← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.028

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.028 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210225.6 Arrest- Rolnummer: 28/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-04-14 Raadplegingen: 405 - laatst gezien 2026-06-19 17:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 9 mei 2019 « betreffende de verplichte verzekering van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid van architecten, landmeters-experten, veiligheids- en gezondheidscoördinatoren en andere dienstverleners in de bouwsector van werken in onroerende staat en tot wijziging van diverse wetsbepalingen betreffende de verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid in de bouwsector », ingesteld door de Orde van architecten en anderen. Burgerlijk recht - Beroepsaansprakelijkheid - Aansprakelijkheid in de bouwsector - Verzekeringsplicht - Architecten - Aannemers. Wettelijke bepalingen: Wet - 09-05-2019 - 16 ELI link Pub nr 2019013002 Tekst van de beslissing Rolnummer 7336 Arrest nr. 28/2021 van 25 februari 2021 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 9 mei 2019 « betreffende de verplichte verzekering van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid van architecten, landmeters-experten, veiligheids- en gezondheidscoördinatoren en andere dienstverleners in de bouwsector van werken in onroerende staat en tot wijziging van diverse wetsbepalingen betreffende de verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid in de bouwsector », ingesteld door de Orde van architecten en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, M. Pâques en T. Detienne, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 december 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 december 2019, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de wet van 9 mei 2019 « betreffende de verplichte verzekering van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid van architecten, landmeters-experten, veiligheids- en gezondheidscoördinatoren en andere dienstverleners in de bouwsector van werken in onroerende staat en tot wijziging van diverse wetsbepalingen betreffende de verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid in de bouwsector » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 juni 2019) door de Orde van architecten, Marnik Dehaen, Philippe Meilleur en Jean-Philippe Van Eysden, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. K. Uytterhoeven, advocaat bij de balie van Antwerpen. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Sohier, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 9 december 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 13 januari 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 13 januari 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.

  1. De verzoekers vorderen de gedeeltelijke vernietiging van artikel 20 van de wet van 9 mei 2019 « betreffende de verplichte verzekering van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid van architecten, landmeters-experten, veiligheids- en gezondheidscoördinatoren en andere dienstverleners in de bouwsector van werken in onroerende staat en tot wijziging van diverse wetsbepalingen betreffende de verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid in de bouwsector » (hierna : de wet van 9 mei 2019). A.1.
  2. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekers verwijten de bestreden bepalingen dat zij een discriminatie instellen tussen de architecten en de aannemers, doordat enkel de eerste categorie wordt verplicht om haar beroepsaansprakelijkheid te verzekeren. 3 A.1.
  3. Het feit dat alleen de architect (en andere intellectuele beroepen in de bouwsector) en niet de aannemer verplicht is zijn beroepsaansprakelijkheid te verzekeren, leidt volgens de verzoekers tot scheeftrekkingen in de vaststelling van hun respectieve aansprakelijkheid, doordat men bij betwistingen alle belang erbij heeft de architect aansprakelijk te laten stellen. Dit leidt vervolgens tot hogere verzekeringspremies voor de architecten en tot een oneigenlijke financiering van de beroepsaansprakelijkheid van de aannemers door de architecten. Zij verwijzen daarbij naar het arrest van het Hof nr. 100/2007 van 12 juli
  4. De doelstelling om de bescherming van de bouwheer te versterken, verantwoordt niet dat de aannemers van werken niet aan dezelfde verzekeringsplicht worden onderworpen als de architecten. De verzoekers besluiten dat de bestreden bepalingen ongrondwettig zijn in zoverre zij een verzekeringsplicht instellen voor de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid van de architect, maar niet van de aannemers. A.2.
  5. De Ministerraad betwist allereerst de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep, in zoverre het gericht is tegen artikel 2, § 4, van de wet van 20 februari 1939 « op de bescherming van de titel en van het beroep van architect » (hierna : de wet van 20 februari 1939). Volgens de Ministerraad blijkt daarnaast uit de lezing van het verzoekschrift dat de verzoekers niet de grondwettigheid betwisten van de bestreden bepalingen omdat zij de architecten verplichten een verzekering burgerlijke beroepsaansprakelijkheid af te sluiten, doch wel omdat zij geen soortgelijke verzekeringsplicht opleggen aan aannemers. Dit blijkt ook uit het feit dat de verzoekende partijen zelf voorstellen dat het Hof in het geval van een vernietiging de gevolgen van de bestreden bepalingen zou handhaven. Bijgevolg is de Ministerraad van oordeel dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de vernietiging. A.2.
  6. In ondergeschikte orde meent de Ministerraad dat het enige middel ongegrond is. In hoofdorde voert hij aan dat de bestreden bepalingen geen enkele discriminatie inhouden van architecten ten opzichte van aannemers. De regeling is specifiek getroffen voor intellectuele prestaties in het kader van onroerende werken, waarbij het opleggen van een verzekeringsplicht voor alle verleners van diensten van intellectuele aard niet alleen leidt tot een betere bescherming van de bouwheer, maar ook waarborgt dat de architecten niet als enigen onderworpen zijn aan een verzekeringsplicht voor hun diensten van intellectuele aard. De keuze om de bijkomende verzekeringsplicht toe te spitsen op intellectuele beroepen stemt bovendien overeen met de Europese regelgeving en de tendensen van de andere lidstaten. De Ministerraad wijst erop dat de verwijzingen van de verzoekende partijen naar het arrest van het Hof nr. 100/2007 niet relevant zijn, aangezien de situatie voor zowel de architecten als de aannemers ondertussen grondig veranderd is. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 31 mei 2017 « betreffende de verplichte verzekering van de tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid van aannemers, architecten en andere dienstverleners in de bouwsector van werken in onroerende staat en tot wijziging van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect », zijn niet enkel de architecten, maar ook de aannemers of andere dienstverleners van de bouwsector wier tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid in het gedrang kan komen, aan een verzekeringsplicht voor die aansprakelijkheid onderworpen. A.3.
  7. In hun memorie van antwoord zijn de verzoekers van oordeel dat alle door de Ministerraad aangevoerde bezwaren kunnen worden weerlegd. De bezwaren van de verzoekers zijn gericht tegen het feit dat een last wordt ingevoerd ten aanzien van een groep van personen, terwijl een andere vergelijkbare groep ongemoeid wordt gelaten. Aldus beoogt het beroep in hoofdorde de vernietiging van de bestreden bepalingen. Slechts in ondergeschikte orde wijzen de verzoekers op de mogelijkheid voor het Hof om een ongrondwettige leemte in de wetgeving vast te stellen, en om eventueel de gevolgen van de bestreden bepalingen voorlopig te handhaven. De kennisneming van het beroep tot vernietiging behoort bijgevolg tot de bevoegdheid van het Hof. De beweerde onontvankelijkheid van het beroep ratione temporis kan niet worden aangenomen, nu blijkt dat het beroep tijdig werd ingediend en de exceptie kan worden teruggebracht tot een opmerking van de Ministerraad omtrent de zogenaamde verwarrende formulering van het verzoekschrift. Het is volgens de verzoekende partijen duidelijk dat zij enkel de vernietiging vragen van artikel 2, § 4, van de wet van 20 februari 1939 in zoverre die bepaling gewijzigd werd bij artikel 20 van de wet van 9 mei
  8. Evenmin kan worden betwist dat de architecten door de bestreden bepalingen worden benadeeld ten opzichte van andere actoren in de bouwsector, zodat hun belang vaststaat. 4 A.3.
  9. Ten gronde menen de verzoekers dat hun middel steunt op de vergelijking van de situatie van de architecten met die van de andere actoren in de bouwsector, waaronder in het bijzonder de aannemers, en dat die twee categorieën van personen in het licht van de bestreden regeling vergelijkbaar zijn. Noch de wettelijke opdracht van de architect, noch de bescherming van de consument kunnen volgens hen een beletsel vormen voor de volledige gelijke behandeling van de architect en de andere beroepsgroepen inzake beroepsaansprakelijkheid. Zij verwijzen daartoe opnieuw naar de rechtspraak van het Hof. A.
  10. In zijn memorie van wederantwoord wijst de Ministerraad erop dat de verzoekende partijen uit het oog verliezen dat de bestreden verzekeringsplicht betrekking heeft op intellectuele prestaties. Het verschil in behandeling tussen architecten en aannemers betreft dus uitsluitend de aansprakelijkheid wegens intellectuele prestaties die niet onder de tienjarige aansprakelijkheid vallen. Aangezien aannemers hoofdzakelijk materiële prestaties leveren, kunnen zij niet worden vergeleken met architecten. Daarnaast merkt de Ministerraad op dat de uitbreiding van de verzekeringsplicht tot aannemers niet alleen zou leiden tot een verhoging van de verzekeringspremies die dan wordt doorgerekend aan de consument, maar bovendien tot gevolg zou hebben dat het herstel in natura van lichte gebreken minder eenvoudig wordt hetgeen evenmin in het belang is van de consument. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
  11. De verzoekende partijen vorderen de gedeeltelijke vernietiging van de wet van 9 mei 2019 « betreffende de verplichte verzekering van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid van architecten, landmeters-experten, veiligheids- en gezondheidscoördinatoren en andere dienstverleners in de bouwsector van werken in onroerende staat en tot wijziging van diverse wetsbepalingen betreffende de verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid in de bouwsector » (hierna : de wet van 9 mei 2019). Uit het verzoekschrift blijkt dat hun kritiek enkel betrekking heeft op de artikelen 2, 1° tot 4°, 3 en 20 van de voormelde wet. B.1.
  12. Artikel 3 van de wet van 9 mei 2019 legt aan architecten, landmeter-experten, veiligheids- en gezondheidscoördinatoren of andere dienstverleners in de bouwsector de verplichting op zich te verzekeren voor de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid die in het gedrang kan komen wegens hun intellectuele prestaties of die van hun aangestelden. Dat artikel bepaalt : 5 « Elke architect, landmeter-expert, veiligheids- en gezondheidscoördinator of andere dienstverlener in de bouwsector van wie de aansprakelijkheid, met uitzondering van de tienjarige aansprakelijkheid bedoeld in de artikelen 1792 en 2270 van het [oud] Burgerlijk Wetboek, in het gedrang kan komen wegens de intellectuele prestaties die zij beroepshalve stellen of de intellectuele prestaties van hun aangestelden, is verplicht gedekt door een verzekering. Elke architect, landmeter-expert, veiligheids- en gezondheidscoördinator of andere dienstverlener in de bouwsector heeft eveneens de verplichting om een verzekering af te sluiten die zijn aansprakelijkheid dekt voor vorderingen die worden ingesteld binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag dat er een einde gesteld is aan de inschrijving op de tabel van architecten of landmetersexperten of vanaf de dag dat de dienstverlener in de bouwsector zijn activiteiten beëindigt. Voor de persoon die als werknemer in de zin van artikel 2, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, de functie of de taken van de architect, landmeter-expert, veiligheids- en gezondheidscoördinator of andere dienstverlener in de bouwsector uitoefent, onderschrijft de werkgever een verzekering voor de burgerlijke aansprakelijkheid, behalve voor de gevallen bedoeld in artikel 9 en onverminderd de mogelijkheid voor de werkgever om zichzelf of zijn werknemer een globale verzekering bepaald in artikel 8, tweede lid te laten genieten ». B.1.
  13. Artikel 2 van de wet van 9 mei 2019 bepaalt : « Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° architect : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ertoe gemachtigd is het beroep van architect uit te oefenen overeenkomstig artikel 2 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect en voor zover zijn activiteit betrekking heeft op geleverde intellectuele prestaties in het kader van onroerende werken uitgevoerd in België; 2° landmeter-expert : elke natuurlijke of rechtspersoon die ertoe gemachtigd werd om het beroep van landmeter-expert uit te oefenen in de zin van artikel 2 van de wet van 11 mei 2003 tot bescherming van de titel en van het beroep van landmeter-expert, en voor zover zijn activiteit betrekking heeft op geleverde intellectuele prestaties in het kader van onroerende werken uitgevoerd in België; 3° veiligheids- en gezondheidscoördinator : elke natuurlijke of rechtspersoon die ertoe gemachtigd werd om de functie van veiligheids- en gezondheidscoördinator uit te oefenen in de zin van artikel 3, § 1, 12° of 13°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en voor zover hun activiteit betrekking heeft op geleverde intellectuele prestaties in het kader van onroerende werken uitgevoerd in België; 6 4° andere dienstverleners in de bouwsector : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, andere dan bouwpromotoren, die voor rekening van een derde en mits rechtstreekse of onrechtstreekse vergoeding zich ertoe verbindt, in volledige onafhankelijkheid, doch zonder vertegenwoordigingsbevoegdheid, hoofdzakelijk immateriële prestaties te verrichten in het kader van onroerende werken uitgevoerd in België; onder prestaties voor rekening van derden vallen niet de prestaties die door de onderneming of de leden van een tijdelijke handelsvennootschap voor rekening van de onderneming zelf, een onderneming van de groep, dan wel voor rekening van één of meerdere leden van de tijdelijke handelsvennootschap worden verricht, wanneer deze laatste zelf instaan voor de uitvoering van de bouwwerken waarop deze prestaties betrekking hebben; de Koning kan bepaalde beroepen van deze categorie uitsluiten; […] ». B.1.
  14. Artikel 20 van de wet van 9 mei 2019 bepaalt : « In artikel 2 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, gewijzigd bij de wetten van 15 februari 2006, 20 juli 2006, 22 december 2008 en 31 mei 2017, wordt paragraaf 4 vervangen als volgt : ‘ §
  15. Niemand mag het beroep van architect uitoefenen zonder verzekerd te zijn, overeenkomstig de wet van 31 mei 2017 betreffende de verplichte verzekering van de tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid in de bouwsector, alsook de wet […] betreffende de verplichte verzekering van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid in de bouwsector. ’ ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2.
  16. De Ministerraad betwist allereerst de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep, in zoverre het gericht is tegen artikel 2, § 4, van de wet van 20 februari 1939 « op de bescherming van de titel en van het beroep van architect » (hierna : de wet van 20 februari 1939). Volgens de Ministerraad blijkt daarnaast uit de lezing van het verzoekschrift dat de verzoekers niet de grondwettigheid betwisten van de bestreden bepalingen doordat zij de architecten verplichten een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid af te sluiten, doch wel doordat zij geen soortgelijke verzekeringsplicht opleggen aan de aannemers. Dit zou ook blijken uit het feit dat de verzoekende partijen zelf voorstellen dat het Hof in het geval van een vernietiging, de gevolgen van de bestreden bepalingen zou handhaven. Bijgevolg is de Ministerraad van oordeel dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de vernietiging. 7 B.2.
  17. De exceptie die de Ministerraad opwerpt ten aanzien van de ontvankelijkheid ratione temporis van het verzoekschrift kan niet worden aangenomen. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen artikel 2, § 4, van de wet van 20 februari 1939 enkel bestrijden in zoverre het wordt gewijzigd bij artikel 20 van de wet van 9 mei
  18. B.2.
  19. Hoewel de kritiek van de verzoekende partijen gericht is tegen het feit dat enkel aan de architecten en andere dienstverleners in de bouwsector en niet aan de aannemers de verplichting wordt opgelegd de beroepsaansprakelijkheid te verzekeren, beoogt het beroep in hoofdorde de vernietiging van de bestreden bepalingen, nu zij volgens de verzoekers een scheeftrekking in de aansprakelijkheidsregeling in de bouwsector zouden veroorzaken en aan architecten een zwaardere last zouden opleggen dan aan de aannemers. Slechts in ondergeschikte orde vragen de verzoekers dat het Hof zou vaststellen dat de discriminatie van de architect te wijten is aan een lacune in de wetgeving. Het Hof is derhalve bevoegd om kennis te nemen van het beroep tot vernietiging. B.2.
  20. De individuele verzoekers, die architecten zijn, doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van wetsbepalingen die het wettelijk statuut van de architecten wijzigen en die onder meer bepalen dat niemand het beroep van architect mag uitoefenen zonder aan bepaalde verplichtingen inzake de verzekering van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid te voldoen. Nu het belang van die verzoekers vaststaat, is het beroep tot vernietiging ontvankelijk. B.2.
  21. De excepties worden verworpen. Ten aanzien van het enige middel B.3.
  22. In een enig middel voeren de verzoekers aan dat de bestreden bepalingen een schending inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat architecten ertoe worden verplicht hun burgerlijke beroepsaansprakelijkheid, met uitzondering van de tienjarige aansprakelijkheid bedoeld in de artikelen 1792 en 2270 van het oud Burgerlijk Wetboek, te verzekeren, terwijl een dergelijke verplichting niet geldt voor de aannemers van werken. 8 B.3.
  23. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.3.
  24. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, kunnen de architecten en de aannemers van werken als vergelijkbare categorieën worden beschouwd voor wat betreft hun burgerlijke beroepsaansprakelijkheid. Bijgevolg dient te worden onderzocht of het bekritiseerde verschil in behandeling redelijk verantwoord is. B.4.
  25. Bij zijn arrest nr. 100/2007 van 12 juli 2007 heeft het Hof zich uitgesproken over de beroepsaansprakelijkheid van de architect en de andere beroepsgroepen in de bouwsector. Het Hof oordeelde : « B.6.
  26. Doordat architecten als enige beroepsgroep in de bouwsector wettelijk zijn verplicht hun beroepsaansprakelijkheid te verzekeren, dreigt hun aansprakelijkheid bij veroordeling in solidum meer dan die van de andere beroepsgroepen in het gedrang te komen, zonder dat voor dat verschil in behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Die discriminatie is evenwel niet het gevolg van de verzekeringsplicht opgelegd bij de bestreden wet, maar van de ontstentenis in het recht toepasselijk op de andere ‘ partijen die in de bouwakte voorkomen ’ van een vergelijkbare verzekeringsplicht. Dit kan slechts worden verholpen door het optreden van de wetgever ». Het Hof stelde zodoende vast dat die discriminatie niet het gevolg was van de verzekeringsplicht die aan de architecten was opgelegd bij de bestreden wet van 15 februari 2006, maar van de ontstentenis in het recht van een vergelijkbare verzekeringsplicht voor de andere « partijen die in de bouwakte voorkomen » Een dergelijke lacune kon volgens het Hof slechts worden verholpen door het optreden van de wetgever. 9 B.4.
  27. Teneinde de vastgestelde discriminatie ongedaan te maken, werd bij de wet van 31 mei 2017 « betreffende de verplichte verzekering van de tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid van aannemers, architecten en andere dienstverleners in de bouwsector van werken in onroerende staat en tot wijziging van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect » (hierna : de wet van 31 mei 2017) een nieuwe regeling inzake de verplichte verzekering van de burgerlijke beroepsaansprakelijkheid in de bouwsector ingevoerd. B.4.
  28. Uit de combinatie van de artikelen 2, 3 en 5 van de wet van 31 mei 2017 blijkt dat de door die wet ingevoerde verzekeringsplicht betrekking heeft op de tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid, zoals bedoeld in artikel 1792 van het oud Burgerlijk Wetboek. Ze heeft betrekking op onroerende werken aan woningen die in België gelegen zijn en waarvoor de tussenkomst van een architect verplicht is krachtens artikel 4 van de wet van 20 februari
  29. De verplichte verzekering is beperkt tot de soliditeit, stabiliteit en waterdichtheid van de gesloten ruwbouw, wanneer deze laatste de soliditeit of de stabiliteit van de woning in gevaar brengt. Ze heeft geen betrekking op onder meer zuiver immateriële schade (artikel 3, 4°). B.5.
  30. Volgens artikel 3 van de wet van 9 mei 2019 heeft de verplichting tot verzekering die aan de architecten wordt opgelegd geen betrekking op de tienjarige aansprakelijkheid bedoeld in de artikelen 1792 en 2270 van het oud Burgerlijk Wetboek. Met betrekking tot de verhouding tussen de wet van 31 mei 2017 en de bestreden wet van 9 mei 2019 vermeldt de parlementaire voorbereiding van de laatstvermelde wet : « Een eerste wet, […] in werking getreden op 1 juli 2018, legt de aannemers en de architecten en de beroepen waarop de tienjarige aansprakelijkheid betrekking heeft (bv. : studiebureaus inzake stabiliteit) op om hun tienjarige aansprakelijkheid te verzekeren (stabiliteit, soliditeit, waterdichtheid) wanneer zij woningen bouwen of renoveren (met stedenbouwkundige vergunning). Dit wetsvoorstel, waarvan de inwerkingtreding gepland is voor 1 juli 2019, zal alle intellectuele beroepen in de bouwsector (architecten, ingenieurs, landmeters-experten, studiebureaus, certificatoren, auditors, projectmanagers, quantity surveyors, hoofdaannemers …) opleggen om hun burgerlijke aansprakelijkheid te verzekeren (alle beroepsfouten, buiten de tienjarige) wanneer zij bouwen of renoveren (alle gebouwen, niet alleen woningen). De combinatie van deze twee wetten biedt een betere bescherming aan diegene die bouw- of renovatiewerken onderneemt » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3602/001, p. 3). 10 De parlementaire voorbereiding vermeldt eveneens : « Dit wetsontwerp beoogt de verplichte verzekering van de burgerlijke aansprakelijkheid van architecten, landmeters-experten, veiligheids- en gezondheidscoördinatoren en andere dienstverleners in de bouwsector. Het vormt in zekere zin een aanvulling op de wet van 31 mei 2017 betreffende de verplichte verzekering van de tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid in de bouwsector. Het toepassingsgebied ratione materiae van dit voorstel is evenwel ruimer dan dit van de wet van 31 mei 2017 betreffende de verplichte verzekering van de tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid in de bouwsector. Het beperkt zich immers niet tot onroerende werken waarvoor de tussenkomst van de architect verplicht is krachtens artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect. Ook komt het begrip woning (gebouw bestemd voor bewoning) niet voor in dit wetsvoorstel. Het betreft dus elke vorm van onroerende werken, of het nu gaat om de bouw van een kunstwerk, een weg of een huis … De schuldenaren van de verzekeringsverplichting zijn verschillend van deze in de wet van 31 mei 2017 betreffende de verplichte verzekering van de tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid in de bouwsector, aangezien hier de beroepen beoogd worden die intellectuele prestaties uitvoeren in het kader van onroerende werken. De aannemers vallen dus niet onder het toepassingsgebied van dit wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel voorziet ten slotte niet in de dekking van de tienjarige aansprakelijkheid van de verschillende betrokken bouwactoren, dewelke geviseerd wordt door de wet van 31 mei 2017 betreffende de verplichte verzekering van de tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid in de bouwsector » (ibid., pp. 5 en 6). B.5.
  31. Met de wet van 9 mei 2019 heeft de wetgever beoogd een meer evenwichtige aansprakelijkheidsregeling voor de architect en andere verleners van diensten van intellectuele aard in de bouwsector tot stand te brengen, die tegelijk ook meer waarborgen biedt voor de bouwheer (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3602/001, pp. 3 en 4). B.5.
  32. De bestreden wet voert een uniforme verzekeringsplicht in voor alle verleners van diensten van intellectuele aard in de bouwsector. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « Sinds een veertigtal jaren maken nieuwe intellectuele beroepen hun opkomst en zijn het betrokken partijen bij het bouwen. De technologische evolutie, de milieu-uitdagingen en de toenemende bevolkingsdichtheid hebben deze driehoeksrelatie fundamenteel gewijzigd. 11 De verleners van diensten van intellectuele aard die optreden bij het bouwen aan de zijde aan de architect zijn divers : ingenieurs, studiebureaus (stabiliteit, speciale technieken …), projectmanagers, quantity surveyors, auditeurs en energie-certificateurs, interieurarchitecten, landmeters-experten … Een aantal verrichters hebben een wettelijke verzekeringsplicht terwijl anderen niet. De gelijke behandeling van deze actoren dient te worden nagestreefd » (ibid., p. 4). B.5.
  33. Volgens artikel 3 van de wet van 9 mei 2019 is elke architect, landmeter-expert, veiligheids- en gezondheidscoördinator of andere dienstverlener in de bouwsector van wie de aansprakelijkheid in het gedrang kan komen wegens de intellectuele prestaties die zij beroepshalve stellen of de intellectuele prestaties van hun aangestelden, verplicht gedekt door een verzekering. Met betrekking tot de « andere dienstverlener in bouwsector » vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Wat dit laatste begrip betreft, zijn de titels, namen of kwalificaties gegeven aan dit beroep niet van belang. Er dient een analyse in concreto gemaakt te worden van de uitgevoerde prestaties door de persoon die zal bepalen of er een verplichting bestaat om de burgerlijke aansprakelijkheid te dekken. Vanaf het moment dat de dienstverlener beroepsmatig aansprakelijk kan zijn, bijvoorbeeld in het kader van een rapport of een advies, is hij onderworpen aan de verzekeringsplicht. […] Gaande over prestaties van hoofdzakelijk immateriële aard, vallen de aannemers niet onder de definitie van andere dienstverleners in de bouwsector » (ibid., p. 7). B.6.
  34. In het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling om voor de intellectuele beroepen in de bouwsector een verzekeringsplicht in te voeren met betrekking tot hun burgerlijke beroepsaansprakelijkheid, berust het bekritiseerde verschil in behandeling op een objectief en pertinent criterium van onderscheid. In tegenstelling tot wat het geval is voor de architect zijn de door de aannemer van werken geleverde prestaties immers niet hoofdzakelijk van intellectuele aard. 12 B.6.
  35. Het feit dat de aannemer van werken niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 9 mei 2019 betekent evenwel niet dat hij zijn beroepsaansprakelijkheid niet moet verzekeren. Zoals is vermeld in B.4, legt de wet van 31 mei 2017 aan de aannemer de verplichting op een verzekering af te sluiten die de burgerlijke aansprakelijkheid bedoeld in de artikelen 1792 en 2270 van het oud Burgerlijk Wetboek dekt, voor een periode van tien jaar na de aanvaarding van de werken, beperkt tot de soliditeit, stabiliteit en waterdichtheid van de gesloten ruwbouw, wanneer deze laatste de soliditeit of de stabiliteit van de woning in gevaar brengt. In dat opzicht verschilt de huidige situatie van de aannemer van werken fundamenteel van die welke moest worden beoordeeld door het Hof in zijn arrest nr. 100/
  36. In de toenmalige stand van de wetgeving diende de aannemer van werken, in tegenstelling tot de architect, zijn burgerlijke beroepsaansprakelijkheid immers niet te verzekeren, wat volgens het Hof niet redelijk verantwoord was. B.6.
  37. Rekening houdend met het bovenstaande is het bekritiseerde verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording. B.
  38. Het enige middel is niet gegrond. 13 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 februari
  39. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.