id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.029 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210225.7 Arrest- Rolnummer: 29/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-19 Raadplegingen: 388 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties », gesteld door de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Gemeentelijke administratieve sancties - Inbreuken betreffende de politie over het wegverkeer - Administratieve procedure - Toepassingsgebied - Overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld door automatisch werkende toestellen. Wettelijke bepalingen: Wet - 24-06-2013 - 29 - 04 ELI link Pub nr 2013000441 Tekst van de beslissing Rolnummer 7377 Arrest nr. 29/2021 van 25 februari 2021 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties », gesteld door de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Moerman, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen en J. Moerman, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 10 maart 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 maart 2020, heeft de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 29 van de Wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, samen gelezen met art. 3, 3° van diezelfde wet, de bepalingen over de fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet) én artikel 6.1 E.V.R.M., in de interpretatie dat deze bepaling, in het bijzonder door de toevoeging van de zinsnede ‘ Onderafdeling
- Procedure in geval van inbreuken betreffende het stilstaan en het parkeren bedoeld in art. 3, 3° ’, een verschillende procedure invoert voor overtredingen betreffende het parkeren en stilstaan enerzijds, en de overtreding van het bord C3 anderzijds, niettegenstaande beide overtredingen tevens eveneens door het K.B. van 9 maart 2014 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F 103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen en het K.B. van 01.12.1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg gesanctioneerd kunnen worden ? ». Memories zijn ingediend door : - de stad Gent, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Van Burm, advocaat bij de balie te Gent; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Jacubowitz en Mr. A. Poppe, advocaten bij de balie te Brussel. De stad Gent heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 9 december 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 13 januari 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 13 januari 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij twee beslissingen van 27 maart 2019 legt de sanctionerend ambtenaar van de stad Gent twee administratieve geldboetes van 58 euro op aan Walter Criel, wegens het negeren van een verkeersbord C3 (autovrije zone), vastgesteld door een automatisch werkend toestel in de zin van artikel 62 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer ». Bij het nemen van die beslissingen maakt de sanctionerend ambtenaar toepassing van de procedure geregeld in artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties » (hierna : de wet van 24 juni 2013). Op 9 april 2019 verzoekt Walter Criel de Politierechtbank beide beslissingen te vernietigen, onder meer omdat de sanctionerend ambtenaar de verkeerde procedure zou hebben toegepast. De Politierechtbank stelt vast dat het verloop van de procedure voor de sanctionerend ambtenaar en de kennisgeving van diens beslissingen worden geregeld in de artikelen 25 tot 29 van de wet van 24 juni 2013, en dat die bepalingen voorzien in een standaardprocedure (artikelen 25 tot 28) en in een afwijkende procedure (artikel 29). Zij wijst erop dat die afwijkende procedure deel uitmaakt van een onderafdeling met als opschrift « Procedure in geval van inbreuken betreffende het stilstaan en het parkeren bedoeld in artikel 3, 3° ». Zij wijst eveneens erop dat er in artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013 niet alleen sprake is van overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren, maar ook van overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, uitsluitend vastgesteld door automatisch werkende toestellen. Uit de parlementaire voorbereiding kan volgens haar niet worden afgeleid dat de procedure geregeld in artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 van toepassing is op het negeren van een verkeersbord C3, vastgesteld door een automatisch werkend toestel. De Politierechtbank leidt uit het voorgaande af dat artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 een verschil in behandeling in het leven lijkt te roepen tussen, enerzijds, personen die zich schuldig maken aan overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en, anderzijds, personen die zich schuldig maken aan overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld door een automatisch werkend toestel. Zij acht het vervolgens aangewezen bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling geen verschil in behandeling in het leven roept tussen, enerzijds, personen die een overtreding begaan betreffende het stilstaan en het parkeren en, anderzijds, personen die een overtreding begaan van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F
- Hij meent dat de in artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 geregelde procedure dient te worden toegepast ten aanzien van beide categorieën van personen. A.2.
- Uit de parlementaire voorbereiding leidt de Ministerraad af dat de wetgever heeft voorzien in een specifieke procedure voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren, vanwege de specificiteit en het veelvuldig voorkomen van die categorie van overtredingen. De wetgever heeft volgens hem aldus de steden en de gemeenten willen toelaten effectiever en efficiënter op te treden om de doorstroming van het verkeer en de veiligheid en de leefbaarheid voor iedereen te waarborgen. A.2.
- De Ministerraad wijst erop dat het wetsontwerp dat heeft geleid tot de wet van 24 juni 2013 niet erin voorzag dat de gemeenten administratieve geldboetes kunnen opleggen naar aanleiding van het negeren van het verkeersbord C3 en dat dit wetsontwerp op dat punt werd gewijzigd via een amendement. Ten gevolge van dat amendement werd in artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013 opgenomen dat niet alleen de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren onder het toepassingsgebied van die wet vallen, maar eveneens de overtredingen van de bepalingen betreffende het verkeersbord C3, vastgesteld door een automatisch werkend toestel. Hij wijst erop dat de toelichting bij het amendement niets vermeldt over de reden waarom de procedure geregeld in artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 niet van toepassing zou zijn op de overtredingen van de bepalingen betreffende het verkeersbord C
- De omstandigheid dat die overtredingen niet uitdrukkelijk worden vermeld in het opschrift van onderafdeling 3 van afdeling 3 van hoofdstuk 3 van titel II van de wet van 24 juni 2013 wordt volgens hem verklaard door het feit dat artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013 door het voormelde amendement werd gewijzigd. Er bestaat volgens hem geen reden om aan te nemen dat de wil van de wetgever om 4 een specifieke procedure voor verkeersovertredingen te organiseren zich niet zou uitstrekken tot alle verkeersovertredingen opgesomd in artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni
- A.2.
- De Ministerraad zet vervolgens uiteen dat de overtredingen betreffende het negeren van het verkeersbord F103 (voetgangerszone) in artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013 werden opgenomen bij artikel 132 van de wet van 21 december 2013 « houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken ». Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt volgens hem evenmin dat de in artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 geregelde procedure niet van toepassing is op de overtredingen van de bepalingen betreffende het verkeersbord F
- A.2.
- De Ministerraad wijst erop dat de bepalingen van de wet van 24 juni 2013 waarin wordt verwezen naar de inbreuken bedoeld in artikel 3, 3°, van die wet, geen onderscheid maken tussen beide in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van verkeersinbreuken. Ook uit het koninklijk besluit van 9 maart 2014 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen » blijkt volgens hem dat alle overtredingen opgenomen in artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013 op eenzelfde wijze worden behandeld en beboet. Hij verwijst eveneens naar de omzendbrief van 22 juli 2014 van de minister van Binnenlandse Zaken « waarbij uitleg verschaft wordt bij de nieuwe regelgeving aangaande de gemeentelijke administratieve sancties », waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat de procedure vervat in artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 van toepassing is op de overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F
- Hij verwijst ten slotte naar het arrest nr. 8/2019 van 23 januari 2019, waarin het Hof volgens hem uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat voor inbreuken betreffende het negeren van de verkeersborden C3 en F103 de in artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 geregelde procedure toepasselijk is. A.2.
- De Ministerraad besluit dat de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de in de prejudiciële vraag vermelde referentienormen, indien zij wordt geïnterpreteerd in die zin dat zij van toepassing is op alle in artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013 vermelde overtredingen. De in het geding zijnde bepaling is volgens hem echter niet bestaanbaar met die referentienormen, indien zij wordt geïnterpreteerd in die zin dat zij niet van toepassing is op de overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F
- A.
- De stad Gent is eveneens van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling, in de interpretatie zoals voorgelegd aan het Hof, niet bestaanbaar is met de in de prejudiciële vraag vermelde referentienormen en dat die bepaling dient te worden geïnterpreteerd in die zin dat zij van toepassing is op alle in artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013 vermelde overtredingen. Zij beargumenteert haar standpunt op een soortgelijke wijze als de Ministerraad. Zij voegt er nog aan toe dat de minister van Binnenlandse Zaken op een in 2019 gestelde parlementaire vraag heeft geantwoord dat de procedure geregeld in artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 eveneens geldt voor de overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F103 en dat hij daarbij heeft verwezen naar het voormelde arrest nr. 8/2019 van het Hof. -B- B.
- De artikelen 3, 3°, en 29 van de wet van 24 juni 2013 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties » (hierna : de wet van 24 juni 2013) bepalen : « Art.
- In afwijking van artikel 2, § 1, kan de gemeenteraad bovendien in zijn reglementen of verordeningen een administratieve sanctie voorzien zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 1° : […] 5 3° voor de volgende inbreuken die worden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op basis van de algemene reglementen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer en met uitzondering van de overtredingen op autosnelwegen, meer in het bijzonder : - de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren; - de overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, uitsluitend vastgesteld door automatisch werkende toestellen, bedoeld in artikel 62 van dezelfde wet; […] ». « Art.
- §
- De sanctionerend ambtenaar deelt binnen de vijftien dagen na ontvangst van de vaststelling van de inbreuk, bij gewone zending, aan de overtreder de gegevens mee met betrekking tot de vastgestelde feiten en de begane inbreuk, alsmede het bedrag van de administratieve geldboete. De administratieve boete wordt betaald door de overtreder binnen dertig dagen na de kennisgeving ervan, tenzij de overtreder binnen deze termijn zijn verweermiddelen bij gewone zending laat geworden aan de sanctionerend ambtenaar. De overtreder kan binnen deze termijn op zijn verzoek worden gehoord wanneer het bedrag van de administratieve geldboete hoger ligt dan 70 euro. §
- Verklaart de sanctionerend ambtenaar de verweermiddelen niet gegrond, dan brengt hij de overtreder hiervan op een met redenen omklede wijze op de hoogte met verwijzing naar de te betalen administratieve geldboete die binnen een nieuwe termijn van dertig dagen na deze kennisgeving moet worden betaald. §
- Wordt de administratieve geldboete niet betaald binnen de eerste termijn van dertig dagen, dan wordt, behoudens in geval van verweermiddelen, een herinnering verstuurd met uitnodiging tot betaling binnen een nieuwe termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van die herinnering ». B.
- Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter van het Hof wenst te vernemen of artikel 29 van de wet van 24 juni 2013, in de interpretatie dat de erin geregelde administratieve procedure voor het opleggen van administratieve geldboetes van toepassing is op de in artikel 3, 3°, eerste streepje, van dezelfde wet vermelde overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren, maar niet op de in artikel 3, 3°, tweede streepje, van die wet vermelde overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld door automatisch werkende toestellen, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 6 B.3.
- Met de invoering van een systeem van gemeentelijke administratieve sancties heeft de wetgever bewust een procedure ingevoerd die zich onderscheidt van de strafprocedure. De wetgever wilde het bestraffen van ongewenst gedrag en van kleinere vormen van overlast vergemakkelijken en versnellen, waardoor de werklast van de strafgerechten zou worden verminderd (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 2031/1, pp. 2-3). Terwijl de gemeentelijke administratieve sancties oorspronkelijk werden geregeld in artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet, heeft de wetgever bij de wet van 24 juni 2013 een op zichzelf staande regeling ingevoerd. Krachtens artikel 2, § 1, van die wet kan de gemeenteraad straffen of administratieve sancties bepalen voor de inbreuken op zijn reglementen of verordeningen, tenzij voor dezelfde inbreuken door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie, straffen of administratieve sancties worden bepaald. In afwijking daarvan kan de gemeenteraad in zijn reglementen of verordeningen ook in een administratieve sanctie voorzien voor bepaalde inbreuken vermeld in het Strafwetboek (artikel 3, 1° en 2°), voor bepaalde inbreuken op de verkeerswetgeving (artikel 3, 3°) en voor het niet nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 33, derde lid, derde zin, van de wet van 24 juni 2013 (artikel 3, 4°). B.3.
- Artikel 4, § 4, eerste lid, van de wet van 24 juni 2013, in samenhang gelezen met artikel 3, 3°, van dezelfde wet en met het ter uitvoering van die bepalingen genomen koninklijk besluit van 9 maart 2014 « betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen », laat onder bepaalde voorwaarden toe dat administratieve geldboetes worden opgelegd voor, enerzijds, inbreuken op de bepalingen inzake het stilstaan en het parkeren en, anderzijds, inbreuken op de bepalingen inzake de verkeersborden C3 en F103, uitsluitend vastgesteld door automatisch werkende toestellen, bedoeld in artikel 62 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer ». Specifiek wat de in artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013 bedoelde verkeersinbreuken betreft, heeft de wetgever de gemeenten de mogelijkheid willen verlenen om een eigen en meer efficiënt verkeersbeleid te voeren (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2712/001, pp. 5-6, en DOC 53-2712/006, p. 12). 7 Indien de gemeente gebruik wil maken van die machtiging om administratieve geldboetes op te leggen, dient zij daarin bij verordening of bij reglement te voorzien (artikel 4, § 1, van de wet van 24 juni 2013) en moet daarover verplicht een protocolakkoord worden afgesloten tussen de bevoegde procureur des Konings en het college van burgemeester en schepenen (artikel 23, § 1, vijfde lid, van de wet van 24 juni 2013). Het betreft aldus « gemengde » inbreuken die weliswaar strafrechtelijk blijven, maar kunnen worden bestraft met een administratieve geldboete. B.4.
- De administratieve procedure die moet worden gevolgd bij het opleggen van een administratieve geldboete, wordt geregeld in de bepalingen opgenomen onder hoofdstuk 3 (« Administratieve procedure ») van titel II (« De administratieve sancties ») van de wet van 24 juni
- Die bepalingen voorzien in een standaardprocedure, geregeld in de artikelen 25 tot 28 van de wet van 24 juni 2013, en in een voor bepaalde overtredingen geldende afwijkende procedure, geregeld in artikel 29 van die wet (de in het geding zijnde bepaling). B.4.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 juni 2013 blijkt dat de afwijkende procedure werd ingevoerd vanwege de « specificiteit en de massaliteit van de parkeerovertredingen » : « Door de invoering van het GAS-systeem voor het stilstaan en parkeren, zullen de steden en gemeenten een effectief en efficiënt parkeerbeleid kunnen invoeren dat de doorstroming van het verkeer en de veiligheid en de leefbaarheid van iedereen ten goede moet komen. Gelet op de specificiteit en de massaliteit van de parkeerovertredingen werd ervoor geopteerd om specifieke regels en procedures voor de toepassing van het GAS-systeem in het leven te roepen. Deze zijn geïnspireerd op de huidige regels die van toepassing zijn in de verkeerswetgeving, zoals de aansprakelijkheid van de houder van de nummerplaat, de toepassing van het systeem van de onmiddellijke inning, enz. » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2712/001, p. 6). B.4.
- Het voormelde uittreksel uit de parlementaire voorbereiding maakt deel uit van de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de wet van 24 juni
- 8 Artikel 3, 3°, van dat wetsontwerp was in die zin uitgewerkt dat het uitsluitend betrekking had op de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren. In dat wetsontwerp was de in artikel 29 geregelde afwijkende procedure opgenomen onder onderafdeling 3 - met als opschrift « Procedure in geval van overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren bedoeld in artikel 3, 3° » - van afdeling 3 van hoofdstuk 3 van titel II. B.4.
- De overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3, vastgesteld door automatisch werkende toestellen, werden in artikel 3, 3°, opgenomen door middel van een amendement. De parlementaire voorbereiding vermeldt : « De heer […] dient, ter vervanging van amendement nr. 1, amendement nr. 41 (DOC 53 2712/002) in, dat tot doel heeft de regeling van de gemeentelijke administratieve sancties uit te breiden tot de regelingen inzake het toezicht op het stilstaan en het parkeren, en op de inachtneming van de autovrije zones (afgebakend door een verkeersbord C3), voor zover overtredingen door automatisch werkende toestellen worden vastgesteld. Volgens de spreker hangt de doeltreffendheid van die - dure - systemen immers volledig af van de houding van de politieparketten, die over het algemeen terughoudend zijn om parkeerovertredingen te vervolgen. Voorts kan de objectivering van de door de gemeentelijke overheid gedane vaststellingen worden gewaarborgd dankzij de voorwaarde dat het noodzakelijkerwijs om een geautomatiseerd systeem moet gaan » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2712/006, p. 54). Bij dat amendement werd het opschrift van onderafdeling 3 van afdeling 3 van hoofdstuk 3 van titel II van het wetsontwerp niet gewijzigd. Los van de vervanging van het woord « overtredingen » door het woord « inbreuken » in de Nederlandstalige versie ervan, is het in de aangenomen wet van 24 juni 2013 opgenomen opschrift van die onderafdeling 3 identiek aan dat vervat in het oorspronkelijke wetsontwerp. B.4.
- De overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden F103, vastgesteld door automatisch werkende toestellen, werden in artikel 3, 3°, van de wet van 24 juni 2013 opgenomen bij artikel 132 van de wet van 21 december 2013 « houdende diverse bepalingen Binnenlandse Zaken » (hierna : de wet van 21 december 2013). De parlementaire voorbereiding van die laatste wet vermeldt : 9 « Dit amendement breidt de regeling van de gemeentelijke administratieve sancties niet enkel uit tot de regeling inzake het toezicht op de inachtneming van de autovrije zones (afgebakend met verkeersbord C3), maar ook inzake het toezicht op de inachtneming van de voetgangerszone (F103). In beide gevallen voor zover de overtredingen worden vastgesteld door automatisch werkende toestellen » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3113/003, p. 16). Bij de wet van 21 december 2013 werd het opschrift van onderafdeling 3 van afdeling 3 van hoofdstuk 3 van titel II van de wet van 24 juni 2013 niet gewijzigd. B.
- Uit de loutere omstandigheid dat de wetgever heeft nagelaten het opschrift van onderafdeling 3 van afdeling 3 van hoofdstuk 3 van titel II van de wet van 24 juni 2013 te wijzigen, kan op zich niet worden afgeleid dat de in artikel 29 van die wet geregelde administratieve procedure niet van toepassing is op de overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, uitsluitend vastgesteld door automatisch werkende toestellen. De opschriften van de in een wetskrachtige norm opgenomen delen, boeken, titels, hoofdstukken, afdelingen en onderafdelingen hebben immers geen normatieve draagwijdte. B.
- Bij zijn arrest nr. 8/2019 van 23 januari 2019 heeft het Hof geoordeeld dat « voor inbreuken betreffende het stilstaan en parkeren en de overtredingen van de verkeersborden C3 en F103 […] de administratieve procedure inzake het opleggen van een gemeentelijke administratieve geldboete en het administratief bezwaar tegen die boete in artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 [worden] geregeld » (B.2.4). Uit het geheel van de bepalingen van de wet van 24 juni 2013 en meer in het bijzonder uit de bepalingen van die wet die verwijzen naar de in artikel 3, 3° bedoelde inbreuken (de artikelen 4, § 4, 21, § 4, 22, § 6, 23, § 1, vijfde lid, 32, 33, derde lid, 34, 38 en 41) blijkt immers dat de wetgever een eenvormige regeling heeft willen invoeren voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en de overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld door automatisch werkende toestellen. 10 Dat de in artikel 29 van de wet van 24 juni 2013 geregelde procedure niet alleen van toepassing is op de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren, maar ook op de overtredingen van de bepalingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld door automatisch werkende toestellen, vindt overigens bevestiging in de omzendbrief van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 juli 2014 « waarbij uitleg verschaft wordt bij de nieuwe regelgeving aangaande de gemeentelijke administratieve sancties » en in een antwoord van die minister op een in de Kamer van volksvertegenwoordigers gestelde parlementaire vraag (Vr. en Antw., Kamer, 2019, 2 oktober 2019, QRVA 55-003, pp. 96-99). B.
- In de regel komt het de verwijzende rechter toe de bepalingen die hij toepast te interpreteren. Wanneer evenwel aan het Hof bepalingen worden voorgelegd in een interpretatie die kennelijk verkeerd is, onderzoekt het Hof de grondwettigheid van die bepalingen niet. B.
- Daar de prejudiciële vraag berust op een interpretatie van de in het geding zijnde bepaling die kennelijk verkeerd is, behoeft ze geen antwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 februari
- De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.029 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div