id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.022 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210211.3 Arrest- Rolnummer: 22/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-03-05 Raadplegingen: 776 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof 1. vernietigt in het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 « betreffende het jeugddelinquentierecht » : - de woorden « , overeenkomstig de opgesomde volgorde » in artikel 16, § 1; - artikel 37, § 1, tweede lid, en § 4; 2. onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.39.4. 2, onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.11.2, B.29.2, B.71.1, B.71.2 en B.71.3, en rekening houdend met hetgeen is vermeld in B.11.1, verwerpt het beroep voor het overige. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 « betreffende het jeugddelinquentierecht », ingesteld door M.J. en anderen. Jeugdbescherming - Vlaamse Gemeenschap - Maatregelen t.a.v. minderjarigen die worden vervolgd wegens een als misdrijf omschreven feit - Procedure - Maatregelen en sancties. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 15-02-2019 - 16,§1 - 50 Link Justel databank 20190215-50 Decreet Vlaamse Raad - 15-02-2019 - 37,§1,L2 - 50 Link Justel databank 20190215-50 Decreet Vlaamse Raad - 15-02-2019 - 37,§4 - 50 Link Justel databank 20190215-50 Tekst van de beslissing Rolnummer 7268 Arrest nr. 22/2021 van 11 februari 2021 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 « betreffende het jeugddelinquentierecht », ingesteld door M.J. en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter A. Alen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 oktober 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 oktober 2019, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 « betreffende het jeugddelinquentierecht » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 april 2019) door M.J., M.W., I.C., M.P., L.P., S.P., E. V.L., K.M., Y.C., D.C., M.B., T.B., A.D., L.L., L.L., D.L. en C.H, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Verpoorten, advocaat bij de balie te Antwerpen. Memories en memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Orde van Vlaamse balies en Christian Vandenbogaerde, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Martel en Mr. K. Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 2 juli 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Y. Kherbache en M. Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 juli 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 15 juli 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.1 De Vlaamse Regering betwist de ontvankelijkheid van het verzoekschrift. Vermits de verzoekende partijen allen minderjarig zijn op het ogenblik van het indienen van het vernietigingsberoep, zouden zij niet beschikken over de vereiste procesbekwaamheid. Het zou daarenboven niet blijken dat zij in het kader van het onderhavige beroep worden vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordigers. 3 A.1.2. Voorts voert de Vlaamse Regering aan dat het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan grieven tegen de bestreden bepalingen en wegens gebrek aan uiteenzetting van de middelen. De verzoekende partijen zouden zich enkel gegriefd voelen door de in het verzoekschrift onderlijnde onderdelen van de bestreden bepalingen en zouden geen grieven aanvoeren tegen de artikelen 15, § 1, vijfde lid, laatste zin, en 20, § 2, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 « betreffende het jeugddelinquentierecht » (hierna : het bestreden decreet). Het zou daarenboven niet steeds duidelijk zijn in welk opzicht elk van de bestreden bepalingen volgens de verzoekende partijen de aangevoerde referentienormen zou schenden. A.2.1. De verzoekende partijen betwisten dat de minderjarigheid een volledige en absolute handelingsonbekwaamheid zou inhouden. Zij zijn van oordeel dat een minderjarige een vordering in rechte kan instellen wanneer hij daarbij een direct belang heeft. Dat belang wordt niet betwist, nu het bestreden decreet het recht op vrijheid van de minderjarige in het gedrang brengt. De verzoekende partijen wijzen daarbij ook op de aanstelling van een jeugdadvocaat om hun belangen te verdedigen, hetgeen hen in de mogelijkheid heeft gesteld om onderhavig beroep in te dienen. Een dergelijk beroep van minderjarigen afwijzen wegens procesonbekwaamheid, niettegenstaande hun duidelijk belang, zou afbreuk doen aan hun recht op toegang tot de rechter. A.2.2. Wat de exceptie inzake het gebrek aan grieven en het gebrek aan uiteenzetting van middelen betreft, stellen de verzoekers dat het Hof dit mee zal onderzoeken bij de beoordeling ten gronde. A.3. De Orde van Vlaamse balies en Christian Vandenbogaerde (hierna : de tussenkomende partijen) benadrukken dat het statuut van de minderjarige een beschermingsstatuut ten voordele van het betrokken kind is, dat niet tegen hem mag worden gebruikt. Vanwege de eigenheid van het jeugdrecht, wordt er in deze materie uitgegaan van de principiële procesbekwaamheid van de betrokkene. Aldus wordt de minderjarige in de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » (hierna : de wet van 8 april 1965), en thans ook in het bestreden decreet betreffende het jeugddelinquentierecht, erkend als zelfstandige procespartij die zelf zijn rechtsmiddelen kan uitputten zonder enige bijstand van zijn wettelijke vertegenwoordiger. Ook het Hof van Cassatie heeft reeds geoordeeld dat het recht om verzet, hoger beroep of een voorziening in cassatie in te stellen, aan de minderjarige persoonlijk toebehoort en niet door zijn vertegenwoordiger mag worden uitgeoefend. In ieder geval wordt de procesbekwaamheid van de minderjarige aanvaard in aangelegenheden met een strikt persoonlijk karakter, hetgeen te dezen klaarblijkelijk het geval is. In de aangelegenheden waarin het de rechten betreft die de persoon van de minderjarige aanbelangen, dient dan ook te worden aanvaard dat de minderjarige zelf een beroep tot vernietiging kan indienen tegen een wet of decreet dat die rechten vormgeeft. A.4.1. Wat het gebrek aan ontvankelijkheid bij ontstentenis van procesbekwaamheid betreft, antwoordt de Vlaamse Regering dat een minderjarige in het kader van een procedure inzake jeugdbescherming weliswaar als zelfstandige procespartij kan optreden en dus over een eigen procesbekwaamheid beschikt. De onderhavige vernietigingsprocedure kan evenwel niet als een dergelijke procedure worden beschouwd. Voorts zou de aanstelling van de raadsman van de verzoekende partijen als hun advocaat niet tot gevolg hebben dat de betrokken minderjarigen over een eigen procesbekwaamheid beschikken om zelfstandig bij het Hof een vernietigingsberoep in te stellen. De door de verzoekers aangehaalde rechtspraak van de Raad van State, waarin wordt aanvaard dat een minderjarige die het vereiste onderscheidingsvermogen heeft alleen de geschillen mag voeren over handelingen die « strikt persoonlijke rechten » betreffen, zou niet per analogie van toepassing zijn. Gelet op de werking erga omnes van een vernietigingsarrest van het Hof, heeft een vernietigingsberoep per definitie immers geen « strikt persoonlijk » karakter. De verzoekende partijen geven bovendien geen enkele toelichting inzake hun persoonlijke situatie en de wijze waarop de bestreden bepalingen die situatie zouden kunnen beïnvloeden. A.4.2. De Vlaamse Regering voert voorts de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van de memorie van antwoord aan. De verzoekende partijen citeren in hun memorie veelvuldig uit de Engelstalige gids bij de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dit zonder vertaling, noch toelichting hoe de geciteerde passages moeten worden toegepast op het onderhavige vernietigingsberoep. Zij miskennen aldus de in artikel 62 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bedoelde voorschriften inzake het gebruik van talen voor het Hof, evenals de rechten van verdediging en het contradictoire karakter van de rechtspleging. De bedoelde passages dienen dan ook uit de debatten te worden geweerd. Minstens is de in de memorie van antwoord opgenomen toelichting van de middelen in die mate onontvankelijk, bij gebrek aan uiteenzetting van de middelen. 4 Ten gronde 1. Ten aanzien van het optreden van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de behandeling van de zaak
- a)Ten aanzien van het verschijnen van de minderjarige verdachte of delictpleger en het recht op bijstand van een advocaat A.5. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 15 van het bestreden decreet. In een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de rechten van verdediging van de minderjarige, zoals onder meer gewaarborgd bij artikel 22bis, tweede en vijfde lid, van de Grondwet, in zoverre uit de bestreden bepaling zou voortvloeien dat de minderjarige die niet zelf verschijnt, geen recht heeft op bijstand van of vertegenwoordiging door een advocaat. In een tweede onderdeel voeren zij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 40, lid 2, b), iv), van het Verdrag inzake de rechten van het kind. In zoverre uit de bestreden bepaling voortvloeit dat de minderjarige gedwongen kan worden gehoord, zou afbreuk worden gedaan aan het zwijgrecht van de minderjarige. A.6. De tussenkomende partijen ondersteunen de argumentatie van de verzoekende partijen wat het voormelde middel betreft. A.7.1. De Vlaamse Regering betwist de ontvankelijkheid van het eerste onderdeel van het middel, in zoverre de verzoekende partijen louter een schending aanvoeren van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging. Het Hof vermag niet rechtstreeks te toetsen aan dat rechtsbeginsel, dat op geen enkele wijze in verband wordt gebracht met het eveneens aangevoerde artikel 22bis, tweede en vijfde lid, van de Grondwet. A.7.2. Ten gronde stelt de Vlaamse Regering dat het eerste onderdeel van het middel feitelijke en juridische grondslag mist. Uit de bestreden bepaling zou immers geenszins voortvloeien dat de minderjarige zijn recht op bijstand van een advocaat verliest indien hij niet verschijnt op de terechtzitting van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank. Het bestreden decreet bevestigt daarentegen het recht op een gespecialiseerde advocaat in elke fase van het traject met betrekking tot de reactie op een jeugddelict. Dat is één van de uitgangspunten van het bestreden decreet, namelijk het versterken van de rechtswaarborgen van de minderjarige. A.7.3. Ook het tweede onderdeel van het middel mist volgens de Vlaamse Regering feitelijke en juridische grondslag. Het feit dat de decreetgever in het bestreden artikel 15, § 1, eerste lid heeft voorzien in een uitzondering op de verplichting om de minderjarige te horen wanneer deze « weigert te verschijnen », bevestigt immers dat de betrokken minderjarige niet kan worden gedwongen om te verschijnen op de terechtzitting van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank. Daarenboven houdt de principiële verschijningsplicht geen spreekplicht in. Zoals ook volgt uit artikel 3, § 5, laatste lid, van het bestreden decreet, kan de minderjarige die verschijnt zich steeds beroepen op zijn zwijgrecht. A.8.1. Inzake het eerste onderdeel van het middel antwoorden de verzoekende partijen dat er wel degelijk een referentienorm wordt aangevoerd waaraan het Hof kan toetsen, namelijk artikel 22bis, tweede en derde lid, van de Grondwet. Ten gronde stellen de verzoekende partijen dat het belang van de minderjarige vereist dat hij steeds wordt bijgestaan en zo nodig vertegenwoordigd door een advocaat. De ambtshalve aangestelde advocaat zou aldus steeds de minderjarige moeten verdedigen, zelfs tegen diens wil in. De bestreden bepalingen bevestigen de gangbare praktijk van de jeugdrechters, die inhoudt dat de ambtshalve aangestelde advocaat de minderjarige niet kan vertegenwoordigen wanneer deze niet persoonlijk komt opdagen, in welke situatie de zaak bij verstek wordt behandeld. Die mogelijkheid tot behandeling bij verstek, die neerkomt op de wering van de ambtshalve aangestelde jeugdadvocaat uit de debatten, doet afbreuk aan de rechten van verdediging van de minderjarige. Artikel 40, lid 2, b), iii) van het Verdrag inzake de rechten van het kind zou dergelijke beslissingen bij verstek niet toelaten in het jeugdstrafrecht. 5 A.8.2. Inzake het tweede onderdeel van het middel antwoorden de verzoekende partijen dat uit de duidelijke bewoordingen van artikel 15, § 1, eerste lid, niet louter een hoorrecht voortvloeit, maar wel een hoorplicht. Minstens geeft die bepaling aanleiding tot dubbelzinnigheid, hetgeen niet toelaatbaar is in zoverre de grondrechten van de minderjarige in het gedrang zijn. De bestreden bepaling schendt dan ook de Grondwet, in zoverre zij het zwijgrecht van de minderjarige niet uitdrukkelijk vermeldt. Het komt aan het Hof toe te beoordelen of die schending een vernietiging vereist, dan wel of de voormelde dubbelzinnigheid kan worden opgelost door een beslissing tot niet-schending onder voorbehoud van interpretatie. A.9. De tussenkomende partijen benadrukken dat het middel in zijn geheel is afgeleid uit de schending van artikel 22bis van de Grondwet. Wat het eerste onderdeel betreft, stellen zij dat zowel uit de bewoordingen van het bestreden artikel 15 als uit de parlementaire voorbereiding duidelijk blijkt dat de minderjarige slechts recht heeft op bijstand van een advocaat indien hij zelf verschijnt voor de jeugdrechter of jeugdrechtbank. De betrokken minderjarige beschikt aldus niet meer over de mogelijkheid om afwezig te zijn op de terechtzitting en zich te laten vertegenwoordigen door zijn raadsman, hetgeen krachtens het vroegere artikel 54 van de wet van 8 april 1965 wel gewaarborgd was. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt nochtans dat de rechter de advocaat van de verdediging niet het woord mag ontnemen om de beklaagde te dwingen aan de debatten deel te nemen. A.10. De Vlaamse Regering repliceert inzake het eerste onderdeel van het middel dat de persoonlijke verschijningsplicht voor de minderjarige er niet aan in de weg staat dat de minderjarige door zijn advocaat wordt vertegenwoordigd, hetgeen impliciet maar zeker wordt bevestigd in artikel 15, § 1, eerste lid, tweede zin, van het bestreden decreet. Voorts kan uit de in artikel 15, § 1, vijfde lid, van het bestreden decreet neergelegde mogelijkheid tot het nemen van een beslissing bij verstek niet worden afgeleid dat de jeugdrechtbank de minderjarige het recht kan ontzeggen om zich te laten vertegenwoordigen door zijn advocaat. Een beslissing bij verstek is slechts mogelijk indien de minderjarige verdachte of delictpleger « niet aanwezig is op de zitting waarvoor hij werd gedagvaard ». De minderjarige kan in voorkomend geval ook « aanwezig » zijn via de vertegenwoordiging door zijn advocaat.
- b)Ten aanzien van de criteria waarmee de jeugdrechter en de jeugdrechtbank rekening dienen te houden A.11. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 16, § 1, van het bestreden decreet. Zij voeren aan dat die bepaling afbreuk doet aan de artikelen 10, 11 en 22bis, vierde en vijfde lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, 1°, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre de bestreden bepaling het belang van het kind slechts zeer gedeeltelijk opneemt als criterium waarmee de jeugdrechter of de jeugdrechtbank rekening dient te houden en dat belang ondergeschikt maakt aan andere criteria. A.12. De tussenkomende partijen ondersteunen de argumentatie van de verzoekende partijen wat het voormelde middel betreft. A.13. De Vlaamse Regering stelt dat de in artikel 16, § 1, van het bestreden decreet opgenomen criteria niet verhinderen dat de jeugdrechter of de jeugdrechtbank bij het opleggen van een reactie rekening houdt met het belang van de minderjarige verdachte of delictpleger, ook al wordt dit niet uitdrukkelijk als criterium opgenomen. De Vlaamse Regering verwijst naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, die ter zake weliswaar een opmerking maakte doch die daarin geen grondwettigheidsprobleem zag. Ook het Hof zou bij zijn arrest nr. 49/2008 van 13 maart 2008 reeds inzake een soortgelijke regeling hebben geoordeeld dat een dergelijke bepaling geen afbreuk doet aan het feit dat de jeugdrechter in elk geval rekening moet houden met de grondwets- en verdragsbepalingen inzake de rechten van het kind. De Vlaamse Regering ziet niet in waarom het Hof er thans anders over zou beslissen. Zij verwijst ter zake naar de grondbeginselen die zijn neergelegd in artikel 3 van het bestreden decreet, waarin wordt bevestigd dat de minderjarige verdachte of delictpleger de waarborgen geniet die zijn opgenomen in het decreet van 7 mei 2004 « betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp », evenals de rechten die hem door de Grondwet en de internationale verdragen worden toegekend. De decreetgever zou artikel 22bis van de Grondwet en artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind aldus wel degelijk hebben geëerbiedigd. 6 A.14. De verzoekende partijen antwoorden dat de zienswijze van de Vlaamse Regering niet verenigbaar is met de letterlijke bewoordingen van de bestreden bepalingen, waarin aan de jeugdrechter uitdrukkelijk de opdracht wordt gegeven om rekening te houden met de daarin vermelde factoren « overeenkomstig de opgesomde volgorde » en derhalve om andere factoren te laten primeren op het belang van het kind. Het arrest nr. 49/2008, dat een bepaling betrof waarin de voormelde bewoordingen niet waren opgenomen, zou dan ook niet relevant zijn. In zoverre het belang van het kind niet op de eerste plaats staat in de bestreden bepaling, doet zij afbreuk aan artikel 22bis van de Grondwet. A.15. De tussenkomende partijen stellen dat het middel een weergave is van een vraag die door de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies bij de bestreden bepaling werd opgeworpen. Het Hof zou zich in het door de Vlaamse Regering aangehaalde arrest nr. 49/2008 weliswaar hebben uitgesproken over een soortgelijke vraagstelling, zij het omtrent een andersluidende bepaling die enkel een opsomming bevatte van criteria zonder daar een verplichte volgorde aan te verbinden. Het bestreden artikel 16 bevat wel een verplichte volgorde van criteria, waarbij het belang van het kind niet eens voorkomt in de opsomming. Het loutere feit dat artikel 3, § 3, van het bestreden decreet vermeldt dat de minderjarige de rechten zoals gewaarborgd in de Grondwet en in internationale verdragen geniet, zou niet garanderen dat het belang van het kind steeds op de eerste plaats zou staan. A.16. De Vlaamse Regering antwoordt dat de omstandigheid dat artikel 37, § 1, van de wet van 8 april 1965 niet voorzag in een verplichte volgorde van de opgesomde factoren waarmee rekening gehouden dient te worden, geenszins doorslaggevend was bij de beoordeling van de grondwettigheid van die bepaling door het Hof bij zijn arrest nr. 49/2008. De afdeling wetgeving van de Raad van State besloot in haar advies dan ook terecht dat de analogie met dat arrest kon worden gemaakt.
- c)Ten aanzien van de ontstentenis van een regeling inzake de herziening van « gerechtelijke dwalingen » A.17. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 16, § 2, van het bestreden decreet afbreuk doet aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het niet voorziet in een regeling tot herziening van gerechtelijke dwalingen ten opzichte van minderjarigen, terwijl de artikelen 443 en volgende van het Wetboek van strafvordering in een dergelijke regeling voorzien voor meerderjarigen. A.18. De tussenkomende partijen ondersteunen de argumentatie van de verzoekende partijen wat het voormelde middel betreft. A.19. De Vlaamse Regering stelt dat een minderjarige die met toepassing van het jeugddelinquentierecht een sanctie opgelegd krijgt, wel degelijk de mogelijkheid heeft om een eventuele « gerechtelijke dwaling » aan te vechten. Rekening houdend met de bevoegdheid van de federale wetgever inzake de rechtspleging voor de jeugdrechtbanken en het feit dat het bestreden decreet ter zake geen afwijkende regeling bevat, moeten – overeenkomstig artikel 62 van de wet van 8 april 1965 – de regels inzake de herziening van gerechtelijke dwalingen zoals neergelegd in de artikelen 443 en volgende van het Wetboek van strafvordering worden geacht toepassing te vinden in het kader van het jeugddelinquentierecht. In ondergeschikte orde stelt de Vlaamse Regering dat de aangevoerde ongrondwettigheid een gevolg is van een leemte in de wet, doordat niet is voorzien in een regeling inzake de herziening van gerechtelijke dwalingen in het kader van het jeugddelinquentierecht. Die leemte dient in voorkomend geval door de federale wetgever te worden opgevuld door een aanpassing van artikel 62 van de wet van 8 april 1965. De eventuele ongrondwettigheid kan hoe dan ook niet leiden tot de vernietiging van het bestreden artikel 16, § 2. A.20. De verzoekende partijen antwoorden dat het feit dat de wet van 8 april 1965 subsidiair de gemeenrechtelijke regels betreffende de vervolging in correctionele zaken van toepassing maakt op de procedures strekkende tot het opleggen van jeugdbeschermingsmaatregelen in de zin van die wet, geenszins impliceert dat die strafprocedureregels ook subsidiair van toepassing zijn op het bestreden decreet inzake jeugddelinquentie. 7 A.21. De tussenkomende partijen betwisten dat de procedure tot herziening zoals neergelegd in de artikelen 443 en volgende van het Wetboek van strafvordering van toepassing zou zijn via de omweg van artikel 62 van de wet van 8 april 1965. Alle procedures inzake de vervolging van de minderjarige verdachte wegens een als misdrijf omschreven feit werden immers uit de jeugdbeschermingswet van 8 april 1965 gehaald en onder het toepassingsgebied gebracht van het bestreden decreet inzake het jeugddelinquentierecht. Artikel 62 van de wet van 8 april 1965 is dienvolgens niet meer van toepassing op die procedures. Er is aldus sprake van een discriminatie die voortvloeit uit een leemte in de wetgeving, die de rechter kan opvullen door in voorkomend geval de procedure tot herziening van de artikelen 443 en volgende van het Wetboek van strafvordering toe te passen.
- d)Ten aanzien van het optreden van dezelfde rechter gedurende de hele procedure A.22. De verzoekende partijen voeren de schending aan, door de artikelen 14, 19, eerste lid, en 28, eerste lid, van het bestreden decreet, van het recht op een onpartijdige rechter zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 40, lid 2, b), iii), van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre dezelfde jeugdrechter het onderzoek voert, oordeelt over de voorlopige hechtenis en nadien ten gronde zitting neemt als bodemrechter om te oordelen over de schuld en de strafmaat. Uit het arrest van het Hof nr. 49/2008 zou blijken dat een dergelijke vermenging van bevoegdheden enkel in zaken van jeugdbescherming kan worden verantwoord. De decreetgever heeft er bij het bestreden decreet evenwel uitdrukkelijk voor geopteerd van dat doel van jeugdbescherming af te stappen en een jeugdstrafrecht in te voeren. A.23.1. De Vlaamse Regering voert in hoofdorde aan dat de grief van de verzoekende partijen niet gericht is tegen de bestreden bepalingen, doch wel tegen de regeling die verband houdt met de organisatie van de jeugdrechtbanken, waarvoor uitsluitend de federale wetgever bevoegd is. A.23.2. In ondergeschikte orde stelt de Vlaamse Regering dat de bestreden bepalingen wel degelijk in overeenstemming zijn met het recht op een onpartijdige rechter en de invulling die de verschillende hoogste rechtscolleges daaraan geven. Aldus zou de Raad van State in zijn advies hebben aangenomen dat de bestaande organisatie van de jeugdgerechten, waarin eenzelfde rechter zowel in het kader van de voorbereidende fase als in de rechtspleging ten gronde kan optreden, niet strijdig is met het recht op een onpartijdige rechter. Ook het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie zouden reeds hebben geoordeeld dat de bestaande organisatie van de jeugdgerechten, die bij de artikelen 14, 19 en 28 van het bestreden decreet louter wordt bevestigd, verenigbaar is met het recht op een onpartijdige rechter. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, het Hof van Cassatie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat het bijzondere karakter van het jeugddelinquentierecht rechtvaardigt dat eenzelfde jeugdrechter binnen een jeugddelinquentiezaak kan optreden zowel in de voorbereidende fase als in de fase van de rechtspleging ten gronde. Anders dan de verzoekende partijen beweren, geldt die verantwoording eveneens ten aanzien van het bestreden decreet, dat vertrekt vanuit een « constructief verantwoordelijkheidsmodel » en er nog steeds op gericht is minderjarige delictplegers te helpen. Ook in het huidige model, waarin onder meer rekening wordt gehouden met de persoonlijkheid, de leefomgeving en de veiligheid van de minderjarige, is het immers verantwoord dat er continuïteit is bij het opleggen van een reactie op een jeugddelict in het kader van de voorbereidende rechtspleging en de rechtspleging ten gronde. De Vlaamse Regering verwijst ter zake naar de duidelijk onderscheiden rol van de rechter in de voorbereidende rechtspleging en in de rechtspleging ten gronde. De finaliteit van die verschillende fases van de rechtspleging is verschillend, evenals de inhoud van de reacties die in die onderscheiden fases kunnen worden opgelegd. De jeugdrechter spreekt zich in de fase van de voorbereidende rechtspleging bovendien niet uit over de schuld van de verdachte, doch enkel over de noodzaak van het verdere onderzoek. Er zouden dan ook geen redenen zijn om aan te nemen dat moet worden voorzien in een verschillende samenstelling van de jeugdrechtbank naar gelang van de fase van de rechtspleging. A.24. De verzoekende partijen antwoorden dat een nieuw decreet zich niet kan verstoppen achter de bevoegdheidsverdeling in een federale Staat om zich te onttrekken aan de beoordeling van de grondwettigheid van haar bepalingen. Het Hof zou de bestreden bepalingen dan ook wel degelijk vermogen te toetsen. 8 Voorts benadrukken zij nogmaals dat de door de Vlaamse Regering aangehaalde rechtspraak van het Hof geen verantwoording biedt voor het bestreden decreet, dat immers strafprocedures en geen jeugdbeschermingsprocedures betreft.
- e)Ten aanzien van de mogelijkheid om getuigen en deskundigen te ondervragen A.25. De verzoekende partijen voeren de schending aan, door artikel 28 van het bestreden decreet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de rechten van verdediging in strafzaken zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 40 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden decreet zeer summier is inzake de procedure ten gronde voor de jeugdrechtbank en op geen enkele manier in de mogelijkheid voorziet om getuigen of deskundigen te ondervragen of te doen ondervragen, hetgeen nochtans de hoeksteen van een eerlijke procedure uitmaakt. A.26. De Vlaamse Regering stelt dat uitsluitend de federale wetgever op grond van artikel 5, § 1, II, 6°, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd is om de organisatie van de jeugdgerechten en de rechtspleging aldaar te regelen. Dat het bestreden decreet summier is wat de rechtspleging voor de jeugdgerechten betreft, is dus een rechtstreeks gevolg van de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de gemeenschappen. Het is bovendien manifest onjuist dat de procedureregeling voor de jeugdrechtbank niet in de mogelijkheid voorziet om getuigen of deskundigen te ondervragen of te doen ondervragen. De artikelen 50 en 57 van de wet van 8 april 1965, die ook gelden in de rechtspleging ten gronde voor de jeugdrechtbank met toepassing van het bestreden decreet, voorzien wel degelijk in de mogelijkheid om onderzoeksmaatregelen te nemen en om deskundigen en getuigen te horen. Daarenboven moeten, overeenkomstig artikel 62 van de wet van 8 april 1965, de gemeenrechtelijke regels inzake het verhoor van getuigen en deskundigen ook worden geacht van toepassing te zijn in het kader van het jeugddelinquentierecht. In ondergeschikte orde stelt de Vlaamse Regering dat een mogelijke ongrondwettigheid enkel het gevolg kan zijn van een leemte in de wet, die in de eerste plaats door de federale wetgever moet worden opgevuld, nu die bevoegd is gebleven om de gerechtelijke organisatie en de rechtspleging voor de jeugdgerechten te regelen. Een dergelijke ongrondwettigheid zou aldus niet kunnen leiden tot de vernietiging van artikel 28 van het bestreden decreet. A.27. De verzoekende partijen betwisten dat artikel 62 van de wet van de wet van 8 april 1965, en krachtens die bepaling het gemeen strafprocesrecht, op het bestreden decreet van toepassing zou zijn. Voorts benadrukken de verzoekende partijen dat de artikelen 50 en 57 van de wet van 8 april 1965 louter betrekking hebben op de persoonlijkheid van de minderjarige en zijn opvoedingsmilieu. Vermits het bestreden decreet evenwel een jeugdsanctierecht invoert, dient de minderjarige te beschikken over alle mogelijkheden die de in het middel aangevoerde verdragsbepalingen vereisen, met name de mogelijkheid om getuigen en deskundigen à charge en à décharge te doen ondervragen, en dit met betrekking tot alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf, de schuldvraag, de schuldbekwaamheid en alle andere elementen die relevant zijn voor de beoordeling van de zaak. De procedurele mogelijkheid dit te vragen zou essentieel zijn voor een eerlijk proces. 2. Ten aanzien van de seponering onder voorwaarden, de bemiddeling, het positief traject en het herstelgericht groepsoverleg A.28. De verzoekende partijen voeren de schending aan, door de artikelen 11, 12, 13, 22 en 23 van het bestreden decreet, van het vermoeden van onschuld en het recht om te zwijgen dat wordt afgeleid uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 40 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. 9 De verzoekende partijen kaarten aan dat de procureur des Konings en de jeugdrechter de seponering onder voorwaarden, de bemiddeling, het positief traject en het herstelgericht groepsoverleg in jeugdzaken slechts kunnen voorstellen op voorwaarde dat de minderjarige verdachte het jeugddelict niet ontkent. Het Hof zou bij zijn arrest nr. 50/2008 van 13 maart 2008 reeds hebben vastgesteld dat een dergelijke afstand van het vermoeden van onschuld afbreuk doet aan de grondrechten van de minderjarige. A.29. De tussenkomende partijen ondersteunen de argumentatie van de verzoekende partijen wat het voormelde middel betreft. A.30.1. De Vlaamse Regering stelt dat de zienswijze van het Hof bij zijn arrest nr. 50/2008 niet per analogie van toepassing is op de bestreden bepalingen. In dat arrest achtte het Hof het, ten aanzien van het vermoeden van onschuld en het recht om te zwijgen en zichzelf niet te beschuldigen, niet toelaatbaar dat de minderjarige verdachte ertoe gehouden was vooraf te verklaren dat hij de hem verweten feiten erkende, zonder dat die verklaring evenwel leidde tot het verval van de strafvordering. De in de bestreden bepalingen neergelegde voorwaarde van het niet ontkennen van het jeugddelict houdt evenwel niet in dat de minderjarige een verklaring in die zin moet afleggen, laat staan dat hij zijn mogelijke betrokkenheid of schuld uitdrukkelijk moet erkennen. Ook de Raad van State zou in zijn advies bij de bestreden bepalingen hebben gewezen op het wezenlijke verschil tussen de vereiste van een uitdrukkelijke verklaring van de minderjarige dat hij de feiten niet ontkent, zoals die door het Hof bij zijn arrest nr. 50/2008 werd vernietigd, en de loutere vaststelling dat de minderjarige de feiten niet ontkent, zoals bedoeld in de bestreden bepalingen. De bestreden bepalingen zouden de minderjarige dan ook geenszins verhinderen om zich op zijn zwijgrecht te beroepen. Evenmin zou het vermoeden van onschuld in het gedrang komen, nu het niet ontkennen van de feiten geen onweerlegbaar vermoeden van erkenning van schuld inhoudt. A.30.2. In ondergeschikte orde, voor zover de bestreden bepalingen wel degelijk zouden worden gezien als een beperking op de grondrechten zoals gewaarborgd in de aangevoerde verdragsbepalingen, voert de Vlaamse Regering aan dat die beperking rechtmatig is. Het zou niet onevenredig zijn om van de minderjarige aan wie de mogelijkheid wordt geboden van een herstelgerichte afhandeling van het jeugddelict op het niveau van het openbaar ministerie en de jeugdrechter, te verwachten dat hij het plegen van het jeugddelict niet uitdrukkelijk ontkent. Eén van de uitgangspunten van het bestreden decreet is immers de verantwoordelijkheid van de jongeren. A.31. De verzoekende partijen antwoorden dat het openbaar ministerie de tegenpartij is van de verdachte minderjarige in de strafprocedure. Deze kan een vorm van ongeoorloofde dwang uitoefenen op de kwetsbare minderjarige om een bepaalde verklaring af te leggen die hem in de gratie kan brengen van de vervolgende partij teneinde een zwaardere sanctie te ontlopen. Dit staat haaks op de overwegingen van het Hof bij zijn arrest nr. 50/2008. Voorts is het problematisch dat de jeugdrechter, die zowel oordeelt over de voorbereidende rechtspleging als over de rechtspleging ten gronde, moet vaststellen dat de minderjarige het als misdrijf omschreven feit niet ontkent teneinde hem toegang te geven tot bepaalde « reacties » zoals daarin is voorzien in het bestreden decreet. Een dergelijke cumulatie van functies is problematisch in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake de onpartijdigheid van de rechter, hetgeen ook door het Hof werd aangegeven bij zijn arrest nr. 50/2008. Tot slot benadrukken de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen aldus een verschil in behandeling invoeren tussen het gemeenrechtelijk strafprocesrecht voor meerderjarigen en het jeugddelinquentierecht voor minderjarigen, dat door het Hof bij zijn arrest nr. 50/2008 reeds werd vernietigd. Artikel 553 van het Wetboek van strafvordering vereist voor de bemiddeling immers niet dat de betrokkene de feiten niet ontkent. Het zou niet kunnen worden verantwoord dat die voorwaarde wel geldt voor een minderjarige die een bemiddeling wilt genieten. 10 A.32. De tussenkomende partijen zijn van oordeel dat er geen verschil bestaat tussen de bij het arrest nr. 50/2008 vernietigde vereiste dat de minderjarige uitdrukkelijk verklaart dat hij het als misdrijf omschreven feit niet ontkent, en de in het bestreden decreet bepaalde vereiste dat moet vaststaan dat de minderjarige het jeugddelict niet ontkent. Nog steeds is immers een vaststaande wilsuiting door de betrokken minderjarige vereist waaruit blijkt dat hij het jeugddelict niet ontkent, hetgeen – zoals onder de vernietigde regeling – kan gebeuren door een eigenhandig geschreven verklaring of door een door hem ondertekende notulering. Dit is een aantasting van het vermoeden van onschuld en het zwijgrecht, nu de minderjarige gebrandmerkt zal staan als hebbende het jeugddelict niet ontkend. De tussenkomende partijen verwijzen tot slot naar artikel 553 van het Wetboek van strafvordering, dat geen dergelijke vereiste bevat voor het aanvragen van een bemiddeling door een meerderjarige. A.33. De Vlaamse Regering repliceert dat de verzoekende partijen een nieuw middel aanvoeren, in zoverre zij in hun memorie van antwoord stellen dat er sprake zou zijn van een onverantwoord verschil in behandeling, doordat de bestreden bepaling voorwaarden oplegt die niet gelden in het kader van een aanvraag tot bemiddeling overeenkomstig artikel 553 van het Wetboek van strafvordering. Dat nieuwe middel is niet ontvankelijk. In ieder geval zou uit het loutere feit dat de federale wetgever voor de bemiddeling in het gemene strafprocesrecht niet heeft voorzien in een analoge voorwaarde als de voorwaarde waarin de decreetgever heeft voorzien in de bijzondere context van het jeugddelinquentierecht, niet kunnen worden afgeleid dat de bestreden regeling ongrondwettig is. 3. Ten aanzien de vrijheidsberovende maatregelen en sancties
- a)Ten aanzien van de herziening van een vrijheidsberovende maatregel of sanctie A.34. De verzoekende partijen voeren de schending aan, door de artikelen 16, § 2, tweede lid, en 20, § 2, eerste lid, 4° en 5°, van het bestreden decreet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5, lid 1, c), en 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat zij een regime van voorhechtenis instellen dat afbreuk zou doen aan het vermoeden van onschuld van de minderjarige. De bestreden bepalingen zouden daarenboven discriminerend zijn, in zoverre de minderjarige gedurende de voorhechtenis een minder gunstige rechtspositie zou genieten dan de volwassene die in voorhechtenis wordt geplaatst met toepassing van de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis ». De bestreden bepalingen voorzien immers slechts in een controle om de drie maanden, terwijl de wet van 20 juli 1990 voorziet in een eerste controle na vijf dagen en vervolgens in een maandelijkse en nadien tweemaandelijkse controle. A.35. De tussenkomende partijen ondersteunen de argumentatie van de verzoekende partijen wat het voormelde middel betreft. A.36.1. De Vlaamse Regering voert aan dat het middel gedeeltelijk onontvankelijk is in zoverre daarin de schending wordt aangevoerd van het vermoeden van onschuld zoals neergelegd in de artikelen 5, lid 1, c), en 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dit bij gebrek aan duidelijke uiteenzetting. A.36.2. Wat de aangevoerde discriminatie betreft, stelt de Vlaamse Regering dat de maatregelen van de gesloten oriëntatie en de gesloten begeleiding in de zin van het bestreden artikel 20, § 2, duidelijk moeten worden onderscheiden van de maatregelen waarin is voorzien in de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis ». Een algemeen uitgangspunt van het bestreden decreet is dat de jeugdrechter minderjarigen niet kan bestraffen tijdens de fase van de voorbereidende rechtspleging. De voormelde maatregelen zijn enkel onderzoeks- of bewarende maatregelen, en kunnen niet pertinent worden vergeleken met de vrijheidsberoving in de zin van de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis ». Het Hof van Cassatie zou zulks reeds hebben bevestigd inzake de maatregelen die zijn neergelegd in de wet van 8 april 1965. Gelet op de fundamenteel verschillende aard van beide procedures, zou het bijgevolg niet onredelijk zijn dat de decreetgever inzake de mogelijkheid tot herziening van een aan een minderjarige opgelegde maatregel tot een andere regeling is gekomen dan die waarin voor meerderjarigen is voorzien in de wet van 20 juli 1990 « betreffende de voorlopige hechtenis ». 11 Daarenboven zou het niet onredelijk zijn te bepalen dat een verzoek tot herziening van een opgelegde maatregel op grond van het bestreden artikel 16, § 2, tweede lid, slechts kan worden ingediend na het verstrijken van een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop de beslissing definitief werd. De Vlaamse Regering verwijst ter zake naar de andere rechtswaarborgen waarin de decreetgever heeft voorzien, waaronder het begrenzen van de duur van de voorbereidende rechtspleging en het koppelen van gevolgen aan het overschrijden van die termijn, evenals het begrenzen van de duur van de opgelegde maatregel en de mogelijkheid voor de jeugdrechter om de opgelegde maatregel te allen tijde in te trekken of te vervangen door een minder ingrijpende maatregel. Voor de maatregel van de gesloten oriëntatie vindt uiterlijk de tiende werkdag na de aanvankelijke beslissing van de jeugdrechter een eerste evaluatiemoment plaats. Daarenboven kan binnen een termijn van 48 uur hoger beroep worden ingesteld tegen de beslissing tot plaatsing. De jeugdkamer van het hof van beroep dient daarover uitspraak te doen binnen een termijn van vijftien werkdagen, bij het verstrijken waarvan de maatregel vervalt. De decreetgever heeft, bovenop de voormelde rechtswaarborgen, aan de betrokken minderjarige en opvoedingsverantwoordelijken de mogelijkheid willen bieden om een herziening van de opgelegde maatregel te vragen. De daarbij gehanteerde termijn van drie maanden dient in verband te worden gebracht met de doelstelling van de decreetgever om de minderjarige het op maat gemaakte programma in een gemeenschapsinstelling volledig te laten doorlopen. In het licht van hetgeen voorafgaat, zou de in het bestreden artikel 16, § 2, bepaalde mogelijkheid tot herziening van de opgelegde maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk doen aan het vermoeden van onschuld van de minderjarige. A.37.1. Wat de ontvankelijkheid van het middel betreft, antwoorden de verzoekende partijen dat uit de toelichting van het middel duidelijk blijkt dat zij aanvoeren dat de termijnen van de voorhechtenis ontoereikend zijn in het licht van de habeas corpus zoals vervat in artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hierdoor schendt de bestreden bepaling de verplichting die is neergelegd in artikel 5, lid 1, c), van hetzelfde Verdrag om te voorzien in een controle op korte termijn van de aanwezigheid van redelijke vermoedens dat de betrokkene een strafbaar feit heeft begaan. Dienvolgens schendt de bestreden bepaling de procedurele waarborg van het vermoeden van onschuld in het kader van de voorlopige hechtenis. A.37.2. Ten gronde stellen de verzoekende partijen dat het bestreden decreet duidelijk een jeugdstrafrecht invoert, hetgeen blijkt uit het feit dat de « reactie » in de parlementaire voorbereiding wordt gekwalificeerd als een « sanctie ». Die kwalificatie volstaat voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om te besluiten dat er sprake is van strafrecht. Door desalniettemin de indruk te wekken dat het te dezen jeugdbeschermingsrecht betreft, probeert de Vlaamse Regering de bestreden regeling te doen toetsen aan de soepelere bepaling van artikel 5, lid 1, d), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De verzoekende partijen verwijzen daarbij ook naar het in het bestreden decreet gehanteerde criterium van de verdenking van het plegen van een misdrijf, en het feit dat de toepassing van het bestreden decreet aanleiding kan geven tot het opleggen van een strafsanctie. In zoverre de minderjarige « in de voorbereidende fase » van zijn vrijheid kan worden beroofd indien er « voldoende ernstige aanwijzingen zijn dat verder onderzoek noodzakelijk is », is er wel degelijk sprake van een « voorlopige hechtenis » waarop artikel 5, lid 1, c), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van toepassing is. De door de Vlaamse Regering aangehaalde arresten van het Hof van Cassatie zouden irrelevant zijn, nu die arresten betrekking hebben op het wettelijk kader van het jeugdbeschermingsrecht, terwijl het bestreden decreet dat jeugdbeschermingsrecht net wil vervangen door een jeugdstrafrecht. De doelstelling om de minderjarige het opgelegde programma in een gemeenschapsinstelling volledig te laten doorlopen, zou niet relevant zijn in zaken van strafrecht. Tot slot wijzen de verzoekende partijen erop dat de voorhechtenis van de minderjarige « zo kort mogelijk » moet zijn. Het spreekt dan ook voor zich dat een termijn van drie maanden voor de herbeoordeling van een vrijheidsberoving in voorhechtenis van een minderjarige, die langer is dan de termijn die geldt voor een meerderjarige in voorlopige hechtenis, niet aanvaardbaar is. De waarborgen waarnaar de Vlaamse Regering verwijst, doen geen afbreuk aan die vaststelling. 12 A.38. De tussenkomende partijen stellen dat de maatregelen van een gesloten oriëntatie en een gesloten begeleiding, die in de voorbereidende rechtspleging ten aanzien van een minderjarige kunnen worden opgelegd, ertoe strekken de maatschappij te beschermen en het nodige onderzoek te kunnen verrichten naar het door de minderjarige verdachte gepleegde jeugddelict, waarbij de tijd van de doorgebrachte vrijheidsberoving in mindering wordt gebracht van de uiteindelijke straf. Die maatregelen hebben aldus dezelfde finaliteit als de voorlopige hechtenis ten aanzien van een meerderjarige. Dat blijkt ook uit de vereiste van ernstige aanwijzingen van schuld alvorens tot die vrijheidsberoving kan worden beslist. De minderjarige verdachte van een jeugddelict die van zijn vrijheid wordt beroofd, bevindt zich zodoende minstens in een vergelijkbare situatie als de meerderjarige beschuldigde die in voorlopige hechtenis wordt genomen. De meerderjarige geniet krachtens de wet op de voorlopige hechtenis een eerste controle van zijn vrijheidsbeneming door de raadkamer binnen maximaal vijf dagen, en vervolgens van maand tot maand in de eerste fase van de voorlopige hechtenis en nadien om de twee maanden. De minderjarige verdachte van een jeugddelict kan slechts om de drie maanden een controle van de wettigheid van het voortduren van zijn opsluiting vragen. Die termijn is te lang in het licht van artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.39. De Vlaamse Regering antwoordt dat de verzoekende partijen nog steeds niet aannemelijk maken waarom de artikelen 5, lid 1,
- c)en 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geschonden zouden zijn. In zoverre zij in hun memorie de schending aanvoeren van artikel 5, lid 4, van hetzelfde Verdrag, betreft het een nieuw middel dat niet ontvankelijk is. A.40. De verzoekende partijen voeren voorts de schending aan, door artikel 16, § 2, van het bestreden decreet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Zij betwisten het feit dat de bestreden bepaling niet voorziet in een toegang tot de rechter op korte termijn indien de vrijheidsberovende sanctie onrechtmatig zou zijn geworden. A.41. De tussenkomende partijen ondersteunen de argumentatie van de verzoekende partijen wat het voormelde middel betreft. A.42. De Vlaamse Regering stelt dat de mogelijkheid tot herziening van de opgelegde vrijheidsberovende sanctie, zoals bedoeld in artikel 16, § 2, derde lid, van het bestreden decreet, slechts één van de waarborgen is om te verzekeren dat de door de jeugdrechtbank opgelegde sancties slechts van toepassing blijven in zoverre de situatie van de minderjarige delictpleger dit verantwoordt. De decreetgever heeft immers voorzien in verschillende andere rechtswaarborgen. Aldus kan de jeugdrechtbank de opgelegde sanctie te allen tijde, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, opheffen of vervangen door een minder ingrijpende sanctie. Daarenboven dient iedere sanctie verplicht opnieuw te worden onderzocht door de jeugdrechtbank, teneinde te worden bevestigd, ingetrokken of gewijzigd, vóór het verstrijken van een termijn van één jaar te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing definitief is geworden. Het is dienvolgens niet onredelijk dat een verzoek tot herziening van een aan een minderjarige opgelegde sanctie maar kan worden ingediend na het verstrijken van een termijn van zes maanden vanaf de dag waarop de beslissing definitief werd. Die termijn is overigens aanzienlijk korter dan de termijn van één jaar waarin artikel 60, tweede lid, van de wet van 8 april 1965 voorziet. A.43. De verzoekende partijen antwoorden dat de bestreden termijn van zes maanden niet dienstig kan worden vergeleken met de door de Vlaamse Regering aangehaalde termijn van één jaar die is neergelegd in artikel 60 van de wet van 8 april 1965. Terwijl die bepaling opvoedkundige maatregelen van jeugdbescherming betreft, heeft de thans bestreden bepaling betrekking op strafsancties. Zij benadrukken dat de vrijheidsberoving onrechtmatig is in het licht van de grondrechten van de minderjarige zodra de straf niet langer in het belang van de minderjarige is. De minderjarige dient in dat geval op korte termijn toegang te hebben tot een rechter. Hij dient hiervoor zelf of via zijn raadsman het nodige te kunnen doen en niet afhankelijk te zijn van de goede wil van de instelling om een verslag op te stellen of van de goede wil van een derde om een procedure op te starten. Het laten voortduren van het onrechtmatig opgelegde leed gedurende zes maanden, zonder toegang tot de rechter, is manifest een miskenning van het belang van de minderjarige. 13 A.44. De tussenkomende partijen zijn van oordeel dat de in de bestreden bepaling neergelegde termijn van zes maanden voor de herziening van de opgelegde vrijheidsberovende sancties, geen « korte termijn » is in de zin van artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het loutere feit dat in de wet van 8 april 1965 werd voorzien in een langere termijn van één jaar, doet geen afbreuk aan die vaststelling. De tussenkomende partijen wijzen er daarbij op dat het te dezen jeugddelinquentierecht betreft, waarbij de sanctie onder zijn aspect van het opleggen van leed volop aan bod komt. Noch het feit dat andere personen initiatief kunnen nemen om de opgelegde vrijheidsberovende sanctie te herzien, noch het feit dat die sanctie op initiatief van het openbaar ministerie vóór het verloop van één jaar herbekeken kan worden, kan de bestreden bepaling verantwoorden.
- b)Ten aanzien van de langdurige gesloten begeleiding A.45. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan, door de artikelen 28 en 37 van het bestreden decreet, van de artikelen 13, 33 en 150 van de Grondwet, in zoverre die bepalingen de jeugdrechtbank bevoegd maken om opsluitingen van meer dan vijf jaar op te leggen. Overeenkomstig het gemeen strafrecht zijn dit criminele straffen, zodat de grondwettelijke waarborg van artikel 150 van de Grondwet daarop van toepassing is. Een dergelijke sanctie kan bijgevolg enkel door een jury worden opgelegd. A.46. De Vlaamse Regering antwoordt dat de gesloten begeleiding binnen een gemeenschapsinstelling van maximaal zeven jaar niet kan worden beschouwd als een « criminele straf » waarop de waarborg van artikel 150 van de Grondwet van toepassing is. Zoals reeds vermeld, zou het jeugddelinquentierecht immers geen strafrecht zijn maar een karakter sui generis hebben. De gesloten begeleiding is dan ook geen gevangenisstraf, maar een constructieve, pedagogische reactie die wordt aangeboden door de gemeenschapsinstelling teneinde de kansen op re-integratie te maximaliseren. Daarenboven kan niet elke « vrijheidsberovende sanctie » die de drempel van vijf jaar overschrijdt, worden gekwalificeerd als een « criminele straf » waarop de waarborg van artikel 150 van de Grondwet van toepassing is. Het begrip « criminele straf », zoals dat wordt gehanteerd in het Strafwetboek, is immers niet afgestemd op het begrip « criminele zaken » zoals bedoeld in artikel 150 van de Grondwet. Aldus zou uit de rechtspraak van het Hof en de adviespraktijk van de Raad van State volgen dat de federale wetgever niet gebonden is door de in het Strafwetboek gehanteerde grens van vijf jaar om het toepassingsgebied van artikel 150 van de Grondwet af te bakenen. Dit geldt evenzeer voor de decreetgever die bevoegd is om ter zake wetgevend op te treden. Het is dus niet omdat de decreetgever heeft bepaald dat de jeugdrechtbank een minderjarige delictpleger een gesloten begeleiding van maximaal zeven jaar kan opleggen, dat de grondwettelijke waarborg van artikel 150 van de Grondwet daarop van toepassing is. A.47. De verzoekende partijen herhalen dat het bestreden decreet wel degelijk een jeugdstrafrecht invoert. Wat de draagwijdte van het begrip « criminele zaak » in artikel 150 van de Grondwet en het begrip « strafsanctie » in het Strafwetboek betreft, stellen de verzoekende partijen dat de mogelijkheid, zoals ingevoegd in artikel 25 van het Strafwetboek bij wetswijziging van 1977, om voor een gecorrectionaliseerde misdaad een gevangenisstraf van 10 jaar op te leggen, ongrondwettig is. Het betreft immers de facto een criminele straf die door een gewijzigde naamgeving wordt onttrokken aan de grondwettelijke waarborg van een jury. De verzoekende partijen handhaven derhalve de zienswijze dat de sanctie waarin is voorzien in de artikelen 28 en 37 van het bestreden decreet, gelet op de duur en de inhoud van de vrijheidsberoving, een criminele strafsanctie uitmaakt. Indien een dergelijk sanctie wordt gevorderd, is er wel degelijk sprake van een strafzaak waarop artikel 150 van de Grondwet van toepassing is. A.48. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan, door artikel 37, § 1, van het bestreden decreet, van het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat is neergelegd in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet. Doordat aan de jeugdrechtbanken de bevoegdheid wordt toegekend om aan kinderen van 12 tot 16 jaar correctionele vrijheidsstraffen op te leggen indien zij van oordeel zijn dat er « uitzonderlijke omstandigheden » bestaan, kunnen de jeugdrechtbanken naar eigen inzicht beslissen of de strafwet wordt toegepast op die minderjarigen, hetgeen afbreuk zou doen aan de vereiste van voorzienbaarheid van de strafbaarstelling. Voorts zouden de cumulatieve voorwaarden waaraan krachtens artikel 37, § 2, van het bestreden decreet moet zijn voldaan opdat de sanctie van de langdurig gesloten begeleiding kan worden opgelegd, subjectief zijn en door de rechter zelf moeten worden ingevuld. Door het gebruik van de begrippen « ongepast », « in gevaar » en « noodzakelijk » zou het voor de minderjarige niet redelijk voorzienbaar zijn of hij zich al dan niet in een situatie bevindt die zal worden gestraft. 14 A.49. De Vlaamse Regering is van oordeel dat er geen schending is van het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel, nu de strafbaarstelling duidelijk blijkt uit de cumulatieve voorwaarden waaraan voldaan moet zijn opdat de sanctie van de langdurig gesloten begeleiding kan worden opgelegd aan een minderjarige die jonger is dan zestien jaar. De jeugdrechtbank is er bovendien toe gehouden de toepasselijkheid van die voorwaarden in een bijzonder met redenen omkleed vonnis te motiveren. De jeugdrechtbank heeft weliswaar een zekere beoordelingsvrijheid om te bepalen of er al dan niet « uitzonderlijke omstandigheden » voorhanden zijn. Overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof is zulks niet onverenigbaar met het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel. Dit geldt des te meer in het jeugddelinquentierecht, dat van toepassing is op een zeer specifieke categorie van personen en dat niet louter een bestraffend doel heeft doch ook andere, preventieve doelstellingen nastreeft. Om terdege rekening te houden met die bijzonderheden vermocht de decreetgever tot op zekere hoogte te vertrouwen op de beoordelingsbevoegdheid van de jeugdrechtbank. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof zal een rechter de aanwezigheid van « uitzonderlijke omstandigheden » uiteraard niet kunnen beoordelen op grond van subjectieve opvattingen, doch moet hij objectieve elementen in overweging nemen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van elke zaak. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever in het bijzonder « de ernst van de feiten » voor ogen had. Wat betreft de kritiek van de verzoekende partijen inzake de voorzienbaarheid van de in artikel 37, § 2, van het bestreden decreet vermelde cumulatieve voorwaarden, stelt de Vlaamse Regering dat de daarin gehanteerde begrippen in hun gebruikelijke betekenis moeten worden begrepen. Gelet op het bijzondere karakter van het jeugddelinquentierecht, zou het bovendien opportuun zijn om de in artikel 37, § 2, vermelde voorwaarden niet in al te rigide termen op te stellen teneinde de jeugdrechtbank in staat te stellen een onderbouwd oordeel te maken dat is gebaseerd op de eigenheid van elke zaak van jeugddelinquentie. De decreetgever heeft daarenboven uitvoerig toelichting gegeven bij de gehanteerde begrippen. A.50. De verzoekende partijen antwoorden dat de verplichting voor de jeugdrechter om de toepasselijkheid van de voorwaarden te motiveren, het gebrek aan voorzienbaarheid van de strafwet niet kan verhelpen. Een dergelijke werkwijze schendt daarentegen het verbod op retroactiviteit in strafzaken. De feiten zijn immers niet strafbaar of slechts strafbaar met een mildere straf, behoudens indien een jeugdrechter, nadat de feiten reeds zijn begaan, oordeelt dat de feiten toch strafbaar zijn of met een zwaardere straf moeten worden bestraft. Vermits de beoordeling door de jeugdrechtbank van het al dan niet voorhanden zijn van « uitzonderlijke omstandigheden » pas na de feiten gebeurt, is die beoordeling per definitie niet voorzienbaar en heeft zij een verzwaring van de wettelijke situatie van de betrokken minderjarige tot gevolg. Anders dan de Vlaamse Regering beweert, zouden de voorwaarden die in het bestreden artikel 37, § 2, worden gehanteerd niet behoren tot beoordelingsbevoegdheid van de rechter. Die voorwaarden zouden de rechter daarentegen toelaten om, op grond van oncontroleerbare en subjectieve criteria, het op de minderjarige toepasselijke strafregime volledig te wijzigen, hetgeen manifest in strijd is met het wettigheidsbeginsel in strafzaken. A.51. De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan, door artikel 37, § 2, 2°, van het bestreden decreet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 40, leden 1 tot 4, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre die bepaling voorziet in een weerlegbaar vermoeden van schuldbekwaamheid voor twaalf- tot zestienjarigen. De bestreden bepaling zou aldus een discriminatie invoeren tussen minderjarigen wier ouders over de financiële middelen beschikken om dat vermoeden aan te vechten door de aanstelling van een psychiater of een ontwikkelingsdeskundige en de minderjarigen wier ouders niet over die financiële middelen beschikken. Een dergelijk vermoeden zou daarenboven in strijd zijn met de in het middel aangevoerde verdragsbepalingen, die waarborgen dat de schuldbekwaamheid uitdrukkelijk wordt onderzocht en vastgesteld door de overheid. A.52. De tussenkomende partijen ondersteunen de argumentatie van de verzoekende partijen wat het voormelde middel betreft. 15 A.53.1. Volgens de Vlaamse Regering steunt de grief van de verzoekende partijen op de verkeerde veronderstelling dat het vermoeden van schuldbekwaamheid enkel zou kunnen worden weerlegd door een verslag van een psychiater of ontwikkelingsdeskundige. De voorwaarde van schuldbekwaamheid houdt in essentie in dat wordt beoordeeld of de minderjarige (al dan niet) over « het oordeel des onderscheids » beschikt. Het betreft een criterium dat autonoom kan worden beoordeeld door de jeugdrechtbank, die daarbij gebruik kan maken van de onderzoeksbevoegdheden waarover zij krachtens de artikelen 50 en 57 van de wet van 8 april 1965 beschikt. Daarenboven kunnen de minderjarige of zijn ouders ter zake de nodige elementen aanvoeren en vragen dat bijkomende onderzoeksdaden worden verricht. De minderjarige kan zich daarbij laten bijstaan door een raadsman, die in voorkomend geval ambtshalve wordt toegewezen indien de minderjarige niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen. Voorts zou het manifest onjuist zijn dat enkel minderjarigen wier ouders over voldoende financiële middelen beschikken een psychiater of een ontwikkelingsdeskundige kunnen laten aanstellen. De artikelen 664 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek voorzien immers in een regeling van kosteloze bijstand voor alle natuurlijke personen indien zij aantonen dat hun bestaansmiddelen ontoereikend zijn. Die regeling strekt zich ook uit tot de bijstand van een technisch raadsman bij gerechtelijke deskundigenonderzoeken, zoals een psychiater of een ontwikkelingsdeskundige. Elke minderjarige, ongeacht zijn financiële toestand, kan dus vragen een psycholoog of psychiater te mogen bezoeken, waarna de jeugdrechter een deskundige kan aanstellen. A.53.2. In ondergeschikte orde stelt de Vlaamse Regering dat een eventuele discriminatie tussen vermogende en onvermogende minderjarigen enkel het gevolg kan zijn van een leemte in de wet, in zoverre de federale wetgever niet heeft voorzien in een regeling op grond waarvan een minderjarige die betrokken is in een procedure voor de jeugdrechtbank de kosteloze aanstelling van een psychiater of ontwikkelingsdeskundige kan verkrijgen. Een dergelijke ongrondwettigheid kan evenwel niet leiden tot de vernietiging van de thans bestreden bepaling. A.54. De verzoekende partijen antwoorden dat de bestreden bepaling niet voorziet in een deskundigenonderzoek inzake de schuldbekwaamheid, noch zelfs maar in een beoordeling daarvan. Er wordt louter voorzien in een wettelijk vermoeden ten voordele van het openbaar ministerie, dat de minderjarige dient te weerleggen. Die regeling geeft minderjarigen wier familie over de nodige financiële middelen beschikt om een deskundige te raadplegen, meer mogelijkheden voor hun verdediging. Een kind wiens gezin die middelen niet heeft, is afhankelijk van de goede wil van de rechter om een deskundige aan te stellen teneinde zich op dit punt te kunnen verdedigen. Dus zelfs wanneer een minderjarige niet schuldbekwaam is maar de rechter niet bereid is om de kwestie te onderzoeken, zal de minderjarige krachtens de wet schuldbekwaam worden geacht, zonder dat het openbaar ministerie ter zake ook maar iets moet bewijzen. Een dergelijk vermoeden staat haaks op het beginsel dat het openbaar ministerie de bewijsplicht heeft en de verdachte het recht heeft om niet mee te werken aan de procedure, en is in strijd met het beginsel van de wapengelijkheid als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, met de in het middel aangevoerde verdragsbepaling en met de belangen van de minderjarige. A.55. De tussenkomende partijen voeren aan dat het wettigheidsbeginsel wordt geschonden, in zoverre het begrip « schuldbekwaamheid » door de rechter moet worden ingevuld. De precisering dat de rechter moet nagaan of de minderjarige « het oordeel des onderscheids » heeft bereikt, rekening houdend met zijn persoonlijkheid, zijn maturiteit en zijn sociale context, zou te vaag en onvoorspelbaar zijn. Het betreft een vermoeden à charge van de minderjarige, waarbij het aan de rechter wordt overgelaten om dat vermoeden in te vullen en toe te passen, zonder dat daarbij wordt voorzien in een deskundig advies. Minderjarigen met meer financiële middelen hebben meer mogelijkheden om een deskundige te raadplegen, terwijl een minderjarige die die middelen niet heeft, afhankelijk is van de rechter om een deskundige aan te stellen. Dat onderscheid zou niet verantwoord zijn. Bovendien zou het vermoeden van schuldbekwaamheid strijdig zijn met de bewijsplicht van het openbaar ministerie en het recht van de minderjarige om niet mee te werken aan de procedure, alsook met het beginsel van de wapengelijkheid en met artikel 40, leden 1 tot 4, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. 16 De invoering van het vermoeden van schuldbekwaamheid in het jeugdrecht zou tot de absurde situatie leiden dat een minderjarige vanaf twaalf jaar wordt vermoed schuldbekwaam te zijn om een jeugddelict te plegen, terwijl in het burgerlijk recht minderjarigen tot achttien jaar volledig handelingsonbekwaam blijven. Dit heeft tot gevolg dat een minderjarige van dertien jaar niet zelf rechtsgeldig een motorfiets kan kopen, maar wanneer hij met die motorfiets een ongeval veroorzaakt wel schuldbekwaam wordt geacht, en dit op basis van hetzelfde door de rechter in te vullen criterium van « het oordeel des onderscheids ». A.56. De Vlaamse Regering repliceert dat de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord voor het eerst aanvoeren dat de bestreden bepaling afbreuk doet aan het beginsel van de wapengelijkheid als onderdeel van het recht op een eerlijk proces, evenals aan de belangen van de minderjarige. Het zouden aldus nieuwe middelen betreffen, die om die reden niet-ontvankelijk zijn. In ondergeschikte orde stelt de Vlaamse Regering dat die nieuwe grieven elke grondslag missen. Het vermoeden van schuldbekwaamheid geeft louter uitdrukking aan één van de uitgangspunten van het bestreden decreet, namelijk het benaderen van minderjarigen als verantwoordelijke jonge mensen die in beginsel voldoende oordeelkundig zijn om de gevolgen van hun normoverschrijdend gedrag in te schatten. Wanneer een jeugddelinquent niet als verantwoordelijk voor de berokkende schade kan worden gehouden, zal het vermoeden op basis van de concrete elementen in de zaak kunnen worden weerlegd. Het vermoeden van schuldbekwaamheid staat dus los van de vraag of de minderjarige het delict heeft gepleegd. A.57. De verzoekende partijen voeren in een vierde middel de schending aan, door artikel 37, § 6, van het bestreden decreet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 40 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Door in artikel 37, § 6, tweede lid, 1°, van het bestreden decreet erin te voorzien dat de jeugdrechtbank, wanneer de minderjarige zich onttrekt aan een medisch-psychologisch onderzoek, een gesloten begeleiding kan opleggen zonder dat een dergelijk onderzoek werd verricht, bestraft die bepaling het gebruik van het zwijgrecht met een vrijheidsstraf. A.58. De Vlaamse Regering stelt dat de decreetgever, teneinde de proceswaarborgen voor de minderjarige te versterken, in de bestreden bepaling de verplichting heeft opgenomen om een medisch-psychologisch onderzoek uit te voeren vooraleer de jeugdrechtbank een gesloten begeleiding kan opleggen. Die verplichting is evenwel niet absoluut. Om te vermijden dat die waarborg een onoverkomelijk beletsel zou vormen voor het opleggen van een reactie op een jeugddelict doordat de minderjarige zich bewust onttrekt aan dat onderzoek, heeft de decreetgever voorzien in een uitzondering op die verplichting zodat de jeugdrechtbank alsnog de sanctie van een gesloten begeleiding kan opleggen indien aan de overige decretale voorwaarden is voldaan. Het opleggen van de sanctie van de gesloten begeleiding in een gemeenschapsinstelling is evenwel geen gevolg van de weigering van de minderjarige om het medisch-psychologisch onderzoek te ondergaan. Het is de jeugdrechtbank die in voorkomend geval zal moeten oordelen of het gepast is om die sanctie op te leggen, zonder over een medisch-psychologisch verslag te beschikken. De jeugdrechtbank kan zich daarbij baseren op andere elementen uit het dossier, zoals het maatschappelijk onderzoek, de eventueel eerder opgelegde maatregelen of sancties en de getuigenissen ter zitting. Daarenboven kan de sanctie van de gesloten begeleiding in een gemeenschapsinstelling maar worden opgelegd indien voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden vermeld in artikel 37, § 2, van het bestreden decreet. Het middel mist dan ook elke grondslag in zoverre daarin wordt aangevoerd dat het bestreden artikel 37, § 6, tweede lid, 1°, het gebruik van het zwijgrecht zou bestraffen met een vrijheidsstraf. A.59. De verzoekende partijen antwoorden dat het overeenkomstig artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens aan het openbaar ministerie toekomt om alle elementen in een strafzaak te bewijzen, met inbegrip van zogenaamde « onschuldige » informatie. De overheid dient aldus ervoor te zorgen dat de noodzakelijke medisch-psychologische onderzoeken kunnen worden uitgevoerd zonder dat de betrokken minderjarige wordt gedwongen daaraan mee te werken. Het is volgens de verzoekende partijen mogelijk een dergelijk onderzoek uit te voeren via een inobservatiestelling van de minderjarige verdachte. Die inobservatiestelling eerbiedigt het recht van de minderjarige om te zwijgen en om niet mee te werken, terwijl men toch de nodige onderzoeken kan uitvoeren. 17 A.60. De Vlaamse Regering repliceert dat het voorafgaandelijk medisch-psychologisch onderzoek, dat een belangrijke rechtswaarborg vormt voor de minderjarige, verkeerdelijk wordt voorgesteld als een te bewijzen element van een strafzaak dat tegen de minderjarige kan worden gebruikt bij de beoordeling van zijn schuld. Het feit dat een inobservatiestelling mogelijk zou zijn als alternatief voor een medisch-psychologisch onderzoek, vormt loutere opportuniteitskritiek tegen de beleidskeuze van de decreetgever die niet kan leiden tot de ongrondwettigheid van de bestreden bepaling.
- c)Ten aanzien van de uithandengeving A.61. De verzoekende partijen voeren de schending aan, door artikel 38, § 3, van het bestreden decreet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 40 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Door in de bestreden bepaling erin te voorzien dat de jeugdrechtbank, wanneer de minderjarige zich onttrekt aan een medisch-psychologisch onderzoek, de zaak uit handen kan geven zonder dat een dergelijk onderzoek werd verricht, bestraft die bepaling het gebruik van het zwijgrecht met een verwijzing naar het volwassen strafrecht. A.62. De Vlaamse Regering stelt vast dat het middel in wezen dezelfde draagwijdte heeft als het middel gericht tegen artikel 37, § 6, van het bestreden decreet, en verwijst derhalve naar hetgeen zij bij dat middel heeft uiteengezet (zie A.58). Zij verwijst bijkomend naar het arrest nr. 49/2008 van 13 maart 2008, waarbij het Hof reeds heeft geoordeeld dat de rechtsfiguur van de uithandengeving, zoals geregeld in het toenmalige – analoge – artikel 57bis van de wet van 8 april 1965, verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel en het vermoeden van onschuld. Het Hof verwees daarbij uitdrukkelijk naar de voorwaarde dat de jeugdrechtbank, alvorens tot uithandengeving te kunnen beslissen, « in beginsel » een maatschappelijk en medisch-psychologisch onderzoek dient te laten uitvoeren. Het Hof hield er bij die beoordeling aldus rekening mee dat de jeugdrechtbank in bepaalde gevallen ook kan beslissen tot uithandengeving zonder te beschikken over een medisch-psychologisch verslag. A.63. De verzoekende partijen betwisten dat het Hof bij zijn arrest nr. 49/2008 de grondwettigheid zou hebben beoordeeld van het feit dat de uithandengeving kan worden opgelegd als sanctie aan een minderjarige die gebruik maakt van zijn zwijgrecht. Zij handhaven de zienswijze dat de bestreden sanctie niet verenigbaar is met het vermoeden van onschuld en het zwijgrecht.
- d)Ten aanzien van de plaatsing in een afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst A.64. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 39 van het bestreden decreet, dat betrekking heeft op de mogelijkheid voor de jeugdrechtbank om een minderjarige delictpleger toe te vertrouwen aan een open of een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst. In een eerste onderdeel voeren ze de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5, lid 1, e), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de bestreden bepaling een « strafrechtelijke jeugdinternering » zou instellen die mogelijk is voor misdrijven waarvoor een volwassene niet zou kunnen worden geïnterneerd. Terwijl de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » de internering voor meerderjarigen beperkt tot « een misdaad of een wanbedrijf dat de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt », voorziet de bestreden bepaling in geen enkele gradatie met betrekking tot het misdrijf dat de minderjarige gepleegd moet hebben om geïnterneerd te kunnen worden. Voorts vereist de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » een uitgesproken gevaar voor de maatschappij om tot internering te kunnen beslissen, terwijl het voor de minderjarige krachtens de bestreden bepaling volstaat dat « zijn oordeelsvermogen of zijn vermogen tot beheersen van zijn handelingen ernstig is aangetast ». Elke zich nog ontwikkelende jongere valt evenwel onder dat criterium, vermits zij nog geen onderscheidend oordeelsvermogen hebben. Dat criterium zou bovendien in strijd zijn met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin wordt gesteld dat op basis van een objectieve medische expertise moet worden aangetoond dat de betrokken persoon wel degelijk geestesziek is, dat die geestesziekte voldoende ernstig moet zijn om een vrijheidsberoving te rechtvaardigen ter beveiliging van de maatschappij en dat de vrijheidsberoving slechts kan worden gehandhaafd zolang de geestesziekte blijft bestaan. 18 In het tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 5, lid 4, en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de bestreden bepaling een « strafrechtelijke jeugdinternering » zou instellen die niet voorziet in een effectief rechtsmiddel voor de minderjarige om op korte termijn de onrechtmatigheid van zijn detentie voor te leggen aan de rechter. De in de bestreden bepaling neergelegde termijn van zes maanden alvorens te verschijnen voor de jeugdrechtbank zou te lang zijn om een effectief rechtsmiddel te kunnen uitmaken en zou aanzienlijk langer zijn dan de termijn waarin in de wet van 26 juni 1990 « betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke » is voorzien in geval van een gedwongen opname van een minderjarige. A.65.1. De Vlaamse Regering stelt dat het middel wederom uitgaat van de verkeerde veronderstelling dat de decreetgever met het bestreden decreet een jeugdstrafrecht heeft willen invoeren. Het karakter sui generis van het jeugddelinquentierecht zou evenwel verantwoorden dat er in de procedureregeling verschillen bestaan ten aanzien van bepaalde strafrechtelijke figuren of procedureregelingen uit het gemeen strafprocesrecht. A.65.2. Wat het eerste middelenonderdeel betreft, benadrukt de Vlaamse Regering dat het bestreden jeugddelinquentiedecreet beoogt te voorzien in een reactie op een jeugddelict die niet enkel normbevestigend en herstellend is, doch die ook te allen tijde is ingebed in een breder beleid met betrekking tot de minderjarige. De reactie mag dan ook niet enkel gebaseerd zijn op de kwalificatie van het gepleegde jeugddelict, maar moet tevens rekening houden met de persoonlijkheid van de minderjarige en toekomstgericht zijn. Aldus moet ook de plaatsing in een gesloten afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst, die onder meer gericht is op het verbeteren van de levenskwaliteit van de jongeren, het bevorderen van de resocialisatie en het voorkomen van terugval, openstaan voor elke minderjarige delictpleger van wie is komen vast te staan dat zijn oordeelsvermogen of zijn vermogen tot het beheersen van zijn handelingen ernstig is aangetast, ongeacht het concrete misdrijf dat de minderjarige heeft gepleegd. De Vlaamse Regering benadrukt voorts dat de ernstige aantasting van het oordeelsvermogen of het vermogen tot het beheersen van zijn handelingen moet blijken uit een door een jeugdpsychiater opgesteld onafhankelijk verslag dat minder dan een maand oud is. Die vereiste waarborgt dat de maatregel wordt gestaafd door objectieve medische beweegredenen, die voldoende ernstig moeten zijn om een vrijheidsberoving ter beveiliging van de maatschappij te kunnen rechtvaardigen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, zou het dus niet voldoende zijn dat er sprake is van een « sociale gevaarlijkheid », maar moet er sprake zijn van een « jeugdpsychiatrische » problematiek. De bestreden bepaling beoogt immers een reactie op maat voor minderjarigen van wie de ernstige gedragsproblemen gecompliceerd worden door uitgesproken psychiatrische zorgbehoeften. Het feit dat die problematiek niet per se onder één noemer kan worden geplaatst, verantwoordt dat de decreetgever de ruime formulering « aantasting van het oordeelsvermogen of het vermogen tot beheersen van zijn handelingen » hanteert. A.65.3. Wat het tweede middelenonderdeel betreft, stelt de Vlaamse Regering dat de wet van 26 juni 1990 « betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke » eveneens een herzieningstermijn van zes maanden vooropstelt. Zulks bevestigt dat een dergelijke termijn geenszins te lang is om een effectief rechtsmiddel te zijn. Het loutere feit dat die termijn, voor een maatregel genomen ten aanzien van een minderjarige op grond van artikel 52 van de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming », werd teruggebracht tot drie maanden, maakt een termijn van zes maanden geenszins kennelijk onevenredig. Bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden maatregel zou daarenboven ook rekening moeten worden gehouden met de verplichting voor de betrokken instanties om te beschikken over een recent psychiatrisch verslag inzake de betrokken minderjarige. Daarenboven kan de jeugdrechtbank de opgelegde « sancties » te allen tijde herzien, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie of op gemotiveerd verzoek van de minderjarige delictpleger. Aldus heeft de decreetgever in een regeling voorzien die waarborgt dat de plaatsing slechts voortduurt zolang de onderliggende jeugdpsychiatrische zorgbehoeften aanwezig blijven. A.66. De verzoekende partijen benadrukken dat er slechts van een internering sprake kan zijn indien een bepaalde drempel overschreden is. Een dergelijke drempel zou in de bestreden bepaling evenwel volledig ontbreken, zowel wat betreft de ernst van het misdrijf dat de minderjarige heeft begaan, als wat betreft de ernst van de geestesstoornis van de minderjarige. 19 Zij betwisten voorts dat een termijn van zes maanden volstaat om de rechten van een minderjarige te waarborgen. Wanneer de vrijheidsberoving niet langer in het belang van de minderjarige is, moet de minderjarige krachtens artikel 5, lid 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens op korte termijn toegang hebben tot de rechter om een einde te doen maken aan die onrechtmatige situatie. Hij mag daarbij niet afhankelijk zijn van de goede wil van de instelling om een verslag op te stellen of van de goede wil van een derde om de procedure op te starten. -B- Ten aanzien van het bestreden decreet B.1.1. Het bestreden decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 15 februari 2019 « betreffende het jeugddelinquentierecht » (hierna : het decreet van 15 februari 2019) regelt deze aangelegenheid in het Nederlandse taalgebied. Het betreft het geheel van regels inzake de « reactie » op een « jeugddelict », zijnde « een als misdrijf omschreven feit gepleegd door een minderjarige » (artikel 2, 7°). Een « minderjarige » wordt gedefinieerd als « een persoon van minstens twaalf jaar die de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt op het ogenblik van het plegen van het jeugddelict » (artikel 2, 10°). Ten aanzien van een persoon die een jeugddelict heeft gepleegd en die op het ogenblik van de feiten nog geen twaalf jaar is, geldt een onweerlegbaar vermoeden van niet-verantwoordelijkheid (artikel 4, § 2, eerste lid). De « reactie » is « de maatregel of sanctie als maatschappelijk antwoord op een jeugddelict » (artikel 2, 17°). Een « maatregel » kan door de jeugdrechter tijdens de voorbereidende rechtspleging worden opgelegd (artikel 2, 9°), terwijl een « sanctie » door de jeugdrechtbank tijdens de rechtspleging ten gronde kan worden opgelegd (artikel 2, 19°). B.1.2. Het bestreden decreet werd genomen ten gevolge van de uitbreiding, bij de zesde staatshervorming, van de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake jeugdbescherming met de bevoegdheid inzake het « jeugdsanctierecht » (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2232/1, p. 54). Daartoe werd de in artikel 5, § 1, II, 6°, d), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen neergelegde uitzondering op de bevoegdheid inzake jeugdbescherming, voor wat betreft « de opgave van de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd », opgeheven (artikel 9, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming). Die bevoegdheid was voordien voorbehouden aan de federale overheid en 20 geregeld bij de wet van 8 april 1965 « betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade » (hierna : de wet van 8 april 1965). B.1.3. In de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet wordt vermeld : « De essentiële ambitie van het jeugddelinquentierecht betreft het voorzien in een duidelijk, maatschappelijk normbevestigend antwoord op delicten gepleegd door minderjarigen en waarbij de verantwoordelijkheid van de jonge dader niet ontweken wordt. Deze reactie is helder afgescheiden van, maar vlot combineerbaar met jeugdhulp wanneer nodig. Het jeugddelinquentierecht omvat dan ook slechts een deel van het jeugdrecht, namelijk de reacties op jeugddelinquentie, inclusief de afhandeling op niveau van het openbaar ministerie. […] Het verder consolideren en verfijnen van herstelgericht en herstelrechtelijk handelen als volwaardige reactie op jeugddelinquentie is een belangrijk en algemeen gedragen uitgangspunt […]. Het is echter evenzeer de gedeelde overtuiging dat er, naast het herstelrechtelijke spoor, ook nood is aan een gedifferentieerd aanbod van snelle, constructieve reacties als antwoord op jeugddelinquentie. De tijd tussen het plegen van het jeugddelict en de reactie op dat delict moet zo kort mogelijk zijn om een positieve impact te hebben op de minderjarige. Er moeten termijnen bepaald worden waarbinnen bepaalde beslissingen moeten genomen worden, zonder dat afbreuk mag worden gedaan aan de rechten en rechtswaarborgen van de minderjarigen. Dit maakt ook (lokale) afspraken in een ketenaanpak mogelijk waardoor sneller en meer gecoördineerd kan opgetreden worden tussen de verschillende ketenpartners. Eerder dan te kiezen voor een enkelvoudig spoor van herstel of sanctie als alternatief voor bescherming, wordt uitdrukkelijk gekozen voor het voorzien van meerdere sporen in de reactie. De term ‘ jeugddelinquentierecht ’ omvat beide sporen, evenals de mogelijkheid om door middel van zorg en beveiliging (gesloten zorg) te reageren op een jeugddelict gepleegd door minderjarigen die niet als verantwoordelijk kunnen beschouwd worden omwille van de aanwezigheid van een geestesstoornis » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1670/1, pp. 4-5). De krachtlijnen van het bestreden decreet worden in de parlementaire voorbereiding als volgt samengevat : « 4.1. Verantwoordelijkheid van jongeren als constructief vertrekpunt 21 Een van de centrale overtuigingen is om jongeren uitdrukkelijker te beschouwen en te benaderen als verantwoordelijke jonge mensen, eerder dan als handelingsonbekwame, onverantwoordelijke en te beschermen kinderen van hun ouders. De jongere wordt verantwoordelijk gesteld voor zijn daden en de gevolgen ervan. De reactie op een jeugddelict moet zich richten op de schade die de minderjarige aan zijn slachtoffer en de maatschappij heeft veroorzaakt. In alle stadia van de procedure wordt de mogelijkheid tot herstelgericht werken geboden en aangemoedigd. […] […] 4.2. Duidelijke, snelle, constructieve en herstelgerichte reacties op jeugddelicten gepleegd door minderjarigen De reactie op jeugddelicten moet duidelijk, snel, constructief en herstelgericht zijn. Dat zowel voor de minderjarige delictpleger, zijn ouders/opvoedingsverantwoordelijken, het slachtoffer als de ruimere samenleving. De cumulatie van reacties is mogelijk maar moet rekening houden met de toepassing van het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. […] 4.3. Evidencebased In het jeugddelinquentierecht wordt evidencebased werken als belangrijk werkingsprincipe naar voren geschoven. [De bevoegde minister] streeft hiermee een aanpak met effectieve resultaten na, die ook blijvend is. Evidencebased werken betekent een werking die gebaseerd is op kwantitatieve en/of kwalitatieve (wetenschappelijke onderzoeks)gegevens. Zicht op het effect van de ingezette reacties ten aanzien van minderjarigen die jeugddelicten plegen of hiervan verdacht worden, moet vergroten. […] 4.4. Gedifferentieerd aanbod van reacties op jeugddelinquentie Er wordt meer differentiatie beoogd in de reacties die ter beschikking staan van het openbaar ministerie en de jeugdrechtbanken als alternatief voor plaatsing. Het ontwerp van decreet strekt er eveneens toe niet alleen voor reactiemogelijkheden te zorgen die kunnen worden ingezet ten aanzien van minderjarigen, maar ook een appel mogelijk te maken op de verantwoordelijkheid van ouders of opvoedingsverantwoordelijken. Door ten aanzien van jeugdrechters en jeugdrechtbanken de verplichting op te leggen om duidelijk en expliciet aan te geven waarom men voor de ene of andere reactie kiest en met welke factoren al dan niet rekening wordt gehouden, wordt getracht om de genomen beslissingen te objectiveren. […] 4.5. Afstemming met het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp Het ontwerp van decreet is een belangrijke opportuniteit om de brede jeugdhulp in Vlaanderen logischer te organiseren en dit door de afstemming met het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp. 22 […] 4.6. Gesloten opvang als meest ingrijpende reactie op een jeugddelict […] Dit ontwerp van decreet reserveert een gesloten plaatsingsmogelijkheid voor personen die jeugddelicten plegen. Dat deze reactie enkel kan worden opgelegd door een jeugdrechter of jeugdrechtbank en de minderjarige gedurende een bepaalde periode onmogelijk op eigen initiatief deze plaats kan verlaten, zijn determinerende voorwaarden om de reactie als vrijheidsberoving te kwalificeren. De plaats waar deze meest ingrijpende en vrijheidsberovende reactie wordt uitgevoerd, is de gemeenschapsinstelling. De huidige opnameplicht voor deze instellingen blijft behouden. De gesloten begeleiding kan slechts in laatste instantie worden overwogen, wanneer deze noodzakelijk is en alle andere reacties niet meer zinvol mogelijk zijn. Vrijheidsberoving is maar mogelijk voor gepleegde jeugddelicten van een zekere ernst en de duur van de reactie mag niet langer zijn dan noodzakelijk en gerechtvaardigd door de ernst van de feiten en de maturiteit van de minderjarige. De maximumduur is decretaal bepaald. Er moeten voldoende uitvoeringsmodaliteiten zijn die een geleidelijke overgang naar de buitenwereld mogelijk maken. Ook mogelijkheden tot opvolging en samenwerking na het verblijf in de gemeenschapsinstelling, worden bepaald. In uitzonderlijke omstandigheden blijft het mogelijk om jongeren vanaf zestien jaar uit handen te geven en te berechten als een volwassene. Deze uit handen gegeven jongeren, die worden aangehouden of veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf, worden tot maximaal de leeftijd van drieëntwintig jaar opgevangen in een Vlaams detentiecentrum. Zij verblijven dan tot aan de leeftijd van drieëntwintig jaar in een aangepaste infrastructuur en niet langer in een gevangenis voor volwassenen. Wanneer de opgelegde gevangenisstraf de leeftijd van drieëntwintig jaar zou overschrijden, worden zij bij het bereiken van deze leeftijd overgeplaatst naar een federale gevangenis voor volwassen gevangenen. […] 4.7. Rechtswaarborgen en kwaliteitseisen De reacties die de jeugdrechtbank kan opleggen, maken bijna steeds een inmenging in het privé- en gezinsleven van de betrokkene uit in de zin van artikel 8 van het EVRM en artikel 22 van de Grondwet. In een aantal gevallen zijn deze reacties vrijheidsberovend van aard in de zin van artikel 5 van het EVRM. Het is van belang om de toegang tot de rechter, diens bevoegdheid om zich over de aard en de nadere uitvoering van de reactie uit te spreken, alsook het recht op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie bij het vaststellen van de rechten en verplichtingen en bij het bepalen van de gegrondheid van de ingestelde strafvervolging, te waarborgen. Europese richtlijnen formuleren de basisbeginselen van een ‘ child friendly justice ’. Hierbij worden procedurele waarborgen, zoals principes van legaliteit, proportionaliteit, subsidiariteit, het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces, het recht op juridische bijstand, het recht op toegang tot de rechtbank en het recht van beroep als te garanderen waarborgen naar voren geschoven. Rechtswaarborgen mogen niet geminimaliseerd of geweigerd worden aan kinderen onder het voorwendsel van het hoger belang van kinderen. Dit ontwerp van decreet tracht voldoende en afdoende rechtswaarborgen te garanderen voor 23 minderjarigen die jeugddelicten plegen. Het inzetten op een versterking van de rechtswaarborgen is een evidente consequentie van het erkennen van de minderjarige als groeiend in verantwoordelijkheid » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1670/11, pp. 7-13). B.1.4. Het bestreden decreet werd gewijzigd bij het decreet van 24 september 2019 « houdende wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade en het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wat de overgangsbepalingen betreft », bij het decreet van 19 juni 2020 « over maatregelen in geval van een civiele noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid in het kader van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht en tot wijziging van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht » en bij het decreet van 17 juli 2020 « tot wijziging van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht, wat de voorbereidende rechtspleging betreft ». Die wijzigingen hebben geen gevolgen voor het onderwerp van het beroep. Het Hof houdt evenwel rekening met die wijzigingen teneinde meer bepaald de draagwijdte van de bestreden bepalingen vast te stellen. Ten aanzien van de excepties opgeworpen door de Vlaamse Regering B.2.1. De Vlaamse Regering betwist de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging wegens gebrek aan procesbekwaamheid van de verzoekende partijen, in zoverre zij allen minderjarig waren op het ogenblik van het indienen van het beroep tot vernietiging en in het kader van het onderhavige beroep niet werden vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordigers. B.2.2. Een niet-ontvoogde minderjarige is in beginsel onbekwaam om uit eigen naam bij het Hof een beroep tot vernietiging in te stellen. Om op ontvankelijke wijze een dergelijk beroep in te stellen, dient hij te worden vertegenwoordigd door de personen die het ouderlijk gezag over zijn persoon uitoefenen. Anders is het wanneer een minderjarige die het vereiste onderscheidingsvermogen bezit, optreedt met betrekking tot handelingen die rechtstreeks op zijn persoon betrekking hebben en waarvoor hij als een zelfstandige procespartij wordt erkend. 24 Dit is te dezen het geval. Het bestreden decreet inzake het jeugddelinquentierecht heeft rechtstreeks betrekking op de verzoekende minderjarigen van minstens twaalf jaar en erkent hen als zelfstandige procespartijen, in zoverre het onder meer bepaalt dat de minderjarige verdachte of delictpleger persoonlijk voor de jeugdrechter of jeugdrechtbank verschijnt (artikel 15). Er zijn geen redenen om niet aan te nemen dat de verzoekende partijen die op het ogenblik van het indienen van het beroep meer dan twaalf jaar waren, over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikken. Aangezien de bekwaamheid van die verzoekende partijen om in rechte op te treden vaststaat, is het beroep tot vernietiging ontvankelijk. B.3.1. Voorts voert de Vlaamse Regering aan dat het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk is, bij gebrek aan een voldoende duidelijke uiteenzetting van de middelen. B.3.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. Het Hof onderzoekt de middelen in zoverre zij aan dat vereiste voldoen. B.4.1. Tot slot voert de Vlaamse Regering de gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van de memorie van antwoord van de verzoekende partijen aan, in zoverre daarin Engelstalige citaten zijn opgenomen zonder vertaling. B.4.2. Artikel 62, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 bepaalt : « De zaken worden bij het Grondwettelijk Hof ingediend in het Nederlands, in het Frans of in het Duits ». 25 Het beroep tot vernietiging werd, overeenkomstig die bepaling, op geldige wijze in het Nederlands ingeleid. Ook de memorie van antwoord van de verzoekende partijen is in het Nederlands opgesteld. Ter staving van hun argumentatie, citeren de verzoekende partijen Engelstalige passages uit de gids bij de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt opgesteld. Het citeren, in de oorspronkelijke versie ervan, van uittreksels uit documenten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarvan geen officiële vertaling in het Nederlands bestaat, vormt geen schending van artikel 62, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989. De Vlaamse Regering toont niet aan hoe de rechten van verdediging en het contradictoire karakter van de rechtspleging in het gedrang zouden zijn gebracht. Ten gronde B.5. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van bepalingen van het decreet van 15 februari 2019 die betrekking hebben op : 1. het optreden van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de behandeling van de zaak; 2. de seponering onder voorwaarden, de bemiddeling, het positief traject en het herstelgericht groepsoverleg; 3. de vrijheidsberovende maatregelen en sancties. 1. Het optreden van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de behandeling van de zaak B.6. De verzoekende partijen bestrijden verschillende bepalingen van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het optreden van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank en de behandeling van de zaak, meer bepaald wat betreft : 26
- a)het verschijnen van de minderjarige verdachte of delictpleger en het recht op bijstand van een advocaat;
- b)de criteria waarmee de jeugdrechter en de jeugdrechtbank rekening dienen te houden;
- c)de ontstentenis van een regeling inzake de herziening van « gerechtelijke dwalingen »;
- d)het optreden van dezelfde rechter gedurende de hele procedure;
- e)de mogelijkheid om getuigen en deskundigen te ondervragen.
- a)Het verschijnen van de minderjarige verdachte of delictpleger en het recht op bijstand van een advocaat (eerste middel) B.7. Artikel 15 van het bestreden decreet bepaalt : « § 1. De minderjarige verdachte of delictpleger wordt persoonlijk door de jeugdrechter of jeugdrechtbank gehoord over het jeugddelict dat hem ten laste wordt gelegd, vóór de jeugdrechter of jeugdrechtbank zich uitspreekt over de vordering van het openbaar ministerie en een reactie kan worden bepaald. De jeugdrechtbank moet de minderjarige verdachte of delictpleger niet persoonlijk horen wanneer hij niet kan gevonden worden, zijn gezondheidstoestand het niet toelaat of indien hij weigert te verschijnen. De voormelde minderjarige verschijnt in persoon, maar kan na overleg met zijn advocaat, uitdrukkelijk kiezen om te verschijnen in een videoconferentie, wanneer dat tot de mogelijkheden behoort. […] In afwijking van wat vermeld is in het tweede lid, moet de voormelde minderjarige bij de eerste verschijning voor de jeugdrechter of jeugdrechtbank steeds in persoon aanwezig zijn. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan ook op elk moment na deze eerste verschijning bevelen dat de voormelde minderjarige in persoon moet aanwezig zijn. Wanneer een minderjarige verdachte of delictpleger niet aanwezig is op de zitting waarvoor hij werd gedagvaard, is een beslissing bij verstek mogelijk. § 2. De minderjarige verdachte of delictpleger heeft, telkens als hij voor de jeugdrechter of jeugdrechtbank verschijnt, recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis van de wet van 8 april 1965. […] ». 27 B.8. In het eerste onderdeel van het middel gericht tegen die bepaling voeren de verzoekende partijen een schending aan van de rechten van verdediging van de minderjarige, zoals onder meer gewaarborgd bij artikel 22bis, tweede en vijfde lid, van de Grondwet, in zoverre uit de bestreden bepaling voortvloeit dat de minderjarige die niet persoonlijk verschijnt, geen recht heeft op bijstand van of vertegenwoordiging door een advocaat. In het tweede onderdeel van hetzelfde middel voeren zij een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 40, lid 2, b), iv), van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre uit de bestreden bepaling voortvloeit dat de minderjarige gedwongen kan worden gehoord. B.9.1. De Vlaamse Regering betwist de ontvankelijkheid van het eerste onderdeel, in zoverre de schending wordt aangevoerd van « het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging van de minderjarige », waaraan het Hof niet rechtstreeks vermag te toetsen en dat niet zou worden gewaarborgd bij het eveneens aangevoerde artikel 22bis van de Grondwet. B.9.2. Zonder dat moet worden onderzocht of de in het eerste onderdeel aangehaalde rechten van verdediging van de minderjarige worden gewaarborgd bij artikel 22bis van de Grondwet, volstaat het vast te stellen dat die rechten worden gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 40 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, die in het tweede onderdeel van hetzelfde middel worden aangevoerd in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Beide onderdelen worden samen onderzocht. B.10.1. Het bestreden artikel 15 van het decreet van 15 februari 2019 is gedeeltelijk overgenomen uit artikel 52ter, eerste en tweede lid, van de wet van 8 april 1965, dat bepaalt : « In de gevallen bedoeld in artikel 52 moet de jongere die de leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft, vóór enige maatregel wordt getroffen door de jeugdrechter, persoonlijk worden gehoord, tenzij hij niet gevonden kan worden, zijn gezondheidstoestand het niet toelaat of indien hij weigert te verschijnen. 28 De betrokkene heeft, telkens als hij voor de jeugdrechtbank verschijnt, recht op bijstand van een advocaat. Deze advocaat wordt, in voorkomend geval, aangewezen overeenkomstig artikel 54bis. Behoudens de gevallen waarin de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is overeenkomstig artikel 45, 2,
- b)of c), kan de jeugdrechter evenwel een afzonderlijk onderhoud met de betrokkene hebben ». Die bepaling werd bij de wet van 2 februari 1994 in de wet van 8 april 1965 ingevoegd, teneinde de rechtspositie van de minderjarigen die voor de jeugdrechter verschijnen, aanzienlijk te verbeteren, met name door te bepalen dat, zodra de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig is gemaakt, een advocaat wordt aangewezen om hen bij te staan, zelfs wanneer slechts voorlopige maatregelen worden gevorderd (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 532/1, p. 7). B.10.2. Het bestreden artikel 15 van het decreet 15 februari 2019 neemt de principiële verplichting voor de jeugdrechter of jeugdrechtbank om de minderjarige verdachte of delictpleger te horen en het recht van die minderjarige op bijstand van een advocaat over. Het voorziet daarenboven in de mogelijkheid voor de minderjarige om desgewenst en onder welbepaalde voorwaarden via videoconferentie te worden gehoord. Bij amendementen werd voorzien in een uitzondering op de verplichting voor de jeugdrechter of jeugdrechtbank om de betrokkene te horen « wanneer hij niet kan gevonden worden, zijn gezondheidstoestand het niet toelaat of indien hij weigert te verschijnen » (artikel 15, § 1, eerste lid), evenals in de mogelijkheid voor de jeugdrechter of jeugdrechtbank om een beslissing bij verstek te nemen « wanneer een minderjarige verdachte of delictpleger niet aanwezig is op de zitting waarvoor hij werd gedagvaard » (artikel 15, § 1, vijfde lid). Die amendementen werden als volgt verantwoord : « Het is niet wenselijk – en dit is ook nooit de intentie van de decreetgever geweest – dat minderjarige verdachten en delictplegers, die ‘ bewust ’ niet komen opdagen, geen reactie opgelegd kunnen krijgen door de jeugdrechter of jeugdrechtbank. […] Het uitspreken van een beschikking of vonnis moet ook mogelijk zijn in die gevallen waar de minderjarige verdachte of delictpleger niet opdaagt, niet kan opdagen om gezondheidsredenen of niet kan gevonden worden » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1670/2, pp. 8-9). 29 B.11.1. Noch uit de bewoordingen van de bestreden bepaling, noch uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de minderjarige verdachte of delictpleger die niet in eigen persoon voor de jeugdrechter of jeugdrechtbank verschijnt, niet door een advocaat kan worden vertegenwoordigd. De bestreden bepaling bevestigt daarentegen het recht van de minderjarige op bijstand van een advocaat. De minderjarige kan in voorkomend geval ervoor opteren noch in eigen persoon, noch via videoconferentie te verschijnen, maar zich door zijn advocaat te laten vertegenwoordigen. Overeenkomstig het bestreden artikel 15, § 1, eerste lid, kan de jeugdrechter of de jeugdrechtbank in dat geval, bij een beslissing op tegenspraak, een reactie opleggen zonder de minderjarige voorafgaandelijk te horen. Zoals de Vlaamse Regering ook bevestigt, kan een beslissing slechts bij verstek worden gewezen indien de minderjarige verdachte of delictpleger niet aanwezig is op de zitting waarvoor hij werd gedagvaard, noch in eigen persoon, noch via videoconferentie, noch via vertegenwoordiging door zijn advocaat. B.11.2. Uit de bestreden bepaling vloeit evenmin voort dat de minderjarige verdachte of delictpleger verplicht kan worden te spreken. De principiële verplichting voor de jeugdrechter of de jeugdrechtbank om de minderjarige te horen, doet immers geen afbreuk aan het recht van de minderjarige om te zwijgen. Daarenboven bevestigt het bestreden artikel 15, § 1, eerste en vijfde lid, het recht van de minderjarige om niet te verschijnen, in welk geval de jeugdrechter of de jeugdrechtbank een beslissing kan nemen zonder hem te horen. Artikel 3, § 5, derde lid, van het bestreden decreet stelt daarenboven als grondbeginsel dat « geen enkele maatregel kan worden genomen […] met het oog op bekentenissen of het afdwingen van bepaalde verklaringen ». B.11.3. Rekening houdend met hetgeen in B.11.1 is vermeld en onder voorbehoud van de in B.11.2 vermelde interpretatie, is het middel niet gegrond.
- b)De criteria waarmee de jeugdrechter en de jeugdrechtbank rekening dienen te houden (tweede middel) B.12. Artikel 16, § 1, van het bestreden decreet bepaalt : 30 « Om de beslissing tot het opleggen van een reactie te nemen, houdt de jeugdrechter of de jeugdrechtbank rekening met al de volgende factoren, overeenkomstig de opgesomde volgorde : 1° de ernst van de feiten, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer; 2° de persoonlijkheid en maturiteit van de minderjarige verdachte of delictpleger; 3° recidive, of het risico op recidive; 4° de veiligheid van de maatschappij; 5° de leefomgeving van de minderjarige verdachte of delictpleger; 6° de veiligheid van de minderjarige verdachte of delictpleger. Uit de genomen beslissing blijkt duidelijk op welke wijze met de factoren rekening is gehouden ». B.13. De verzoekende partijen voeren aan dat die bepaling afbreuk doet aan de artikelen 10, 11 en 22bis, vierde en vijfde lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het belang van het kind ondergeschikt wordt gemaakt aan andere factoren. B.14.1. Artikel 22bis, vierde en vijfde lid, van de Grondwet bepaalt : « Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ». B.14.2. Artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : « Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging ». B.15.1. Het bestreden artikel 16, § 1, van het decreet van 15 februari 2019 is gedeeltelijk overgenomen uit artikel 37, § 1, van de wet van 8 april 1965, zoals gewijzigd bij artikel 7, 1°, van de wet van 13 juni 2006. Krachtens die bepaling dient de jeugdrechtbank, wanneer zij maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding oplegt, rekening te houden met (1°) de 31 persoonlijkheid en de maturiteitsgraad van de betrokkene, (2°) zijn leefomgeving, (3°) de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin zij zijn gepleegd, de schade en de gevolgen voor het slachtoffer, (4°) de vroegere maatregelen die ten aanzien van de betrokkene werden genomen, en diens gedrag gedurende de uitvoering ervan, (5°) de veiligheid van de betrokkene en (6°) de openbare veiligheid. B.15.2. Bij zijn arrest nr. 49/2008 van 13 maart 2008 heeft het Hof uitspraak gedaan over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3, lid 1, en 40, leden 1 en 3, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre de daarin vermelde criteria niet pertinent of evenredig zouden zijn in het licht van de doelstelling van de te nemen maatregelen. Het Hof oordeelde : « B.14.3. De criteria die worden opgesomd in artikel 37, § 1, dragen ertoe bij de beslissingen van de jeugdrechtbank te objectiveren en maken het mogelijk de maatregelen aan te passen aan de persoonlijke situatie van de jongere (leeftijd van de dader, specifieke toestand, specifieke behoeften). B.14.4. Wat in het bijzonder het belang van de minderjarige betreft, ook al wordt het niet uitdrukkelijk onder die criteria vermeld, toont het 5° van de voorafgaande titel van de wet van 8 april 1965, waarin wordt bepaald dat de minderjarigen de rechten en vrijheden genieten die zijn vervat in de Grondwet en in het Verdrag inzake de rechten van het kind, aan dat de jeugdrechter die bepalingen in elk geval moet naleven wanneer hij een maatregel ten aanzien van een minderjarige neemt. B.14.5. Het middel is niet gegrond ». B.15.3. De bestreden bepaling bevat soortgelijke criteria die het de jeugdrechter en de jeugdrechtbank mogelijk maken de reacties aan te passen aan de persoonlijke situatie van de jongere (de persoonlijkheid en maturiteit van de minderjarige, zijn leefomgeving en zijn veiligheid). Daarenboven wordt in de in artikel 3 vermelde grondbeginselen van het bestreden decreet, in dezelfde zin als in het 5° van de voorafgaande titel van de wet van 8 april 1965, vermeld dat « de minderjarige verdachte en de minderjarige delictpleger […] alle specifieke rechten [genieten] die hem als dusdanig door de Grondwet en internationale verdragsteksten worden toegekend, inzonderheid de rechten die in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind zijn omschreven ». 32 Door in het bestreden artikel 16, § 1, te bepalen dat de jeugdrechter of de jeugdrechtbank rekening moet houden met de vermelde factoren « overeenkomstig de opgesomde volgorde », waarbij de persoonlijkheid en maturiteit van de minderjarige verdachte of delictpleger evenals zijn leefomgeving en veiligheid slechts op de tweede, respectievelijk vijfde en zesde plaats komen, waarborgt het bestreden decreet evenwel niet dat het belang van het kind, overeenkomstig artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet en artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, steeds de eerste overweging is bij elke beslissing die het kind aangaat. B.16. In artikel 16, § 1, van het bestreden decreet dienen de woorden « , overeenkomstig de opgesomde volgorde » te worden vernietigd. Voor het overige is het middel niet gegrond.
- c)De ontstentenis van een regeling inzake de herziening van « gerechtelijke dwalingen » (tweede onderdeel van het vierde middel) B.17. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden decreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het niet voorziet in een regeling tot « herziening van gerechtelijke dwalingen ten overstaan van minderjarigen », terwijl de artikelen 443 en volgende van het Wetboek van strafvordering in een dergelijke regeling voorzien voor meerderjarigen. B.18.1. Zoals is vermeld in B.1.2, heeft de decreetgever gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid inzake de jeugdbescherming, die sedert de zesde staatshervorming de bevoegdheid inzake « de opgave van de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd » omvat (artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals gewijzigd bij artikel 9, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming). De decreetgever dient daarbij evenwel de bevoegdheid van de federale overheid inzake de rechtspleging voor de jeugdgerechten te eerbiedigen (artikel 5, § 1, II, 6°, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Aldus blijven de procedurebepalingen die zijn neergelegd in de wet 33 van 8 april 1965 van toepassing op de in het bestreden decreet bedoelde procedures voor de jeugdgerechten, behoudens indien de decreetgever heeft voorzien in een afwijkende regeling met toepassing van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. B.18.2. Artikel 62 van de wet van 8 april 1965 bepaalt dat, « behoudens afwijking, […] de wetsbepalingen betreffende de vervolgingen in correctionele zaken » gelden voor de in titel II, hoofdstuk III, van die wet bedoelde procedures voor de jeugdgerechten betreffende de maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Gelet op de voormelde bevoegdheid van de federale overheid inzake de rechtspleging voor de jeugdgerechten, is die bepaling van toepassing op de in het bestreden decreet bedoelde procedures voor de jeugdgerechten betreffende de reacties ten aanzien van minderjarige verdachten of delictplegers. Krachtens dat artikel 62 van de wet van 8 april 1965 gelden, voor de herziening van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling door de jeugdrechtbank van een minderjarige wegens een jeugddelict, de artikelen 443 tot 447 van het Wetboek van strafvordering, dit bij ontstentenis in die wet en in het bestreden decreet van specifieke procedureregels ter zake. B.18.3. Het door de verzoekende partijen aangevoerde verschil in behandeling is bijgevolg onbestaande. B.19. Het middel is niet gegrond.
- d)Het optreden van dezelfde rechter gedurende de hele procedure (zesde middel) B.20. Krachtens artikel 19, eerste lid, van het bestreden decreet neemt de jeugdrechter kennis van de vordering van het openbaar ministerie in het kader van de voorbereidende rechtspleging, terwijl de jeugdrechtbank krachtens artikel 28, eerste lid, kennis neemt van de dagvaarding van het openbaar ministerie in de rechtspleging ten gronde. Ondanks de verschillende terminologie betreft het dezelfde rechter die gedurende de hele procedure optreedt 34 (Parl. St., Vlaams Parlement, 2017-2018, nr. 1670/1, p. 253). Terwijl de jeugdrechter tijdens de voorbereidende rechtspleging alleen beslissingen neemt, neemt hij tijdens de rechtspleging ten gronde zitting samen met het openbaar ministerie en de griffier. B.21. De verzoekende partijen voeren aan dat die bepalingen afbreuk doen aan het recht op een onpartijdige rechter zoals gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 40, lid 2, b), iii), van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre dezelfde jeugdrechter het onderzoek voert, oordeelt over de voorlopige hechtenis en nadien als rechter ten gronde zitting neemt om te oordelen over de schuld en de strafmaat. B.22.1. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid inzake de jeugdbescherming, dient de decreetgever de bevoegdheid van de federale overheid inzake de organisatie van de jeugdgerechten te eerbiedigen (artikel 5, § 1, II, 6°, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). De decreetgever is derhalve in beginsel niet bevoegd om bepalingen aan te nemen die voorzien in verschillende jeugdrechters naar gelang van de fase van de rechtspleging. B.22.2. Het middel is dan ook niet gericht tegen de artikelen 19 en 28 van het bestreden decreet, doch wel tegen de federale regeling inzake de organisatie van de jeugdgerechten, op grond waarvan de jeugdrechter bevoegd is om kennis te nemen zowel van de vorderingen van het openbaar ministerie in het kader van de voorbereidende rechtspleging teneinde onderzoekingen te verrichten en maatregelen te bevelen, als van de dagvaarding van het openbaar ministerie teneinde over de zaak ten gronde te beslissen. B.23. Het middel is niet ontvankelijk. 35
- e)De mogelijkheid om getuigen en deskundigen te ondervragen (tiende middel) B.24. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat het bestreden decreet de procedure ten gronde voor de jeugdrechtbank zeer summier regelt, en dat het niet in de mogelijkheid voorziet om getuigen of deskundigen te ondervragen, hetgeen op discriminerende wijze afbreuk zou doen aan het recht op een eerlijk proces. B.25. Zoals is vermeld in B.18.1, dient de decreetgever, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid inzake de jeugdbescherming, de bevoegdheid van de federale overheid inzake de rechtspleging voor de jeugdgerechten te eerbiedigen (artikel 5, § 1, II, 6°, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). De decreetgever is derhalve in beginsel niet bevoegd om bepalingen aan te nemen inzake de rechtspleging ten gronde voor de jeugdrechtbank en haar onderzoeksbevoegdheden. Die rechtspleging is geregeld bij de wet van 8 april 1965 en krachtens artikel 62 van die wet, behoudens afwijking, bij de wetsbepalingen betreffende de vervolgingen in correctionele zaken. B.26. Het middel is niet gegrond. 2. De seponering onder voorwaarden, de bemiddeling, het positief project en het herstelgericht groepsoverleg (zevende middel) B.27. Het bestreden decreet voorziet in de mogelijkheid, enerzijds, voor de procureur des Konings om voorwaarden te verbinden aan de seponering (artikel 11), om aan de minderjarige verdachte een bemiddeling aan te bieden (artikel 12) of om hem voor te stellen om een positief project uit te werken (artikel 13), en, anderzijds, voor de jeugdrechter om aan de minderjarige verdachte een herstelrechtelijk aanbod van bemiddeling of herstelgericht groepsoverleg te doen (artikel 22) of om voor te stellen om een positief project uit te werken (artikel 23). Eén van de voorwaarden hiertoe is dat « de minderjarige verdachte […] het jeugddelict niet [ontkent] ». 36 B.28.1. Volgens de verzoekende partijen schenden die bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 40 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, doordat de voorwaarde dat de minderjarige verdachte het jeugddelict niet ontkent afbreuk zou doen aan het vermoeden van onschuld en het recht om te zwijgen van de minderjarige. B.28.2. In zoverre de verzoekende en de tussenkomende partijen in hun respectieve memories aanvoeren dat er sprake zou zijn van een onverantwoord verschil in behandeling doordat de bestreden bepalingen voorwaarden opleggen die niet gelden in het kader van een aanvraag tot bemiddeling overeenkomstig artikel 553 van het Wetboek van strafvordering, betreft het nieuwe middelen, die krachtens de artikelen 85 en 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 niet ontvankelijk zijn. B.29.1. Bij zijn arrest nr. 50/2008 van 13 maart 2008 heeft het Hof de in de wet van 8 april 1965 ingevoegde voorwaarde vernietigd, voor een voorstel van bemiddeling door de procureur des Konings of voor een herstelrechtelijk aanbod van bemiddeling of van herstelgericht groepsoverleg door de jeugdrechtbank, dat de minderjarige « verklaart zijn betrokkenheid bij het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen », dan wel « verklaart het als misdrijf omschreven feit niet te ontkennen ». Het Hof heeft geoordeeld : « B.15.16. Uit het bestaan van het bemiddelingsakkoord, waarvan de procureur des Konings en de rechtbank kennis zullen nemen vermits zij daarmee rekening dienen te houden, blijkt op zich dat de minderjarige heeft verklaard de hem verweten feiten niet te ontkennen. Ongeacht welke voorzo