. B.3.
- Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : […] 2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand; 7 […] ». B.3.
- Artikel 23 van de Grondwet bevat een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. B.
- Vóór de inwerkingtreding van artikel 23 van de Grondwet, op 12 februari 1994, bevatte artikel 154 van het WIB 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2016, reeds, in een verschillende maar soortgelijke redactie, de in de prejudiciële vraag in het geding gebrachte regel. Die bepaling was, reeds vanaf het aannemen ervan en de eerste toepassing ervan op het aanslagjaar 1992, immers enkel van toepassing op voorwaarde dat het inkomen uitsluitend bestond uit pensioenen en vervangingsinkomsten. Daaruit vloeit voort dat, zelfs indien zou moeten worden geoordeeld dat de in het geding zijnde bepaling onder het toepassingsgebied van het door artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet gewaarborgde recht op sociale zekerheid valt, zij geen aanzienlijke achteruitgang in de inwerkingstelling van dat recht kan uitmaken. B.
- De in het geding zijnde bepaling is niet onbestaanbaar met artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.6.
- Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van artikel 154 van het WIB 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2016, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de gepensioneerde belastingplichtigen die een ander inkomen boven op hun pensioen ontvangen en, anderzijds, de gepensioneerde belastingplichtigen die geen ander inkomen dan hun pensioen genieten. Terwijl de laatstgenoemden het in de in het geding zijnde bepaling bedoelde voordeel kunnen genieten, worden de eerstgenoemden ervan uitgesloten, zelfs indien het inkomen dat zij boven op hun pensioen ontvangen, zeer laag is. 8 Uit de feiten van de voor de verwijzende rechter hangende zaak blijkt dat de betrokken belastingplichtige presentiegeld heeft gekregen dat in totaal 62,50 euro bedraagt voor het beschouwde aanslagjaar, wegens zijn deelname aan de gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit van de gemeente waar hij verblijft, en dat hij bijgevolg de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde bijkomende belastingvermindering niet heeft kunnen genieten voor het betrokken jaar. Het Hof beperkt zijn onderzoek van de in het geding zijnde bepaling tot dat geval. B.6.
- Een gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening en mobiliteit kan door de Waalse gemeenten worden opgericht krachtens artikel D.I.7 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling, teneinde een grotere inspraak van de bevolking bij het beheer van haar leefomgeving aan te moedigen. Zij is samengesteld uit 8 tot 16 leden. Een kwart van die leden is afkomstig van de gemeenteraad, de anderen worden door die raad gekozen nadat zij zich kandidaat hebben gesteld na een openbare oproep. Artikel D.I.10, § 4, in fine, van hetzelfde Wetboek bepaalt dat het bedrag van het presentiegeld waarop de voorzitter en de leden van de gemeentelijke commissie recht hebben, door de Regering kan worden vastgelegd, en artikel R.I.12-6, § 1, in fine, van dat Wetboek bepaalt : « De leden van de gemeentelijke commissie en, in voorkomend geval, hun plaatsvervangers, hebben recht op 12,50 euro aanwezigheidsgeld per vergadering ». B.6.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 9 B.7.
- De in het geding zijnde bepaling vindt haar oorsprong in artikel 87ter, § 6, van het WIB
- Uit het verslag aan de Koning dat aan het koninklijk besluit nr. 29 van 30 maart 1982 « tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen inzake het belasten van de vervangingsinkomsten » voorafgaat, blijkt dat het doel van die bepaling erin bestond « de ‘ zuivere ’ sociaal-gerechtigden […] in feite [vrij te stellen] » (Belgisch Staatsblad, 1 april 1982). Die maatregel had betrekking op de « belastingplichtigen van wie het belastbaar inkomen uitsluitend bestaat uit vervangingsinkomsten waarvan het bedrag niet hoger is dan, naar gelang van het geval, het jaarlijkse maximumbedrag van de werkloosheidsvergoeding of dat van het bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 bepaald brugpensioen » (ibid.). Artikel 1 van de wet van 28 december 1983 « tot wijziging van de aanslagregeling voor de werkloosheidsuitkeringen », waarbij paragraaf 6 in artikel 87ter werd ingevoegd, had eveneens tot doel de « zuivere » sociaal gerechtigden verder in feite vrij te stellen (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 780/4, p. 3). B.7.
- Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het criterium van de aard van de inkomsten van de belastingplichtige. Dat criterium is objectief en relevant ten aanzien van de wil van de wetgever om een bijkomende belastingvermindering te verlenen aan de gepensioneerden wier totale netto-inkomen uitsluitend uit pensioenen bestaat en geen maximum overschrijdt dat is berekend onder verwijzing naar het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen. De wetgever vermocht immers te oordelen dat het niet verantwoord was om aan de gepensioneerde belastingplichtige die zich andere soorten van inkomsten verschaft, boven op het bedrag van zijn pensioen, een fiscaal voordeel toe te kennen dat is bestemd om de middelen te vrijwaren van de gepensioneerden en sociaal gerechtigden die slechts beschikken over een minimumpensioen of over uitkeringen die tot de laagste behoren. B.
- Het Hof dient evenwel nog te onderzoeken of de in de in het geding zijnde bepaling vervatte uitsluiting geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt wanneer, zoals dat het geval is in de voor de verwijzende rechter hangende zaak, het pensioen van de belastingplichtige de in de in het geding zijnde bepaling vastgestelde inkomensgrens niet overschrijdt, maar die grens wel licht wordt overschreden, aangezien de belastingplichtige, naast zijn pensioen een gering presentiegeld heeft genoten wegens lidmaatschap van een commissie, waarvan hij niet kan afzien, tenzij door af te zien van deelname aan die commissie. 10 B.9.
- Door het uitsluitingsmechanisme dat zij bevat, kan de in het geding zijnde bepaling tot gevolg hebben dat het verloren fiscale voordeel groter is dan het bedrag dat boven op het pensioen of de vervangingsinkomsten is ontvangen. B.9.
- Sedert het aanslagjaar 2008 omvat de in het geding zijnde bepaling een afbouwregel die bestemd is om te vermijden dat het voordeel van de feitelijke vrijstelling volledig verloren gaat wanneer het pensioen of de vervangingsinkomsten het vastgestelde maximum zeer licht overschrijden. In de memorie van toelichting met betrekking tot artikel 38 (artikel 35 in het ontwerp) van de wet van 17 mei 2007 « houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007-2008 » wordt dienaangaande vermeld : « Zoals reeds is gebleken uit talloze parlementaire vragen over dit onderwerp, is het voor [de] belastingplichtige een zware last indien de feitelijke belastingvrijstelling die is opgenomen in artikel 154 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wegvalt omdat het verkregen inkomen net de vastgelegde begrenzing overschrijdt. De regering wil hieraan […] verhelpen door de volgende oplossing voor te stellen : 1° zolang het inkomen de begrenzing niet overschrijdt blijft de huidige feitelijke vrijstelling geldig; 2° van zodra het inkomen de begrenzing overschrijdt wordt een afbouwregel toegepast. Die regel zorgt ervoor dat bij lichte overschrijding van de begrenzingen de uiteindelijke belasting niet meer bedraagt dan het inkomen dat de begrenzing overschrijdt. Op die manier is de belastingdruk aanzienlijk lager dan in de huidige regeling » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-3011/001, pp. 17-18). B.10.
- Die in paragraaf 3/1 van de in het geding zijnde bepaling opgenomen afbouwregel verhindert het volledige verlies van de bijkomende belastingvermindering wanneer het bedrag van het pensioen het vastgestelde maximumbedrag licht overschrijdt. Daarentegen gaat de bijkomende belastingvermindering volledig verloren wanneer de belastingplichtige gedurende het beschouwde jaar een ander inkomen ontvangt bovenop zijn pensioen, ook al wordt het in de in het geding zijnde bepaling vastgestelde maximumbedrag daardoor slechts licht overschreden. 11 B.10.
- Het staat aan de wetgever om te beslissen dat een bijkomende belastingvermindering wordt toegekend aan de belastingplichtigen wier netto-inkomsten uitsluitend uit een pensioen bestaan en een bepaald maximumbedrag niet overschrijden. In zoverre evenwel in artikel 154, § 3/1, van het WIB 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2016, in een afbouwregel wordt voorzien voor het geval de pensioeninkomsten dat maximumbedrag licht overschrijden, terwijl een dergelijke correctie niet mogelijk is wanneer het maximumbedrag in dezelfde mate wordt overschreden wegens het feit dat de belastingplichtige, wiens pensioen de vastgestelde maximumgrens niet heeft overschreden, daarbovenop een gering presentiegeld heeft genoten wegens het lidmaatschap van een commissie, leidt de in het geding zijnde bepaling tot gevolgen die onevenredig zijn met de door de wetgever nagestreefde doelstellingen. B.
- In zoverre zij de belastingplichtigen wier pensioen de vastgestelde grens niet overschrijden wanneer zij daarenboven een gering inkomen genieten, uitsluit van de afbouwregel waarin zij voorziet, is de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 154 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2016, schendt artikel 23 van de Grondwet niet. - Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij de belastingplichtigen wier pensioen de vastgestelde grens niet overschrijden wanneer zij daarenboven een gering inkomen genieten, uitsluit van de afbouwregel waarin zij voorziet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 11 februari
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.020 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div