id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.034 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210304.7 Arrest- Rolnummer: 34/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-04-03 Raadplegingen: 381 - laatst gezien 2026-06-19 17:12 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt de artikelen 7 tot 11 van het decreet van het Waalse Gewest van 17 juli 2018 « houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2018 »; - verwerpt het beroep tot vernietiging in de zaak nr.
- UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van : - de artikelen 7 tot 11 van het decreet van het Waalse Gewest van 17 juli 2018 « houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2018 »; - de artikelen 9 tot 13 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 november 2018 « houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2019 », ingesteld door de vzw « Belgisch Fonds voor de Inzameling en Verwerking van Elektrohuishoudtoestellen » en anderen. Fiscaal recht - Waals Geweest - Vestiging van een belasting om bij te dragen aan de financiering van het beleid van het Gewest inzake preventie en beheer van afval dat aan de terugnameplicht is onderworpen - Belasting op de instellingen die de terugnameplicht uitvoeren - Territoriale bevoegdheid van het Waalse Gewest. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 17-07-2018 - 7 tot 11 - 05 ELI link Pub nr 2018070048 Tekst van de beslissing Rolnummers 7162 en 7206 Arrest nr. 34/2021 van 4 maart 2021 In zake : de beroepen tot vernietiging van : - de artikelen 7 tot 11 van het decreet van het Waalse Gewest van 17 juli 2018 « houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2018 »; - de artikelen 9 tot 13 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 november 2018 « houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2019 », ingesteld door de vzw « Belgisch Fonds voor de Inzameling en Verwerking van Elektrohuishoudtoestellen » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 april 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 april 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 7 tot 11 van het decreet van het Waalse Gewest van 17 juli 2018 « houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2018 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 oktober 2018) door de vzw « Belgisch Fonds voor de Inzameling en Verwerking van Elektrohuishoudtoestellen », de vzw « Recupel Audio-Video », de vzw « Recupel SDA », de vzw « Recupel ICT », de vzw « Recupel ET. & GARDEN », de vzw « LightRec », de vzw « MeLarec », de vzw « Recupel », de vzw « Bebat », de vzw « Federatie van de Elektriciteit en de Elektronica », de vzw « Agoria », de vzw « Belgische Federatie van de Toeleveranciers van Machines, Gebouwen en Uitrustingen en aanverwante diensten voor de Landbouw en voor de Groenvoorzieningen », de vzw « Belgische Beroepsvereniging van invoerders en fabrieksagenten van gereedschap » en de vzw « Traxio », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Lagasse en Mr. A. Visschers, advocaten bij de balie te Brussel. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 juni 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 juni 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 9 tot 13 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 november 2018 « houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2019 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 december 2018; errata bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 december 2018) door de vzw « Belgisch Fonds voor de Inzameling en Verwerking van Elektrohuishoudtoestellen », de vzw « Recupel Audio-Video », de vzw « Recupel SDA », de vzw « Recupel ICT », de vzw « Recupel ET. & GARDEN », de vzw « LightRec », de vzw « MeLarec », de vzw « Recupel », de vzw « Bebat », de vzw « Federatie van de Elektriciteit en de Elektronica », de vzw « Agoria », de vzw « Belgische Federatie van de Toeleveranciers van machines, gebouwen en uitrustingen en aanverwante diensten voor de Landbouw en voor de Groenvoorzieningen », de vzw « Belgische Beroepsvereniging van invoerders en fabrieksagenten van gereedschap » en de vzw « Traxio », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Lagasse en Mr. A. Visschers. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7162 en 7206 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door F. Grobelny, adviseur bij de FOD Financiën; - de Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. I.-S. Brouhns en Mr. G. Possoz, advocaten bij de balie te Brussel. De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend. De Waalse Regering heeft ook memories van wederantwoord ingediend. 3 Bij beschikking van 12 november 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 25 november 2020 en de zaken in beraad zullen worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken op 25 november 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen A.1.
- De eerste tot de zevende verzoekende partij zetten uiteen dat zij vzw’s zijn die op het Belgische grondgebied actief zijn in de sector van de afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) en dat zij als beheersinstellingen zijn aangewezen bij de milieubeleidsovereenkomst die op 11 mei 2010 met het Waalse Gewest is gesloten betreffende de terugnameplicht voor die afvalstoffen en die op 31 december 2013 is afgelopen. De achtste verzoekende partij is een uitvoeringsinstelling in de zin van artikel 14, § 5, van de voormelde overeenkomst, waaraan de eerste zeven verzoekende partijen de uitvoering van hun terugnameplicht hebben toevertrouwd. De negende verzoekende partij zet uiteen dat zij een vzw is waarvan het statutair doel bestaat in de inzameling, de verwerking en de nuttige toepassing van gebruikte batterijen en accu’s op het Belgische grondgebied en dat zij als beheersinstelling is aangewezen bij de op 5 december 2013 met het Waalse Gewest gesloten milieuovereenkomst met betrekking tot de uitvoering van de terugnameplicht van die afvalstoffen, die op 31 december 2015 is afgelopen. Die verzoekende partijen voeren aan dat zij belang hebben bij het beroep, aangezien zij de bij de bestreden bepaling gevestigde belasting verschuldigd zijn. Op 22 november 2018 werd trouwens van een bericht van aanslag voor 2018 kennis gegeven aan de vzw « BEBAT », negende verzoekende partij, en aan de vzw « Recupel », achtste verzoekende partij – die geen beheersinstelling is, maar een uitvoeringsinstelling – voor respectieve bedragen van 1.522.238 euro en 2.283.357,51 euro, zodat het belang bij het beroep van die verzoekende partijen duidelijk is. A.1.
- De tiende tot de veertiende verzoekende partij zetten uiteen dat zij, gelet op hun respectieve statutaire doelen, representatieve verenigingen zijn geweest die de met het Waalse Gewest gesloten milieuovereenkomsten hebben ondertekend. Zij menen rechtstreeks belang te hebben bij de goede werking van de beheersinstellingen die zijn belast met de uitvoering van hun terugnameplicht, en dus belang te hebben bij het beroep tot vernietiging. 4 Ten gronde A.2.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de territoriale belastingbevoegdheid van het Waalse Gewest en van het beginsel van de exclusieve verdeling van de bevoegdheden, dat voortvloeit uit de artikelen 5, 39 en 134 van de Grondwet, artikel 170, § 2, van de Grondwet en artikel 19, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van het beginsel van de federale loyauteit, verankerd in artikel 143, § 1, van de Grondwet en in artikel 1ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, en van het beginsel van het vrij verkeer van diensten, dat met name gewaarborgd is bij artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en bij artikel 1ter van de voormelde bijzondere wet van 16 januari
- Onder verwijzing naar de arresten van het Hof nrs. 58/2017, 25/2018 en 37/2018 bekritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepalingen in zoverre zij een belasting vestigen die niet op het grondgebied van het Waalse Gewest kan worden gelokaliseerd, zodat eenzelfde concrete situatie door verscheidene gewestwetgevers kan worden beoogd. Zij zijn van mening dat de bestreden bepalingen gevolgen kunnen hebben voor de werking van de beheersinstellingen in de andere gewesten en voor de bepalingen die de andere gewesten ten aanzien van die instellingen mogelijk zouden willen aannemen in het kader van hun afvalstoffenbeleid. A.2.
- Zij doen gelden dat het belastbaar feit, namelijk de omstandigheid dat de producenten de uitvoering van hun terugnameplicht krachtens artikel 8bis van het decreet van 27 juni 1996 « betreffende de afvalstoffen » gezamenlijk aan een rechtspersoon hebben toevertrouwd, gekoppeld aan de omstandigheid dat het bedrag van de belasting slechts wordt vastgesteld voor de AEEA en de afgedankte batterijen en accu’s, tot gevolg heeft dat de belastingschuldigen alleen afhangen van de keuze voor een collectief systeem voor de uitvoering van hun terugnameplicht door de producenten van EEA en van batterijen en accu’s. De beheersinstellingen, die actief zijn op het gehele Belgische grondgebied en niet op het grondgebied van één gewest, worden gefinancierd met de milieubijdragen betaald door de producenten die bij hen zijn aangesloten, naar gelang van het aantal producten die op de Belgische markt en niet op het grondgebied van één gewest worden gebracht. Noch het belastbaar feit – namelijk de uitvoering van de terugnameplicht gezamenlijk aan een beheersinstelling toevertrouwen – noch de financiering van de beheersinstellingen door de producenten kunnen bijgevolg in het Waalse Gewest worden gelokaliseerd. A.2.
- Bovendien treft de belasting het geheel van de inkomsten of van het vermogen van de beheersinstelling en niet alleen een gedeelte dat het mogelijk zou maken de geografische oorsprong te bepalen van de middelen waaruit dat vermogen bestaat. Geen van de eerste negen verzoekende partijen is daarenboven in het Waalse Gewest gevestigd. Die vaststelling geldt des te meer omdat de belasting verschuldigd is voor 2018 en 2019, terwijl de beheersinstelling haar activiteit uitoefent buiten een nog van kracht zijnde milieubeleidsovereenkomst. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat er geen verband is tussen hetgeen wordt voorgesteld als het belastbaar feit, namelijk de bijdragen die bij de Waalse consument zouden worden geïnd, en de belastbare grondslag, namelijk een forfaitair bedrag per inwoner van het Waalse Gewest. Zoals het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 25/2018 heeft geoordeeld, dient er niet noodzakelijkerwijze een correlatie te bestaan tussen de Waalse bevolking en het aandeel van de activiteiten van de beoogde verenigingen op het grondgebied van het Waalse Gewest. In de parlementaire voorbereiding wordt overigens geen enkele verantwoording gegeven wat betreft de forfaitaire bedragen van 0,49 euro voor de afgedankte batterijen en accu’s en van 0,63 euro voor de AEEA. A.
- De Waalse Regering zet uiteen dat de bestreden belasting aanzienlijk verschilt van de door het Hof in zijn arrest nr. 25/2018 vernietigde belasting en dat het aanknopingspunt van die belasting op het Waalse grondgebied gelokaliseerd is, zodat de Waalse wetgever bevoegd was om de bestreden bepalingen aan te nemen. Te dezen belast het Waalse Gewest alle rechtspersonen aan wie de producenten de uitvoering van hun terugnameplicht gezamenlijk hebben toevertrouwd. De bestreden belasting beoogt niet langer rechtstreeks, zoals in het verleden, de inning van bijdragen bij consumenten en zij treft niet langer het eigen vermogen van de beheersinstellingen. Die belasting heeft dus niet langer het bestaan van een eigen vermogen bij de belastingschuldigen tot voorwerp, maar alleen de activiteit van die laatsten op het Waalse grondgebied, die door de bestreden bepalingen geenszins wordt belemmerd. 5 A.
- De Ministerraad, tussenkomende partij, merkt op dat de bestreden belasting verenigingen treft waarvan de maatschappelijke zetel niet noodzakelijk in het Waalse Gewest gelegen is en waarvan de activiteitensfeer het territoriale kader van dat Gewest overschrijdt. Hoewel de belasting is vastgelegd op een bepaald bedrag per inwoner van het Waalse Gewest, bestaat er echter geen enkel verband tussen, enerzijds, het aantal inwoners van het Waalse Gewest en, anderzijds, de uitoefening, door de beoogde instellingen, van hun activiteiten op het grondgebied van het Waalse Gewest. Het bestreden belastingstelsel verschilt dus niet van het stelsel dat is vernietigd bij het arrest nr. 25/2018, aangezien de bestreden bepalingen geen enkel redelijk en relevant criterium van aanknoping tussen de belastbare materie en het grondgebied van het Waalse Gewest instellen. Naast het territorialiteitsbeginsel wordt ook het beginsel van de federale loyauteit geschonden, aangezien de Waalse wetgever geen rekening heeft gehouden met de fiscale bevoegdheid van de andere overheden ten aanzien van belastingschuldigen die hun activiteiten op het gehele Belgische grondgebied uitoefenen. A.
- De verzoekende partijen antwoorden dat, in tegenstelling tot hetgeen de Waalse Regering aanvoert, de bestreden belasting niet fundamenteel verschilt van de bij het arrest nr. 25/2018 vernietigde belasting, aangezien, enerzijds, het belastbaar feit onlosmakelijk verbonden is met de inning, door de beheersinstellingen, van een milieubijdrage die door de producenten-leden wordt betaald per product dat op de Belgische markt wordt gebracht, en aangezien, anderzijds, de bestreden belasting betrekking heeft op het geheel van de inkomsten of van het vermogen van de beheersinstellingen, zonder dat het mogelijk is die inkomsten of dat vermogen in het Waalse Gewest te lokaliseren. De keuze van de producenten om de inwerkingstelling van de terugnameplicht gezamenlijk toe te vertrouwen kan dus niet op het Waalse grondgebied worden gelokaliseerd. De bestreden belasting heeft evenmin de activiteit van de belastingschuldigen tot voorwerp en indien zulks het geval zou zijn, zou zij betrekking hebben op dezelfde belastbare materie als de belasting over de toegevoegde waarde, hetgeen een schending van het beginsel non bis in idem zou vormen. De Waalse wetgever, die zich ervan bewust is dat het onmogelijk is om die belasting op het Waalse grondgebied te lokaliseren, heeft trouwens beslist die belasting vast te leggen rekening houdend met het aantal inwoners in het Waalse Gewest, hetgeen echter geen criterium van aanknoping met het Waalse grondgebied vormt, zoals het Hof bij zijn arrest nr. 25/2018 heeft geoordeeld. A.
- De Waalse Regering repliceert dat het criterium van territoriale aanknoping vaststaat, aangezien het rechtspersonen beoogt die hun activiteiten op het Waalse grondgebied uitoefenen, in het door het Waalse Gewest aangenomen decretale en reglementaire kader. Het aantal inwoners in het Waalse Gewest dient enkel om het bedrag van de in het geding zijnde belasting te bepalen en is niet relevant om te oordelen over de band van aanknoping. In elk geval verschilt de bestreden belasting van de belasting over de toegevoegde waarde en is er geen sprake van de milieubijdragen te belasten die worden betaald door de producenten die lid zijn van de beheersinstellingen. A.7.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 170 en 172 van de Grondwet en van het beginsel van de wettigheid van de belasting, al dan niet in samenhang gelezen met het beginsel van de rechtszekerheid en met het beginsel van de gelijke behandeling en met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.7.
- In het eerste onderdeel van dat middel bekritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepalingen in zoverre zij de identiteit van de belastingschuldige niet op duidelijke en ondubbelzinnige wijze vaststellen. Zo vermelden de bestreden bepalingen niet of « de rechtspersoon aan wie de producenten de uitvoering van hun terugnameplicht gezamenlijk hebben toevertrouwd » moet zijn opgericht ter uitvoering van een milieuovereenkomst dan wel of hij buiten een dergelijke overeenkomst kan zijn opgericht. De bestreden bepalingen preciseren evenmin op welk ogenblik zou moeten worden voldaan aan de voorwaarde van het bestaan van een milieuovereenkomst. Te dezen hebben de eerste tot de zevende verzoekende partij de terugnameplicht van de producenten die bij hen zijn aangesloten, geregeld buiten elke overeenkomst in het Waalse Gewest tussen 19 februari 2006 en 20 juni 2010 en sinds 1 januari 2014 en voert de negende verzoekende partij de terugnameplicht van de producenten van batterijen en accu’s uit buiten elke milieuovereenkomst sinds 1 januari
- De achtste verzoekende partij, die geen beheersinstelling is, maar een uitvoeringsinstelling, heeft niettemin, met toepassing van de bestreden bepalingen, een bericht van aanslag ontvangen, hetgeen aantoont dat de definitie van de belastingschuldige niet vaststaat. 6 A.7.
- In het tweede onderdeel van het middel bekritiseren de verzoekende partijen de bestreden bepalingen in zoverre zij ten behoeve van de Waalse Regering een bevoegdheidsdelegatie invoeren die niet voldoet aan de voorwaarden waaronder een dergelijke delegatie kan worden aanvaard. Zij zetten uiteen dat de aangeklaagde delegatie met name betrekking heeft op de definitie van de instellingen die de belasting verschuldigd zijn, aangezien artikel 8bis, § 3, 3°, van het decreet van 27 juni 1996 « betreffende de afvalstoffen », waarnaar wordt verwezen, de Regering ermee belast de voorwaarden vast te stellen waaraan een beheersinstelling moet voldoen opdat de uitvoering van de terugnameplicht voor de afvalstoffen van de producenten in het kader van een milieuovereenkomst aan die instelling wordt toevertrouwd. A.8.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, doet de Waalse Regering gelden dat de identiteit van de belastingschuldige duidelijk wordt gedefinieerd als die van de rechtspersoon aan wie de producenten de uitvoering van hun terugnameplicht krachtens artikel 8bis van het Waalse decreet van 27 juni 1996 « betreffende de afvalstoffen » gezamenlijk hebben toevertrouwd. Met toepassing van die bepaling worden de « collectieve » systemen noodzakelijkerwijs in werking gesteld door een erkende instelling of door een beheersinstelling (artikel 8bis, § 3, eerste lid), of nog door een uitvoeringsinstelling die dezelfde voorwaarden vervult als de beheersinstellingen en die aan dezelfde rechten en plichten is onderworpen. Voor het overige hebben de punten van kritiek van de verzoekende partijen betrekking op de concrete toepassing van de bestreden bepalingen, die niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. A.8.
- Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, is de Waalse Regering van mening dat de verzoekende partijen geenszins expliciteren in welk opzicht eventuele veranderingen in de uitoefeningsvoorwaarden voor de beheersinstellingen afbreuk zouden kunnen doen aan het beginsel van de wettigheid van de belasting. A.9.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, antwoorden de verzoekende partijen dat hoewel, om aan de belasting te worden onderworpen, de beheersinstelling moet zijn opgericht in het kader van een milieuovereenkomst, die voorwaarde klaarblijkelijk niet vervuld is voor de negende verzoekende partij, hetgeen aantoont dat de identiteit van de belastingschuldige niet duidelijk is. Bovendien gaat de Waalse Regering ervan uit dat uitvoeringsinstellingen, die zich in de plaats hebben gesteld van de beheersinstellingen, de bestreden belasting verschuldigd zijn, zodat de personen zelf de belastingschuldige zouden kunnen aanwijzen, hetgeen het beginsel van de wettigheid van de belasting schendt. A.9.
- Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, antwoorden de verzoekende partijen dat de machtiging van de Regering om de voorwaarden te bepalen die de beheersinstellingen moeten vervullen betrekking heeft op de definitie van de belastingschuldige, hetgeen geen zuiver technische maatregel is. A.
- De Waalse Regering repliceert dat de negende verzoekende partij een beheersinstelling is die actief is in de stroom van de afvalstoffen die in het Waalse Gewest aan een terugnameplicht zijn onderworpen, zodat zij duidelijk door de bestreden belasting wordt beoogd. A.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 171 en 172 van de Grondwet en met de beginselen van niet-retroactiviteit en rechtszekerheid, die het beginsel van voorzienbaarheid van de belastingwet omvatten. Het is gericht tegen artikel 8 van het decreet van het Waalse Gewest van 17 juli 2018 « houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2018 » (hierna : het decreet van 17 juli 2018) (zaak nr. 7162) en tegen artikel 10 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 november 2018 « houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2019 » (hierna : het decreet van 30 november 2018) (zaak nr. 7206). De verzoekende partijen bekritiseren de bepaling van de belastbare materie, in zoverre de producenten de uitvoering van hun terugnameplicht gezamenlijk uit handen hebben gegeven, terwijl de milieuovereenkomst die is gesloten tussen het Waalse Gewest en de representatieve organisaties van producenten van EEA of de representatieve organisaties van de producenten van batterijen en accu’s niet respectievelijk in 2018 of 2019 nog steeds van kracht diende te zijn. Daaruit vloeit voort dat doordat de bestreden bepalingen een situatie beogen van vóór respectievelijk de jaren 2018 of 2019, jaren waarvoor de in het geding zijnde belasting wordt gevestigd, een retroactieve werking hebben, zonder dat die retroactiviteit kan worden verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang. 7 A.
- De Waalse Regering stelt vast dat de verzoekende partijen erkennen dat zij sinds het einde van de milieuovereenkomsten die hun activiteiten omlijnen buiten elk wettelijk kader handelen en dat zij dus de Waalse wetgeving overtreden, hetgeen wordt bestraft door het Milieuwetboek. De Waalse Regering gaat niettemin ervan uit dat de bestreden belasting voor de respectieve aanslagjaren 2018 en 2019 niet in die zin kan worden geïnterpreteerd dat daaraan een retroactieve werking zou worden verleend. De verzoekende partijen betwisten echter niet dat de negende verzoekende partij aan de belasting is onderworpen, aangezien haar, krachtens een in 2018 en 2019 van kracht zijnde milieuovereenkomst, door de producenten een terugnameplicht is toevertrouwd. A.
- De verzoekende partijen antwoorden dat de Waalse Regering niet bereid lijkt de vervallen milieuovereenkomsten te sluiten, waarnaar artikel 8bis van het decreet van 27 juni 1996 « betreffende de afvalstoffen » verwijst, zodat de definitie van de belastingschuldige verwijst naar een voorbije situatie en dus een retroactieve werking heeft. A.
- De Waalse Regering repliceert dat het mechanisme van de milieuovereenkomst slechts één mogelijke wijze is waarop de terugnameplicht ten laste van de producenten wordt uitgevoerd, die tot resultaatsverplichtingen gehouden zijn. Sommige milieuovereenkomsten zijn trouwens in 2019 verlengd. In elk geval beogen de bestreden bepalingen uitsluitend de situaties die van kracht waren tijdens het betrokken aanslagjaar. A.15.
- Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in samenhang gelezen met de artikelen 8bis, lid 1, d), en 14 van de richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 « betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen », met artikel 16 van de richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 « inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG » en met de artikelen 12, lid 3, en 13 van de richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 « betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (herschikking) », waaruit het beginsel van de gelijke behandeling van de producenten van producten en het beginsel « de vervuiler betaalt » voortvloeien. De verzoekende partijen klagen aan dat bij de bestreden bepalingen een belasting wordt gevestigd voor de uitvoering van de terugnameplicht, terwijl het forfaitair bedrag van die belasting slechts wordt vastgelegd voor de rechtspersonen die zijn belast met de terugnameplicht inzake AEEA en inzake afgedankte batterijen en accu’s. A.15.
- In het eerste onderdeel van het middel bekritiseren de verzoekende partijen het onderscheid dat op onverantwoorde wijze wordt gemaakt tussen de producenten die aan de terugnameplicht zijn onderworpen, naargelang zij hebben gekozen voor een individueel systeem dan wel voor een collectief systeem voor de uitvoering van die verplichting. A.15.
- In het tweede onderdeel van het middel klagen de verzoekende partijen aan dat bij de bestreden bepalingen een belasting wordt gevestigd voor de uitvoering van de terugnameplicht, terwijl daarbij het bedrag slechts wordt vastgelegd voor de rechtspersonen die zijn belast met de terugnameplicht inzake AEEA en inzake afgedankte batterijen en accu’s. A.15.
- In het derde onderdeel van het middel bekritiseren de verzoekende partijen het forfaitaire karakter van de ingestelde belasting, die, zonder dat dienaangaande de minste verantwoording bestaat, verschilt naargelang het gaat om instellingen voor het beheer van AEEA dan wel om instellingen voor het beheer van afgedankte batterijen en accu’s. Die forfaitaire belasting is totaal onevenredig, aangezien de kostprijs van het beheer van de AEEA niet dezelfde is voor alle categorieën van AEEA, wat de Waalse Regering heeft gepoogd te corrigeren door contra legem het bericht van aanslag te verzenden naar de instelling voor de uitvoering van de terugnameplicht. Indien de bestreden bepalingen in die zin zouden worden geïnterpreteerd dat zij, wat de definitie van de belastingschuldige betreft, een respectievelijk in 2018 en 2019 van kracht zijnde milieuovereenkomst vereisen, zou de situatie even discriminerend zijn, aangezien de enige overeenkomst die toen van kracht was, de terugnameplicht inzake autobatterijen en –accu’s betreft. 8 A.15.
- In het vierde onderdeel van het middel bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat de instellingen voor het beheer van afgedankte zonnepanelen van het toepassingsgebied van de belasting zijn uitgesloten, terwijl die sector, zoals die van de AEEA, aan een terugnameplicht is onderworpen, en terwijl, om die verplichting uit te voeren, de producenten een beroep doen op een beheersinstelling die actief is op het gehele grondgebied. A.16.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, is de Waalse Regering van mening dat de keuze om de terugnameplicht op individuele wijze of collectief in werking te stellen alleen afhangt van de wil van de betrokken producenten. Te dezen vermocht de Waalse wetgever, rekening houdend met zijn ruime beoordelingsbevoegdheid in fiscale aangelegenheden, te beslissen enkel de rechtspersonen te belasten aan wie de producenten ervoor hebben gekozen de inwerkingstelling van hun terugnameplicht gezamenlijk toe te vertrouwen, in zoverre die personen in werkelijkheid het geheel van die activiteitensector in het Waalse Gewest concentreren. Het zou daarenboven onevenredig zijn alle aan een terugnameplicht onderworpen producenten te belasten, aangezien diegene die die verplichting op individuele wijze in werking stelt minder schaalvoordelen zal genieten dan diegene die die opdracht, via een collectief systeem, aan een beheersinstelling toevertrouwt. Het beginsel « de vervuiler betaalt » wordt niet geschonden, aangezien de belastingschuldige niet de producent is, waarbij de bestreden belasting een onafhankelijk fiscaal instrument is om het gewestelijk beleid inzake het beheer van aan een terugnameplicht onderworpen afvalstoffen te financieren. A.16.
- Wat het tweede tot het vierde onderdeel van het middel betreft, gaat de Waalse Regering ervan uit dat, rekening houdend met haar ruime beoordelingsbevoegdheid in fiscale aangelegenheden, de Waalse wetgever van mening kon zijn dat, gelet op het economische gewicht van die activiteit op het Waalse grondgebied, het bedrag van de belasting alleen voor de AEEA en de afgedankte batterijen en accu’s forfaitair diende te worden vastgelegd, met uitsluiting van de afgedankte zonnepanelen te beogen. A.17.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, antwoorden de verzoekende partijen dat niets verantwoordt dat de keuze van de producent om gebruik te maken van een individueel dan wel een collectief systeem een criterium vormt om te bepalen wie een belasting is verschuldigd die ertoe strekt het beleid met betrekking tot de aan een terugnameplicht onderworpen afvalstoffen te financieren. Het is daarenboven evident dat indien ten laste van de beheersinstellingen een belasting wordt gevestigd wegens de terugnameplicht die zij uitvoeren voor rekening van de producenten, zij noodzakelijkerwijs aan de producenten die leden zijn zal worden doorgerekend. A.17.
- Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, antwoorden de verzoekende partijen dat de Waalse Regering niet aantoont wat het beweerde economische gewicht is van de twee sectoren van aan een terugnameplicht onderworpen afvalstoffen die bij de bestreden belasting worden beoogd. A.17.
- Wat het derde en het vierde onderdeel van het middel betreft, antwoorden de verzoekende partijen dat de Waalse Regering het forfaitaire karakter van het bedrag van de belasting niet verklaart en dat het verkeerd is te beweren dat één enkele uitvoeringsinstelling de stromen van AEEA beheert, aangezien er een beheersinstelling bestaat voor een gedeelte van die AEEA, namelijk de afgedankte zonnepanelen. A.
- De Waalse Regering repliceert dat de afwenteling van de belasting op de producenten niet evident is en dat zij in elk geval niet relevant is in het debat. De bestreden belasting is slechts voor één jaar – en niet op blijvende wijze – verschuldigd en de beheersinstellingen zouden kunnen beslissen haar in hun boekhouding op te nemen. A.
- Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van het in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet verankerde wettigheidsbeginsel en van het in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet verankerde beginsel van gelijke behandeling en niet-discriminatie. 9 De verzoekende partijen zijn van mening dat artikel 10 van het decreet van 17 juli 2018 (zaak nr. 7162) en artikel 12 van het decreet van 30 november 2018 (zaak nr. 7206), die het mogelijk maken de belasting te voldoen via een tussen de belastingschuldige en de minister gesloten overeenkomst, aan de Waalse Regering en aan de belastingschuldige de bevoegdheid delegeren om essentiële bestanddelen van de belasting vast te leggen, met schending van de aangevoerde bepalingen. De noodzaak van die delegatie wordt geenszins verantwoord en er wordt geen enkele beperking op de uitoefening ervan, met name op het vlak van termijnen, bepaald. Het feit dat de belastingwet van openbare orde is, betekent dat de belastingschuldige en de belastingadministratie geen enkele overeenkomst kunnen sluiten die afwijkt van de wettelijke bepalingen die de grondslag en het tarief van de belasting vormen. A.
- De Waalse Regering gaat ervan uit dat, aangezien de wetgever de essentiële bestanddelen van de belasting heeft bepaald en aangezien de bestreden bepalingen geen enkele afwijking mogelijk maken ten aanzien van de definitie van de belastingschuldige of ten aanzien van het bedrag van de belasting, niets de belastingschuldige en de minister belet om voor het overige een overeenkomst te sluiten die enkel uit de wil van de partijen zou voortvloeien. A.
- De verzoekende partijen antwoorden dat, aangezien de schikking de betaling van de belasting vervangt en aangezien het bedrag ervan in dat kader van een schikking verschillend kan zijn, de uitvoerende macht en de belastingschuldige van het wettelijk vastgelegde bedrag kunnen afwijken. Een belastingschuldige zou aldus illegale voordelen kunnen genieten ten opzichte van zijn concurrenten, met schending van het karakter van openbare orde van de belastingwet. A.
- De Waalse Regering repliceert dat de bestreden belasting alle belastingschuldigen op dezelfde wijze raakt, ongeacht de nadere regels voor de inwerkingstelling ervan. Aldus zou een schikking het niet mogelijk maken een bedrag vast te leggen dat lager is dan het in het decreet bepaalde bedrag, en een eventueel hoger bedrag zou niet als belasting kunnen worden aangemerkt. Geen enkel illegaal voordeel zou daarenboven kunnen worden toegekend in een met het Gewest te ondertekenen overeenkomst. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.
- De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 7 tot 11 van het decreet van het Waalse Gewest van 17 juli 2018 « houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2018 » (zaak nr. 7162) en van de artikelen 9 tot 13 van het decreet van het Waalse Gewest van 30 november 2018 « houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2019 » (hierna : het decreet van 30 november 2018) (zaak nr. 7206). Bij de bestreden bepalingen wordt, respectievelijk voor de jaren 2018 en 2019, een belasting ingesteld die ertoe strekt bij te dragen tot de financiering van het beleid van het Waalse Gewest inzake het voorkomen en het beheren van afvalstoffen die aan een terugnameplicht zijn onderworpen. 10 B.2.
- Krachtens artikel 8bis van het decreet van 27 juni 1996 « betreffende de afvalstoffen » (hierna : het decreet van 27 juni 1996) vermag de Waalse Regering aan de producenten een terugnameplicht op te leggen voor goederen of afvalstoffen uit commercialisering of uit het gebruik voor eigen behoefte van goederen, grondstoffen of producten met het oog op de preventie, het hergebruik, de recycling, de nuttige toepassing of een aangepast beheer van die goederen of afvalstoffen en op de internalisering van het geheel of van een deel van de beheerskosten. De terugnameplicht omvat de dekking van de desbetreffende kosten. B.2.
- De regeling van de terugnameplicht maakt deel uit van « het ruimere concept van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in de zin van artikel 8 van de richtlijn 2008/98/EG van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen » (Parl. St., Waals Parlement, 2015-2016, nr. 484/1, p. 7). In de parlementaire voorbereiding van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 « houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning » (hierna : het decreet van 23 juni 2016), waarvan artikel 97 artikel 8bis van het decreet van 27 juni 1996 heeft gewijzigd, wordt dienaangaande uiteengezet : « Het ruimere begrip ‘ responsabilisering van de producenten ’ omvat drie verschillende mechanismen : - Een terugnameplicht, wanneer de afvalstroom een terugname rechtvaardigt (autowrakken, AEEA, batterijen en accu’s, enz.); - Een rapportageplicht, wanneer de stroom van huishoudelijk afval reeds selectief wordt ingezameld op initiatief van de overheidssector, geen ketentekort vertoont maar, wegens de kenmerken ervan, een minimale rapportage rechtvaardigt om het inzamelings- en verwerkingspercentage te kunnen beoordelen, en de maatregelen die de producenten hebben genomen op het vlak van preventie en sensibilisering van de consument (olie en frituurvet bijv.); - Een verplichting tot deelname aan het gewestelijk beleid inzake preventie en beheer van afval, met inbegrip van de openbare netheid, wanneer de afvalstroom wordt beheerd door de overheidssector maar een ketentekort (negatieve afvalwaarde) vertoont, een probleem van openbare netheid veroorzaakt of om de ontwikkeling van circuits voor hergebruik en nuttige toepassing te stimuleren. Om praktische redenen is de deelname forfaitair. Zij zal, naar gelang van de aard ervan, moeten worden bepaald door het Parlement (fiscale bepaling), de Regering of in het kader van een overeenkomst » (ibid.). 11 B.2.3.
- De Europese Unie streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel « de vervuiler betaalt » (artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). B.2.3.
- De voormelde richtlijn 2008/98/EG refereert aan het beginsel « de vervuiler betaalt » als een leidend beginsel op Europees en internationaal niveau. Conform dat beginsel moeten de kosten van de afvalverwijdering worden gedragen door de huidige of de vorige houder van de afvalstoffen of door de producent van het product waaruit het afval voortkomt (overweging 1). De producent en de houder van de afvalstoffen moeten het afval beheren op een manier die een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu waarborgt (overweging 26). De invoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is een van de middelen die ertoe moeten bijdragen dat bij het ontwerpen en produceren van goederen het efficiënte gebruik van grondstoffen gedurende de gehele levenscyclus van de goederen, met inbegrip van reparatie, hergebruik, demontage en recycling, ten volle in aanmerking wordt genomen en wordt gefaciliteerd, zonder dat het vrij verkeer van goederen in de interne markt in het gedrang komt (overweging 27). De kosten dienen zo te worden berekend dat zij de reële milieukosten van de productie en het beheer van het afval weergeven (overweging 25). B.2.3.
- In de richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 « tot wijziging van richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen » wordt gepreciseerd dat met de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid « een reeks maatregelen van de lidstaten » worden beoogd « om producenten voor te schrijven dat zij financiële en organisatorische verantwoordelijkheid dragen voor het beheer van de afvalfase van de levenscyclus van een product, met inbegrip van handelingen in verband met gescheiden inzameling, sortering en verwerking », dat die verplichting « ook een organisatorische verantwoordelijkheid [kan] inhouden en een verantwoordelijkheid om bij te dragen aan afvalpreventie en de herbruikbaarheid en recycleerbaarheid van producten » en dat de producenten van producten « individueel of collectief [kunnen] voldoen aan de 12 verplichtingen uit hoofde van de regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid » (overweging 14). Zoals het is vervangen bij artikel 1, punt 15, van de richtlijn (EU)2018/851, bepaalt artikel 14 van de richtlijn 2008/98/EG : «
- Overeenkomstig het beginsel ‘ de vervuiler betaalt ’ worden de kosten van het afvalbeheer, met inbegrip van de kosten voor de noodzakelijke infrastructuur en de exploitatie ervan, gedragen door de oorspronkelijke producent van de afvalstoffen of door de huidige of vorige houders van afvalstoffen.
- Onverminderd de artikelen 8 en 8bis kunnen de lidstaten besluiten de kosten van het afvalbeheer geheel of gedeeltelijk te laten dragen door de producent van het product waaruit het afval is voortgekomen, en de distributeurs van een dergelijk product in deze kosten te laten delen ». B.3.
- Met toepassing van artikel 2 van het besluit van de Waalse Regering van 23 september 2010 « tot invoering van een terugnameplicht voor bepaalde afvalstoffen » zijn met name afval van batterijen en accu’s en afgedankte elektrische of elektronische apparatuur (AEEA) aan de terugnameplicht onderworpen. B.3.
- Om die verplichting na te komen, kunnen de betrokken producenten ofwel zelf voldoen aan hun terugnameplicht, ofwel die verplichting laten uitvoeren door een erkende instelling waarbij zij zijn aangesloten of een milieuovereenkomst sluiten zoals bedoeld in het decreet van 20 december 2001 « betreffende de milieuovereenkomsten » en in dat kader de uitvoering van de verplichtingen geheel of gedeeltelijk toevertrouwen aan een beheersorgaan (artikel 8bis, § 3, van het decreet van 27 juni 1996 en artikel 4, § 1, van het voormelde besluit van 23 september 2010). B.3.
- De organen die zijn erkend voor het nakomen van de verplichtingen die inherent zijn aan de terugname van de afvalstoffen in kwestie en het orgaan dat instaat voor het beheer van de milieuovereenkomst dienen te worden opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk (artikel 11, 1°, en artikel 22, § 1, van hetzelfde besluit). Zij zijn belast met de inzameling van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur of van gebruikte batterijen en accu’s. Zij worden gefinancierd door middel van de milieubijdragen die de aangesloten producenten, op wie de terugnameplicht rust, per apparaat, batterij of accu aan hen betalen bij 13 het op de markt brengen van het betrokken product, en door de ledenbijdragen van de aangesloten producenten. B.
- Bij zijn arrest nr. 25/2018 van 1 maart 2018 heeft het Hof artikel 98 van het decreet van 23 juni 2016 vernietigd, dat aan de instellingen die de uitvoering van de terugnameplicht van de producenten verzekeren, een belasting oplegde die werd berekend op hun eigen vermogen en voorzieningen. B.5.
- De artikelen 7 tot 11 van het decreet van 17 juli 2018 bepalen : « Art.
- Er wordt voor 2018 een belasting ingevoerd om bij te dragen aan de financiering van het beleid van het Gewest inzake preventie en beheer van afval waardoor de terugnameplicht geldt. Art.
- De belastingplichtige is de rechtspersoon aan wie de producenten de uitvoering van hun terugnameplicht gezamenlijk hebben toevertrouwd krachtens artikel 8bis van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen. Art.
- De belasting wordt vastgesteld op 0,42 euro per inwoner in het Waalse Gewest voor afval van batterijen en accu’s waarvoor de terugnameplicht geldt overeenkomstig het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en met de volgende afvalcodes : 1606 Batterijen en accu’s; 160601 Loodaccumulatoren; 160602 Ni/Cd-accumulatoren; 160603 Kwikhoudende batterijen; 160604 Alkalibatterijen; 160605 Andere batterijen en accu’s; 2001 Afzonderlijk ingezamelde delen; 200133 Gemengde batterijen en accu’s die batterijen en accu’s opgenomen in de rubrieken 160601, 160602 of 160603 bevatten en niet gesorteerde batterijen en accu’s welke die batterijen bevatten; 200134 Andere batterijen en accu’s dan die bedoeld in rubriek
- De belasting wordt vastgesteld op 0,63 euro per inwoner in het Waalse Gewest voor afval van elektrische en elektronische apparatuur onderworpen aan de terugnameplicht op 31 december 2017 krachtens artikel 8bis van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. 14 Het aantal inwoners wordt vastgesteld op grond van de bevolkingsstatistieken op 1 januari 2018 van het Directoraat-generaal Statistiek en Economische informatie van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. Art.
- De belasting wordt betaald via een schikkingsprocedure als de belastingschuldige ervoor kiest om een overeenkomst met de Minister te sluiten met betrekking tot de organisatie van zijn bijdrage tot de financiering van het beleid van het Gewest inzake preventie en beheer van afval waarvoor de terugnameplicht geldt. De overeenkomst bedoeld in het eerste lid bevat minstens : 1° de verbintenis van de belastingschuldige om aan het Afvalfonds een jaarlijkse bijdrage per inwoner te storten van een bedrag dat minstens gelijk is aan het bedrag van de belasting; 2° de nadere regels in verband met de storting van de bijdrage; 3° de wijze van overleg betreffende de bestemming van de bijdrage; 4° een lijst van gewestelijke acties die door de bijdrage worden gefinancierd. De gewestelijke acties die in het kader van de overeenkomst worden gefinancierd, kunnen [met name] betrekking hebben op : 1° de preventie van afval waarvoor de terugnameplicht geldt; 2° de sensibilisering en de controle; 3° de bestrijding van overlast; 4° het onderzoek en de ontwikkeling met het oog op de verbetering van het recyclingrendement, de ontmantelings- en zuiveringstechnieken, technieken voor de terugwinning van stoffen die voor een nuttige toepassing in aanmerking komen; 5° de verbetering van de selectieve ophalingen; 6° de ontwikkeling van gewestelijke kanalen. De uitvoering van de overeenkomst maakt het voorwerp uit, per belastingplichtige, van een evaluatie en van een verslag van het Bestuur, voorgelegd aan de Regering. Bij niet-uitvoering door de belastingschuldige van een of meerdere van de verplichtingen vervat in de overeenkomst, kan de Minister een einde maken aan de overeenkomst vóór het verstrijken ervan. Art.
- De opbrengst van de belastingen en bijdragen bedoeld in de artikelen 9 tot 12 wordt uitsluitend bestemd voor het Begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, namelijk het ‘ Fonds pour la gestion des déchets ’ (Fonds voor afvalbeheer), opgericht binnen de ontvangstenbegroting en de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest ». 15 Overeenkomstig artikel 12 ervan heeft het decreet van 17 juli 2018 « uitwerking met ingang van 1 januari 2018 ». B.5.
- De bestreden bepalingen van het decreet van 17 juli 2018 worden als volgt verantwoord : « Voorgesteld wordt om, in de vorm van een budgettaire bijbepaling, een belasting voor één jaar in te voegen ten laste van de instellingen die de terugnameplicht van de producenten van batterijen en accu’s en van elektrische en elektronische apparatuur uitvoeren. De belasting wordt gevestigd ingevolge de vernietiging, op 1 maart 2018, door het Grondwettelijk Hof van de fiscale regeling ingesteld bij artikel 98 van het decreet van 23 juni 2016, dat de artikelen 26/1 tot 26/5 invoegt in het fiscaal decreet van 22 maart 2007 tot bevordering van afvalpreventie en –valorisatie in het Waalse Gewest (arrest nr. 25/2018). De bepaling beoogt de instellingen die de terugnameplicht van de producenten voor de stromen batterijen en accu’s en elektrische en elektronische apparatuur die op 31 december 2017 aan die verplichting zijn onderworpen, uitvoeren. De belasting wordt vastgesteld op een bedrag per inwoner in het Waalse Gewest op 1 januari 2018, volgens de bevolkingsstatistieken bekendgemaakt door de Federale Overheidsdienst Economie. Aan de eco-instellingen wordt de mogelijkheid gelaten om te kiezen voor een bij een overeenkomst met het Gewest geregeld mechanisme, dat als voordeel heeft dat de ontvangsten worden bestemd voor het beleid inzake preventie en beheer van de afvalstoffen waarop de belasting betrekking heeft, en dat die bestemming in overleg wordt bepaald » (Parl. St., Waals Parlement, 2017-2018, nr. 1126/1, bijlage 5, p. 6). B.6.
- De artikelen 9 tot 13 van het decreet van 30 november 2018 bepaalden : « Art.
- Er wordt voor 2019 een belasting ingevoerd om bij te dragen aan de financiering van het beleid van het Gewest inzake preventie en beheer van afval onderworpen aan de terugnameplicht. Art.
- De belastingplichtige is de rechtspersoon aan wie de producenten de uitvoering van hun terugnameplicht gezamenlijk hebben toevertrouwd krachtens artikel 8bis van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen. Art.
- De belasting wordt vastgesteld op 0,42 euro per inwoner in het Waalse Gewest voor afval van batterijen en accu’s onderworpen aan de terugnameplicht overeenkomstig het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en van de volgende afvalcodes : 16 1606 Batterijen en accu’s; 160601 Loodaccumulatoren; 160602 Ni/Cd-accumulatoren; 160603 Kwikhoudende batterijen; 160604 Alkalibatterijen; 160605 Andere batterijen en accu’s; 2001 Afzonderlijk ingezamelde delen; 200133 Gemengde batterijen en accu’s bevattende batterijen en accu’s opgenomen in de rubrieken 160601, 160602 of 160603 en niet gesorteerde batterijen en accu’s die die batterijen bevatten; 200134 Andere batterijen en accu’s dan die bedoeld in rubriek
- De belasting wordt vastgesteld op 0,63 euro per inwoner in het Waalse Gewest voor afval van elektrische en elektronische apparatuur onderworpen aan de terugnameplicht op 31 december 2017 overeenkomstig artikel 8bis van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen en Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. Het aantal inwoners wordt vastgesteld op grond van de bevolkingsstatistieken op 1 januari 2018 van het Directoraat-generaal Statistiek en Economische informatie van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. Art.
- De belasting wordt betaald via een schikkingsprocedure als de belastingplichtige ervoor kiest om een overeenkomst met de Minister te sluiten met betrekking tot de organisatie van de financiering van het beleid van het Gewest inzake preventie en beheer van afval onderworpen aan de terugnameplicht. De overeenkomst bedoeld in het eerste lid bevat minstens : 1° de verbintenis van de belastingplichtige om een jaarlijkse bijdrage per inwoner te storten van een bedrag dat minstens gelijk is aan het bedrag van de belasting; 2° de modaliteiten in verband met de storting van de bijdrage; 3° de overlegmodaliteiten betreffende de bestemming van de bijdrage; 4° een lijst van gewestelijke acties die door de bijdrage worden gefinancierd. De gewestelijke acties die in het kader van de overeenkomst worden gefinancierd, kunnen [met name] betrekking hebben op : 1° de preventie van afval onderworpen aan de terugnameplicht; 2° de sensibilisering en de controle; 3° de bestrijding van overlast; 17 4° het onderzoek en de ontwikkeling met het oog op de verbetering van de efficiëntie van de recycling, de ontmantelings-, zuiveringstechnieken, technieken voor de terugwinning van valoriseerbare stoffen; 5° de verbetering van de selectieve ophalingen; 6° de ontwikkeling van gewestelijke filières. De uitvoering van de overeenkomst maakt het voorwerp uit, per belastingplichtige, van een evaluatie en van een verslag van het Bestuur, voorgelegd aan de Regering. Bij niet-uitvoering door de belastingplichtige van een of meerdere van de verplichtingen vervat in de overeenkomst, kan de Minister een einde maken aan de overeenkomst vóór het verstrijken ervan. Art.
- De opbrengst van de belastingen en bijdragen bedoeld in de artikelen 9 tot 12 wordt uitsluitend bestemd voor het Begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, namelijk het ‘ Fonds pour la gestion des déchets ’ (Fonds voor afvalbeheer), opgericht binnen de ontvangstenbegroting en de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest ». Overeenkomstig artikel 22 ervan « treedt » het decreet van 30 november 2018 « in werking op 1 januari 2019 ». B.6.
- De bestreden bepalingen van het decreet van 30 november 2018 worden aldus verantwoord : « Voorgesteld wordt om, in de vorm van een budgettaire bijbepaling, een belasting voor één jaar in te voegen ten laste van de instellingen die de terugnameplicht van de producenten van batterijen en accu’s en van elektrische en elektronische apparatuur uitvoeren. De belasting wordt gevestigd ingevolge de vernietiging, op 1 maart 2018, door het Grondwettelijk Hof van de fiscale regeling ingesteld bij artikel 98 van het decreet van 23 juni 2016, dat de artikelen 26/1 tot 26/5 invoegt in het fiscaal decreet van 22 maart 2007 tot bevordering van afvalpreventie en –valorisatie in het Waalse Gewest (arrest nr. 25/2018). De bepaling beoogt de instellingen die de terugnameplicht van de producenten voor de stromen batterijen en accu’s en elektrische en elektronische apparatuur die op 31 december 2017 aan die verplichting zijn onderworpen, uitvoeren. De belasting wordt vastgesteld op een bedrag per inwoner in het Waalse Gewest op 1 januari 2018, volgens de bevolkingsstatistieken bekendgemaakt door de Federale Overheidsdienst Economie. 18 Aan de eco-instellingen wordt de mogelijkheid gelaten om te kiezen voor een bij een overeenkomst met het Gewest geregeld mechanisme, dat als voordeel heeft dat de ontvangsten worden bestemd voor het beleid inzake preventie en beheer van de afvalstoffen waarop de belasting betrekking heeft, en dat die bestemming in overleg wordt bepaald » (Parl. St., Waals Parlement, 2018-2019, nr. 1200/1, bijlage 5, p. 7). Ten aanzien van het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 7206 B.7.
- De artikelen 4 tot 8 van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2019 « houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2019 » (hierna : het decreet van 19 december 2019) bepalen : « Art.
- Artikel 9 van het decreet van 30 november 2018 houdende de uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2019 wordt opgeheven. Art.
- Artikel 10 van het decreet van 30 november 2018 houdende de uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2019 wordt opgeheven. Art.
- Artikel 11 van het decreet van 30 november 2018 houdende de uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2019 wordt opgeheven. Art.
- Artikel 12 van het decreet van 30 november 2018 houdende de uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2019 wordt opgeheven. Art
- Artikel 13 van het decreet van 30 november 2018 houdende de uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2019 wordt opgeheven ». Overeenkomstig artikel 9 ervan « heeft » het decreet van 19 december 2019 « uitwerking op 1 januari 2019 ». B.7.
- Die bepalingen worden aldus verantwoord : « Tegen de in het begrotingsdecreet 2018 opgenomen en in december 2018 geïnde belasting werden nieuwe beroepen ingesteld door de twee belastingschuldigen die de geldigheid betwisten van het decreet van 17 juli 2018 houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar
- Ter herinnering, in zijn vonnis [lees : arrest] van 1 maart 2018 (arrest nr. 25/2018) had het Grondwettelijk Hof artikel 26 van het decreet van 21 december 2016 houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2017 vernietigd. Het bedrag van die belasting voor het jaar 2019 moet niet worden geïnd indien men wil vermijden dat dat scenario zich jaar na jaar herhaalt en dat niet te verwaarlozen sommen aan interesten (7 % per jaar) verloren 19 gaan. Op grond daarvan wordt de belasting afgeschaft en het bedrag tot 0 herleid » (Parl. St., Waals Parlement, 2019-2020, nr. 70/1, bijlage 9, p. 3). B.
- Aangezien de bestreden artikelen 9 tot 13 van het decreet van 30 november 2018 met uitwerking op 1 januari 2019 zijn opgeheven bij de artikelen 4 tot 8 van het decreet van 19 december 2019, hebben die bepalingen, die van toepassing zijn voor het jaar 2019, geen uitwerking kunnen hebben. Het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 7206 is derhalve zonder voorwerp geworden. Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 7261 B.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de territoriale belastingbevoegdheid van het Waalse Gewest en van het beginsel van de exclusieve verdeling van de bevoegdheden, dat voortvloeit uit de artikelen 5, 39, 134 van de Grondwet, artikel 170, § 2, van de Grondwet en artikel 19, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van het beginsel van de federale loyauteit, verankerd in artikel 143, § 1, van de Grondwet en in artikel 1ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, en van het beginsel van het vrij verrichten van diensten, dat met name gewaarborgd is bij artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en bij artikel 1ter van de voormelde bijzondere wet van 16 januari
- De verzoekende partijen doen gelden dat de bestreden belasting – die, volgens hen, niet verschilt van die welke is vernietigd bij het arrest van het Hof nr. 25/2018 – niet op het grondgebied van het Waalse Gewest kan worden gelokaliseerd, zodat de situatie die zij beoogt ook door de andere gewestwetgevers kan worden beoogd, aangezien de belastingschuldigen actief zijn op het gehele Belgische grondgebied en niet op het grondgebied van één gewest, en zij gefinancierd worden met de milieubijdragen die door de bij hen aangesloten producenten worden betaald, op basis van het aantal producten die op de Belgische markt en niet op het grondgebied van één gewest worden gebracht. 20 B.10.
- Artikel 170, § 2, van de Grondwet bepaalt : « Geen belasting ten behoeve van de gemeenschap of het gewest kan worden ingevoerd dan door een decreet of een in artikel 134 bedoelde regel. De wet bepaalt ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt ». B.10.
- Artikel 1ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten bepaalt : « De uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten als bedoeld in deze wet gebeurt met naleving van de in artikel 143 van de Grondwet bedoelde federale loyauteit en het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, alsmede van de volgende principes : 1° de uitsluiting van elke deloyale fiscale concurrentie; 2° de vermijding van dubbele belasting; 3° het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal. Bij een door een overheid gegrond geacht verzoek van een belastingplichtige houdende vermijding van dubbele belasting treedt die overheid in overleg met de andere betrokken overheden teneinde de belastingheffing die strijdig is met het in het eerste lid, 2°, vermelde principe ongedaan te maken. In het raam van het Overlegcomité als bedoeld in artikel 31 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wordt jaarlijks een overleg gehouden over het fiscaal beleid en over de in het eerste lid bedoelde principes ». Die bepaling geldt enkel voor de uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten als bedoeld in de bijzondere financieringswet. Zij geldt dus niet voor de uitoefening van hun eigen fiscale bevoegdheid, bedoeld in B.10.1, die rechtstreeks uit de Grondwet voortvloeit. B.
- Uit de voormelde bepalingen blijkt niet wat het territoriale toepassingsgebied is van de eigen fiscale bevoegdheid van de deelentiteiten. Wat de gewesten betreft, volgt uit artikel 19, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en uit artikel 7, tweede lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen dat hun decreten of ordonnanties slechts van toepassing zijn in het eigen gewest. Elke regeling die een wetgever uitvaardigt, moet kunnen worden gelokaliseerd 21 binnen het gebied waarvoor hij bevoegd is, zodat iedere concrete verhouding of situatie slechts door één enkele wetgever wordt geregeld. B.
- Bij zijn arrest nr. 25/2018 heeft het Hof de bij het decreet van 23 juni 2016 ingestelde belasting vernietigd op grond van de volgende overwegingen : « B.9.
- Het aanknopingspunt van de belasting, zoals het in de bestreden bepaling is opgevat, kan niet worden gelokaliseerd binnen het grondgebied waarvoor het Waalse Gewest bevoegd is. De belasting beoogt immers alle beheersorganen, ongeacht waar zij zijn gevestigd, en treft hun gehele eigen vermogen en niet slechts sommige fondsen van de vereniging die zouden toelaten de territoriale herkomst van de erin vervatte middelen vast te stellen. B.9.
- Het gegeven dat het bedrag van de belasting, met toepassing van artikel 26/3 van het fiscaal decreet zoals ingevoegd bij de bestreden bepaling, wordt gekoppeld aan een coëfficiënt die overeenstemt met het percentage van de Waalse bevolking ten opzichte van de hele Belgische bevolking, kan die conclusie niet wijzigen. Er is immers niet noodzakelijk een verband tussen het aantal inwoners in het Waalse Gewest en het deel van de activiteiten van de beoogde verenigingen op het grondgebied van het Waalse Gewest, zodat het niet mogelijk is te besluiten dat de gekozen berekeningswijze toelaat alleen fondsen te belasten die voortkomen uit activiteiten die op dat grondgebied zijn gelokaliseerd ». B.13.
- Die redenen gelden ook voor de belasting die bij de bestreden bepalingen is ingesteld voor het jaar
- B.13.
- Aldus, hoewel in het bestreden artikel 7 van het decreet van 17 juli 2018 wordt gepreciseerd dat de bestreden belasting tot doel heeft « bij te dragen aan de financiering van het beleid van het Gewest inzake preventie en beheer van afval onderworpen aan de terugnameplicht », kan het aanknopingspunt van die belasting zoals zij in de bestreden bepalingen is opgevat echter niet worden gelokaliseerd binnen het grondgebied waarvoor het Waalse Gewest bevoegd is. De belasting beoogt immers de rechtspersonen aan wie de producenten de uitvoering van hun terugnameplicht gezamenlijk hebben toevertrouwd (artikel 8), zodat zij – zoals de belasting die is vernietigd bij het arrest nr. 25/2018 – van toepassing is op de instellingen die belast zijn met de uitvoering van de terugnameplicht, ongeacht waar zij zijn gevestigd. 22 B.13.
- De omstandigheid dat het bedrag van de belasting, dat forfaitair is vastgelegd in artikel 9 van het decreet van 17 juli 2018, wordt vermenigvuldigd met het aantal inwoners in het Waalse Gewest, op grond van de bevolkingsstatistieken, kan die conclusie niet wijzigen. B.13.
- Tot slot vormen het feit dat de belasting kan worden betaald via een schikkingsprocedure indien een overeenkomst wordt gesloten (artikel 10) of het feit dat het bedrag ervan wordt bestemd voor een begrotingsfonds (artikel 11) slechts bijzondere nadere regels voor die belasting, zonder dat die elementen ertoe kunnen leiden een aanknopingspunt te doen ontstaan met het grondgebied waarvoor het Waalse Gewest bevoegd is. B.14.
- De bestreden bepalingen vallen dus niet onder de territoriale bevoegdheid van het Waalse Gewest. Het eerste middel is gegrond. B.14.
- Bijgevolg dienen de bestreden bepalingen te worden vernietigd, zonder dat het nodig is de andere middelen te onderzoeken. 23 Om die redenen, het Hof - vernietigt de artikelen 7 tot 11 van het decreet van het Waalse Gewest van 17 juli 2018 « houdende de eerste aanpassing van de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2018 »; - verwerpt het beroep tot vernietiging in de zaak nr.
- Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux F. Daoût PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.034 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.