← België

ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.033

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.033 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210304.6 Arrest- Rolnummer: 33/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-04-03 Raadplegingen: 357 - laatst gezien 2026-06-19 17:13 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - De tweede en de derde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en de wet van 15 juni 2006 « overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten », gesteld door de Raad van State. Beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State - Jurisdictionele bevoegdheid - Overheidsopdrachten - Begrip 'akte met betrekking tot overheidsopdrachten' - Procedure tot aanwijzing van een beëdigd vertaler vóór de hervorming van 2014 - Het schrappen, door het hoofd van een rechtscollege, van een beëdigd vertaler van de lijst van de beëdigde vertalers bij zijn rechtbank. Wettelijke bepalingen: Wet Raad van State - 12-01-1973 - 14,§1,L1,2° - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Wet - 15-06-2006 - 02 Link Justel databank 20060615-02 Tekst van de beslissing Rolnummer 7158 Arrest nr. 33/2021 van 4 maart 2021 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en de wet van 15 juni 2006 « overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, R. Leysen, Y. Kherbache en T. Detienne, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij het arrest nr. 244.049 van 28 maart 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 april 2019, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, in die zin geïnterpreteerd dat het ‘ de akten met betrekking tot overheidsopdrachten ’ beperkt tot de akten die uitgaan van een aanbestedende overheid of die voor haar rekening worden verricht en die op directe of indirecte wijze ertoe strekken een overeenkomst onder bezwarende titel te sluiten met een of meer aannemers, leveranciers of dienstverleners en in die zin dat het van het begrip ‘ akten met betrekking tot overheidsopdrachten ’ de akten uitsluit waarmee een aanbestedende overheid een dienstverlener belet deel te nemen aan een procedure voor een overheidsopdracht teneinde een overeenkomst onder bezwarende titel te sluiten, zoals het schrappen, door een hoofd van een rechtscollege, van een vertaler van de lijst van de personen die in die hoedanigheid bij zijn rechtbank zijn aanvaard, waaruit de aanbestedende overheid de dienstverleners kiest met wie overeenkomsten onder bezwarende titel worden gesloten voor het verstrekken van vertaaldiensten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling de voormelde dienstverlener de mogelijkheid ontzegt om bij de Raad van State een dergelijke akte te betwisten, die hem belet het voordeel van een overheidsopdracht voor vertaaldiensten te genieten, terwijl de akten waarmee een aanbestedende overheid het sluiten van een overheidsopdracht beoogt, het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep bij de Raad van State ? 2. Schendt de wet van 15 juli [lees : juni] 2006 overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, waarbij zij aldus een discriminatie doet ontstaan door de verschillende behandeling van twee vergelijkbare situaties, in zoverre zij in die zin zou worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op een administratieve overheid die ertoe geroepen is een vertaler of een tolk aan te wijzen of een lijst van vertalers/tolken op te stellen waaruit zij in een welbepaald geval een dienstverlener kan kiezen en in die zin dat zij niet van toepassing is op een orgaan van de rechterlijke macht dat ertoe geroepen is een vertaler of een tolk aan te wijzen of een lijst van vertalers/tolken op te stellen waaruit de gerechtelijke en politionele autoriteiten in een welbepaald geval een dienstverlener kunnen kiezen ? 3. Schendt de wet van 15 juli [lees : juni] 2006 overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij in die zin zou worden geïnterpreteerd dat zij aan alle aanbestedende overheden in de zin van artikel 2, 1°,

  1. a)en d), ervan de verplichting oplegt een opdracht voor vertaal- of tolkdiensten te gunnen met inachtneming van de bepalingen van de wet, behalve aan een voorzitter van een rechtbank van eerste aanleg of aan elk ander orgaan van de rechterlijke macht om de reden dat zij deel uitmaken van die macht, terwijl artikel 2, 1°,
  2. a)en d), niet in een dergelijke uitzondering voorziet ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Nadia Benhachem en de bvba « SARIAA », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele en Mr. S. Kaisergruber, advocaten bij de balie te Brussel; 3 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. B. Renson, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 9 december 2020 heeft het Hof, na de verslaggevers T. Detienne en L. Lavrysen te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 13 januari 2021 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 13 januari 2021 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 25 juli 2014 deelt de voorzitter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel aan Nadia Benhachem de beslissing mee om haar te schrappen van de lijst van de beëdigde vertalers waarop zij sinds 20 september 1999 was ingeschreven. Hij verweet Nadia Benhachem met name dat zij als voltijds werkneemster bij de RTBF had gewerkt, terwijl zij tegelijkertijd vertaaldiensten voor de Rechtbank was blijven verstrekken. Op 19 september 2014 stellen Nadia Benhachem en de bvba « SAARIA », waarvan zij bestuurster is, bij de Raad van State een beroep tot schorsing van die beslissing in. De Belgische Staat werpt de onbevoegdheid van het administratieve rechtscollege om kennis te nemen van dat beroep op, aangezien de beslissing tot schrapping van de lijst van de beëdigde vertalers, die niet kan worden beschouwd als een akte met betrekking tot overheidsopdrachten, volgens hem niet wordt beoogd in artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Bij het arrest nr. 229.577 van 16 december 2014 schorst de Raad van State de beslissing om de verzoekende partij te schrappen van de lijst van de beëdigde vertalers. De Belgische Staat tekent cassatieberoep aan tegen dat arrest en dat laatste wordt verbroken door het Hof van Cassatie, dat oordeelt dat de Raad van State niet bevoegd was om kennis te nemen van de vordering (Cass., 29 september 2017, C.15.0043.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170929.5). De zaak komt terug voor de verwijzende rechter. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter houden staande dat de Raad van State bevoegd is om kennis te nemen van de betwisting van een beslissing tot schrapping van de lijst van de beëdigde vertalers, want die beslissing moet worden beschouwd als een akte met betrekking tot overheidsopdrachten in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij betogen bovendien dat de voorzitter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel een procedure met oproep tot mededinging had moeten organiseren, overeenkomstig de wetgeving met betrekking tot de overheidsopdrachten. Om die redenen vragen de verzoekende partijen aan de Raad van State om drie prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. Hoewel hij twijfelt aan de relevantie van de laatste twee vragen, stelt de verwijzende rechter, bij arrest van 28 maart 2019, aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen. 4 III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.1. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter betogen dat de beslissing van de voorzitter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel om hen te schrappen van de lijst van de beëdigde vertalers en tolken een akte met betrekking tot overheidsopdrachten in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vormt en, meer in het bijzonder, een akte waarbij een aanbestedende overheid een dienstverlener uitsluit van de procedures voor de gunning van overheidsopdrachten inzake vertaling, door hem te beletten een offerte in te dienen en een kans te krijgen om een dergelijke opdracht in de wacht te slepen. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter erkennen weliswaar dat het begrip « akten met betrekking tot overheidsopdrachten » bij de wijziging in die zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in de parlementaire voorbereiding niet is uiteengezet, in tegenstelling tot het begrip « akten met betrekking tot leden van het personeel ». Te dezen dient men zich echter te wenden tot andere bronnen van wetgeving. De in het geding zijnde akte moet worden verricht overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd bij het recht van de Europese Unie en overeenkomstig de Belgische wetgeving inzake overheidsopdrachten. Bijgevolg kan de schrapping van de lijst als « akte met betrekking tot overheidsopdrachten » worden aangemerkt. De verwijzende rechter interpreteert dat begrip trouwens in die zin. Het staat bijgevolg aan het Hof te besluiten tot de niet-schending door de in het geding zijnde bepaling, voor zover zij in de zin wordt geïnterpreteerd dat zij de schrapping van de lijst van de beëdigde vertalers en tolken omvat, en dat ongeacht de wijze waarop die schrapping wordt gekwalificeerd. Volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter zijn immers twee hypotheses denkbaar : ofwel is de schrapping van de lijst het eindresultaat van een procedure inzake overheidsopdrachten, in welk geval de akte op zich voor de Raad van State kan worden aangevochten, ofwel is de schrapping van de lijst niet het eindresultaat van een procedure inzake overheidsopdrachten, in welk geval die schrapping toch als een akte met betrekking tot overheidsopdrachten moet worden beschouwd, in zoverre zij aan de regels met betrekking tot de overheidsopdrachten had moeten worden onderworpen. A.1.2. In ondergeschikte orde betogen de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter dat elke andere interpretatie van artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State discriminerend is. Dat zou betekenen dat de vertaler die van de lijst is geschrapt, die beslissing voor de Raad van State zou kunnen betwisten indien die akte het eindresultaat is van een procedure met oproep tot mededinging, maar dat die mogelijkheid tot betwisting hem zou worden ontzegd indien de schrapping niet voortkomt uit een oproep tot mededinging. Dat verschil in behandeling betreft vergelijkbare categorieën en het is onevenredig, in zoverre het de organen van de rechterlijke macht ertoe zou aanzetten de wetgeving op de overheidsopdrachten niet in acht te nemen. De waarborgen die aan de benadeelde vertaler worden geboden op het vlak van het recht op toegang tot de rechter, zouden dan immers paradoxaal genoeg omgekeerd evenredig zijn met de strengheid waarmee de organen van de rechterlijke macht de wetgeving met betrekking tot de overheidsopdrachten in acht nemen. Overigens voegen de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter eraan toe dat de Europese Commissie de gevallen die worden gekenmerkt door het ontbreken van een mededinging terwijl die vereist was, en de gevallen die worden gekenmerkt door een onregelmatige mededinging, op dezelfde wijze behandelt. Bovendien heeft de Raad van State zich reeds bevoegd verklaard om kennis te nemen van andere procedures in verband met soortgelijke akten met betrekking tot overheidsopdrachten (RvS, 8 maart 2018, nr. 240.968, en 25 juni 2018, nr. 241.890). A.2.1. De Ministerraad herinnert om te beginnen aan de stand van de wetgeving met betrekking tot de vertalers en tolken die van toepassing is op de in het geding zijnde beslissing. Op het ogenblik van de aanneming van die wetgeving bestond er geen enkele wettelijke voorwaarde om vertaal- of tolkopdrachten te verrichten bij de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde. Artikel 991 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde weliswaar dat de hoven en rechtbanken een lijst van deskundigen konden opstellen volgens door de Koning bepaalde regels, maar die laatste heeft nooit dergelijke regels vastgesteld. Er is dan een systeem van officieuze lijsten gegroeid, met een territoriale grondslag per rechtscollege, opdat de kwaliteit van die diensten zou worden gewaarborgd. Het is in die context dat de voorzitter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel zijn beslissing heeft genomen. Pas met de wet van 10 april 2014 « tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de 5 oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken » (hierna : de wet van 10 april 2014), vervolgens gewijzigd bij de wet van 19 april 2017 « tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register van beëdigd vertalers, tolken en vertalers- tolken », is een wettelijk kader vastgelegd dat de officieuze lijsten van vroeger heeft vervangen. Voortaan kunnen de gerechtelijke autoriteiten een persoon die zich niet in het voormelde nationaal register bevindt, slechts nog in uitzonderlijke gevallen aanwijzen. A.2.2. In hoofdorde betoogt de Ministerraad dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, in zoverre zij ingaat tegen het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 29 september 2017, waarin de akte met betrekking tot overheidsopdrachten wordt gedefinieerd en de lijst van de beëdigde vertalers van die categorie wordt uitgesloten. Men kan daaruit slechts besluiten dat de door de voorzitter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel genomen beslissing tot schrapping noch valt onder het toepassingsgebied van artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch onder dat van de wet van 15 juni 2006 « overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten » (hierna : de wet van 15 juni 2006), zoals zij van toepassing was op het ogenblik van de feiten. De Ministerraad voegt eraan toe dat ook het Hof, in zijn arrest nr. 106/2009 van 9 juli 2009, in dat verband duidelijk is geweest. A.2.3. In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat er geen discriminatie kan zijn. De prejudiciële vraag berust immers op de verkeerde premisse volgens welke de beslissing tot schrapping van de lijst de geschrapte persoon zou beletten deel te nemen aan een procedure voor een overheidsopdracht, teneinde een overeenkomst onder bezwarende titel te sluiten. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter kunnen nog steeds hun beroep uitoefenen en overal in België vertaaldiensten verstrekken. Hun wordt zelfs niet de mogelijkheid ontnomen om diensten te verstrekken voor de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, aangezien de beslissing tot schrapping slechts gevolgen heeft voor de officieuze lijst en aangezien zij de verzoekende partijen niet belet een beroep te doen op de procedure bedoeld in artikel 282 van het Wetboek van strafvordering, dat de aanwijzing van beëdigde tolken beoogt. De schrapping van de officieuze lijst heeft dus geen enkele weerslag op de mogelijkheid om vertaal- en tolkdiensten te verstrekken. A.2.4. In uiterst ondergeschikte orde, zelfs in de veronderstelling dat de schrapping van de lijst als een akte met betrekking tot overheidsopdrachten kan worden geïnterpreteerd, blijft de discriminatie niet gegrond. De Ministerraad wijst erop dat dan de vraag dient te worden gesteld hoe in het overheidsopdrachtenrecht een dergelijke akte moet worden aangemerkt. Volgens hem zou het instellen van de lijst van de beëdigde vertalers en tolken op zich gelijkwaardig zijn aan het gunnen van een raamovereenkomst in de zin van artikel 3, 15°, van de wet van 15 juni 2006, gedefinieerd als « een overeenkomst gesloten tussen één of meer aanbestedende overheden of overheidsbedrijven en één of meer aannemers, leveranciers of dienstverleners met het doel gedurende een bepaalde periode de voorwaarden inzake te gunnen opdrachten vast te leggen, met name wat betreft de prijzen en eventueel de beoogde hoeveelheden ». De schrapping van die lijst zou dan gelijkgesteld worden met een maatregel die ambtshalve door de aanbestedende overheid is genomen in het kader van de uitvoering van een overheidsopdracht in de zin van artikel 47, § 2, van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 « tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten ». De gewone rechtscolleges, met uitsluiting van de Raad van State, zijn echter bevoegd om kennis te nemen van de geschillen met betrekking tot die ambtshalve genomen maatregelen. Bijgevolg is de Ministerraad van mening dat zelfs in de veronderstelling dat de schrapping van de lijst als een akte met betrekking tot overheidsopdrachten zou kunnen worden geïnterpreteerd, de Raad van State onbevoegd zou blijven om kennis ervan te nemen. Om die redenen betoogt de Ministerraad dat het bij de in het geding zijnde bepaling in het leven geroepen verschil in behandeling voldoende verantwoord is. Het is immers gegrond op een objectief criterium, in casu de beslissing tot schrapping in het kader van de uitvoering van een overheidsopdracht, en vertoont geen onevenredig karakter, aangezien, zoals de Ministerraad reeds heeft aangetoond, een dergelijke akte onder de bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken ressorteert. De in het geding zijnde bepaling is dus redelijk evenredig met het nagestreefde doel, dat erin bestaat een toereikende bescherming van de subjectieve rechten van de vertalers en tolken te waarborgen. A.3.1. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter antwoorden aan de Ministerraad dat er, in tegenstelling tot hetgeen laatstgenoemde tracht te doen geloven, vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 april 2014 wel degelijk een procedure bestond met betrekking tot de vertalers en tolken, namelijk de wetgeving met betrekking tot de overheidsopdrachten, die bestond uit de wet van 15 juni 2006 en de verordening (EG) nr. 213/2008 van de Commissie van 28 november 2007 « tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2195/2002 van 6 het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) en tot wijziging van de Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, in verband met de herziening van de CPV » (hierna : de verordening (EG) nr. 213/2008), die de vertaal- en tolkdiensten omvat. A.3.2. Wat de andere door de Ministerraad aangehaalde arresten betreft, betwisten de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter het belang ervan. Enerzijds is het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 29 september 2017 te dezen niet relevant. Hoewel de vraag of de Raad van State zijn arrest correct had gemotiveerd weliswaar bij het hoge rechtscollege aanhangig was gemaakt, vermocht het niet zich uit te spreken over de overeenstemming van de wet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Hof van Cassatie heeft de kwestie van de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling open gelaten en heeft haar dus niet beslecht. Anderzijds is het door de Ministerraad aangehaalde arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 106/2009 evenmin relevant, aangezien het een ander onderwerp had. A.3.3. Het argument van de Ministerraad dat de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter vrij zouden blijven om hun beroep uit te oefenen, ondanks de beslissing van de voorzitter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel om hen van de lijst te schrappen, overtuigt hen overigens niet. Die bewering is ongepast, aangezien de in het geding zijnde toestand geen algemeen verbod om een beroep uit te oefenen betreft, maar wel een specifiek beletsel dat verband houdt met de lijst van de vertalers en tolken bij de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. A.4. In zijn memorie van antwoord herinnert de Ministerraad eraan dat de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter in feite en in rechte een verkeerde argumentatie uiteenzetten. De bewering dat de schrapping van de lijst van de beëdigde vertalers en tolken een akte met betrekking tot overheidsopdrachten vormt, is door het Hof van Cassatie in zijn voormelde arrest van 29 september 2017 immers expliciet verworpen. Ten aanzien van de tweede en de derde prejudiciële vraag A.5. De Ministerraad ziet niet in hoe die twee prejudiciële vragen nuttig zouden zijn voor de oplossing van het geschil. In die vragen wordt de aanwijzing van een vertaler of tolk beoogd. Het voor de verwijzende rechter gebrachte geschil betreft echter niet de aanwijzing, maar de schrapping van de verzoekende partijen van de officieuze lijst van de beëdigde vertalers en tolken. Bijgevolg dienen die prejudiciële vragen niet te worden beantwoord. Bovendien herinnert de Ministerraad eraan dat de Raad van State zelf ernstige twijfels heeft geuit ten aanzien van de opportuniteit van die vragen. A.6.1. De verzoekende partijen voor de verwijzende rechter vragen het Hof te zeggen voor recht dat de wet van 15 juni 2006 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, in de interpretatie volgens welke die wet alle aanbestedende overheden, met inbegrip van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, ertoe verplicht de regels en procedures met betrekking tot de overheidsopdrachten in acht te nemen wanneer zij een beroep doen op de diensten van vertalers en tolken. De voorzitter van een rechtbank van eerste aanleg is immers een orgaan van de rechterlijke macht, en dus een orgaan van de Belgische Staat en hij moet in die hoedanigheid worden beschouwd als een aanbestedende overheid in de zin van artikel 2 van de wet van 15 juni 2006. Vertaal- en tolkdiensten vallen echter onder het toepassingsgebied van de wetgeving met betrekking tot de overheidsopdrachten, met name krachtens de verordening (EG) nr. 213/2008. Aangezien de voorzitter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel geen procedure met oproep tot mededinging heeft georganiseerd zoals hem bij de wetgeving was opgelegd, heeft hij de wet overtreden. In die context moet de schrapping van de lijst van de beëdigde vertalers en tolken worden beschouwd als een handeling waarbij een aanbestedende overheid een dienstverlener belet om deel te nemen aan een procedure voor de gunning van een overheidsopdracht. A.6.2. Volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter is elke andere interpretatie van de wet van 15 juni 2006 dan die welke al eerder is uiteengezet, discriminerend. Aldus dient de wet van 15 juni 2006, zelfs in de veronderstelling dat zij in die zin moet worden geïnterpreteerd dat zij van haar toepassingsgebied de rechterlijke macht, en in het bijzonder de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, uitsluit, ongrondwettig te worden verklaard. 7 A.7.1. In zijn memorie van antwoord betwist de Ministerraad de door de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter aan het Hof gerichte verzoek om een welbepaalde interpretatie aan de wet van 15 juni 2006 te geven. Het gaat geenszins om het voor de Raad van State in het geding zijnde debat. De prejudiciële vragen moeten dus niet-ontvankelijk worden verklaard. A.7.2. In elk geval berusten de tweede en de derde prejudiciële vraag op dezelfde verkeerde premisse als de eerste vraag, namelijk de gelijkstelling van de schrapping van de lijst van de beëdigde vertalers en tolken met een akte met betrekking tot overheidsopdrachten, hetgeen het Hof van Cassatie bij zijn voormelde arrest van 29 september 2017 uitdrukkelijk heeft verworpen. -B- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : de gecoördineerde wetten op de Raad van State), in die zin geïnterpreteerd dat het niet geldt voor de schrapping, door het hoofd van een rechtscollege, van een vertaler van de lijst van de personen die in die hoedanigheid bij zijn rechtbank zijn erkend. De Raad van State vraagt het Hof of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre zij de verstrekker van vertaaldiensten de mogelijkheid ontzegt om bij de Raad van State een dergelijke akte te betwisten, die belet dat hem een overheidsopdracht voor vertaaldiensten wordt gegund, terwijl tegen de akten waarmee een aanbestedende overheid een overheidsopdracht beoogt te sluiten beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State. B.2.1. Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt : « Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen : 1° van de onderscheiden administratieve overheden; 2° van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen. 8 De in het eerste lid bedoelde onregelmatigheden geven slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden. Artikel 159 van de Grondwet is eveneens van toepassing op de in het eerste lid, 2°, bedoelde akten en reglementen ». B.2.2. Op grond van die bepaling is de Raad van State slechts bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring indien de bestreden akte kan worden beschouwd, hetzij als een akte van een administratieve overheid in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, hetzij als een akte van een van de overheden opgesomd in artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, voor zover het in het laatste geval gaat om een akte met betrekking tot een overheidsopdracht of met betrekking tot een lid van het personeel van de betrokken overheid. B.3.1. In de door de verwijzende rechter aan het Hof voorgelegde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling kan het schrappen, door het hoofd van een rechtscollege, van een vertaler van de lijst van de personen die in die hoedanigheid bij zijn rechtbank zijn erkend, waaruit de aanbestedende overheid de verstrekkers van vertaaldiensten kiest, niet worden beschouwd als een akte met betrekking tot een overheidsopdracht in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. B.3.2. Bij een arrest van 29 september 2017 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld : « Artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, Wet Raad van State machtigt de afdeling bestuursrechtspraak om uitspraak te doen over, onder meer, de beroepen die zijn [ingesteld] tegen de akten van organen van de rechterlijke macht met betrekking tot overheidsopdrachten. Om de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de voorzitter van de rechtbank om de verweerster te schrappen van de lijst van door dat gerecht aanvaarde vertalers-tolken, verwerpt het arrest de exceptie van onbevoegdheid bij die rechtbank die door de eisers is aangevoerd en die hierop gegrond is dat elke betwisting over een beslissing tot schrapping van de kwestieuze lijst voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde gebracht moet worden. De verwerping van de exceptie steunt zelf op de bewering, in substantie, dat de litigieuze akte een akte is met betrekking tot overheidsopdrachten omdat ze de verweerster belet diensten te verlenen die geregeld worden door de Overheidsopdrachtenwet 2006 en omdat ze haar het recht ontzegt om aangewezen te worden met inachtneming van de regels die voornoemde wet oplegt aan de aanbestedende overheid die vertaal- en tolkdiensten wil bestellen. 9 In de zin van voornoemd artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, wordt onder een akte met betrekking tot overheidsopdrachten verstaan elke akte die uitgaat van een aanbestedende overheid of voor haar rekening wordt verricht en die op directe of indirecte wijze ertoe strekt een overeenkomst onder bezwarende titel te sluiten met een of meer aannemers, leveranciers of dienstverleners. De beslissing van het hoofd van een rechtscollege om een vertaler te schrappen van de lijst van de personen die in die hoedanigheid bij zijn rechtbank zijn aanvaard, beantwoordt niet aan die begripsomschrijving » (Cass., 29 september 2017, C.15.0043.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170929.5). B.3.3. Het Hof onderzoekt de prejudiciële vraag in de door de verwijzende rechter voorgelegde interpretatie. B.4.1. Bij de wetgeving zoals zij van toepassing was op het ogenblik van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het geschil dat voor de verwijzende rechter hangende is, was het uitvoeren van vertaalopdrachten in het kader van gerechtelijke procedures aan geen enkele voorwaarde onderworpen. In de praktijk werd een beroep gedaan op personen die waren ingeschreven op officieuze lijsten die op de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg werden bijgehouden. Binnen de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel was een Commissie tot erkenning van beëdigde vertalers opgericht, die was samengesteld uit magistraten die een lijst van vertalers dienden op te stellen. Om op die lijst te worden ingeschreven, diende de kandidaat het bewijs van zijn taalkennis en van zijn ervaring ter zake te leveren. De vertalers en tolken werden vergoed door het betalen van erelonen die waren vastgesteld volgens een salarisschaal bepaald in het koninklijk besluit van 28 december 1950 « houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken », zoals het is gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 november 2012 « tot wijziging van het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 december 1950 wat betreft de administratieve kosten in strafzaken ». In hoofdstuk 1, afdeling 2 (« Vertalers en tolken »), van het voormelde koninklijk besluit werden de voorwaarden, het bedrag en de nadere regels voor de betaling van de prestaties van die laatsten verduidelijkt. Daarentegen werd daarin geen enkele verduidelijking gegeven over de vereiste kwaliteiten of bekwaamheden van de vertalers en tolken. Zij werden evenmin in de vaste gerechtelijke personeelsformatie opgenomen. 10 B.4.2. Daarenboven kon een schrapping van de lijst, in bepaalde omstandigheden, onrechtmatig blijken. In dat geval stond het aan de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde om kennis te nemen van het geschil dat uit die schrapping was ontstaan. B.5. Noch in artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch in de parlementaire voorbereiding van die bepaling wordt het begrip « akte met betrekking tot overheidsopdrachten » gedefinieerd. B.6.1. Het verschil tussen, enerzijds, de rechtsmiddelen waarover de personen beschikken die worden geraakt door een akte van de organen van de rechterlijke macht met betrekking tot overheidsopdrachten en, anderzijds, die waarover de personen beschikken die worden geraakt door een beslissing tot schrapping van een lijst van beëdigde vertalers, houdt verband met de verschillende rechtstoestanden waarin die personen zich bevinden, naargelang al dan niet normen en procedures worden toegepast die eigen zijn aan overheidsopdrachten. Dat verschil in behandeling is redelijk verantwoord, aangezien de aard van de juridische band die beide categorieën van personen met de rechterlijke macht verbindt, verschilt naar gelang van die toestanden. B.6.2. Tot slot brengt de in het geding zijnde bepaling, in de in B.3.1 vermelde interpretatie, geen onevenredige gevolgen met zich mee voor de personen die worden geraakt door een beslissing tot schrapping van de lijst van de beëdigde vertalers. Die personen beschikken over een gelijkwaardige rechtsbescherming, aangezien het voor hen mogelijk is die beslissing bij de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde te betwisten en, in voorkomend geval, via die weg de vergoeding van hun schade te verkrijgen. B.7. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede en de derde prejudiciële vraag B.8.1. Rekening houdend met het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, is het antwoord op de tweede en de derde prejudiciële vraag niet nuttig voor de oplossing van het geschil dat hangende is voor de verwijzende rechter. 11 B.8.2. De tweede en de derde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. - De tweede en de derde prejudiciële vraag behoeven geen antwoord. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 maart 2021. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.033 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170929.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.