← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.031

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.031 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210225.9 Arrest- Rolnummer: 31/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-05-19 Raadplegingen: 372 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vordering tot schorsing (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot gedeeltelijke schorsing van de wet van 20 juli 2020 « houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », ingesteld door Maxime Vermeesch en de bv « Maxime Vermeesch ». Economisch recht - Antiwitwaswetgeving - Toepassingsgebied - Niet-erkende fiscale dienstverleners - Aparte lijst in het openbaar register van het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants - Inschrisving. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-2020 - 12 ELI link Pub nr 2020015256 Tekst van de beslissing Rolnummer 7463 Arrest nr. 31/2021 van 25 februari 2021 In zake : de vordering tot gedeeltelijke schorsing van de wet van 20 juli 2020 « houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten », ingesteld door Maxime Vermeesch en de bv « Maxime Vermeesch ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Moerman, P. Nihoul, R. Leysen, J. Moerman en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 november 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 november 2020, is een vordering tot gedeeltelijke schorsing ingesteld van de wet van 20 juli 2020 « houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 augustus 2020) door Maxime Vermeesch en de bv « Maxime Vermeesch », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Renier, advocaat bij de balie te Brussel. Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de gedeeltelijke vernietiging van dezelfde wet. Bij beschikking van 25 november 2020 heeft het Hof de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 13 januari 2021, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 23 december 2020 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen mee te delen. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. De Schepper en Mr. J.-F. De Bock, advocaten bij de balie te Brussel, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. F. Judo en Mr. L. Proost, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie van tussenkomst ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 januari 2021 : - zijn verschenen : . Mr. P. Renier, voor de verzoekende partijen; . Mr. V. De Schepper, tevens loco Mr. J.-F. De Bock, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van de omvang van de vordering tot schorsing A.

  1. De verzoekende partijen vorderen in hoofdorde de vernietiging van artikel 32, eerste lid, 1°, n), van de wet van 20 juli 2020 « houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (hierna : de wet van 20 juli 2020) en van de artikelen 153 tot 170 van die wet. Van de artikelen 153 tot 170 van de wet van 20 juli 2020 vorderen zij eveneens de schorsing. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen de vernietiging van artikel 164 van de wet van 20 juli
  2. Ten aanzien van de ernst van de middelen Wat betreft het eerste middel A.2.
  3. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de bestreden wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het toezicht op de niet-gereglementeerde belastingadviseurs wordt toegewezen aan het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants, hoewel zij wezenlijk verschillen van de gecertificeerde belastingadviseurs. In tegenstelling tot die laatsten, zijn de niet-gecertificeerde belastingadviseurs geen lid van het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants. Hoewel de richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 « inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/849) toelaat dat het toezicht op de naleving van de antiwitwasregeling wordt toegewezen aan een zelfregulerend orgaan, heeft de wetgever hier gekozen voor een orgaan dat ten opzichte van de niet-gecertificeerde belastingadviseurs niet zelfregulerend is. Conform de richtlijn moet het toezicht op de niet-gecertificeerde belastingadviseurs bijgevolg door een administratieve overheid gebeuren. Zij verwijzen daarbij naar het arrest van het Hof nr. 114/
  4. A.2.
  5. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de verzoekende partijen enkel middelen « tot nietigverklaring » uiteenzetten, en geen middelen vermelden in het deel van het verzoekschrift dat aan de vordering tot schorsing is gewijd. In dat opzicht is er geen sprake van enig middel, laat staan een ernstig middel. In ondergeschikte orde stelt de Ministerraad dat het eerste middel onontvankelijk is, aangezien niet duidelijk is welke categorieën met elkaar worden vergeleken. Daarnaast wordt, ter omzetting van de richtlijn (EU) 2015/849, duidelijk een gelijke behandeling van vergelijkbare categorieën van personen ingevoerd, door alle personen die fiscaal advies verlenen, aan dezelfde controle te onderwerpen. De Ministerraad verwijst daarbij naar de rechtspraak van het Hof. Het feit dat het Hof eerder vaststelde dat de vroegere uitsluiting van de niet-gecertificeerde belastingadviseurs niet onredelijk was, betekent niet noodzakelijk dat het niet toegelaten is om hen in een latere fase alsnog te onderwerpen aan het toezicht op de naleving van de antiwitwaswet. Tot slot merkt de Ministerraad op dat ook de afdeling wetgeving van de Raad van State geen opmerkingen had bij de bestreden bepalingen. Wat betreft het tweede middel A.3.
  6. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 153 en 170 van de wet van 20 juli 2020, van de artikelen 12, 14 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7, lid 1, en 8, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij voeren aan dat de bestreden bepalingen het strafbaar maken om zonder ingeschreven te zijn in het openbaar register, bepaalde beroepsactiviteiten uit te oefenen, zonder dat dit misdrijf voldoende duidelijke gedefinieerd is. De beroepsactiviteiten waarvan sprake zijn zeer ruim ingevuld. Doordat ook hun occasionele uitoefening 4 onderworpen is aan de inschrijvingsverplichting, wordt de facto iedereen die incidenteel fiscale informatie verstrekt, als belastingadviseur beschouwd. Volgens de verzoekende partijen is het strafbaar stellen van het gebrek aan inschrijving in het openbaar register niet bedoeld om witwassen te voorkomen, maar om de gecertificeerde belastingadviseurs een monopolie inzake fiscaal advies te bezorgen. A.3.
  7. De Ministerraad voert aan dat het middel minstens gedeeltelijk onontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting. Enkel het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel wordt in het middel besproken. Wat betreft dat beginsel, kan volgens de Ministerraad niet worden volgehouden dat de handeling die strafbaar wordt gesteld, niet duidelijk zou zijn omschreven. Hetzelfde geldt voor de straf, die bovendien proportioneel is. Wat betreft het derde middel A.4.
  8. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door de wet van 20 juli 2020, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het beroepsverbod dat wordt opgelegd wanneer een niet-gecertificeerde belastingadviseur zich niet inschrijft in het openbaar register, komt volgens de verzoekende partijen immers neer op een onrechtmatige belemmering van de vrije beroepskeuze en de vrijheid van ondernemen. Een dergelijke beperking is niet noodzakelijk om witwassen te voorkomen. A.4.
  9. Volgens de Ministerraad is het middel gedeeltelijk onontvankelijk bij gebrek aan uiteenzetting. In ondergeschikte orde is het middel niet ernstig, aangezien de bestreden bepalingen in geen enkele beperking voorzien op de vrijheid van ondernemen. Zelfs indien het Hof zou oordelen dat de inschrijvingsplicht ene beperking inhoudt, dan nog is die beperking redelijk verantwoord ten aanzien van het doel, namelijk het toezicht op de naleving van de antiwitwaswet. Wat betreft het vierde middel A.5.
  10. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van artikel 27 van de Grondwet, doordat de verplichte inschrijving in het openbaar register de indruk kan wekken dat niet-gecertificeerde belastingadviseurs lid zijn van het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants. Hierdoor wordt hun het recht ontzegd om geen deel uit te maken van die vereniging. A.5.
  11. De Ministerraad voert aan dat het middel gedeeltelijk onontvankelijk is bij gebrek aan uiteenzetting. In ondergeschikte orde is het middel niet ernstig, omdat er geen sprake is van een beperking van de vrijheid van vereniging, en in elk geval niet van een onverantwoorde beperking. Voor het overige is het middel gebaseerd op ongefundeerde veronderstellingen. Wat betreft het vijfde middel A.6.
  12. In ondergeschikte orde voeren de verzoekende partijen een vijfde middel aan, dat is afgeleid uit de schending, door artikel 164 van de wet van 20 juli 2020, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de bijdrage die niet-gecertificeerde belastingadviseurs moeten betalen, identiek is aan de bijdrage die gecertificeerde belastingadviseurs moeten betalen. Die gelijke behandeling is niet verantwoord, gezien de verschillende rol die het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants speelt ten aanzien van beide categorieën. Volgens de verzoekende partijen dient de bijdrage vooral als financiering van het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants ten koste van de niet-gecertificeerde belastingadviseurs. A.6.
  13. De Ministerraad benadrukt dat de draagwijdte van het middel beperkt moet worden tot artikel 64 van de bestreden wet, en dat het middel dus hoogstens tot de schorsing van die bepaling kan leiden. Het middel is niet ernstig, aangezien er een gelijke behandeling wordt ingevoerd van categorieën van personen die voldoende vergelijkbaar zijn. De identieke behandeling is bovendien redelijk verantwoord door de nood om de administratieve kosten van het Instituut te dekken. 5 Ten aanzien van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.7.
  14. De eerste verzoekende partij is bestuurder van de tweede verzoekende partij, en is in die hoedanigheid actief als zelfstandig niet-gecertificeerd belastingadviseur. Hij voert aan dat, wanneer hij uiterlijk op 15 februari 2021 niet zou zijn ingeschreven in het openbaar register, hem een beroepsverbod kan worden opgelegd. Een dergelijk beroepsverbod brengt het voortbestaan van de tweede verzoekende partij in het gedrang. De kans dat dit gebeurt, is reëel, aangezien er nog een koninklijk besluit dat de nadere regels van de inschrijving bepaalt, moet worden aangenomen. Zelfs indien dit op tijd zou gebeuren, brengt de vereiste tijd voor het opstellen van het documentatiedossier en voor het doorlopen van de inschrijvingsprocedure onvermijdelijk vertraging met zich mee. De verzoekende partijen wijzen erop dat het opstellen van het uitgebreide documentatiedossier hun op zich al een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen, aangezien de tijd die hieraan wordt besteed, niet kan worden teruggedraaid. Tot slot benadrukken de verzoekende partijen dat een schorsing geen disproportionele gevolgen zou hebben voor het algemeen belang. A.7.
  15. De Ministerraad voert aan dat de nadelen die de verzoekende partijen opsomt, niet volgen uit de bestreden bepalingen. Zij zullen zich immers enkel voordoen als ofwel het koninklijk besluit niet tijdig klaar zou zijn, of als de verzoekende partijen zich niet (tijdig) inschrijven. Ook de administratieve last waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, volgt niet uit de bestreden bepalingen, die duidelijk geen disproportionele administratieve verplichtingen opleggen. In ondergeschikte orde merkt de Ministerraad op dat de aangevoerde nadelen niet ernstig, noch moeilijk te herstellen zijn. Daarbij verwijst hij naar de vaste rechtspraak van het Hof omtrent de herstelbaarheid van financiële nadelen. Een beroepsverbod vervalt indien de bestreden regeling zou worden vernietigd, en eventuele sancties voor het uitoefenen van het beroep ondanks het beroepsverbod zijn het gevolg van het gedrag van de verzoekende partijen zelf. De verplichting om de inschrijvingsprocedure te doorlopen kan niet als een ernstig nadeel worden beschouwd. Tot slot benadrukt de Ministerraad het belang van de antiwitwaswet voor de maatschappij. De verzoekende partijen minimaliseren onterecht de impact van een eventuele schorsing. Ten aanzien van de tussenkomst A.8.
  16. Het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants vraagt te mogen tussenkomen in het geding. A.8.
  17. Het Instituut verklaart een belang te hebben om in deze zaak tussen te komen, onder meer vanwege zijn wettelijke opdracht om het openbaar register bij te houden. A.8.
  18. De tussenkomende partij voert in hoofdorde aan dat de middelen niet gegrond zijn. Met betrekking tot de vordering tot schorsing voert de tussenkomende partij aan dat de verzoekende partijen geen blijk geven van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Haar argumenten lopen gelijk met de opmerkingen van de Ministerraad. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.
  19. De verzoekende partijen vorderen in hoofdorde de vernietiging van artikel 32, eerste lid, 1°, n), van de wet van 20 juli 2020 « houdende diverse bepalingen tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (hierna : de wet van 20 juli 2020) en van de artikelen 153 tot 170 van die wet. 6 Van de artikelen 153 tot 170 van de wet van 20 juli 2020 vorderen zij eveneens de schorsing. In ondergeschikte orde vragen de verzoekende partijen de vernietiging van artikel 164 van de wet van 20 juli
  20. B.1.
  21. De wet van 20 juli 2020 strekt ertoe de richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 « tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU » (ook « vijfde antiwitwasrichtlijn » genoemd, hierna : de richtlijn (EU) 2018/843) om te zetten. De omzetting van die richtlijn gebeurt door wijzigingen aan te brengen in de bestaande relevante wetgeving, in hoofdzaak in de wet van 18 september 2017 « tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten » (hierna : de wet 18 september 2017). B.1.
  22. Eén van de aanpassingen betreft de toevoeging van de nieuwe entiteiten die aan de antiwitwaswetgeving worden onderworpen, waaronder de niet-erkende fiscale dienstverleners : « Elke niet-erkende consultant/fiscale dienstverlener die als voornaamste bedrijfs- of beroepsactiviteit, rechtstreeks of via andere met hem gelieerde personen de volgende activiteiten uitoefent voor rekening van derden, zou zich door het Institute for Tax Advisors and Accountants (hierna ‘ ITAA ’) op de naleving van de antiwitwaswetgeving moeten laten controleren : 1° advies inzake alle fiscale materies; 2° bijstand aan belastingplichtigen bij het vervullen van hun fiscale verplichtingen; 3° vertegenwoordiging van de belastingplichtigen. Dit ontwerp van wet legt door de omzetting van de 5e antiwitwasrichtlijn de verplichting op aan elke niet-erkende consultant/fiscale dienstverlener om zich door het ITAA te laten controleren voor de naleving van de antiwitwaswetgeving, en dit met het oog op de omzetting van deze verplichting, zoals vereist in toepassing van artikel 2.1.
  23. a) van de richtlijn (EU) 2015/
  24. Dit houdt in dat elke niet-erkende consultant/fiscale dienstverlener zich, op eenvoudig verzoek, zal moeten registreren bij het ITAA door middel van inschrijving op een speciale lijst die wordt bijgehouden door het ITAA » (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1324/001, pp. 8-9). 7 B.1.
  25. In artikel 5, § 1, van de wet van 18 september 2017 worden de entiteiten opgesomd waarop de bepalingen van die wet van toepassing zijn. Artikel 32, eerste lid, 1°, n), van de wet van 20 juli 2020 voegt aan die opsomming in het aldus gewijzigde artikel 5, § 1, 25°/1 een nieuwe entiteit toe : « de natuurlijke of rechtspersonen ingeschreven op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, van de voornoemde wet van 17 maart 2019, die zich ertoe verbinden als voornaamste bedrijfs- of beroepsactiviteit, rechtstreeks of via andere met hem gelieerde personen materiële hulp, bijstand of advies op fiscaal gebied te verlenen ». B.1.
  26. De artikelen 153 tot 170 van de bestreden wet brengen een aantal wijzigingen aan in de wet van 17 maart 2019 « betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur » (hierna : de wet van 17 maart 2019). Zij leggen onder andere aan niet-erkende fiscale dienstverleners de verplichting op zich in te schrijven op een aparte lijst in het openbaar register dat door het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants wordt bijgehouden. De artikelen 153 tot 155 van de wet van 20 juli 2020 bepalen : « Art.
  27. Artikel 6 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende : ‘ §
  28. Niemand mag als zelfstandige, noch als natuurlijk persoon noch als rechtspersoon, voor rekening van derden, in hoofdberoep of bijberoep, de beroepsactiviteiten als bedoeld in paragraaf 1 uitoefenen, indien hij niet ingeschreven is in het openbaar register als beroepsbeoefenaar, noch op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, §
  29. Het eerste lid is niet van toepassing op de personen die op grond van wettelijke of reglementaire bepalingen of op grond van beroepsgebruiken gewoonlijk de activiteiten uitoefenen bedoeld in paragraaf 1 en die eveneens onderworpen zijn aan de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. §
  30. Kunnen niet ingeschreven worden op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2 : 1° diegenen die in het verleden tuchtrechtelijk werden geschrapt van het tableau der leden of de lijst van de stagiairs van een gereglementeerd beroep, zolang zij geen eerherstel bekomen hebben; 2° diegenen die niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 10, § 1, 2°, 3° en 4°, § 2 en § 3; 8 3° diegenen die veroordeeld zijn voor een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten of die een sanctie hebben opgelopen in de zin van artikel 118 van deze wet. ’. Art.
  31. Artikel 29 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende : ‘ §
  32. Het Instituut houdt in het openbaar register een aparte lijst bij van de personen bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, omvattende de personen die de beroepsactiviteiten als bedoeld in artikel 6, § 1, uitoefenen, zonder het voeren van de beroepstitel bedoeld in paragraaf 1, om toe te laten de lijst van deze personen te raadplegen en na te kijken. ’. Art.
  33. In artikel 30 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de eerste zin worden de woorden ‘ bedoeld in artikel 29, § 1, ’ ingevoegd tussen de woorden ‘ register ’ en ‘ bevat ’; 2° het artikel, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende : ‘ §
  34. De aparte lijst van het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, bevat : 1° de naam van de persoon, natuurlijke persoon en rechtspersoon, en de contactgegevens; 2° het adres waar deze persoon de activiteiten uitoefent en, ingeval het een rechtspersoon betreft, het adres van de maatschappelijke zetel; 3° het ondernemingsnummer, zowel als natuurlijk persoon als rechtspersoon. De Koning kan, na advies van de Raad van het Instituut, de aparte lijst in het openbaar register, bedoeld in artikel 29, § 2, aanvullen met bijkomende gegevens die rechtstreeks verband houden met de beroepsuitoefening, alsook de nadere regels van het openbaar register vaststellen. Die bijkomende gegevens zijn beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van het openbaar register. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. §
  35. Bij elke kandidatuur wordt een dossier gevoegd, met de in deze paragraaf genoemde gegevens. Het dossier omvat bovendien een omstandige beschrijving van de samenstelling en de organisatie van zijn kantoor en van zijn werkmethodes. Indien de persoon werkzaam is of is geweest in het kader van een rechtspersoon, omvat het dossier bovendien een beschrijving van de rechtspersoon, haar organisatie en werking en van de plaats die de persoon erin bekleedt. De Raad van het Instituut mag van een persoon eisen dat hij zijn dossier vervolledigt door overlegging, binnen de termijn die zij vaststellen, van alle stukken of gegevens die nodig zijn om over de aanvraag te kunnen beslissen. 9 De Koning bepaalt, na advies van de Raad van het Instituut, de nadere regels voor de inschrijving in het openbaar register. De Raad van het Instituut brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na ontvangst van de adviesaanvraag over het ontwerp, zo niet wordt de Raad van het Instituut geacht geen opmerkingen op het ontwerp te hebben. ’ ». B.1.
  36. Artikel 157 van de wet van 20 juli 2020, dat artikel 33 van de wet van 17 maart 2019 aanvult, regelt de wijze waarop een persoon kan worden uitgeschreven uit de aparte lijst van het openbaar register. Bij de artikelen 156 en 158 tot 163 worden een aantal formele wijzigingen doorgevoerd. B.1.
  37. Artikel 164 van de wet van 20 juli 2020, dat artikel 54 van de wet van 17 maart 2019 aanvult, regelt enerzijds de kosten die worden aangerekend voor de inschrijving op de aparte lijst van het openbaar register en anderzijds de jaarlijkse bijdrage die de personen ingeschreven op die lijst verschuldigd zijn aan het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants. Artikel 164 van de wet van 20 juli 2020 bepaalt : « De personen die ingeschreven moeten worden op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, betalen de administratieve kosten die worden aangerekend voor de behandeling van hun dossier, als vastgesteld door de Raad van het Instituut. De personen die inschreven zijn op de aparte lijst in het openbaar register bedoeld in artikel 29, § 2, betalen jaarlijks een bijdrage aan het Instituut die gelijk is aan de bijdrage van de personen bedoeld in artikel 6, §
  38. Deze bijdrage kan jaarlijks geïndexeerd worden ». B.1.
  39. Artikel 165 van de wet van 20 juli 2020 vult de opdrachten van Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants, die zijn opgesomd in artikel 62, § 1, van de wet van 17 maart 2019, aan met de volgende opdracht : « 9° het toezien op de naleving door de personen bedoeld in artikel 6, § 2, van de modaliteiten en voorwaarden van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten ». 10 Daarbij aansluitend vult artikel 166 van de wet van 20 juli 2020 de bevoegdheden van de Raad van het Instituut, die zijn opgesomd in artikel 72, eerste lid, van de wet van 17 maart 2019, aan met de volgende bevoegdheid : « 13° erop toezien dat de personen bedoeld in artikel 6, § 2, de modaliteiten en voorwaarden naleven van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. De Raad van het Instituut zal in naam en voor rekening van het Instituut al zijn bevoegdheden als toezichtautoriteit in de zin van artikel 85 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 6, § 2, van deze wet van 17 maart 2019 ». B.1.
  40. In artikel 173 van de wet van 20 juli 2020 wordt de inwerkingtreding van verschillende bepalingen van de bestreden wet geregeld. Artikel 173, eerste lid, van de wet van 20 juli 2020 bepaalt : « Het verbod op het uitoefenen voor rekening van derden van de beroepsactiviteiten van artikel 6 § 1, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur, zoals bedoeld in artikel 6, § 2, van dezelfde wet, door personen die geen beroepsbeoefenaar zijn en die niet op een aparte lijst in het openbaar register staan ingeschreven zoals bedoeld in artikel 29, § 2, van dezelfde wet, is van toepassing zes maanden na de inwerkingtreding van deze wet ». Ten aanzien van de tussenkomst B.2.
  41. Bij een op 30 december 2020 ter post aangetekende brief heeft het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants een memorie van tussenkomst ingediend. B.2.
  42. Vermits het Instituut door de wet belast is onder meer met het aanleggen en het bijhouden van de lijst van de niet-gecertificeerde belastingadviseurs, lijkt het, gegeven het beperkte onderzoek waartoe het Hof in verband met de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, in voldoende mate te doen blijken van het vereiste belang om zonder uitstel zich te voegen bij het verweer tegen de schorsing van de wetsartikelen waarvan het de naleving moet verzekeren. 11 Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing B.
  43. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
  44. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partijen, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van die bepaling, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die norm. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de personen die een vordering tot schorsing instellen, in hun verzoekschrift concrete en precieze feiten moeten uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan zij de vernietiging vorderen, hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die personen moeten met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. 12 B.5.
  45. De eerste verzoekende partij is bestuurder van de tweede verzoekende partij, en is in die hoedanigheid actief als zelfstandig niet-gecertificeerd belastingadviseur. Zij voert aan dat zij, indien zij uiterlijk op 15 februari 2021 niet zou zijn ingeschreven op de aparte lijst in het openbaar register, getroffen wordt door een beroepsverbod. Een dergelijk beroepsverbod zou het voortbestaan van de tweede verzoekende partij in het gedrang brengen. De verzoekende partijen voeren aan dat het opstellen van het uitgebreide documentatiedossier hun op zich al een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou berokkenen, aangezien de tijd die hieraan wordt besteed, niet kan worden teruggedraaid. B.5.
  46. Het beroepsverbod waarnaar de verzoekende partijen verwijzen ter ondersteuning van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, wordt enkel opgelegd indien zij niet tijdig voldoen aan de inschrijvingsplicht. De verzoekende partijen voeren geen concrete elementen aan waaruit blijkt dat het op dit ogenblik, zelfs bij gebrek aan een koninklijk besluit dat de nadere regels van de inschrijving bepaalt, niet mogelijk zou zijn zich in te schrijven op de aparte lijst. De verzoekende partijen tonen evenmin aan dat de verplichting om zich in te schrijven op zich een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou doen ontstaan, rekening houdend met de tijd en inspanning vereist voor het opstellen van het daartoe vereiste documentatiedossier. Uit de opsomming die is vermeld in B.1.5, alsook uit de stukken die de verzoekende partijen bij hun vordering tot schorsing hebben gevoegd, blijkt echter dat de daartoe vereiste inspanning niet van dien aard is dat zij als een ernstig nadeel kan worden beschouwd, laat staan dat het onmogelijk zou zijn voor de verzoekende partijen om zich tijdig te laten inschrijven in de aparte lijst van het openbaar register. B.
  47. Aangezien niet voldaan is aan één van de voorwaarden om tot schorsing te kunnen besluiten, dient de vordering te worden afgewezen. 13 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 februari
  48. De griffier, De voorzitter, F. Meersschaut L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.031 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.