id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.023 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210225.1 Arrest- Rolnummer: 23/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-03-07 Raadplegingen: 1357 - laatst gezien 2026-06-19 17:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof 1. vernietigt, in de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », zoals gewijzigd bij de wet van 21 november 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen » en bij de wet van 17 december 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » : - artikel 48/6, § 2, eerste en vierde lid; - in artikel 57/5quater, § 4, de verwijzing naar artikel 57/6, § 2, en de verwijzing naar artikel 57/6, § 3, in zoverre zij betrekking heeft op de beslissingen inzake ontvankelijkheid die niet worden genomen in het kader van de grensprocedure bedoeld in artikel 57/6/4; - artikel 57/6/1, § 1, maar enkel in zoverre het van toepassing kan zijn op een nietbegeleide minderjarige vreemdeling in andere gevallen dan die welke worden beoogd in artikel 25, lid 6, a), van de richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking) »; - artikel 57/6/1, § 1, eerste lid, f), maar alleen in zoverre het toelaat de versnelde procedure toe te passen in het geval de verzoeker een volgend verzoek om internationale bescherming heeft ingediend nadat ten aanzien van het eerste verzoek een beslissing tot beëindiging werd genomen met toepassing van artikel 57/6/5, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° of 5°, van de voormelde wet van 15 december 1980; - in artikel 57/6/4, derde lid, de woorden « ontvangst van » en « dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden »; - artikel 57/7, § 3, in zoverre het de mogelijkheid voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen om bepaalde elementen vertrouwelijk te houden niet beperkt tot de gevallen waarin « de openbaarmaking van informatie of bronnen de nationale veiligheid, de veiligheid van de organisaties of personen die de informatie hebben verstrekt dan wel de veiligheid van de perso(o)n(
- en)op wie de informatie betrekking heeft, in gevaar zou brengen, of wanneer het belang van het onderzoek in verband met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de internationale betrekkingen van de lidstaten zouden worden geschaad »; - in artikel 74/5, § 4, 5°, de woorden « ontvangst van » en « dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden »; 2. verwerpt de beroepen voor het overige, onder voorbehoud van de in B.33.3 vermelde interpretatie. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen : - tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 21 november 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen »; - tot vernietiging van de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 december 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en anderen. Vreemdelingenrecht - Internationale bescherming - Procedure - Omzetting van Europese richtlijnen - Uitsluiting van strafrechtelijke vervolging tegen erkende vluchtelingen wegens hun onregelmatige binnenkomst of hun onregelmatig verblijf - Het maken van een gezichtsopname van bepaalde vreemdelingen - Verplichting tot samenwerking die wordt opgelegd aan de verzoeker on internationale bescherming - Organisatie van een medisch onderzoek - Bijzondere procedure noden - Keuze van de proceduretaal met betrekking tot een volgend verzoek - Mededeling van opmerkingen met betrekking tot de notities van het persoonlijk onderhoud - Vertrouwelijkheid van bepaalde gegevens - Overlijden van de verzoeker om internationale bescherming - Begrip 'veilig derde lang' - Toepassing van de versnelde procedure - Vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst - Toelaatbaarheid van elementen die in het kader van een volgend verzoek te laat zijn overgelegd - Risico op onderduiken van de vreemdeling - Vasthouden van de verzoeker on internationale bescherming - Wijziging van de omstandigheden die de bewaring verantwoorden - Beperking van het recht op materiële hulp - Inkorting van de beroepstermijnen - Opscortend karakter van het beroep. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 48/6,§2,L1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 48/6,§2,L4 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 57/5quater,§4 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 57/6/1,§1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 57/6/1,§1,L1,f - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 57/6/4,L3 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 57/7,§3 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 15-12-1980 - 74/5,§4,5° - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet - 21-11-2017 - 17 ELI link Pub nr 2017032079 Wet - 17-12-2017 - 4 - 28 ELI link Pub nr 2017014422 Wet - 17-12-2017 - 5 - 28 ELI link Pub nr 2017014422 Tekst van de beslissing Rolnummers 7008 en 7009 Arrest nr. 23/2021 van 25 februari 2021 In zake : de beroepen : - tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 21 november 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen »; - tot vernietiging van de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 december 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen », ingesteld door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache en T. Detienne, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter A. Alen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 september 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 september 2018, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 8, 10 tot 12, 21, 23, 34, 39 tot 42, 44 tot 46, 48, 56, 57 en 62 van de wet van 21 november 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 maart 2018) door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », de vzw « Association pour le droit des Etrangers », de vzw « Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Etrangers », de vzw « Jesuit Refugees Service-Belgium », de vzw « Liga voor Mensenrechten », de vzw « Ligue des droits humains », de vzw « Point d’appui. Service d’aide aux personnes sans papiers », de vzw « Bureau d’Accueil et de Défense des Jeunes », de vzw « Syndicat des Avocats pour la Démocratie » en de vzw « Vluchtelingenwerk Vlaanderen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Wibault en Mr. P. Robert, advocaten bij de balie te Brussel. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 september 2018 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 september 2018, hebben dezelfde verzoekende partijen beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4 en 5 van de wet van 17 december 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 maart 2018). Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7008 en 7009 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Matray, Mr. J. Matray en Mr. S. Matray, advocaten bij de balie te Luik, heeft memories ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 2 juli 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, dat, in geval van een dergelijk verzoek, de zaken zullen worden behandeld op de terechtzitting van 23 september 2020, op het tijdstip dat later door de voorzitter zal worden bepaald, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 15 juli 2020 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 15 juli 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.1. De verzoekende partijen zijn van mening dat zij doen blijken van een belang bij de vernietiging van de bestreden bepalingen in zoverre die het doel dat zij nastreven, rechtstreeks raken. De eerste verzoekende partij in beide zaken, de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », doet gelden dat de bestreden wet afbreuk doet aan de belangen van de advocaat door de termijnen korter en de procedure nog complexer te maken. De wet doet ook afbreuk aan de belangen van de rechtzoekende, door de procedurele waarborgen van de verzoekers om internationale bescherming en hun recht op opvang te verminderen en door de regeling voor de opsluiting van vreemdelingen en van verzoekers om internationale bescherming te verruimen. De andere verzoekende partijen zijn verenigingen zonder winstoogmerk die de bescherming van de belangen van vreemdelingen, vluchtelingen, burgers, of nog kinderen en jongeren ten doel hebben. Zij gaan ervan uit dat zij om de voormelde redenen belang erbij hebben de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen. A.2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van de beroepen niet. Ten gronde Wat betreft de uitsluiting van strafrechtelijke vervolging tegen vluchtelingen wegens het feit van hun onregelmatige binnenkomst of hun onregelmatig verblijf (artikel 34 van de wet van 21 november 2017) A.3. Het eerste middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 34 van de wet van 21 november 2017 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen » (hierna : de wet van 21 november 2017), van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 31, lid 1, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend in Genève op 28 juli 1951 (hierna : het Verdrag van Genève). Volgens de verzoekende partijen discrimineert de bestreden bepaling de verzoekers om internationale bescherming die de status van vluchteling verkrijgen ten opzichte van de andere personen die om internationale bescherming verzoeken, in zoverre dat die twee categorieën, aan het eind van de procedure met betrekking tot het verzoek om internationale bescherming, het voorwerp kunnen uitmaken van strafrechtelijke sancties wegens hun onregelmatige binnenkomst in of hun onregelmatig verblijf op het grondgebied, terwijl artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Genève dat voor de eerste categorie verbiedt. A.4. De Ministerraad antwoordt dat het middel voortkomt uit een verkeerde lezing van het bestreden artikel 34. Dat beoogt enkel de verzoekers om internationale bescherming en is dus niet van toepassing op de erkende vluchtelingen. A.5. De verzoekende partijen werpen tegen dat de bestreden bepaling een bepaling die met de in het middel aangehaalde referentienormen in overeenstemming is, vervangt door een bepaling die een interpretatie vereist om met die normen verenigbaar te blijven. 4 Wat betreft het maken van een gezichtsopname van bepaalde vreemdelingen (artikelen 8 en 21 van de wet van 21 november 2017) A.6. Het tweede en het derde middel in de zaak nr. 7008 zijn afgeleid uit de schending, respectievelijk door de artikelen 8 en 21 van de wet van 21 november 2017, van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 5, lid 1, en 9, lid 2, van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG), met artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoekende partijen doen de bestreden bepalingen ernstig afbreuk aan het privéleven van de betrokken vreemdelingen in zoverre zij, om niet-bepaalde redenen en zonder dat het Unierecht en, in het bijzonder, de verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « Eurodac », die slechts voorziet in het nemen van vingerafdrukken, voor die bepalingen een afdoende reglementaire grondslag vormen, aan de persoonlijke gegevens die over hen reeds worden verzameld, de digitale afbeelding van het gezicht toevoegen. De verzoekende partijen doen gelden dat bij het verzamelen van de gezichtsafbeelding, die een biometrisch gegeven is in de zin van artikel 4, punt 14), van de AVG, zowel de algemene beginselen waarin is voorzien in artikel 5, lid 1, als de bijzondere voorwaarden waarin is voorzien in artikel 9 van dezelfde verordening, in acht moeten worden genomen, hetgeen te dezen niet het geval is. Wat het tweede middel betreft, onderstrepen zij dat de inzameling een uiterst ruime groep van personen betreft. A.7. De Ministerraad antwoordt dat de AVG in het Belgisch recht onmiddellijk en rechtstreeks van toepassing is. De inachtneming ervan is dus verplicht voor eenieder die persoonsgegevens met betrekking tot natuurlijke personen dient te verwerken. Aan de betrokken overheden, in hun hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijken, komt het toe erover te waken dat de verwerking voldoet aan de beginselen van rechtmatigheid en doelbinding die vermeld zijn in de artikelen 5 en 9 van de AVG. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat thans het hoogste niveau van bescherming van het recht op privé- en gezinsleven in de AVG is verankerd. A.8. De verzoekende partijen antwoorden dat bij gebrek aan enige aanwijzing ten aanzien van het doeleinde van de betwiste inzameling, het onmogelijk is te weten hoe de administratie haar bevoegdheid om de betrokken gegevens te verwerken, zal uitoefenen. Het feit dat die inzameling voor de administratie een mogelijkheid en geen verplichting is, is onvoldoende om haar conform de AVG te maken. Uit artikel 9, lid 2, g), van de AVG volgt dat de regelgeving de reden van zwaarwegend algemeen belang die de verwerking verantwoordt, duidelijk moet definiëren, de evenredigheid ervan moet motiveren en moet voorzien in passende en specifieke maatregelen ter vrijwaring van de grondrechten, hetgeen de bestreden bepaling niet doet. A.9. De Ministerraad repliceert dat in artikel 30bis, § 4, van de wet van 15 december 1980 « betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » (hierna : de wet van 15 december 1980) de doeleinden van het inzamelen van biometrische gegevens gedetailleerd worden beschreven, wat met name erin bestaat, de identiteit van de vreemdeling vast te stellen en/of te verifiëren en na te gaan of de betrokken vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Ten aanzien van de belangen van de samenleving, die de handhaving van de openbare orde en het beheer van de migratiestroom omvatten, brengen de bestreden bepalingen geen onevenredige inmenging in de rechten van de betrokken personen met zich mee. Wat betreft de neerlegging, de bewaring en de teruggave van de identiteitsdocumenten (artikel 10 van de wet van 21 november 2017) A.10. Het vierde middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 10 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 10, 11, 13 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van de richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) » (hierna : de richtlijn 2011/95/EU), met artikel 9, lid 1, van de richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de 5 internationale bescherming (herschikking) » (hierna : de « Procedurerichtlijn »), met de artikelen 7 en 47 van het Handvest en met de artikelen 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.11.1. In een eerste onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat in zoverre de bestreden bepaling de automatische inbeslagneming van de identiteitsdocumenten van de verzoeker om internationale bescherming voor de gehele duur van de procedure organiseert, zij een onevenredige inmenging in diens recht op eerbiediging van het privéleven met zich meebrengt. Een tijdelijke inbeslagneming volstaat immers teneinde de authenticiteit van het in beslag genomen document na te gaan, hetgeen de enige verantwoording is die in de memorie van toelichting wordt vermeld. Daarenboven wordt de verzoeker om internationale bescherming geen enkel vervangend document overhandigd dat hem de mogelijkheid biedt de talrijke handelingen van het dagelijkse leven te realiseren waarvoor de voorlegging van een identiteitsdocument is vereist. A.11.2. De Ministerraad antwoordt dat in het overhandigen van de identiteitsdocumenten is voorzien bij artikel 13, lid 2, b), van de « Procedurerichtlijn » en dat daarvoor geldige redenen bestaan, rekening houdend met de noodzaak om de verzoeker om internationale bescherming te identificeren. Zoals in de memorie van toelichting wordt gepreciseerd, volstaan het ontvangstbewijs, de kopie van de identiteitsdocumenten en het attest van immatriculatie dat de vreemdeling ontvangt wanneer hij een verzoek om internationale bescherming indient, om hem te identificeren bij de handelingen van het dagelijkse leven. Daarenboven voorziet de bestreden bepaling in de mogelijkheid van een vervroegde teruggave, voor zover een geldige reden wordt aangebracht waaruit blijkt dat die teruggave noodzakelijk is. A.11.3. De verzoekende partijen antwoorden dat het overhandigen van de documenten zoals bedoeld in artikel 13 van de « Procedurerichtlijn » moet worden gelezen in overeenstemming met de doelstelling ervan, namelijk het vaststellen van de identiteit en de nationaliteit van de verzoeker. Zij voegen eraan toe dat bijlage 26, die de registratie van het verzoek om internationale bescherming officialiseert, alsook het attest van immatriculatie een vermelding bevatten volgens welke het document geenszins een identiteitsbewijs is, noch een nationaliteitsbewijs. De verzoekers om internationale bescherming wordt bijgevolg de mogelijkheid ontzegd om door middel van officiële documenten hun identiteit aan te tonen. A.11.4. De Ministerraad repliceert dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de documenten die aan de verzoeker om internationale bescherming worden overhandigd, niet volstaan om de betrokken vreemdeling te identificeren wanneer hij de gebruikelijke taken van het dagelijkse leven volbrengt. Ook al hebben die documenten niet ten doel de vreemdeling te identificeren en zijn nationaliteit te bevestigen, zij stellen zijn hoedanigheid van verzoeker om internationale bescherming officieel vast. A.12.1. In een tweede onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen de ontstentenis van beroep dat het mogelijk maakt de inbeslagneming of de weigering van teruggave van de in beslag genomen documenten te betwisten. A.12.2. De Ministerraad leidt uit de ontstentenis van schending van het recht op eerbiediging van het privéleven af dat het in artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens verankerde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel te dezen niet van toepassing is. A.13.1. In een derde onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden artikel 10 discriminerend is in zoverre het de onregelmatig verblijvende vreemdelingen en de vreemdelingen die om internationale bescherming verzoeken, op dezelfde wijze behandelt. Volgens hen biedt de bestreden bepaling de asielinstanties de mogelijkheid om maatregelen te nemen die de tenuitvoerlegging voorbereiden van een terugkeerbesluit of een uitzettingsbevel in de zin van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 « over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven » (hierna : de « Terugkeerrichtlijn »), terwijl de verzoekers om internationale bescherming niet onder de bij die richtlijn georganiseerde regeling vallen. A.13.2. De Ministerraad zet uiteen dat het bestreden artikel 10 niet ten doel heeft de tenuitvoerlegging van een toekomstig terugkeerbesluit of uitzettingsbevel voor te bereiden, maar de verzoeker om internationale bescherming te identificeren. De documenten die door de vreemdeling-verzoeker worden neergelegd, worden tijdens de hele duur van de behandeling van het verzoek in het administratief dossier bewaard en worden in geval van beroep aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bezorgd. Het feit dat in geval van een negatieve definitieve beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna : de CGVS) en/of van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de identiteitsdocumenten aan de minister of zijn gemachtigde 6 worden bezorgd, verandert niets aan die vaststelling, aangezien de bestreden bepaling voorziet in de mogelijkheid voor de vreemdeling (en niet langer voor de verzoeker) om de teruggave van de stukken te verkrijgen. A.13.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de minister of zijn gemachtigde zich tegen de teruggave van de stukken kunnen verzetten indien de bewaring ervan past in het kader van de tenuitvoerlegging van de verwijdering. Die mogelijkheid toont aan dat de inbeslagneming van de identiteitsdocumenten tijdens de hele duur van de procedure past in het kader van een continuüm dat tot de verwijdering leidt. Wat betreft de overlegging van de elementen die essentieel zijn voor de beoordeling van het verzoek (artikel 10 van de wet van 21 november 2017) A.14. Het vijfde middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 10 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 4, punt 11), 5, 6, lid 1, a), en 7 van de AVG, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest, met artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.15.1. In een eerste onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de instemming met de inzameling en de verwerking van persoonsgegevens zoals bedoeld in het bestreden artikel 10 geen vrije instemming is in de zin waarin de AVG dat vereist, aangezien de niet-instemming van de verzoeker wordt beschouwd als een aanwijzing van zijn weigering om te voldoen aan zijn medewerkingsplicht, hetgeen een negatieve weerslag kan hebben op de behandeling van zijn verzoek. A.15.2. De Ministerraad doet opnieuw gelden dat de betrokken overheden ertoe gehouden zijn de AVG in acht te nemen en dat een schending ervan niet zou zijn gelegen in de bestreden bepaling, maar in de toepassing ervan door de betrokken overheden, zodat het eerste onderdeel niet-ontvankelijk is. Voor het overige is, vanuit juridisch oogpunt, de rechtmatigheid van de verwerking niet alleen gegrond op de instemming van de verzoeker. Zij is, overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de AVG, ook gegrond op de noodzaak voor de betrokken instanties om de taak van algemeen belang of de taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag die hun is opgedragen, te vervullen, namelijk de beoordeling van de verzoeken om internationale bescherming. A.15.3. De verzoekende partijen antwoorden dat, zoals de bewoordingen van de bepaling en de memorie van toelichting aantonen, de bestreden bepaling daadwerkelijk gebaseerd is op de toestemming van de verzoeker en niet op het vervullen van een taak van algemeen belang. Daarenboven kan de medewerkingsplicht die op de verzoeker rust deze niet ertoe brengen aan zijn grondrechten te verzaken (HvJ, 25 januari 2018, C-473/16, F. t. Bevándorlási és Állampolgársági Hivatal). In elk geval is de verwerking van gevoelige persoonlijke gegevens slechts mogelijk mits artikel 9, lid 2, g), van de AVG in acht wordt genomen. A.16.1. In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de bestreden bepaling een onevenredige inmenging met zich meebrengt in het privéleven van de verzoekers om internationale bescherming. Die inmenging zou bovendien discriminerend zijn, in zoverre dat zij gepaard zou gaan met geringere waarborgen dan die waarin is voorzien in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. In een derde onderdeel bekritiseren zij het feit dat het bestreden artikel 10, met schending van artikel 5 van de AVG, de verwerking van de persoonlijke gegevens van de verzoeker om internationale bescherming geenszins regelt, en zij verwijzen naar het kritische advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. A.16.2. De Ministerraad merkt op dat het in beslag nemen en het lezen van een informaticasysteem in het kader van een strafrechtelijk onderzoek geenszins vergelijkbaar zijn met het verzoek om informatie, stukken en documenten voor te leggen waarin is voorzien bij de bestreden bepaling. In strafzaken gebeurt het in beslag nemen van een informaticasysteem zonder de toestemming van de betrokkene (die niet verplicht is mee te werken aan het onderzoek en die het recht heeft te zwijgen), die niet aanwezig is wanneer de bevoegde autoriteiten de inhoud lezen, een lezen dat zich uitstrekt tot alle gegevens van het informaticasysteem, terwijl, in het kader van een verzoek om internationale bescherming, de vreemdeling verplicht is mee te werken teneinde de relevante elementen van zijn verzoek om internationale bescherming te verzamelen en vast te stellen. Wanneer de CGVS de vreemdeling verzoekt om welbepaalde elementen voor te leggen, beschikt die laatste over de mogelijkheid om te weigeren. 7 A.16.3. De verzoekende partijen antwoorden dat beide regelingen wel degelijk vergelijkbaar zijn, in zoverre dat de toestemming waarin is voorzien bij de bestreden bepaling niet vrij is. De verzoeker om internationale bescherming heeft evenveel recht op eerbiediging van zijn privéleven als de persoon die het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijk onderzoek. Bovendien is de medewerkingsplicht die op hem rust niet absoluut; hij is niet verplicht te antwoorden op verzoeken die een buitensporige inmenging in zijn privéleven vormen. Vervolgens waarborgt niets in de bestreden bepaling de aanwezigheid van de verzoeker om internationale bescherming bij het lezen van de verzamelde gegevens, noch legt het voor de autoriteiten beperkingen vast bij de verwerking van alle gegevens die in een informaticasysteem worden opgeslagen. De verzoekende partijen verwijzen voor het overige naar het kritische advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zij doen gelden dat de waarborgen inzake bescherming van het privéleven vóór de verwerking moeten bestaan. A.16.4. De Ministerraad antwoordt dat door een verzoek om internationale bescherming in te dienen, de vreemdeling in elk geval ermee instemt om alle elementen mee te delen die nodig zijn teneinde zijn verzoek te staven, hetgeen een toestemming in de zin van de AVG vormt. Rekening houdend met de plicht van de verzoeker om mee te werken en met de noodzaak voor de bevoegde autoriteiten om de verzoeken grondig te onderzoeken, is het niet overdreven om die autoriteiten toe te staan, indien zij goede redenen hebben om aan te nemen dat de verzoeker elementen achterhoudt die essentieel zijn voor een correcte beoordeling van het verzoek - en dus niet in elk geval -, om de verzoeker uit te nodigen die elementen onverwijld voor te leggen, wat ook hun drager is. De gevraagde informatie moet dus evenredig zijn met de nagestreefde doelstelling, namelijk over alle relevante informatie beschikken teneinde met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen. Per slot van zaken beschermt de bestreden bepaling de verzoeker meer dan dat zij een belemmering is voor zijn toestemming. Ingeval de verzoeker weigert de gevraagde elementen mee te delen, moet de CGVS immers de elementen die hij te zijner beschikking heeft blijven onderzoeken; hij mag het verzoek om internationale bescherming niet afwijzen enkel en alleen omdat de verzoeker weigert. In het kader van een beroep tegen een negatieve beslissing zal de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarenboven kunnen nagaan of de gevraagde elementen in het voorliggende geval verantwoord waren. Wat de organisatie van een medisch onderzoek betreft (artikel 11 van de wet van 21 november 2017) A.17. Het zesde middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 11 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van de richtlijn 2011/95/EU, met artikel 46, lid 3, van de « Procedurerichtlijn », met artikel 47 van het Handvest en met de artikelen 3 et 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.18.1. In een eerste onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat door aan de verantwoordelijke overheid niet de verplichting op te leggen om in geval van aanwijzingen van vroegere vervolging of ernstige schade bij de verzoeker om internationale bescherming, over te gaan tot een medisch deskundigenonderzoek of een medische tegenexpertise, de bestreden bepaling de verzoekers om internationale bescherming die een medisch onderzoek nodig hebben om hun vrees voor vervolging te objectiveren, discrimineert ten opzichte van de verzoekers die een dergelijk onderzoek niet nodig hebben. Volgens de verzoekende partijen is de overheid ertoe gehouden met de verzoeker samen te werken om het bijeenbrengen van alle elementen die het verzoek kunnen staven, mogelijk te maken. Daarenboven kan het onderzoek van een grief die is afgeleid uit de schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, voor de overheid de verplichting met zich meebrengen om een medisch onderzoek te laten uitvoeren. Talrijke verzoekers om internationale bescherming hebben echter, met name om financiële redenen, niet de mogelijkheid om zich aan een medisch onderzoek te onderwerpen. A.18.2. De Ministerraad antwoordt dat de grief van de verzoekende partijen voortvloeit uit artikel 18 van de « Procedurerichtlijn ». Hij voegt eraan toe dat de bestreden bepaling de CGVS niet belet om mee te werken aan het bepalen van de relevante elementen van het verzoek en dat de noodzaak om tot een medisch onderzoek over te gaan niet in alle gevallen bestaat, aangezien de twee door de verzoekende partijen vergeleken categorieën zich in objectief verschillende situaties bevinden. Te dezen wordt in de grief een hypothetische toepassing, door de bevoegde overheid, van de bekritiseerde norm aangeklaagd. 8 A.18.3. De verzoekende partijen preciseren dat het houden van een medisch deskundigenonderzoek of een medische tegenexpertise voor de verantwoordelijke overheid een verplichting vormt en geen mogelijkheid. In het middel worden niet de hypothetische toepassing van de bestreden bepaling, noch de evidente gevallen beoogd waarin geen medisch deskundigenonderzoek is vereist. De verzoekende partijen preciseren dat hun grief niet voortvloeit uit artikel 18 van de « Procedurerichtlijn », maar uit de slechte omzetting ervan in de bestreden bepaling en de memorie van toelichting, waarin een loutere mogelijkheid wordt vermeld. In ondergeschikte orde stellen de verzoekende partijen voor om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie twee prejudiciële vragen te stellen over de uitlegging die aan artikel 18 van de « Procedurerichtlijn » dient te worden gegeven. A.18.4. De Ministerraad antwoordt dat de door de verzoekende partijen vergeleken categorieën onnauwkeurig zijn, aangezien de redenen waarom de CGVS het relevant zal achten om al dan niet tot een medisch onderzoek over te gaan, velerlei en aan elk voorliggend geval eigen zijn. Er dient aan het Hof van Justitie geen prejudiciële vraag te worden gesteld. A.19.1. In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat het bestreden artikel 11, in de interpretatie volgens welke het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de mogelijkheid biedt een medisch deskundigenonderzoek of een medische tegenexpertise te bevelen, geen daadwerkelijke jurisdictionele controle organiseert. A.19.2. De Ministerraad voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet over een injunctiebevoegdheid beschikt, hetgeen hem niet belet de wijze te controleren waarop de CGVS de bestreden bepaling toepast en, in voorkomend geval, hem te vragen dat hij de nodige onderzoeksmaatregelen neemt om te antwoorden op de in het arrest opgeworpen vragen. Wat de bijzondere procedurele noden betreft (artikel 12 van de wet van 21 november 2017) A.20. Het zevende middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 12 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 24 en 46, lid 3, van de « Procedurerichtlijn » en met artikel 47 van het Handvest. A.21.1. In het eerste onderdeel van het middel wordt het feit bekritiseerd dat de wetgever niet de bijzondere procedurele waarborgen bepaalt die, wat de kwetsbare verzoekers om internationale bescherming betreft, in werking moeten worden gesteld teneinde het goede verloop van de procedure te waarborgen, hetgeen een afdoende jurisdictionele controle belet van de wijze waarop de procedurele waarborgen al dan niet zijn toegepast. A.21.2. De Ministerraad zet uiteen dat de lidstaten niet ertoe gehouden zijn de in werking te stellen bijzondere procedurele waarborgen te bepalen, aangezien die afhangen van het kwetsbaarheidsprofiel dat aan iedere persoon eigen is. De Ministerraad ziet niet in in welk opzicht het niet bepalen van de passende steun die aan de betrokken personen zou moeten worden verleend en de « vrijheid » die de overheid dienaangaande zou genieten, automatisch zouden leiden tot de ontstentenis van elke passende steun, gelet op het feit dat bij het bestreden artikel 12 wordt voorzien in een eerste bepaling van de noden via een vragenlijst (die aan het administratief dossier zal worden toegevoegd), in de aanwijzing van een arts of een andere beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg om aanbevelingen te doen en in het tijdens de procedure signaleren aan de CGVS. A.21.3. De verzoekende partijen antwoorden dat het noodzakelijk is dat de bijzondere procedurele waarborgen worden geëxpliciteerd wanneer daarbij bepaalde bijzonder kwetsbare categorieën worden beoogd, zoals personen die aan een mentale of affectieve stoornis lijden en die niet in staat zijn te beantwoorden aan de vereisten van een klassiek onderhoud. De bewoordingen van het bestreden artikel 12 zijn echter dermate vaag dat het onmogelijk is om met een minimum aan voorzienbaarheid de wijze te kennen waarop de administratie haar onderzoek zal aanpassen. A.21.4. De Ministerraad antwoordt dat de verzoekende partijen niet de grondwettelijke norm of het grondrecht identificeren waarbij de voorzienbaarheid van de toepassing van een norm door de administratie wordt voorgeschreven. De eerste grief is in feite gericht tegen de concrete toepassing van de bestreden norm door de administratie, zodat het middel niet-ontvankelijk is. 9 A.22.1. In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen dat het bestreden artikel 12, in de interpretatie volgens welke het de Dienst Vreemdelingenzaken en de CGVS niet de verplichting oplegt een gemotiveerde beslissing te nemen wat de toepassing van de bijzondere procedurele noden betreft, de betrokken verzoekers, in geval van afwijzing van hun verzoek, de mogelijkheid ontzegt om met kennis van zaken de niet- toepassing of de slechte toepassing van die waarborgen te betwisten. A.22.2. De Ministerraad zet uiteen dat alle beslissingen van de CGVS thans een paragraaf met betrekking tot de bijzondere procedurele noden bevatten. Bijgevolg kan de verzoeker de ontstentenis of de ontoereikendheid van bijzondere procedurele waarborgen op nuttige wijze betwisten in het kader van een beroep. A.22.3. De verzoekende partijen vragen aan het Hof om die interpretatie goed te keuren. A.22.4. Volgens de Ministerraad zal de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zelfs bij ontstentenis van specifieke motivering in verband met de bijzondere procedurele noden in de beslissing van de CGVS, in elk geval steeds kunnen beoordelen of het verloop van de procedure voor de CGVS de betrokken verzoeker de mogelijkheid heeft geboden zijn rechten te doen gelden en zijn plichten te vervullen. Voor het overige brengt de Ministerraad in herinnering dat het niet aan het Hof staat een norm te interpreteren die met de Grondwet in overeenstemming is en waarvan de bewoordingen duidelijk zijn. Wat betreft de keuze van de proceduretaal met betrekking tot een volgend verzoek (artikel 23 van de wet van 21 november 2017) A.23. Het achtste middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 23 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 41 en 42 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, met artikel 15, lid 3, c), van de « Procedurerichtlijn » en met het recht om te worden gehoord als algemeen beginsel van het Unierecht. De verzoekende partijen doen gelden dat in zoverre de bestreden bepaling de verzoeker om internationale bescherming die het Frans of het Nederlands voldoende machtig is om zonder de hulp van een tolk een volgend verzoek te kunnen doen, verbiedt om een dergelijk verzoek in die taal in te dienen indien het niet gaat om de vorige proceduretaal, zij die verzoeker discrimineert ten opzichte van de andere gebruikers van de centrale diensten van de administratie, die over een vrije taalkeuze beschikken. Zij gaan ervan uit dat de vrije taalkeuze, waarin is voorzien bij artikel 15, lid 3, c), van de « Procedurerichtlijn », zowel van toepassing is op een eerste verzoek om internationale bescherming als op een volgend verzoek, zoals het vroegere artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 bepaalde. De verzoekende partijen zijn van mening dat de bestreden bepaling een overbodige taalfilter oplegt, terwijl de verzoeker zich uitdrukt in een taal die ook als proceduretaal kan worden aangewezen. Die filter kan voor de verzoeker negatieve gevolgen met zich meebrengen, aangezien die niet in staat is zijn verzoek zelf uiteen te zetten, waarbij het optreden van een tolk bovendien de risico’s om verkeerd te worden begrepen, verhoogt. A.24. De Ministerraad antwoordt dat de bestreden bepaling ertoe strekt de manipulatie van de taalrol door de verzoekers te vermijden en een goed beheer van de behandeling van de dossiers mogelijk te maken. Hij onderstreept dat een volgend verzoek het vervolg is van het eerste verzoek, aangezien de verzoeker nieuwe elementen moet aanbrengen die de waarschijnlijkheid dat hij aanspraak kan maken op internationale bescherming aanzienlijk verhogen, alsook de redenen waarom hij die elementen voorheen niet heeft kunnen voorleggen. Het is dus verkieslijk dat de volgende verzoeken in dezelfde taal worden behandeld als die welke voor het eerste verzoek is gebruikt. In geval van een volgend verzoek wordt geen nieuw dossier geopend, en wordt het oorspronkelijke dossier met de aanvullende elementen vervolledigd. Voor het overige moet de vreemdeling niet noodzakelijk worden gehoord in verband met een volgend verzoek. De situatie van de vreemdeling die een volgend verzoek indient, is dus aanzienlijk verschillend van die van de vreemdeling die een eerste verzoek om internationale bescherming indient of van die van de andere gebruikers van de centrale diensten. Rekening houdend met de termijnen die zijn opgelegd voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming, ten slotte, lijkt de door de verzoekende partijen beschouwde hypothese zuiver theoretisch. 10 A.25. De verzoekende partijen antwoorden dat bij de procedure die wordt toegepast op de volgende verzoeken, de regels bedoeld in hoofdstuk II van de « Procedurerichtlijn » in acht dienen te worden genomen. Artikel 42 van die richtlijn bepaalt dat de lidstaten in hun wetgeving afwijkingen kunnen opnemen, en inzonderheid de mogelijkheid om geen persoonlijk onderhoud te organiseren. Het biedt hun echter niet de mogelijkheid te bepalen dat het volgend verzoek niet opnieuw de taalkeuze opent die is gewaarborgd bij artikel 15, lid 3, c), van de richtlijn. Bovendien bestaan er verscheidene hypotheses waarin een nieuw persoonlijk onderhoud zal moeten worden georganiseerd. Gelet op het feit dat een procedure bij de CGVS 21 maanden kan duren, zonder rekening te houden met een eventueel beroep, ten slotte, is de hypothese niet louter theoretisch. In ondergeschikte orde stellen de verzoekende partijen voor om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen tot uitlegging van de artikelen 15, lid 3, c), en 42 van de « Procedurerichtlijn ». A.26. De Ministerraad antwoordt dat, volgens het Unierecht, een volgend verzoek het vervolg van het eerste verzoek is. In artikel 40, lid 1, van de « Procedurerichtlijn » wordt trouwens aanbevolen het onderzoek ervan te voeren in het kader van het vorige verzoek, indien dat chronologisch mogelijk is. Daarenboven zijn de uitzonderingen beschouwd in artikel 42, lid 2, van de voormelde richtlijn niet exhaustief. Tot slot is de voorgestelde prejudiciële vraag niet relevant. Het recht om te worden gehoord kan immers niet worden geschonden met als voorwendsel dat het volgende verzoek aan dezelfde taalregeling is onderworpen als het oorspronkelijke verzoek (waarvoor de verzoekende partijen niet beweren dat het recht om te worden gehoord zou zijn geschonden). Wat betreft de mededeling van de opmerkingen met betrekking tot de notities van het persoonlijk onderhoud (artikel 39 van de wet van 21 november 2017) A.27. Het negende middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 39 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 13 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 12, lid 1, b), 17 en 46, lid 3, van de « Procedurerichtlijn », met artikel 47 van het Handvest en met het recht om te worden gehoord en het recht op toegang tot het dossier als algemene beginselen van het Unierecht. A.28.1. Het eerste onderdeel heeft betrekking op de termijn van acht werkdagen die van toepassing is op de mededeling van de opmerkingen naar aanleiding van de betekening van de kopie van de notities van het persoonlijk onderhoud, in zoverre hij de verzoeker om internationale bescherming niet de mogelijkheid biedt zijn opmerkingen naar behoren en daadwerkelijk te doen gelden. Volgens de verzoekende partijen is die termijn onvoldoende, a fortiori wanneer het optreden van een tolk is vereist, rekening houdend met de omvang en het bijzonder lastige karakter van de oefening. A.28.2. De Ministerraad antwoordt dat de termijn van acht werkdagen (hetgeen overeenkomt met minimum tien kalenderdagen) voldoende is en de verzoeker de mogelijkheid biedt zijn standpunt naar behoren en daadwerkelijk te doen gelden. Vanaf de indiening van het verzoek wordt de verzoeker geïnformeerd over het verloop van de procedure. Hij wordt begeleid door een maatschappelijk werker, die ervoor zorgt dat een pro deo- advocaat wordt aangewezen. Met de hulp van zijn advocaat heeft de verzoeker voldoende tijd om het onderhoud voor te bereiden en om vervolgens zijn opmerkingen mede te delen. De advocaat, die het onderhoud heeft bijgewoond en die de proceduretaal perfect beheerst, is in beginsel in staat snel te merken of de notities van de ambtenaar fouten in de uiteenzetting van de feiten bevatten. Tot slot wordt bij de termijn rekening gehouden met de noodzaak om de verzoeken om internationale bescherming zo snel mogelijk te behandelen. A.28.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de door de Ministerraad gesuggereerde praktische regeling weinig realistisch is. Daarenboven, hoewel de advocaat in staat is zijn persoonlijke notities te vergelijken met het officiële verslag, is het voor hem daarentegen onmogelijk de kwaliteit van de vertaling na te gaan, aangezien dat nazicht de medewerking van een tolk vereist. De verzoekende partijen merken op dat de doelstelling van een snelle procedure alleen op de verzoeker berust en dat aan de CGVS daarentegen geen enkele termijn wordt opgelegd voor het bezorgen van het verslag. A.29.1. In het tweede onderdeel wordt kritiek geuit op de onmogelijkheid voor de verzoeker om naar behoren en daadwerkelijk toegang te hebben tot zijn dossier, aangezien bij de bestreden bepaling niet het optreden van een tolk wordt georganiseerd met het oog op de mededeling van de opmerkingen met betrekking tot de notities van zijn persoonlijk onderhoud. Volgens de verzoekende partijen vormt de terbeschikkingstelling van een tolk een verplichting ten laste van de Staten. In de memorie van toelichting wordt die verplichting erkend, maar wordt de last ervan overgedragen op de advocaat van de verzoeker, hetgeen niet voldoende is, a fortiori voor de verzoekers die in dat stadium van de procedure niet worden bijgestaan door een advocaat. 11 A.29.2. De Ministerraad zet uiteen dat bij artikel 508/10 van het Gerechtelijk Wetboek wordt voorzien in de terbeschikkingstelling van een tolk voor de persoon die juridische tweedelijnsbijstand geniet. A.29.3. De verzoekende partijen nemen akte van het antwoord van de Ministerraad volgens hetwelk artikel 508/10 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op het thans voorliggende geval. A.30.1. Het derde onderdeel betreft de onmogelijkheid voor de verzoeker om internationale bescherming om, behalve in geval van overmacht, de weergave van het persoonlijk onderhoud te betwisten na het verstrijken van een termijn van acht werkdagen te rekenen vanaf de betekening van de kopie van de notities aan de verzoeker of aan zijn advocaat, inclusief in het kader van een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Daaruit vloeit voort dat het onderzoek dat dat rechtscollege uitvoert, niet volledig is, hetgeen leidt tot een schending van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. A.30.2. De Ministerraad gaat ervan uit dat dat onderdeel voortkomt uit een verkeerde lezing van de bestreden bepaling, aangezien de verzoeker tot de werkdag vóór de dag waarop de definitieve beslissing wordt genomen het recht heeft om opmerkingen te formuleren. De bestreden bepaling voorziet in een vermoeden van akkoord met de inhoud van de notities van het persoonlijk onderhoud. A.30.3. De verzoekende partijen vragen aan het Hof om de door de Ministerraad geformuleerde interpretatie van de bestreden bepaling, volgens welke de bestreden bepaling slechts een eenvoudig vermoeden van akkoord over de inhoud van het verslag in het leven roept, goed te keuren. A.30.4. De Ministerraad antwoordt dat, behoudens overmacht, het vermoeden van akkoord kan worden weerlegd indien de verzoeker aantoont dat hij zich in de onmogelijkheid bevond om zijn opmerkingen te formuleren vóór de beslissing van de CGVS. Voor het overige kan de verzoeker het verslag bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betwisten indien dat verslag niet volgens zijn opmerkingen is gecorrigeerd. A.31.1. In het vierde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat het bestreden artikel 39, door het uitsluiten van de voorafgaande mededeling van de notities van het persoonlijk onderhoud wat betreft de beslissingen die zijn genomen met toepassing van artikel 57/6, § 2 (prioritair behandelde verzoeken) en § 3 (niet- ontvankelijk verklaarde verzoeken), van artikel 57/6/1, § 1 (in versnelde procedure behandelde verzoeken) en van artikel 57/6/4 (aan de grens ingediende verzoeken) van de wet van 15 december 1980, de afwijking overschrijdt die is toegestaan bij artikel 17, lid 5, derde alinea, van de « Procedurerichtlijn ». A.31.2. De Ministerraad preciseert dat in de mededeling van de notities van het persoonlijk onderhoud samen met de beslissing is voorzien voor de procedures die binnen een korte termijn moeten worden gevoerd. Het Europees recht voorziet in die mogelijkheid wanneer het verzoek wordt onderzocht overeenkomstig artikel 31, lid 8, van de « Procedurerichtlijn », een bepaling die het, in de daarin bepaalde gevallen, mogelijk maakt de onderzoeksprocedure te versnellen (artikel 57/6/1, § 1, van de wet van 15 december 1980) en/of die versnelde procedure aan de grens of in de transitzones te voeren (artikel 57/6/4 van dezelfde wet). Het feit dat de Belgische wetgever dat principe uitbreidt tot alle verzoeken die binnen een korte termijn moeten worden behandeld, schendt noch artikel 32 van de Grondwet, noch het in het middel aangehaalde recht op toegang tot het dossier, aangezien, in geval van beroep, de verzoeker de overeenstemming van de notities met betrekking tot het persoonlijk onderhoud zal kunnen betwisten. A.31.3. De verzoekende partijen merken op dat de Ministerraad niet betwist dat de bij de bestreden bepaling georganiseerde beperking van het recht op toegang tot het dossier de bij de « Procedurerichtlijn » toegestane afwijking overschrijdt. A.31.4. De Ministerraad doet gelden dat, wanneer de verzoeker om internationale bescherming de notities van het persoonlijk onderhoud samen met de beslissing van de CGVS ontvangt, hij zich niet in een ongunstige situatie bevindt ten opzichte van diegenen die de notities hebben verkregen vóór de bestreden handeling is genomen, aangezien hij het geheel van die notities kan betwisten ten aanzien van de redenen waarom zijn verzoek is afgewezen. 12 Wat betreft het bewijs van de identiteit en de nationaliteit van de verzoeker om internationale bescherming (artikel 10 van de wet van 21 november 2017) A.32. Het tiende middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 10 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 4 van de richtlijn 2011/95/EU, in zoverre het een zwaardere bewijslast doet wegen op de verzoekers om internationale bescherming die geen documenten bezitten die hun identiteit of hun nationaliteit kunnen vaststellen ten opzichte van de verzoekers die wel over dergelijke documenten beschikken, terwijl, enerzijds, het begrip « documenten die de identiteit of de nationaliteit vaststellen » in de wet niet duidelijk is gedefinieerd en terwijl, anderzijds, die twee categorieën van verzoekers op dezelfde wijze zouden moeten worden behandeld. Volgens de verzoekende partijen wordt bij de bestreden bepaling ten aanzien van de verzoekers die niet over de voormelde documenten beschikken een vermoeden van ongeloofwaardigheid ingesteld. In de praktijk moet echter worden erkend dat de verzoeker om internationale bescherming van andere middelen dan behoorlijke identiteitsdocumenten gebruik kan maken om zijn identiteit of zijn nationaliteit vast te stellen. A.33. De Ministerraad werpt tegen dat bij de bestreden bepaling aan de verzoeker niet de verplichting wordt opgelegd zijn identiteit en zijn nationaliteit alleen aan de hand van identiteitsdocumenten te bewijzen. Slechts het ontbreken van bewijs, zonder bevredigende verklaring, vormt een negatieve indicatie met betrekking tot de algehele geloofwaardigheid van het relaas van de verzoeker, zonder dat zulks volstaat om een weigeringsbeslissing te verantwoorden. De twee door de verzoekende partijen vergeleken categorieën van verzoekers bevinden zich in objectief verschillende situaties. De Ministerraad onderstreept dat de bestreden bepaling voor het overige niet onredelijk is, rekening houdend met het belang van de identiteit en de nationaliteit van de verzoeker in de procedure van verzoek om internationale bescherming. A.34. De verzoekende partijen antwoorden dat de noodzaak om artikel 48/6, § 4, van de wet van 15 december 1980, dat het ontbreken van schriftelijk bewijs beoogt, bij de bestreden bepaling aan te vullen, niet is aangetoond. De uitleg van de Ministerraad volgens welke de verklaringen van de verzoeker als bewijs zouden kunnen volstaan, komt niet overeen met de tekst van de bestreden bepaling en zou problemen van onsamenhangendheid of overtolligheid kunnen doen rijzen. Ofwel beoogt de bestreden bepaling de situaties waarin geen bewijskrachtige documenten worden voorgelegd en in dat geval is zij niet alleen onsamenhangend geformuleerd, maar ook zuiver overtollig ten opzichte van het voormelde artikel 48/6, § 4, ofwel verzwaart zij de vereiste om bewijskrachtige documenten met betrekking tot de nationaliteit en de identiteit van de verzoeker voor te leggen, in welk geval zij een voorwaarde voor onderzoek toevoegt aan de voorwaarden waarin is voorzien bij de richtlijn 2011/95/EU. Tot slot, hoewel de Ministerraad besluit dat bij de bestreden bepaling enkel wordt beoogd de verzoeker te informeren over het belang van het feit zijn identiteit en zijn nationaliteit aan te tonen, maakt niets in de tekst van de wet het mogelijk die lezing te bevestigen. A.35. De Ministerraad antwoordt dat de punten van kritiek met betrekking tot het overtollige karakter van de norm, de onsamenhangendheid en de slechte formulering ervan grieven zijn die geen verband houden met de toetsing van de inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en dat zij niet ontvankelijk zijn. Wat de vertrouwelijkheid van de bronnen betreft (artikel 48 van de wet van 21 november 2017) A.36. Het elfde middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 48 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 13 en 32 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23, lid 1, van de « Procedurerichtlijn », met het recht op toegang tot het dossier als algemeen beginsel van het Unierecht en met artikel 47 van het Handvest, in zoverre het de elementen die door de CGVS vertrouwelijk kunnen worden behandeld, te ruim definieert, in zoverre het de rechter toegang tot die elementen ontzegt en in zoverre het geen procedures invoert die de eerbiediging van de rechten van de verdediging van de verzoeker waarborgen. 13 Volgens de verzoekende partijen is het de CGVS bij het bestreden artikel 48 toegestaan de identiteit van zijn bronnen vertrouwelijk te houden, op de enige voorwaarde dat zij daarom verzoeken. Die praktijk is door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en door de Raad van State herhaaldelijk afgekeurd. De verzoekende partijen verwijzen naar de rechtspraak van het Hof volgens welke het recht op een eerlijk proces de mededeling van de essentiële documenten van het geschil aan de partijen veronderstelt, of op zijn minst compenserende procedurele waarborgen (arrest nr. 118/2007 van 19 september 2007). Volgens hen biedt de bestreden bepaling een geringere bescherming dan die waarin is voorzien bij artikel 23, lid 1, van de « Procedurerichtlijn ». Tot slot moet de bevoegde rechter in elk geval toegang kunnen hebben tot de betrokken informatie of tot de betrokken bronnen (zie inzonderheid HvJ, grote kamer, 4 juni 2013, C-300/11, ZZ t. Secretary of State for the Home Department). A.37. De Ministerraad verwijst naar de memorie van toelichting over de verantwoording van de betwiste maatregel. Die is niet buitensporig aangezien de vertrouwelijkheid geen betrekking heeft op de inhoud van de meegedeelde informatie. De rechten van de verdediging zijn dan ook gewaarborgd en de rechter bij wie een beroep is ingesteld, kan zijn beoordelingsbevoegdheid ten volle uitoefenen. A.38. De verzoekende partijen werpen tegen dat de identiteit van de verstrekker van de informatie een essentieel element vormt om de relevantie en de geloofwaardigheid ervan na te gaan. Daarenboven antwoordt de Ministerraad op geen enkel van de argumenten die zijn afgeleid uit de schending van het Unierecht. Tot slot aanvaardt het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (hierna : het HCR) de anonymisering van de bronnen slechts in uitzonderlijke gevallen en mits is voldaan aan specifieke compenserende procedurele maatregelen. A.39. De Ministerraad antwoordt dat het niet de identiteit van de informatieverstrekker is die essentieel is om de relevantie en de geloofwaardigheid van de informatie na te gaan, maar wel de gedetailleerde beschrijving van die verstrekker, namelijk zijn activiteitendomein, zijn ervaring, zijn niveau van deskundigheid en de instelling waar hij werkt. Die informatie zal in het administratief dossier zijn opgenomen en zal in geval van beroep door de rechter kunnen worden geraadpleegd. Vervolgens vereist het HCR geen specifieke compenserende procedurele maatregelen. Bovendien wordt de bevoegdheid om de inhoud van het bewijs te betwisten absoluut niet belemmerd door de bestreden bepaling, hetgeen de richtlijnen van het HCR nochtans toelaten. Zoals in de parlementaire voorbereiding wordt gepreciseerd, ten slotte, zet de bestreden bepaling artikel 23, lid 1, van de « Procedurerichtlijn » niet om. Wat betreft de weerslag van het overlijden van de verzoeker om internationale bescherming op het vervolg van de procedure ten opzichte van de minderjarige die hem vergezelde (artikel 45 van de wet van 21 november 2017) A.40. Het twaalfde middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 45 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 25, lid 6, van de « Procedurerichtlijn », met artikel 24, lid 2, van het Handvest, en met de artikelen 3, 12 en 22 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het bepaalt dat in geval van overlijden van een verzoeker om internationale bescherming, het verzoek van de minderjarige die hem vergezelde, automatisch wordt beëindigd indien die laatste niet volgens bij koninklijk besluit te bepalen nadere regels de voortzetting van de procedure vraagt. Volgens de verzoekende partijen worden de betrokken minderjarigen gediscrimineerd ten opzichte van de minderjarigen van wie de ouders nog steeds in leven zijn en aan hun zijde staan in België, in zoverre dat bij de eerste categorie van minderjarigen de eerbiediging van de rechten die zij uit het Verdrag inzake de rechten van het kind put, onderworpen zal zijn aan het stellen van een procedurehandeling waarbij zij, gezien haar minderjarigheid, mogelijks niet het doorzicht zal hebben om die te stellen, terwijl de tweede categorie geen bijzondere procedurehandeling zal moeten stellen om de eerbiediging van diezelfde rechten te verzekeren. Bovendien zal het kind van wie de ouder is overleden ook ongunstiger worden behandeld dan de volwassene van wie de echtgenoot of de partner is overleden, aangezien die volwassene, in tegenstelling tot het kind dat in dezelfde situatie is geplaatst, geen enkel vermoeden van afstand van zijn verzoek om internationale bescherming zal tegengeworpen krijgen. A.41. De Ministerraad merkt op dat, in het geval van het overlijden van de enige ouder van een minderjarige vreemdeling, indien die laatste zich zonder familie op het Belgische grondgebied bevindt, hij een niet-begeleide minderjarige wordt en een voogd toegewezen krijgt, zodat het hoger belang van het kind gewaarborgd is. 14 De door de verzoekende partijen gemaakte vergelijking met de volwassene van wie de echtgenoot of de partner die om internationale bescherming verzoekt, is overleden, is niet relevant, aangezien die volwassene, in tegenstelling tot het minderjarige kind, noodzakelijkerwijs uit eigen naam een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Voor het overige zal de CGVS het verzoek van de overleden ouder niet automatisch beëindigen en zal hij aan de minderjarige een redelijke termijn laten om, via zijn wettelijke vertegenwoordiger, te beslissen om de procedure al dan niet voort te zetten. Bij de bestreden bepaling wordt voor de CGVS geen termijn vastgelegd om in dat precieze geval zijn beslissing te nemen. Een koninklijk besluit moet de procedure bepalen die in dat bijzondere geval dient te worden gevolgd. Daarenboven verloopt die procedure onverminderd de mogelijkheid voor die minderjarige om uit eigen naam een verzoek om internationale bescherming in te dienen. A.42. De verzoekende partijen antwoorden dat de wetgever een vermoeden van verlies van belang bij het voortzetten van de procedure van internationale bescherming heeft ingesteld dat niet op enige objectieve verantwoording berust en dat niet tegemoetkomt aan het hoger belang van het kind, in plaats van het kind het voordeel van de status van verzoeker om internationale bescherming te laten blijven genieten. A.43. De Ministerraad begrijpt dat wat te dezen griefhoudend is, de verplichting voor de minderjarige zou zijn om binnen een bepaalde termijn zijn wil te kennen te geven om de procedure voort te zetten. Aangezien die termijn nog niet is vastgesteld, tonen de verzoekende partijen niet aan dat de bestreden bepaling strijdig zou zijn met het recht van het kind. Voor het overige is de kritiek van de verzoekende partijen opportuniteitskritiek. Wat het begrip « veilig derde land » betreft (artikelen 40 en 46 van de wet van 21 november 2017) A.44. Het dertiende middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 40 en 46 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 38 van de « Procedurerichtlijn » en met de artikelen 18, 19 en 24, lid 2, van het Handvest. A.45.1. In een eerste onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat, in de interpretatie volgens welke zij de verplichting opleggen dat alleen het risico om in het derde land aan vervolging of ernstige schade te worden blootgesteld wordt nagegaan, de bestreden bepalingen een discriminatie onder de verzoekers om internationale bescherming met zich meebrengen naargelang de bestreden bepalingen al dan niet op hen worden toegepast en, bijgevolg, naargelang zij al dan niet het geheel van de in het Verdrag van Genève verankerde rechten genieten. Daarenboven zijn de bestreden bepalingen tegenstrijdig, aangezien artikel 46 bepaalt dat een derde land slechts veilig is bij een bescherming overeenkomstig het Verdrag van Genève, terwijl artikel 40 bepaalt dat het derde land veilig is tenzij de verzoeker aantoont dat hij er aan vervolging of ernstige schade zal worden blootgesteld. A.45.2. De Ministerraad antwoordt dat de twee bestreden bepalingen cumulatief van toepassing zijn, aangezien zij naar elkaar verwijzen. De grief komt dus voort uit een verkeerde lezing van de wet van 21 november 2017. A.45.3. De verzoekende partijen vragen aan het Hof om de door de Ministerraad voorgestelde conforme interpretatie goed te keuren. A.46.1. In een tweede onderdeel zetten de verzoekende partijen uiteen dat, in zoverre de bestreden bepalingen niet voorzien in een waarborg om opnieuw te worden toegelaten, zij de verzoekers om internationale bescherming van wie het verzoek niet-ontvankelijk is verklaard om de reden dat zij een band hebben met een veilig geacht derde land, discrimineren ten opzichte van de gewone verzoekers. De eersten lopen immers het gevaar in geen enkel land het voordeel van de bij het Verdrag van Genève verleende rechten te genieten, terwijl ze dezelfde behoeften aan bescherming hebben als de tweeden. Het begrip « veilig derde land » impliceert dat ten minste een land elk verzoek om internationale bescherming onderzoekt, hetgeen waarborgen veronderstelt naar het model van die waarin is voorzien bij de verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) » (hierna : de Dublin III-verordening). Wat betreft de toepassing van het gedeeltelijk soortgelijke begrip « eerste land van asiel », kan het verzoek door een lidstaat slechts niet-ontvankelijk 15 worden verklaard indien de derde Staat waarborgt dat de verzoeker opnieuw wordt toegelaten (HvJ, grote kamer, 25 juli 2018, C-585/16, Alheto). A.46.2. De Ministerraad merkt op dat de vergeleken categorieën van personen onder onderscheiden Europese regelgevingen vallen. De eersten zijn verzoekers om internationale bescherming die worden overgebracht naar een andere lidstaat die, met toepassing van de Dublin III-verordening, verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van hun verzoek, terwijl de tweeden vreemdelingen zijn die een bijzondere band hebben met een derde land dat als veilig wordt beschouwd en waarin zij een verzoek om internationale bescherming zullen kunnen indienen. De Ministerraad voegt eraan toe dat de CGVS verplicht is na te gaan of het derde land waarmee de verzoeker een band heeft, als veilig « voor hem » kan worden beschouwd, en zulks teneinde te vermijden dat zijn verzoek om internationale bescherming nergens wordt onderzocht. De grief is niet tegen de bestreden bepalingen gericht maar tegen de toepassing ervan door de CGVS, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Tot slot is de verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot artikel 35 van de « Procedurerichtlijn » niet relevant, aangezien die bepaling een waarborg om opnieuw te worden toegelaten bevat, in tegenstelling tot artikel 38 van dezelfde richtlijn. A.46.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de verzoekers om internationale bescherming van wie het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard om de reden dat zij een band hebben met een veilig geacht derde land en de vreemdelingen die aan de Dublin III-verordening zijn onderworpen vergelijkbaar zijn, aangezien het in beide gevallen erom gaat een veilig derde land te bepalen teneinde een bescherming conform het Verdrag van Genève te verzekeren. Zij bekritiseren het gebrek aan samenhang van de bestreden bepalingen en hun strijdigheid met artikel 38, lid 4, van de « Procedurerichtlijn », dat impliceert dat het, in het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid van het verzoek om bescherming, noodzakelijk is een akkoord te verkrijgen om opnieuw te worden toegelaten. Door de CGVS toe te laten genoegen te nemen met een vermoeden dat de vreemdeling opnieuw zal worden toegelaten, worden bij de bestreden bepalingen onvoldoende waarborgen ingesteld. In ondergeschikte orde stellen de verzoekende partijen voor om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag tot uitlegging te stellen. A.46.4. De Ministerraad antwoordt dat de categorieën niet vergelijkbaar zijn, aangezien de personen beoogd in de Dublin III-verordening niet worden teruggestuurd naar een derde land, maar naar een lidstaat van het Schengengebied. In de veronderstelling dat de bestreden bepalingen een geringere bescherming bieden dan die van de voormelde verordening, komt de discriminatie voort uit de « Procedurerichtlijn ». Bijgevolg is de grief niet ontvankelijk. Vervolgens betwist de Ministerraad de noodzaak om een vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Indien de Europese wetgever had gewild dat een waarborg wordt verkregen ten aanzien van het opnieuw toelaten van de verzoeker om internationale bescherming in een veilig derde land vooraleer de bevoegde overheid uitspraak doet over zijn verzoek, zou hij niet hebben voorzien in de te volgen procedure wanneer de verzoeker niet opnieuw wordt toegelaten. Wat het begrip « eerste land van asiel » betreft, ten slotte, voorziet artikel 35 van de « Procedurerichtlijn » niet in de verplichting om vóór de beslissing een engagement van het betrokken derde land te verkrijgen. Het eisen van een dergelijke waarborg voor het opnieuw toelaten van de vreemdeling zou een belangrijke en niet-objectief verantwoorde hinderpaal vormen bij de toepassing van de bestreden bepalingen. A.47.1. De verzoekende partijen gaan in een derde onderdeel ervan uit dat de bestreden bepalingen, enerzijds, de niet-begeleide minderjarigen die om internationale bescherming verzoeken en op wie het begrip « veilig derde land » wordt toegepast, en, anderzijds, diegenen van wie het verzoek ontvankelijk wordt geacht, discrimineren, terwijl het belang van het kind vereist dat over zijn geval zo snel mogelijk en dus in het land waarin het zich bevindt, uitspraak wordt gedaan, zoals het Hof van Justitie in verband met de Dublin III-verordening heeft geoordeeld (HvJ, 6 juni 2013, C-648/11, MA e.a. t. Secretary of State for the Home Department). A.47.2. De Ministerraad wijst erop dat artikel 25, lid 6, c), van de « Procedurerichtlijn » voorziet in de mogelijkheid om een verzoek niet-ontvankelijk te verklaren wegens het bestaan van een band met een derde land dat voor de niet-begeleide minderjarigen als veilig wordt beschouwd, voor zover het hoger belang van de minderjarige zulks vereist. In de verplichting om rekening te houden met het hoger belang van het kind wordt voorzien bij artikel 57/1, § 4, van de wet van 15 december 1980, bij artikel 14, § 4, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 « tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen » en bij artikel 2 van de programmawet (I) van 24 december 2002. De grief vloeit dus niet voort uit de bestreden wet maar wel uit de « Procedurerichtlijn », zodat hij niet-ontvankelijk moet worden 16 verklaard. In elk geval wordt in de betwiste bepaling een mogelijkheid, en niet een verplichting, voor de CGVS beoogd. A.47.3. De verzoekende partijen doen gelden dat het ontbreken, in de bestreden bepalingen, van enige vermelding van de specifieke situatie van de minderjarigen de inachtneming van hun hoger belang niet waarborgt. Wat de toepassing van de versnelde procedure betreft (artikel 41 van de wet van 21 november 2017) A.48. Het veertiende middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 41 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 25, lid 6, a), en 31, lid 8, van de « Procedurerichtlijn » en met de artikelen 20 en 21 van het Handvest. A.49.1. In een eerste onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen het bestreden artikel 41 in zoverre het toelaat de versnelde procedure zonder onderscheid toe te passen op niet-begeleide minderjarigen, terwijl dat bij artikel 25, lid 6, a), van de « Procedurerichtlijn » slechts in drie gevallen is toegestaan. A.49.2. In hoofdorde doet de Ministerraad gelden dat bij de bestreden bepaling voor de CGVS een mogelijkheid en niet een verplichting, wordt ingesteld om de versnelde procedure toe te passen. Uit artikel 48/9, § 5, van de wet van 15 december 1980 alsook uit de verplichting om rekening te houden met het hoger belang van het kind volgt dat het voor de CGVS mogelijk is de versnelde procedure niet toe te passen in de gevallen die in artikel 25, lid 6, a), van de « Procedurerichtlijn » niet worden beoogd. De CGVS zal de versnelde procedure in die gevallen dus niet toepassen wanneer dat strijdig is met het hoger belang van de niet-begeleide minderjarige. Bovendien wordt de versnelde procedure in de praktijk enkel toegepast op vreemdelingen die aan de grens worden opgepakt en die worden vastgehouden en wanneer de verzoeker om internationale bescherming over een band met een veilig land van herkomst beschikt. Aangezien niet-begeleide minderjarigen nooit worden vastgehouden, wordt de bestreden bepaling nooit op hen toegepast. In ondergeschikte orde, in de veronderstelling dat de wetgever de « Procedurerichtlijn » op dat punt in de Belgische wet had moeten omzetten, zou het gaan om een extrinsieke lacune in de wetgeving die alleen de wetgever zou kunnen verhelpen. A.49.3. De verzoekende partijen merken op dat de Ministerraad de slechte omzetting van de richtlijn niet betwist en dat hij enkel verwijst naar de goede praktijk van de verantwoordelijke overheid. De grief vloeit dus wel degelijk voort uit de bestreden bepaling. A.50.1. In het tweede onderdeel wordt kritiek geuit op de niet-objectiviteit en/of het niet-adequate karakter van de criteria die zijn vermeld in de punten c), d), f),
- h)en
- j)van artikel 57/6/1, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980, zoals het is ingevoegd bij het bestreden artikel 41, voor de toepassing van de versnelde behandelingsprocedure in het geval van kennelijk ongegronde of frauduleuze verzoeken. In de punten
- c)en
- d)wordt het vermeend of werkelijk achterhouden van een paspoort beoogd. Die punten zijn zeer vaag geformuleerd, hetgeen zou kunnen leiden tot een systematische toepassing van de versnelde procedure in de gevallen waarin de verzoeker niet over zijn paspoort beschikt, zelfs wanneer het verzoek noch kennelijk ongegrond, noch frauduleus is. Het punt
- f)betreft volgende ontvankelijk verklaarde verzoeken. Het criterium waarin is voorzien, is niet adequaat wanneer de verzoeker nieuwe elementen of feiten aanbrengt die de waarschijnlijkheid dat hij aanspraak kan maken op erkenning als vluchteling of op subsidiaire bescherming, aanzienlijk verhogen of wanneer het eerste verzoek het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing tot technische weigering overeenkomstig artikel 57/6/5, § 1, 1°, 2°, 3°, 4° of 5°. Het punt
- h)betreft de verzoeker die « het grondgebied onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en [die] zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij de autoriteiten heeft aangemeld of geen verzoek om internationale bescherming heeft gedaan ». Naast het feit dat de bedoelde termijnen noch nauwkeurig, noch objectief zijn, kan de gegronde vrees om te worden vervolgd of het risico van ernstige schade later werkelijkheid worden. Insgelijks kan de asielzoeker zich verkeerdelijk hebben laten adviseren om geen verzoek in te dienen. Dat belet niet dat hij een gegronde vrees kan hebben om te worden vervolgd of een werkelijk risico kan lopen om ernstige schade te lijden. 17 Het punt
- j)betreft de verzoeker die een gevaar zou vormen voor de nationale veiligheid of de openbare orde of die werd verwijderd om ernstige redenen van nationale veiligheid of openbare orde. Dat criterium heeft opnieuw niets te maken met de vraag of een verzoek frauduleus dan wel kennelijk niet gegrond is. De redenen van openbare orde vallen mogelijkerwijs samen met het onderzoek van een uitsluitingsgrond, die onverenigbaar is met een versnelde procedure. Tot slot is de maategel tot versnelling van de procedure niet doeltreffend, noch evenredig met het gevaar voor de openbare orde. In de veronderstelling dat het verschil in behandeling voortvloeit uit de « Procedurerichtlijn », zou die moeten worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de artikelen 20 en 21 van het Handvest. A.50.2. De Ministerraad ziet niet in in welk opzicht de criteria
- c)en
- d)niet nauwkeurig zouden zijn. Volgens hem dient rekening te worden gehouden met de diversiteit aan situaties waarop de wet kan worden toegepast, hetgeen verantwoordt dat gebruik wordt gemaakt van algemene categorieën. De beoordelingsbevoegdheid waarover de CGVS beschikt, zal het voorwerp kunnen uitmaken van een controle met volle rechtsmacht door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ook in dat geval betreft de grief de wijze waarop de CGVS de bestreden bepaling zal toepassen. De Ministerraad preciseert dat de punten f),
- h)en
- j)de letterlijke omzetting zijn van artikel 31, lid 8, van de « Procedurerichtlijn ». Aangezien de aangevoerde grief niet in de bestreden bepaling is gelegen, dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard. A.50.3. Volgens de verzoekende partijen vormt de versnelde procedure een regeling die afwijkt van de gewone procedure en, op gevaar af die laatste onwerkzaam te maken, moeten de voorwaarden voor de toepassing van de eerste nauwkeurig worden gedefinieerd. De systematische toepassing van de bestreden bepaling op de aan de grens ingediende verzoeken om internationale bescherming is een eenvoudige illustratie van de mogelijke gevolgen van de onnauwkeurigheid van het bestreden artikel 41. De verzoekende partijen stellen voor om over artikel 31, lid 8, van de « Procedurerichtlijn » aan het Hof van Justitie verscheidene prejudiciële vragen te stellen in verband met de geldigheid. A.50.4. De Ministerraad gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof met betrekking tot de vraag of het opportuun is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Wat betreft het verzoek ingediend door een vreemdeling die gedurende ten minste drie maanden vrijwillig naar zijn land van herkomst is teruggekeerd (artikel 4 van de wet van 21 november 2017) A.51. Het vijftiende middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 4 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2, q), en 28, lid 3, van de « Procedurerichtlijn » en met artikel 19 van de Dublin III-verordening, in zoverre daarbij voor de verzoekers om internationale bescherming die gedurende ten minste drie maanden vrijwillig naar hun land van herkomst zijn teruggekeerd en die later een nieuw verzoek indienen, in geringere procedurele waarborgen wordt voorzien ten opzichte van de waarborgen die de andere verzoekers genieten. In zoverre de bestreden bepaling het verzoek dat wordt ingediend nadat de verzoeker vrijwillig en definitief naar zijn land van herkomst is teruggekeerd, als « volgend verzoek » aanmerkt, schendt zij, volgens de verzoekende partijen, de « Procedurerichtlijn ». Het gaat in een dergelijk geval om een nieuw verzoek. Dat blijkt uit artikel 19, leden 2 en 3, van de Dublin III-verordening, dat bepaalt dat wanneer de betrokkene gedurende ten minste drie maanden het grondgebied van de lidstaten vrijwillig heeft verlaten of wanneer hij het voorwerp heeft uitgemaakt van een daadwerkelijke verwijdering, elk verzoek dat nadien wordt ingediend, als een nieuw verzoek wordt beschouwd dat aanleiding geeft tot een nieuwe procedure in de verantwoordelijke lidstaat. A.52. De Ministerraad stelt vast dat de definitie van « volgend verzoek » die in de bestreden bepaling is opgenomen, de letterlijke omzetting is van artikel 2, q), van de « Procedurerichtlijn », zodat de grief niet ontvankelijk is. Volgens hem sluit die bepaling voor de Belgische wetgever niet de mogelijkheid uit om het verzoek om internationale bescherming dat wordt ingediend nadat de verzoeker vrijwillig naar zijn land van herkomst is teruggekeerd, als « volgend verzoek » aan te merken. Een dergelijk verzoek impliceert noodzakelijkerwijs dat het werkelijke karakter van de terugkeer voorafgaandelijk wordt onderzocht, zo niet zou dat leiden tot misbruik van de procedure. 18 De Ministerraad stelt zich vragen over de relevantie van de verwijzing naar artikel 28, lid 3, van de « Procedurerichtlijn ». In artikel 2, q), van die richtlijn wordt verwezen naar artikel 28, lid 1, van de richtlijn en wordt uiteengezet dat het verzoek om internationale bescherming dat volgt op een impliciete intrekking of een impliciet afzien van het vorige verzoek om internationale bescherming als een volgend verzoek wordt beschouwd. De omstandigheid dat in artikel 28, lid 3, wordt vermeld dat dit artikel geen afbreuk doet aan de Dublin III- verordening impliceert niet dat men artikel 19, lid 2, van die verordening kan toepassen op het einde van de verantwoordelijkheid van de lidstaat. Bovendien heeft het begrip « nieuw verzoek » in de zin van de voormelde verordening niets te maken met de begrippen « eerste verzoek » of « volgend verzoek » die worden gebruikt in de « Procedurerichtlijn ». A.53. De verzoekende partijen antwoorden dat de bestreden bepaling artikel 2, q), van de « Procedurerichtlijn » niet letterlijk omzet, aangezien daarin wordt verwezen naar artikel 28, lid 1, van de richtlijn, een bepaling die, overeenkomstig lid 3 ervan, geen afbreuk doet aan de Dublin III-verordening. Een voorafgaand onderzoek van het werkelijke karakter van de terugkeer heeft wel degelijk plaats in het kader van de toepassing van de Dublin III-verordening. Dat voorafgaand onderzoek kan ertoe leiden dat de Dienst Vreemdelingenzaken besluit dat de verantwoordelijkheid van België tegenover de verzoeker heeft opgehouden. De vaststelling van dat ophouden veronderstelt de volledige behandeling van het verzoek om internationale bescherming ab initio, met inbegrip van de eventuele overdracht van verantwoordelijkheid naar een andere lidstaat. Bij gebrek aan bewijskrachtige elementen voor de terugkeer, blijft de verantwoordelijkheid van België onaangetast en zal het verzoek dan als een volgend verzoek worden beschouwd. De vrees voor fraude waarvan de Ministerraad melding maakt, is bijgevolg niet verantwoord. Volgens de verzoekende partijen gaat het ofwel om een nieuw verzoek en maakt het verzoek voorwerp uit van een onderzoek door de verantwoordelijke Staat en eventueel van een beslissing tot overdracht met toepassing van de Dublin III-verordening, ofwel gaat het om een volgend verzoek en maakt het het voorwerp uit van een beslissing over de ontvankelijkheid met toepassing van de artikelen 33 en 40 van de « Procedurerichtlijn » (HvJ, beschikking, 5 april 2017, C-36/17, Daher Muse Ahmed). In ondergeschikte orde stellen de verzoekende partijen voor om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen. A.54. De Ministerraad antwoordt dat de verzoekende partijen zich baseren op artikel 33, lid 2, d), van de « Procedurerichtlijn ». Hij gaat ervan uit dat de door de verzoekende partijen beschouwde hypothese de volgende is. De verzoeker om internationale bescherming dient op het Belgische grondgebied een eerste verzoek in, waarover een eindbeslissing wordt genomen. Hij verlaat vervolgens gedurende ten minste drie maanden de Schengenruimte, komt vervolgens terug in een andere lidstaat van de Schengenruimte waar hij een verzoek om internationale bescherming indient ten aanzien waarvan een afwijzende beslissing wordt genomen en wordt uitgewezen krachtens een maatregel tot verwijdering. Tot slot komt hij terug naar België, waar hij een nieuw verzoek om internationale bescherming indient. Dat nieuwe verzoek om internationale bescherming wordt als een volgend verzoek beschouwd in de zin van de bestreden bepaling. Het is een nieuw verzoek in de zin van artikel 19, lid 3, van de Dublin III-verordening. Het is klaarblijkelijk ten onrechte dat de verzoekende partijen beweren dat het verzoek om internationale bescherming als een volgend verzoek om internationale bescherming zal worden behandeld en dat de verzoeker tegelijkertijd het voorwerp zal uitmaken van een verzoek tot overname door een andere lidstaat. Ofwel is België verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming en zal het verzoek als een volgend verzoek worden beschouwd, ofwel is België niet verantwoordelijk, omdat artikel 19 van de Dublin III-verordening met betrekking tot het einde van de verantwoordelijkheid niet van toepassing is, en dan zal het verzoek om internationale bescherming door een andere lidstaat worden behandeld. Bovendien betekent « gedurende drie maanden buiten de Europese Unie verblijven » niet « naar het land van herkomst terugkeren ». Het feit dat de verzoeker om internationale bescherming het grondgebied heeft verlaten, betekent daarom niet dat hij naar zijn land van herkomst is teruggekeerd. Het is echter precies dat punt dat moet worden onderzocht in het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid van het verzoek om internationale bescherming. De verzoekende partijen verwarren de termen « nieuw verzoek » en « eerste verzoek » met elkaar. Zowel bij de toepassing van de Dublin III-verordening als bij die van de « Procedurerichtlijn » vormt een nieuw onderzoek echter niet noodzakelijk een eerste onderzoek. Dat betekent alleen dat de bepaling van de lidstaat die krachtens de Dublin III-verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek of voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming opnieuw gebeurt, op basis van specifieke of andere omstandigheden. De Ministerraad onderstreept dat, in het voormelde voorbeeld, wanneer, na een nieuw onderzoek verricht op grond van de Dublin III-verordening, België voor de behandeling van het verzoek verantwoordelijk wordt geacht het niet 19 om een eerste bepaling gaat maar om een nieuwe bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is. Na die bepaling is België ertoe gehouden een « nieuw » verzoek om internationale bescherming te registreren. Dat « nieuwe » verzoek is echter geen eerste verzoek en moet bijgevolg als een « volgend » verzoek worden beschouwd. Tot slot gedraagt de Ministerraad zich naar de beoordeling van het Hof over de opportuniteit om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen. Wat betreft de toelaatbaarheid van elementen die in het kader van een volgend verzoek te laat zijn voorgelegd (artikel 42 van de wet van 21 november 2017) A.55. Het zestiende middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 42 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 12 en 17 van de richtlijn 2011/95/EU, met artikel 18 van het Handvest en met artikel 1 van het Verdrag van Genève. A.56.1. In een eerste onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen het niet-objectieve karakter van het criterium dat bij de bestreden bepaling is vastgelegd om te bepalen of nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt, en die worden voorgelegd ter staving van een volgend verzoek, door de verantwoordelijke overheid moeten worden onderzocht, bij gebrek aan definitie van het begrip « geldige uitleg ». Die onnauwkeurigheid kan slechts leiden tot van het toeval afhangende resultaten, hetgeen een discriminatie onder de verzoekers met zich zal meebrengen, naargelang hun uitleg over het te laat voorleggen van die elementen al dan niet als geldig in aanmerking zal zijn genomen. A.56.2. De Ministerraad doet gelden dat de aangevoerde discriminatie voortvloeit uit de « Procedurerichtlijn » en niet uit de bestreden bepaling. Bijgevolg is de grief niet ontvankelijk. In ondergeschikte orde doet de Ministerraad gelden dat het begrip « geldige uitleg » in de parlementaire voorbereiding voldoende wordt geëxpliciteerd. Daaruit blijkt ook dat het late neerleggen op zich geen reden is voor het niet onderzoeken van het nieuwe element, maar wel een van de vele elementen is dat in overweging dient te worden genomen bij de beoordeling van het vermogen van dat nieuwe element om de kans aanzienlijk groter te maken dat de verzoeker voor internationale bescherming in aanmerking komt. Tot slot zal de beoordelingsbevoegdheid waarover de CGVS bij de toepassing van de bestreden bepaling beschikt, het voorwerp kunnen uitmaken van een jurisdictionele controle, met volle rechtsmacht, door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. A.56.3. De verzoekende partijen onderstrepen de onsamenhangendheid van het antwoord van de Ministerraad, die tegelijkertijd betoogt dat hun grieven voortvloeien uit de « Procedurerichtlijn » en dat de bestreden bepaling de verantwoordelijke overheid niet toelaat een volgend verzoek niet-ontvankelijk te verklaren om de enige reden dat de verzoeker geen geldige redenen verstrekt die het late indienen van de nieuwe elementen verklaren. Zij doen gelden dat het onderzoek van de inachtneming van het non-refoulementbeginsel niet uitsluit dat de nieuwe elementen als sanctie voor het laat voorleggen zonder geldige uitleg niet ontvankelijk zijn. Ofwel is, volgens de verzoekende partijen, de bestreden bepaling niet de omzetting van artikel 40, lid 4, van de « Procedurerichtlijn ». In dat geval kon de wetgever het laat en zonder geldige uitleg indienen van nieuwe elementen niet als beding van niet-ontvankelijkheid invoeren, zodat de bestreden bepaling moet worden vernietigd. Ofwel is de bestreden bepaling de omzetting van artikel 40, lid 4, van de « Procedurerichtlijn ». In dat geval rijst de vraag van de verenigbaarheid van die bepaling van de richtlijn met artikel 18 van het Handvest en met artikel 1 van het Verdrag van Genève, waarbij daarover aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag moet worden gesteld. A.56.4. De Ministerraad antwoordt dat de omstandigheid dat het Belgisch recht bepaalt dat de reden voor het laat voorleggen van elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming op zich alleen niet de niet-ontvankelijkheid van het verzoek met zich kan meebrengen, niets afdoet aan de vaststelling dat de aangeklaagde discriminatie voortvloeit uit de « Procedurerichtlijn ». Artikel 40, lid 4, van die richtlijn vormt voor de lidstaten een mogelijkheid. De wetgever heeft ervoor gekozen die mogelijkheid om te zetten, maar gedeeltelijk, zonder haar gepaard te doen gaan met de bij de voormelde richtlijn toegestane gevolgen, rekening houdend met de rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die van oordeel is dat, niettegenstaande een eventuele fraude vanwege de verzoeker, de asielinstanties ertoe gehouden zijn zich uit te spreken over het bestaan van een vrees in geval van terugkeer. Fraude zal ten hoogste een toename van de bewijslast voor de verzoeker kunnen verantwoorden. Tot slot is het beroep tegen de beslissingen van de CGVS bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een beroep met volle rechtsmacht. Bijgevolg zullen de elementen, ook al worden zij laat ingediend, steeds het voorwerp uitmaken van een onderzoek in het kader van de beoordeling van het bestaan 20 van een gegronde vrees om te worden vervolgd of van een reëel risico van ernstige schade. Dat neemt niet weg dat het aan de verzoeker om internationale bescherming staat uitleg te geven over dat niet tijdig indienen. Er dient dus geen prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie. A.57.1. Het tweede onderdeel van het middel betreft de gelijke behandeling van, enerzijds, de verzoeker om internationale bescherming die een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid, een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan of een handeling heeft gesteld die in strijd is met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties, en, anderzijds, de verzoeker die zonder geldige reden heeft nagelaten tijdens de vorige procedure de elementen voor te leggen die zijn nood aan bescherming aantonen, aangezien die twee verzoekers op dezelfde wijze worden bestraft, namelijk met een weigering van bescherming. Volgens de verzoekende partijen wordt bij de bestreden bepaling aan de CGVS de bevoegdheid gegeven om een verzoek niet-ontvankelijk te verklaren op voorwaarde dat de onmogelijkheid van terugdrijving wordt betekend. Zelfs wanneer een element niet tijdig wordt ingediend, moet het evenwel worden onderzocht indien het kan leiden tot het erkennen van de status van vluchteling of tot het verlenen van subsidiaire bescherming. Een vluchteling is de persoon die met reden vreest te worden vervolgd, los van de vraag op welk moment hij het bewijs voor die vrees heeft aangedragen. De bestreden bepaling voegt bijgevolg aan de definitie van de vluchteling een element toe. Zodoende doet de bestreden bepaling, buiten het in artikel 1, F, van het Verdrag van Genève beoogde geval, een onuitgegeven wettelijke situatie ontstaan van vreemdelingen die van de regeling van internationale bescherming zijn uitgesloten zonder te kunnen worden uitgezet. A.57.2. De Ministerraad antwoordt dat het bestreden artikel 42 niet vergelijkbaar is met de uitsluitingsgronden opgenomen in artikel 1, F, van het Verdrag van Genève. Bij de bestreden bepaling wordt immers uitdrukkelijk erin voorzien dat de verzoeker om internationale bescherming het voordeel van het in artikel 33 van het Verdrag van Genève bedoelde non-refoulementbeginsel geniet. Zulks is niet het geval voor de personen die zijn uitgesloten krachtens artikel 1, F, van hetzelfde Verdrag. Bovendien is de uitsluiting waarin is voorzien in artikel 1, F, van het Verdrag definitief, verbonden met de persoon en onbeperkt in de tijd. De niet- ontvankelijkheid waarin is voorzien in het bestreden artikel 42 is gericht en verbonden met een verzoek. Niets belet de vreemdeling om een nieuw verzoek in te dienen, dat ontvankelijk zal kunnen worden verklaard indien hij melding maakt van een nieuw element. Tot slot, in tegenstelling tot het geval van de uitsluitingen, in het kader waarvan er in beginsel een gegronde vrees bestaat ten aanzien van de uitgesloten verzoeker, besluit de CGVS, wanneer hij een beslissing van niet-ontvankelijkheid neemt, dat er bij de verzoeker geen gegronde vrees is. Wanneer de beslissing van niet-ontvankelijkheid een volgend verzoek betreft, heeft de CGVS alle in het dossier aanwezige elementen onderzocht, ook al zou het laat indienen van de nieuwe elementen een beoordelingselement vormen waarmee rekening dient te worden gehouden. Wat betreft de beoordeling van het risico op onderduiken van de vreemdeling (artikel 4 van de wet van 21 november 2017) A.58. Het zeventiende middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 4 van de wet van 21 november 2017, van artikel 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 2, n), en 28 van de Dublin III-verordening, met de artikelen 3, lid 7, en 15 van de « Terugkeerrichtlijn », met artikel 8 van de richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 « tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) » (hierna : de « Opvangrichtlijn »), met artikel 6 van het Handvest en met artikel 5, lid 1, f), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.59.1. In een eerste onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat door erin te voorzien dat het bestaan van één enkele van de elf redenen bepaald in artikel 1, § 2, van de wet van 15 december 1980 het mogelijk maakt te besluiten dat er een risico op onderduiken bestaat dat verantwoordt dat de vreemdeling van zijn vrijheid wordt beroofd, het bestreden artikel 4 de in het middel aangehaalde bepalingen schendt en inzonderheid artikel 3, lid 7, van de « Terugkeerrichtlijn », waarbij de combinatie van verscheidene criteria wordt opgelegd. 21 A.59.2. In het tweede onderdeel wordt kritiek geuit op de onvoorzienbaarheid van de bij het bestreden artikel 4 bepaalde gevallen van vasthouding, die een risico op willekeurige vasthouding met zich zou meebrengen. Daarenboven wordt in de bestreden bepaling een reeks van voor de vreemdeling ongunstige criteria opgesomd, maar geen enkel voor hem gunstig criterium. Volgens de verzoekende partijen impliceert de enkele vermelding van dergelijke gunstige criteria (het gezinsleven, de gezondheidstoestand, de leeftijd, de persoonlijkheid en het gedrag) in de memorie van toelichting of het feit dat zij totaal niet worden vermeld (het al dan niet hebben van een woonplaats in België) het risico dat die gunstige elementen door de bevoegde overheid niet systematisch in overweging worden genomen. A.59.3. Wat het eerste en het tweede onderdeel betreft, antwoordt de Ministerraad dat noch de « Terugkeerrichtlijn », noch de Dublin III-verordening verbieden om slechts naar één enkel objectief criterium te verwijzen dat het risico op onderduiken bepaalt. Hij voegt eraan toe dat het in overweging genomen objectieve criterium of de in overweging genomen objectieve criteria alleen niet volstaan om het bestaan van een dergelijk risico vast te stellen. Bij de wet wordt de bevoegde overheid immers de verplichting opgelegd het bestaan na te gaan van een actueel en reëel risico, dat wordt vastgesteld na een individueel onderzoek en op basis van een of meer objectieve criteria, rekening houdend met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval. Dat algemeen onderzoek maakt het mogelijk elk automatisch karakter van de vasthouding te vermijden. A.59.4. Wat het tweede onderdeel betreft, preciseren de verzoekende partijen dat de lijst van de criteria voldoende uitputtend moet zijn om een algemene beoordeling van de situatie van de vreemdeling mogelijk te maken en dat de loutere verwijzing naar de verplichting rekening te houden met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, die lacune niet kan verhelpen. Zij verwijzen naar de conclusie van de advocaat-generaal die voorafgaat aan het arrest Al Chodor van het Hof van Justitie (10 november 2016, C-528/15). A.59.5. De Ministerraad antwoordt dat de bestreden bepaling de objectieve criteria vastlegt die ten grondslag liggen aan de vrees voor een risico op onderduiken. De omstandigheid dat de administratie rekening moet houden met de persoonlijke situatie van de vreemdeling bovenop de criteria die bij de wet zijn vastgelegd, brengt geen schending met zich mee van het criterium van voorzienbaarheid en objectiviteit van de criteria die zijn bepaald. De verzoekende partijen verlenen aan het arrest Al Chodor (15 maart 2017, C-528/15) een draagwijdte die het niet heeft. A.60.1. In een derde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat de criteria waarin is voorzien bij de bestreden bepaling dermate vaag en onvoorzienbaar zijn dat zij in de praktijk de vasthouding mogelijk maken van elke verzoeker om internationale bescherming, ongeacht of er bij hem al dan niet een risico op onderduiken bestaat, terwijl, volgens het Unierecht, het gebruik van de vasthouding tot het strikt noodzakelijke moet worden beperkt. In zoverre er thans in het Europees of het Belgisch recht geen georganiseerde procedure bestaat aan de hand waarvan om een visum kan worden verzocht teneinde internationale bescherming aan te vragen, is elke verzoeker om internationale bescherming ofwel een vluchteling die ter plaatse is, van wie de nood aan bescherming gebleken is terwijl hij reeds in België verbleef, ofwel een persoon die illegaal het grondgebied is binnengekomen, ofwel een persoon die legaal is binnengekomen maar die valse of misleidende informatie heeft meegedeeld over het doel van zijn verblijf. De formuleringen zijn dermate ruim en onnauwkeurig dat verscheidene gevallen zoals bedoeld in artikel 1, § 2, eerste lid, 2° en 10°, van toepassing zouden kunnen zijn op elk van de drie hypotheses. A.60.2. De Ministerraad weerlegt het standpunt van de verzoekende partijen en herinnert eraan dat de gekozen criteria die van de Europese Commissie in het « terugkeerhandboek » zijn. Hij is van mening dat de verzoekende partijen de wijze bekritiseren waarop de Dienst Vreemdelingenzaken de bestreden wet zal toepassen, hetgeen niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort. A.60.3. De verzoekende partijen antwoorden dat zij het te algemene karakter van een aantal criteria bekritiseren, en niet de toepassing ervan door de Dienst Vreemdelingenzaken. Wat betreft het vasthouden van de verzoeker om internationale bescherming (artikelen 44 en 56 van de wet van 21 november 2017) A.61. Het achttiende middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 44 en 56 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van de « Opvangrichtlijn », met artikel 43 van de « Procedurerichtlijn », met de artikelen 6 en 47 van het Handvest en met artikel 5, leden 1 en 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 22 A.62.1. De verzoekende partijen doen, in een eerste onderdeel, gelden dat de vereisten van artikel 8 van de « Opvangrichtlijn », namelijk de noodzakelijkheidstest, de verplichting om minder dwingende maatregelen te overwegen en de individuele beoordeling van elk geval, bij het bestreden artikel 56 niet worden omgezet, hetgeen ertoe leidt dat verzoekers om internationale bescherming willekeurig aan de grens kunnen worden vastgehouden. In een tweede onderdeel bekritiseren zij het feit dat bij het bestreden artikel 56 op die verzoekers niet dezelfde procedurele waarborgen worden toegepast als de procedurele waarborgen die van toepassing zijn op de verzoekers die op het grondgebied worden vastgehouden, waarin is voorzien bij artikel 74/6 van de wet van 15 december 1980, en die de waarborgen zijn die worden beoogd bij artikel 8 van de « Opvangrichtlijn ». A.62.2. De Ministerraad antwoordt dat de vasthouding van een vreemdeling in een welbepaalde plaats het voorwerp moet uitmaken van een geïndividualiseerd onderzoek overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de « Opvangrichtlijn » (Cass., 27 december 2017, P.17.1244.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171227.1). A.62.3. De verzoekende partijen nemen akte van de door de Ministerraad voorgestelde interpretatie en vragen het Hof haar goed te keuren. A.63.1. In een derde onderdeel klagen de verzoekende partijen aan dat de bestreden bepalingen, met schending van artikel 8, lid 3, c), van de « Opvangrichtlijn », een afzonderlijk onderzoek van de wettigheid van de vasthouding beletten, hetgeen leidt tot een schending van het recht op toegang tot een rechter. Volgens hen heeft de beslissing die wordt genomen op grond van het bestreden artikel 44 zowel betrekking op het verzoek om internationale bescherming als op de vasthouding. De toetsing van de wettigheid van de vasthouding moet echter op autonome wijze kunnen worden verricht. A.63.2. De Ministerraad herinnert eraan dat de aan de grens vastgehouden verzoeker, krachtens artikel 71 van de wet van 15 december 1980, de wettigheid van de vasthoudingsmaatregel bij de onderzoeksgerechten kan betwisten. Dat beroep kan maand na maand opnieuw worden ingediend. Zo kan de verzoeker een beroep instellen bij zijn vasthouding maar ook na de beslissing van de CGVS. De grief van de verzoekende partijen berust op een verkeerd postulaat. A.63.3. De verzoekende partijen antwoorden dat zij aanklagen dat de beslissing van de CGVS en/of de gevolgen die de Dienst Vreemdelingenzaken daaraan verbindt voor de handhaving van de vasthouding, bij de bestreden bepalingen niet worden geformaliseerd in een beslissing waartegen bij de onderzoeksgerechten beroep kan worden ingesteld. In de bestreden bepalingen wordt trouwens niet aangegeven of een dergelijke beslissing tot de bevoegdheid van de CGVS dan wel van de Dienst Vreemdelingenzaken behoort. A.63.4. De Ministerraad betwist dat de beslissing van de CGVS een beslissing tot bevestiging van de vasthouding vormt. De vasthouding aan de grens van de verzoeker om internationale bescherming is verantwoord in afwachting van de machtiging om het Rijk binnen te komen of van de terugdrijving van de vreemdeling. De beslissing tot afwijzing van de CGVS impliceert alleen dat het de verzoeker niet wordt toegestaan het Rijk binnen te komen, met de omstandigheid dat de voordien genomen terugdrijvingsmaatregel uitvoerbaar wordt, onder voorbehoud van artikel 39/70 van de wet van 15 december 1980. De verzoekende partijen verlenen aan de beslissing van de CGVS een draagwijdte die zij niet heeft. A.64.1. In het vierde onderdeel worden de bestreden bepalingen bekritiseerd in de interpretatie volgens welke zij de handhaving van de vasthouding, op grond van artikel 74/6 van de wet van 15 december 1980, mogelijk maken bij het verstrijken van de termijn van vier weken na de ontvangst, door de CGVS, van het verzoek om internationale bescherming. Volgens de verzoekende partijen brengt de ontstentenis van beslissing van de CGVS binnen een dergelijke termijn, overeenkomstig artikel 43 van de « Procedurerichtlijn », automatisch de machtiging om het grondgebied binnen te komen met zich mee. A.64.2. De Ministerraad antwoordt dat de verzoekende partijen het recht om het grondgebied binnen te komen en de vasthouding met elkaar verwarren. Noch artikel 43, lid 2, noch enige andere bepaling van de « Procedurerichtlijn » impliceren dat de bevoegde overheid bij het verstrijken van de termijn van vier weken de vreemdeling moet vrijlaten indien de voorwaarden inzake vasthouding nageleefd worden. 23 A.64.3. De verzoekende partijen doen gelden dat wanneer de vasthouding op artikel 8, lid 3, c), van de « Opvangrichtlijn » berust, het recht op binnenkomst een onmiddellijke vrijlating met zich meebrengt en niet de vasthouding op dezelfde plaats op een andere wettelijke grond. Het recht om het grondgebied binnen te komen dat verbonden is aan het verstrijken van de termijn van vier weken vormt de sanctie voor de ontstentenis van een door de bevoegde overheid binnen een redelijke termijn genomen beslissing, terwijl de procedure aan de grens noodzakelijkerwijs een versnelde procedure is. De mogelijkheid om een verzoeker om internationale bescherming achtereenvolgens op grond van de artikelen 74/5 en 74/6 van de wet van 15 december 1980 vast te houden is strijdig met de in het middel beoogde Unierechtelijke bepalingen. A.64.4. De Ministerraad antwoordt dat de overschrijding van de termijn van vier weken niet impliceert dat geen beslissing meer kan worden genomen en dat het recht om het grondgebied binnen te komen moet worden geïnterpreteerd als een recht om te worden vrijgelaten. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat het vasthouden van een verzoeker om internationale bescherming, op grond van artikel 74/6, na het verstrijken van de termijn van vier weken, wettig is (Cass., 21 november 2018, P.18.1108.F). Bovendien wordt bij artikel 8, lid 3, van de « Opvangrichtlijn » voorzien in andere redenen voor bewaring dan de reden die in punt
- c)wordt beoogd. A.65.1. In een vijfde onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepalingen in zoverre zij een langere termijn van vasthouding toestaan dan de maximumtermijn die is opgelegd bij artikel 43, lid 2, van de « Procedurerichtlijn ». Door de ontvangst van het verzoek door de CGVS, en niet de indiening ervan, vast te leggen als aanvangspunt van de termijn van vier weken na afloop waarvan het de verzoeker, bij ontstentenis van beslissing van de CGVS, toegestaan is het grondgebied te betreden, zouden de bestreden bepalingen artikel 43 van de « Procedurerichtlijn » schenden. A.65.2. De Ministerraad zet uiteen dat bij artikel 43, lid 2, van de voormelde richtlijn voor de voormelde termijn geen aanvangspunt wordt vastgelegd, waarbij die kwestie wordt overgelaten aan de vrije beoordeling van de lidstaten. A.65.3. De verzoekende partijen voeren aan dat het antwoord van de Ministerraad niet verenigbaar is met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 april 2018 (C-550/16, A en S t. Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie). Wat betreft de wijziging van de omstandigheden die de vasthouding verantwoorden (artikel 57 van de wet van 21 november 2017) A.66. Het negentiende middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 57 van de wet van 21 november 2017, van artikel 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 9 van de « Opvangrichtlijn », met de artikelen 6 en 47 van het Handvest en met artikel 5, leden 1 en 4, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de verzoekende partijen waarborgt de bestreden bepaling niet dat de vasthouding zal plaatshebben voor de kortst mogelijke termijn, zolang de redenen van vasthouding van toepassing zijn. De wet waarborgt immers niet dat een nieuwe beslissing over de noodzaak van de vasthouding zal worden genomen wanneer de onderzoekshandeling die de vrijheidsberoving heeft verantwoord, zal zijn verricht. A.67. De Ministerraad antwoordt dat de verzoeker om internationale bescherming zijn vasthouding bij de onderzoeksgerechten kan betwisten op grond van artikel 71 van de wet van 15 december 1980 en dat hij kan doen gelden dat de voorwaarden die zijn vasthouding verantwoorden, niet vervuld zijn. Indien de redenen van vasthouding niet langer bestaan, kan er geen nieuwe beslissing over de vasthouding zijn. De richtlijn voorziet niet in de vereisten van de verzoekende partijen op het vlak van een beroep. Tot slot bekritiseert de grief de wijze waarop de Dienst Vreemdelingenzaken de bestreden bepaling zal toepassen, zodat zij niet ontvankelijk is. A.68. De verzoekende partijen antwoorden dat de bestreden bepaling de artikelen 8 en 9 van de « Opvangrichtlijn » onvolledig omzet. Zij maakt de controle, door de vreemdeling zelf of door de rechter, van de voortgang van de onderzoekshandelingen die de vasthouding verantwoorden, onmogelijk. 24 Wat de beperking van het recht op materiële hulp betreft (artikel 62 van de wet van 21 november 2017) A.69. Het twintigste middel in de zaak nr. 7008 is afgeleid uit de schending, door artikel 62 van de wet van 21 november 2017, van de artikelen 13, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 20 van de « Opvangrichtlijn », met de artikelen 1, 7 en 47 van het Handvest en met artikel 26 van het Verdrag van Genève. A.70.1. In een eerste onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat door ten aanzien van de begunstigden van de opvang een strengere sanctieregeling te organiseren dan de regeling die is georganiseerd bij artikel 45 van de wet van 12 januari 2007 « betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen » (hierna : de wet van 12 januari 2007), waarnaar het vroegere artikel 4 van dezelfde wet verwees, de bestreden bepaling een aanzienlijke achteruitgang met zich meebrengt in de bescherming van de rechten van de betrokken personen ten aanzien van de voordien geldende situatie, achteruitgang die onverenigbaar is met de standstill-verplichting vervat in artikel 23 van de Grondwet. Het vroegere artikel 4 van de voormelde wet bepaalde dat wanneer de asielzoeker bedoeld in het nieuwe artikel 4, § 1, 1°, zich opnieuw aanbood, hij opnieuw aanspraak kon maken op materiële hulp, maar dat het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers (hierna : het Agentschap) een van de maatregelen kon nemen waarin is voorzien bij artikel 45, tweede lid, 1° tot 6°, namelijk de sancties die gaan van de formele verwittiging tot de schrapping van de dagvergoeding voor een periode van vier weken. Bij het bestreden artikel 62 wordt die band met de algemene sanctieregeling echter geschrapt en wordt een parallelle sanctieregeling in het leven geroepen waarin het Agentschap voortaan, in dezelfde omstandigheden, aan de begunstigde van de opvang de maximumsanctie kan opleggen, namelijk de definitieve uitsluiting, zonder dat een van de bij dat artikel bepaalde waarborgen van toepassing is. A.70.2. De Ministerraad antwoordt dat het bestreden artikel 62, overeenkomstig artikel 20, lid 5, van de « Opvangrichtlijn », ertoe strekt de misbruiken van het opvangsysteem te bestrijden, in tegenstelling tot artikel 45 van de wet van 12 januari 2007, dat een sanctieregeling organiseert in geval van ernstige niet-naleving van de regels die van toepassing zijn in de opvangstructuren. Het vroegere artikel 4 maakte het reeds mogelijk maatregelen te nemen ten aanzien van de asielzoeker die zich opnieuw aanbood. In het bestreden artikel 62 wordt die mogelijkheid overgenomen maar wordt de verwijzing naar artikel 45 van de wet van 12 januari 2007 geschrapt. Aangezien de bestreden bepaling niet ertoe strekt een overtreding van het huishoudelijk reglement te bestraffen, is het logisch dat noch de vereiste van een schending van dat reglement, noch de nadere procedurele regels die verbonden zijn aan het nemen van een sanctie, van toepassing zijn. In zoverre het Agentschap dezelfde maatregelen kan nemen als voordien, brengt de bestreden bepaling niet alleen geen achteruitgang in de bescherming van de rechten van de begunstigden met zich mee, maar beschermt zij hen meer door de wijze te preciseren waarop het Agentschap zijn bevoegdheid dient uit te oefenen en door een waardige levensstandaard te waarborgen, hetgeen uitsluit dat de begunstigde de materiële hulp volledig wordt ontzegd. A.70.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de bestreden bepaling wel degelijk ertoe strekt het gedrag van de begunstigden van de opvang te bestraffen. De waarborgen waarin is voorzien in artikel 20, lid 5, van de « Opvangrichtlijn » zijn omgezet bij de artikelen 4, § 3, en 45 van de wet van 12 januari 2007, zodat die twee bepalingen wel degelijk met elkaar verbonden zijn. Tot slot zien de verzoekende partijen niet in welke maatregelen specifiek zijn voor de « redenen voor de verdwijning » die in de bestreden bepaling worden beoogd. De uitleg van de Ministerraad volgens welke het tijdelijk ontnemen van een deel van de dagvergoeding mogelijk zou zijn in de plaats van het louter weigeren van de opvang, terwijl alleen artikel 45 van de voormelde wet in die sanctie voorziet, lijkt te berusten op een lezing contra legem van de bestreden bepaling. Tot slot impliceert het feit dat de twee bepalingen een verschillend doel hebben, niet dat de maatregelen die worden genomen met toepassing van de bestreden bepaling, kunnen worden genomen buiten de waarborgen waarin is voorzien in artikel 45. A.70.4. De Ministerraad repliceert dat het feit dat de beperking van de materiële opvangvoorzieningen met toepassing van de bestreden bepaling kan leiden tot een feitelijke situatie die analoog is met de situatie die het gevolg kan zijn van het nemen van een sanctie op grond van artikel 45, niet betekent dat de twee bepalingen met elkaar verbonden zijn en hetzelfde doel hebben. De verschillen in doelstelling tussen de twee bepalingen verantwoorden verschillen vanuit het oogpunt van de procedurele waarborgen. 25 A.71.1. In een tweede onderdeel bekritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepaling in zoverre de verzoeker daarbij de mogelijkheid wordt ontnomen zijn verblijfplaats te kiezen zonder dat die keuze zijn recht op opvang voor de toekomst hypothekeert. Indien hij de verblijfplaats weigert, zal de verzoeker in de toekomst niet meer onvoorwaardelijk in de regeling van de materiële hulp kunnen worden opgenomen. Door systematisch een « op de redenen voor de verdwijning gebaseerde beslissing » te beschouwen, zou de bestreden bepaling, met schending van de standstill-verplichting, de uitoefening van het recht om zich autonoom op een privéadres in te schrijven, niet langer mogelijk maken. De bestreden bepaling zou het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokken vreemdelingen schenden. A.71.2. De Ministerraad antwoordt dat artikel 7, lid 3, van de « Opvangrichtlijn » het mogelijk maakt het voordeel van de materiële opvangvoorzieningen afhankelijk te stellen van het feit in een welbepaalde plaats te verblijven. Indien de verzoeker het voordeel van al die voorzieningen wenst te genieten, zal hij zich steeds kunnen laten opnemen in het netwerk van het Agentschap. Aangezien, zoals hierboven is vermeld, de toepassing van de bestreden bepaling niet kan leiden tot het weigeren van alle opvangvoorzieningen, vormt zij geen belemmering van het recht om zijn verblijfplaats te kiezen. A.71.3. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven die bestaat in de verplichting om in een welbepaalde plaats te leven, slechts aanvaardbaar is indien de verzoeker de materiële hulp kan weigeren, zonder evenwel zijn onvoorwaardelijk recht daarop voor de toekomst te verliezen. De verzoenende interpretatie van de Ministerraad is contra legem. A.71.4. De Ministerraad repliceert dat de interpretatie die hij voorstelt niet contra legem is en dat zij berust op de verplichting om een waardige levensstandaard te waarborgen. A.72.1. In een derde onderdeel doen de verzoekende partijen gelden dat in zoverre de bestreden bepaling het voordeel van de opvang ten opzichte van de nagestreefde doelstelling op niet-relevante wijze beperkt of intrekt wanneer de verzoeker niet voldoet aan zijn medewerkingsplicht, zij de standstill-verplichting schendt die voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet. Zij onderstrepen dat artikel 57/6/5 van de wet van 15 december 1980 de CGVS de mogelijkheid biedt de behandeling van het verzoek te beëindigen of het verzoek af te wijzen in geval van weigering van de verzoeker om mee te werken en dat er daardoor een risico bestaat van tegenspraak tussen de beslissing van de CGVS en de beslissing van het Agentschap. Bovendien zou de bestreden bepaling het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel schenden. In geval van negatieve beslissingen van de CGVS en van het Agentschap kan de verzoeker een opschortend beroep instellen overeenkomstig artikel 39/79 van de wet van 15 december 1980. In achttien van de gevallen bedoeld in artikel 39/57 van de wet zal hij slechts over een termijn van tien dagen beschikken om dat beroep in te stellen, terwijl hem zijn recht op opvang wordt ontzegd. A.72.2. De Ministerraad wijst erop dat de bestreden bepaling