id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.027 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210225.5 Arrest- Rolnummer: 27/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-19 Raadplegingen: 726 - laatst gezien 2026-06-20 10:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het van toepassing was tijdens het aanslagjaar 2016, schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Procedure van ambtshalve wijziging, door de belastingadministratie, van de inkomsten die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld - Bericht van wijziging gericht aan de belastingplichtige - Afzonderlijke aanslagen - Inhoud van het gemotiveerde van de fiscale administratie - Referentiejaar. Wettelijke bepalingen: Wet - 09-05-2019 - 16 ELI link Pub nr 2019013002 Tekst van de beslissing Rolnummer 7259 Arrest nr. 27/2021 van 25 februari 2021 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 30 september 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 oktober 2019, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 346 van het WIB 1992 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in zoverre het de belastingadministratie niet verplicht om, in het kader van het bepalen van de aanslagvoet die moet worden toegepast op een afzonderlijk belastbaar inkomen met toepassing van artikel 171, 5°, a, van het WIB 1992, naar de belastingplichtige een bericht te sturen waarin de aanslagvoet en het jaar die in aanmerking zullen worden genomen, alsook de redenen waarom die keuze werd gemaakt, worden gepreciseerd, terwijl diezelfde bepaling de administratie wel verplicht om de belastingplichtige, bij een ter post aangetekende brief, in kennis te stellen van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, met vermelding van de redenen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen, in zoverre die bepaling bestemd is om de belastingplichtige te beschermen door hem in staat te stellen het standpunt van de administratie te kennen vόόr de inkohiering en, in voorkomend geval, zijn opmerkingen in te brengen of zijn instemming te geven met de nodige kennis van dat standpunt ? ». Memories zijn ingediend door : - Luc de Lamalle, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Destrée, advocaat bij de balie te Luik; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Fekenne, advocaat bij de balie te Luik. Bij beschikking van 9 december 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 13 januari 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 13 januari 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Luc de Lamalle, ingenieur-consultant, wordt ontslagen in
- Datzelfde jaar begint hij een activiteit van ingenieur-consultant als zelfstandige. In 2015 ontvangt Luc de Lamalle een opzeggingsvergoeding voor zijn ontslag. Hij vermeldt die som als een afzonderlijk belastbaar inkomen in zijn aangifte in de personenbelasting met betrekking tot het aanslagjaar
- 3 De belastingadministratie past op dat bedrag een aanslagvoet toe van 44,40 %, hetgeen overeenstemt met het gemiddelde tarief voor alle belastbare inkomsten van Luc de Lamalle voor het jaar 2012, waarbij dat jaar door de administratie wordt beschouwd als het laatste, vóór de betaling van de opzeggingsvergoeding, gedurende hetwelk Luc de Lamalle een normale beroepsactiviteit heeft gehad. Luc de Lamalle betwist die aanslagvoet en is daarbij van mening dat het jaar 2014, en niet het jaar 2012, moet worden beschouwd als het referentiejaar. Hij dient bijgevolg een bezwaarschrift in bij de belastingadministratie en stelt vervolgens, aangezien daaraan geen gevolg is gegeven, een procedure in bij de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik. In het kader van die procedure houdt de verwijzende rechter zijn uitspraak aan om de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
- Luc de Lamalle voert aan dat hij niet zou hebben gemerkt dat de belastingadministratie op hem een gemiddelde aanslagvoet heeft toegepast die is berekend op basis van zijn inkomsten van het jaar 2012, indien zijn accountant de berekening van de belasting niet nauwgezet en a posteriori had onderzocht. De belastingadministratie heeft een aanslagvoet toegepast zonder de minste bespreking alvorens de aanslag te inkohieren. Echter, in de hypothese dat de administratie ervan zou zijn uitgegaan dat een aangegeven inkomen in werkelijkheid zou vallen onder een ander vak van de belastingaangifte dan hetwelk de belastingplichtige heeft gekozen, had de administratie hem vóór de inkohiering een bericht van wijziging moeten sturen. In de onderhavige hypothese beschikte de belastingplichtige daarentegen enkel over de mogelijkheid om een administratief bezwaarschrift in te dienen. Dat systeem is onvoldoende transparant, daar het inhoudt dat de belastingadministratie noch de toevoeging van een belangrijk aanslagelement aan de belastingaangifte, noch de keuze van de aanslagvoet dient te motiveren. A.2.
- De Ministerraad merkt inleidend op dat, zoals de verwijzende rechter heeft vastgesteld, de belastingadministratie de in het geding zijnde bepaling volkomen in acht heeft genomen, daar te dezen geen enkele wijziging is voorgesteld noch moest worden voorgesteld aan de belastingplichtige. De in het geding zijnde bepaling heeft betrekking op de wijziging van de belastingaangifte en niet op de berekening van de belasting. De wetgever verplicht de belastingadministratie niet om de berekening van de belasting in detail aan te geven of zelfs te motiveren vóór de inkohiering. In een dergelijke informatie vóór de inkohiering wordt evenmin voorzien voor elke belastingberekening uitgevoerd op basis van een ongewijzigde aangifte. De betrokken belastingplichtigen beschikken evenwel daarna over een betwistingsrecht. A.2.
- De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat het Hof niet bevoegd is om de prejudiciële vraag te beantwoorden. Aan het Hof wordt immers een vraag gesteld over het feit dat de wetgever de belastingadministratie niet ertoe verplicht vóór de berekening van de belasting die van toepassing is op een afzonderlijk belastbaar inkomen, een voorstel te sturen, en dus over het stilzwijgen van de wetgever ten aanzien van de manier waarop de administratie de belasting op een afzonderlijk belastbaar inkomen daadwerkelijk zal berekenen. De prejudiciële vraag betreft dus de uitoefening zelf van de soevereine bevoegdheid die is toegewezen aan de wetgever, waarover het Hof zich niet vermag uit te spreken. A.2.
- De Ministerraad is in ondergeschikte orde van mening dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Allereerst worden in de vraag noch de afzonderlijke categorieën van personen geïdentificeerd op wie een identieke behandeling zou worden toegepast, noch de vergelijkbare categorieën van personen op wie een onderscheiden behandeling zou worden toegepast. Vervolgens kan uit de prejudiciële vraag worden afgeleid dat zij, enerzijds, de belastingplichtigen zou beogen die afzonderlijk belastbare inkomsten correct hebben aangegeven en dus geen voorafgaand bericht van wijziging van belasting hebben ontvangen en, anderzijds, de belastingplichtigen aan wie de administratie een wijziging van de aangegeven inkomsten heeft voorgesteld en die bijgevolg een bericht van wijziging ontvangen. 4 Die twee categorieën van personen zijn niet vergelijkbaar. Er zijn enerzijds belastingplichtigen wier aangifte wordt gewijzigd en anderzijds belastingplichtigen wier aangifte niet wordt gewijzigd. De in het geding zijnde bepaling voorziet terecht enkel voor de belastingplichtigen wier aangegeven inkomsten door de administratie worden gewijzigd in een verplichte procedure van voorafgaande inlichting. De twee categorieën van personen genieten dezelfde rechten van verweer die een administratief beroep mogelijk maken, of zelfs twee gerechtelijke beroepsinstanties. Ten slotte, indien wordt aangenomen dat men te maken heeft met een enkele categorie van personen, namelijk die van alle belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de inkomstenbelasting, dan wordt daarop nog niet een identieke behandeling toegepast, daar een specifieke procedure uitsluitend verantwoord is voor de belastingplichtigen wier aangegeven inkomsten aanleiding geven tot een wijziging. A.2.
- In nog meer ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de in het geding zijnde maatregel objectief en redelijk verantwoord is. De voorafgaande administratieve procedure strekt alleen ertoe de belastingplichtige in te lichten over de wijziging die wat betreft zijn aangifte wordt overwogen teneinde hem in staat te stellen die wijziging vóór elke inkohiering te kennen en te aanvaarden of te betwisten. Daar te dezen de aangifte van de belastingplichtige niet werd gewijzigd, is het niet mogelijk te oordelen of het doel van de in het geding zijnde bepaling is bereikt. Er moet overigens rekening worden gehouden met het vermoeden van juistheid dat inherent is aan de belastingaangifte. De voorafgaande informatie is toe te schrijven aan de omkering van de bewijslast : indien de administratie de aangifte wil wijzigen, moet zij dat voorstel dat het vermoeden van de juistheid van de aangifte in het geding brengt, behoorlijk motiveren. Het feit dat een ongewijzigde aangifte alleen het voorwerp kan uitmaken van een inkohiering die in overeenstemming is met de aangifte, zelfs wanneer die niet tijdig is, is een waarborg voor de belastingplichtige en vormt een administratieve vereenvoudiging. De hoven en rechtbanken achten het overigens niet nodig dat vóór de inkohiering een bericht aan de belastingplichtige wordt gericht wanneer de administratie de belastbare grondslag vermindert. Bovendien maken de aanslagvoet, de belastingverhogingen en het referentiejaar geen deel uit van de inkomsten of van de andere elementen die door de in het geding zijnde bepaling worden beoogd. Aldus kan uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake belastingverhoging worden afgeleid dat die drie elementen geen wijzigbare inkomsten zijn die het voorwerp moeten uitmaken van een bericht vóór de inkohiering. In elk geval wordt de toegepaste afzonderlijke aanslagvoet, die het referentiejaar aangeeft, vermeld in het aanslagbiljet dat aan de belastingplichtige wordt gericht. Die elementen maken het hem voldoende mogelijk de op hem toegepaste aanslagvoet te betwisten. De rechten van de belastingplichtige worden gewaarborgd en zijn dezelfde voor alle belastingplichtigen wier aangegeven inkomsten niet zijn gewijzigd. Ten slotte leidt het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende voorafgaande procedures, niet tot een onevenredige beperking van de rechten van de belastingplichtigen. Die laatstgenoemden kunnen met kennis van zaken handelen, daar de daadwerkelijk toegepaste aanslagvoet aan hen wordt meegedeeld. Zij hebben niet het recht dat voor hen een specifieke voorafgaande procedure wordt geregeld, terwijl de administratie geen enkel inkomen wijzigt. De Ministerraad besluit dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. -B- B.
- Artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992), zoals het van toepassing was op het aanslagjaar 2016, bepaalt : 5 « Indien ze meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 of van ter uitvoering van artikel 312 genomen bepalingen, dan wel schriftelijk heeft erkend, stelt de administratie hem bij een ter post aangetekende brief in kennis van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of erkend, en vermeldt zij de redenen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen. Wanneer de administratie gebruik maakt van het bewijsmiddel bedoeld in artikel 342, § 1, eerste lid, deelt zij op dezelfde wijze het bedrag mede van de winst of baten van drie soortgelijke belastingplichtigen, alsmede de gegevens die nodig zijn voor het verhoudingsgewijs bepalen van de winst of baten van de betrokken belastingplichtige. Binnen de termijn van een maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van dat bericht, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, kan de belastingplichtige schriftelijk zijn opmerkingen inbrengen; de aanslag mag niet worden gevestigd voor die, eventueel verlengde, termijn verstreken is, behoudens indien de belastingplichtige met de wijziging van zijn aangifte schriftelijk instemt of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn. De vorige leden zijn eveneens van toepassing op de inkomsten en andere gegevens die zijn vermeld in een in artikel 306 bedoeld voorstel van vereenvoudigde aangifte, wanneer hetzij dat voorstel van vereenvoudigde aangifte, aangevuld met de gegevens die de belastingplichtige binnen de in artikel 306, § 3, vermelde termijn heeft ter kennis gebracht, onjuist of onvolledig is, hetzij de administratie niet akkoord gaat met de haar binnen de termijn van artikel 306, § 3, ter kennis gebrachte opmerkingen van de belastingplichtige. Ten laatste de dag van de vestiging van de aanslag, stelt de administratie de belastingplichtige bij ter post aangetekende brief in kennis van de opmerkingen die hij heeft gemaakt overeenkomstig het derde lid van dit artikel, en waarmee zij geen rekening heeft gehouden, met vermelding van de motieven die haar beslissing rechtvaardigen ». B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 346 van het WIB 1992 met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre het de belastingadministratie niet ertoe verplicht, aan de belastingplichtige die afzonderlijk belastbare inkomsten aangeeft met toepassing van artikel 171, 5°, a), van het WIB 1992, een gemotiveerd bericht te sturen met betrekking tot het referentiejaar dat die administratie heeft gekozen om de aanslagvoet van die inkomsten te bepalen, hetgeen de belastingplichtige zou toelaten zijn opmerkingen over of zijn instemming met het standpunt van de administratie vóór de berekening van de belasting te formuleren. B.
- Artikel 171, 5°, a), van het WIB 1992, zoals het van toepassing was op het aanslagjaar 2016, bepaalt : 6 « In afwijking van de artikelen 130 tot 145 en 146 tot 156, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting Staat op de andere inkomsten, meer bedraagt dan de overeenkomstig de voormelde artikelen bepaalde belasting op de in de artikelen 17, § 1, 1° tot 3° en 90, 6° en 9°, vermelde inkomsten en op de meerwaarden op roerende waarden en titels die op grond van artikel 90, 1°, belastbaar zijn, vermeerderd met de belasting Staat met betrekking tot het geheel van de andere belastbare inkomsten : […] 5° tegen de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid heeft gehad die wordt bepaald op basis van de belasting die verschuldigd is bij toepassing van de artikelen 130 tot 145 en 146 tot 154, verminderd met de in de artikelen 1451 tot 14516, 14524, 14526, 14528, 14532 tot 14535 en 154bis vermelde belastingverminderingen : a) vergoedingen die al of niet contractueel betaald zijn ten gevolge van stopzetting van arbeid of beëindiging van een arbeidsovereenkomst ». B.4.
- De Ministerraad voert aan dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de prejudiciële vraag in zoverre het Hof daarmee zou worden verzocht zich uit te spreken over een lacune in de wetgeving. B.4.
- Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op vragen omtrent de schending, door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten, van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. Op grond van die bepalingen is het Hof bevoegd om na te gaan of een lacune in de wetgeving met name bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, los van de vraag of het de wetgever of, in voorkomend geval, de verwijzende rechter toekomt een einde te maken aan de eventueel vastgestelde ongrondwettigheid. De exceptie wordt verworpen. 7 B.5.
- Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.5.
- Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt, in fiscale aangelegenheden, een bijzondere toepassing van het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.
- Met de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht twee categorieën van belastingplichtigen met elkaar te vergelijken, namelijk, enerzijds, de belastingplichtigen die een afzonderlijk belastbaar inkomen aangeven bedoeld in artikel 171, 5°, a), van het WIB 1992 en aan wie de belastingadministratie geen gemotiveerd bericht moet versturen met betrekking tot de aanslagvoet en het referentiejaar op basis waarvan de verschuldigde belasting word berekend, en, anderzijds, de belastingplichtigen aan wie de belastingadministratie een gemotiveerd bericht van wijziging moet versturen waarin zij kennisgeeft van de inkomsten en andere elementen die zij voorstelt ter vervanging van die welke de belastingplichtigen hebben aangegeven of schriftelijk aanvaard. De belastingplichtigen die behoren tot de eerste categorie krijgen niet de mogelijkheid de berekening van de belasting vóór de inkohiering te betwisten, terwijl de belastingplichtigen van de tweede categorie hun opmerkingen kunnen aanvoeren vóór de vestiging van de aanslag, binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de derde werkdag na het versturen van het gemotiveerd bericht. B.7.
- De Ministerraad voert aan dat de twee categorieën van belastingplichtigen niet vergelijkbaar zijn in het licht van de in het geding zijnde bepaling. 8 B.7.
- Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. De verschillende procedures die de belastingadministratie moet volgen, kunnen weliswaar een criterium uitmaken bij de beoordeling van het redelijke en evenredige karakter van een verschil in behandeling dat betrekking heeft op de bij die procedures betrokken belastingplichtigen, maar zij kunnen niet volstaan om te besluiten tot de niet- vergelijkbaarheid van die belastingplichtigen, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie worden uitgehold. B.8.
- De in het geding zijnde bepaling regelt de procedure die de belastingadministratie moet volgen wanneer zij meent de inkomsten en andere elementen die de belastingplichtige ofwel heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten bepaald in de artikelen 307 tot 311 van het WIB 1992 of aan de bepalingen die zijn genomen ter uitvoering van artikel 312 van hetzelfde Wetboek, ofwel schriftelijk heeft aanvaard, te moeten wijzigen. In het kader van die procedure is de administratie ertoe gehouden, vóór de berekening van de belasting, een gemotiveerd bericht van wijziging te versturen waarvan het doel erin bestaat de belastingplichtige in staat te stellen te antwoorden op de door de administratie aangevoerde motieven, met andere woorden zijn opmerkingen naar voren te brengen of met kennis van zaken zijn akkoord te betuigen met de voorgenomen belasting (Cass., 14 mei 2010, F.08.0051.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100514.3/7, Cass., 15 oktober 1963, Bull. 414, p. 2342; Cass., 17 december 1963, Bull. 411, p. 1792). B.8.
- Zoals blijkt uit de memorie van de Ministerraad is het versturen van een gemotiveerd bericht van wijziging aan de belastingplichtige verantwoord door het feit dat de administratie, wanneer zij meent de inkomsten en andere elementen die de belastingplichtige heeft aangegeven of schriftelijk aanvaard, te moeten wijzigen, de bewijskracht van die inkomsten of elementen, die is gebaseerd op een vermoeden van juistheid, in het geding brengt. B.
- De hypothese waarin de in het geding zijnde bepaling moet worden toegepast, verschilt aanzienlijk van de aan de verwijzende rechter voorgelegde situatie. 9 In de hypothese van een afzonderlijk belastbaar inkomen, bedoeld in artikel 171, 5°, a), van het WIB 1992, bepaalt de administratie de belasting door de gemiddelde aanslagvoet te berekenen met betrekking tot alle belastbare inkomsten van het laatste vorige jaar tijdens hetwelk de belastingplichtige een normale beroepsactiviteit heeft gehad. Die aanslagvoet wordt berekend zonder dat de belastingadministratie de door de belastingplichtige aangegeven inkomsten en elementen wijzigt en dus zonder de bewijskracht ervan in het geding te brengen. Daar het de normale procedure voor de berekening van elke belasting betreft, is het verantwoord dat de belastingplichtige niet de mogelijkheid krijgt om de belasting te betwisten vóór de inkohiering ervan. De ontstentenis van de mogelijkheid voor de belastingplichtige om een belasting op een afzonderlijk belastbaar inkomen te betwisten vóór de inkohiering ervan, wordt voldoende gecompenseerd door de mogelijkheid waarover hij beschikt om, eventueel met de hulp van een beroepsbeoefenaar, op basis van het aanslagbiljet, de belasting na te gaan die de administratie heeft berekend op een afzonderlijk inkomen bedoeld in artikel 171, 5°, a), van het WIB
- Indien de bestuurde daarmee niet instemt, kan hij een bezwaarschrift indienen bij de belastingadministratie of zelfs een procedure bij de justitiële rechter instellen. B.
- Het verschil in behandeling van de belastingplichtige van wie de administratie de belasting berekent op een afzonderlijk belastbaar inkomen bedoeld in artikel 171, 5°, a), van het WIB 1992 en de belastingplichtige van wie de administratie meent de aangegeven of schriftelijk aanvaarde inkomsten en elementen te moeten wijzigen, is bijgevolg objectief en redelijk verantwoord. B.
- De in het geding zijnde bepaling is derhalve bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het van toepassing was tijdens het aanslagjaar 2016, schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 februari
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.027 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100514.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div