id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.035 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210304.8 Arrest- Rolnummer: 35/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-04-03 Raadplegingen: 749 - laatst gezien 2026-06-19 17:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 2, § 1, punt 5, 13, tweede lid, en 15, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 14 maart 2019 « houdende diverse bepalingen betreffende de werkorganisatie van de onderwijspersoneelsleden en tot toekenning van meer organisatieflexibiliteit aan de Inrichtende machten », ingesteld door Paul Hannesse. Onderwijs - Franse Gemeenschap - Secundair onderwijs - Opdracht van de leden van het onderwijzend personeel - Aanvullende lestijden - Collegiaal werk. Tekst van de beslissing Rolnummer 7254 Arrest nr. 35/2021 van 4 maart 2021 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, § 1, punt 5, 13, tweede lid, en 15, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 14 maart 2019 « houdende diverse bepalingen betreffende de werkorganisatie van de onderwijspersoneelsleden en tot toekenning van meer organisatieflexibiliteit aan de Inrichtende machten », ingesteld door Paul Hannesse. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 september 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 september 2019, heeft Paul Hannesse, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Piret, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, § 1, punt 5, 13, tweede lid, en 15, § 1, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 14 maart 2019 « houdende diverse bepalingen betreffende de werkorganisatie van de onderwijspersoneelsleden en tot toekenning van meer organisatieflexibiliteit aan de Inrichtende machten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 maart 2019, tweede editie). De Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. M. Uyttendaele en Mr. P. Minsier, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Franse Gemeenschapsregering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 12 november 2020 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers P. Nihoul en T. Merckx-Van Goey te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen is, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 25 november 2020 en de zaak in beraad zal worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak op 25 november 2020 in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1. De verzoekende partij doet gelden dat zij leraar Frans is in het gesubsidieerd confessioneel vrij secundair onderwijs, dat zij bijgevolg rechtstreeks wordt geraakt door de verplichting om 60 nieuwe lestijden collegiaal werk te presteren en dat zij dan ook doet blijken van een belang bij het beroep. A.2. De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de verzoekende partij om in rechte te treden niet. 3 Ten gronde A.3.1. De verzoekende partij leidt een middel af uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, van artikel 4, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, van artikel 19, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 (hierna : de wet van 16 maart 1971), in samenhang gelezen met artikel 2, punt 1, van de richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 « betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd » (hierna : de richtlijn 2003/88/EG), alsook van artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre lestijden collegiaal werk in het leven worden geroepen. A.3.2. De verzoekende partij preciseert allereerst wat dient te worden verstaan onder « arbeidsduur » of « arbeidstijd », waarbij zij zich baseert op artikel 19, tweede lid, van de wet van 16 maart 1971 en artikel 2 van de richtlijn 2003/88/EG. Het gaat respectievelijk om de tijd gedurende welke het personeel ter beschikking is van de werkgever en de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent. De verzoekende partij herinnert eraan dat die begrippen volgens objectieve kenmerken moeten worden beoordeeld (HvJ, 21 februari 2018, C-518/15, Stad Nijvel t. Rudy Matzak en HvJ, 10 september 2015, C-266/14, Tyco Integrated Security). Het Hof van Cassatie definieert de arbeidstijd op soortgelijke wijze, in die zin dat hij afhankelijk is van de verplichting om zich ter beschikking van de werkgever te houden en in voorkomend geval op de arbeidsplaats aanwezig te zijn (Cass., 28 november 2016, S.15.0108.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161128.2). De nieuwe lestijden collegiaal werk moeten derhalve klaarblijkelijk als arbeidstijd worden beschouwd. A.3.3. Artikel 4, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens verbiedt dwangarbeid of verplichte arbeid. De verzoekende partij onderstreept dat, hoewel geen enkele definitie van dat soort arbeid in het Verdrag staat, rekening dient te worden gehouden met het Verdrag nr. 29 van de Internationale Arbeidsorganisatie van 28 juni 1930 « betreffende de gedwongen of verplichte arbeid », dat elke « arbeid of dienst » beoogt die « gevorderd wordt van een persoon onder bedreiging met onverschillig welke straf en waarvoor gezegde persoon zich niet gewillig heeft aangeboden » (EHRM, 23 november 1983, Van der Mussele t. België). De sanctie kan zowel van strafrechtelijke als van tuchtrechtelijke aard zijn. Volgens de verzoekende partij moeten de nieuwe lestijden collegiaal werk worden beschouwd als diensten die worden bewezen buiten het kader van de normale beroepsactiviteiten van de leerkracht, die niet worden bezoldigd of waar op zijn minst geen compensatie tegenover staat, en waarvan de niet-uitvoering kan worden bestraft met een tuchtsanctie. Bijgevolg zijn de bestreden bepalingen in strijd met het verbod op dwangarbeid. Dat geldt des te meer omdat, zo doet de verzoekende partij opmerken, de nieuwe lestijden collegiaal werk onder geen enkele van de categorieën van uitzondering op dwangarbeid of gedwongen arbeid vallen, zoals bedoeld in artikel 4, lid 3, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.3.4. De verzoekende partij is van mening dat de bestreden bepalingen bovendien in strijd zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre, zonder reden van algemeen belang, alleen de leerkrachten worden geraakt door de lestijden collegiaal werk en niet de andere personeelsleden die onder het toepassingsgebied van de decretale bevoegdheid van de Franse Gemeenschap vallen. A.3.5. Daarenboven vormt, volgens de verzoekende partij, het totaal ontbreken van bezoldiging voor die 60 lestijden collegiaal werk als zodanig een schending van artikel 23 van de Grondwet. A.3.6. Om dezelfde redenen betoogt de verzoekende partij dat de bestreden bepalingen onverenigbaar zijn met artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. A.4.1. De Franse Gemeenschapsregering herinnert om te beginnen eraan dat, in het verlengde van het advies nr. 3 van de Centrale Groep van 7 maart 2017, het doel van het « Pacte d’excellence » en bijgevolg van de bestreden bepalingen erin bestaat de leerkrachten te valoriseren en te responsabiliseren. Onder de middelen die bij het decreet van 14 maart 2019 in werking worden gesteld om het beroep van leerkracht te doen evolueren, bevindt zich het collegiaal werk, dat tegemoet wordt gezien zonder de volledige opdracht van de leerkrachten te verzwaren (advies nr. 3 van de Centrale Groep van 7 maart 2017, p. 18). De Franse Gemeenschapsregering voegt eraan toe dat dat soort werk een zekere impact heeft op de doeltreffendheid en de billijkheid van het schoolsysteem. Op geen enkele wijze vormt collegiaal werk een extra opdracht. Het wordt bedacht in een algemeen perspectief en vertrekt vanuit de hypothese van een wekelijkse investering die gelijkwaardig is aan wat vóór de hervorming bestond (ibid., p. 178). In elk geval zullen de lestijden collegiaal werk moeten aansluiten op de rest van het programma, alsook op het verbod op overbelasting tijdens de lestijden klassenraad, waarbij het geheel moet voortvloeien uit sociaal 4 overleg (ibid., p. 180). Verre van een verzwaring te zijn, gaat het in werkelijkheid om een wijziging van de opdracht van de leerkrachten, van wie de volledige opdracht voortaan klassenwerk, werk voor de klas, school- en studentendienst, voortgezette opleiding en lestijden collegiaal werk omvat. A.4.2. De Franse Gemeenschapsregering wijst allereerst erop dat de leden van het onderwijzend personeel en de andere ambtenaren van de Franse Gemeenschap niet vergelijkbaar zijn. Zij oefenen immers niet dezelfde functies uit en zijn niet aan dezelfde reglementeringen onderworpen. In dat verband is collegiaal werk klaarblijkelijk specifiek voor de opdrachten van de leden van het onderwijzend personeel. Om die redenen is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat de grief die is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet gegrond is. A.4.3. Met betrekking tot de kwalificatie « dwangarbeid » verwijst de Franse Gemeenschapsregering naar het arrest van het Hof nr. 81/95 van 14 december 1995, alsook naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 1 maart 2018, Adigüzel tegen Turkije), waarvan de redenering te dezen analoog is, aangezien de specifieke kenmerken van het beroep van leerkracht verantwoorden de bestreden bepalingen niet als een onderwerping aan dwangarbeid te beschouwen. Als ambtenaar is de leerkracht immers onderworpen aan de wet van de veranderlijkheid van de openbare dienst, die impliciet door de ambtenaar wordt aanvaard. Bovendien toont de verzoekende partij niet aan dat de bepalingen afbreuk zouden doen aan haar bestaande situatie en aan eventuele verworven rechten. In elk geval is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat het risico op een tuchtsanctie niet voldoende is om de opneming van de bestreden bepalingen in het toepassingsgebied van artikel 4 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens te verantwoorden. A.4.4. Met betrekking tot de eventuele schending van artikel 23 van de Grondwet ziet de Franse Gemeenschapsregering niet in hoe de bestreden bepalingen als een aanzienlijke achteruitgang kunnen worden geïnterpreteerd. De verzoekende partij voert trouwens niets dergelijks aan en brengt geen enkel bewijskrachtig element in die zin aan. Ook al zou men ervan kunnen uitgaan dat een dergelijke achteruitgang bestaat, kan de decreetgever zich in elk geval beroepen op redenen van algemeen belang om die achteruitgang te verantwoorden, zoals de algemene doelstelling de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. A.4.5. Tot slot toont de Franse Gemeenschapsregering zich omzichtig ten opzichte van de grieven die verband houden met artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Geen enkele aanwijzing maakt het immers mogelijk aan te tonen dat de bezoldiging van de verzoekende partij onbillijk zou zijn. A.5.1. In haar memorie van antwoord betwist de verzoekende partij de bewering dat collegiaal werk slechts een component van de huidige opdracht van de leerkrachten zou zijn en geen extra opdracht. De Franse Gemeenschapsregering toont geenszins aan dat die opdracht reeds bestond vóór de inwerkingtreding van het decreet, wat wordt bewezen door het feit dat de verzoekende partij nooit ertoe gebracht is een dergelijk werk uit te voeren. Ook al zou men een dergelijk voorafgaan kunnen doen gelden, kan niet worden bewezen dat die component op dat ogenblik 60 lestijden werk vertegenwoordigde. Steunend op het advies nr. 3 van de Centrale Groep van 7 maart 2017, erkent de Franse Gemeenschapsregering zelf dat het erom ging het collegiaal werk te « ontwikkelen ». De verzoekende partij is echter van mening dat het niet mogelijk is te « ontwikkelen » zonder te « verzwaren ». A.5.2. Het argument dat de verzoekende partij een « ambtenaar » zou zijn, is in strijd met de waarheid. De verzoekende partij onderstreept dat alleen de werknemer van wie de tewerkstelling uitsluitend wordt geregeld door de collectieve of individuele beslissingen uitgaande van een werkgever die een overheid is, de hoedanigheid van ambtenaar heeft. Vastgesteld dient te worden dat de verzoekende partij geen enkele statutaire band heeft met de Franse Gemeenschap, aangezien zij leraar is in het gesubsidieerd vrij onderwijs, zoals de Raad van State reeds heeft onderstreept (RvS, 15 december 2006, nr. 165.960). In het vrij onderwijs is de inrichtende macht immers een privaatrechtelijke persoon (Arbeidshof te Brussel, 9 oktober 2002, A.R. nr. 41.521). In het decreet van 1 februari 1993 « houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs » wordt weliswaar, zo erkent de verzoekende partij, het woord « statuut » vermeld, maar de contractuele aard van het werk van de leerkracht in het vrij onderwijs wordt erkend door het Hof van Cassatie (Cass., 18 december 1997, C.97.0248.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971218.14, en Cass., 4 oktober 1993, S.93.0011.N ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931004.14), door het Hof (arrest nr. 30/2006 van 1 maart 2006) en is zelfs naar voren gebracht door de Franse Gemeenschapsregering in haar memorie met betrekking tot het arrest van het Hof nr. 38/96 van 27 juni 1996. 5 A.5.3. De verzoekende partij doet daarenboven opmerken dat de Franse Gemeenschapsregering het risico op een tuchtsanctie bevestigt dat wordt gelopen in geval van niet-uitvoering van de lestijden collegiaal werk. Onderstreept dient te worden dat die sanctie kan gaan tot het ontslag. Bovendien kan het door de Franse Gemeenschapsregering aangehaalde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 1 maart 2018, Adigüzel tegen Turkije) te dezen klaarblijkelijk niet worden toegepast. De verzoekende partij wijst immers op het feit dat, volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de arts in het voormelde arrest had moeten weten dat het in het geding zijnde soort werk deel uitmaakt van de mogelijke opdrachten die aan een arts worden toevertrouwd, en dat vanaf zijn intrede in het beroep. Bovendien had die arts nooit een compensatie voor dat werk gevraagd. De verzoekende partij bevindt zich in een heel andere situatie, aangezien zij, toen zij het beroep heeft gekozen, onmogelijk kon voorzien dat collegiaal werk deel kan uitmaken van haar opdrachten. Op dezelfde wijze wordt niet aangetoond dat de verzoekende partij dat collegiaal werk heeft uitgevoerd zonder een compensatie te eisen. A.5.4. Voor het overige ziet de verzoekende partij niet in hoe de bestreden bepalingen de kwaliteit van het onderwijs zouden verbeteren. Het is trouwens contradictorisch dat de Franse Gemeenschapsregering van mening is dat zulks het geval kan zijn, terwijl zij staande houdt dat er in de opdracht van de leerkracht niets verandert. A.5.5. De verzoekende partij preciseert tot slot dat de vernietiging in elk geval op zijn minst voor de personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs moet worden uitgesproken. A.6.1. In haar memorie van wederantwoord betoogt de Franse Gemeenschapsregering eerst dat de leden van het onderwijzend personeel van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs niet vergelijkbaar zijn met de leden van het onderwijzend personeel van het onderwijs dat niet door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd, aangezien die laatste voor de tweede categorie niet bevoegd is. De leden van het onderwijzend personeel van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs kunnen per definitie evenmin worden vergeleken met het niet-onderwijzend personeel, aangezien die laatsten niet onderwijzen. Bijgevolg zijn de bestreden bepalingen enkel bedoeld om te worden toegepast op de eerste categorie. A.6.2. Met betrekking tot de hoedanigheid van de verzoekende partij erkent de Franse Gemeenschapsregering dat zij, strikt genomen, geen ambtenaar is. Zij blijft echter onderworpen aan een bijzonder statuut dat door de Franse Gemeenschap is vastgelegd ter uitvoering van artikel 24, § 4, van de Grondwet, dat voorziet in de gelijkheid van de leden van het onderwijzend personeel. De Franse Gemeenschapsregering voegt eraan toe dat dat statuut kan worden aangepast aan de vereisten van het algemeen belang, ook al gaat het niet om een statuut van ambtenaar in de strikte zin. De wet van de veranderlijkheid is van toepassing op alle openbare diensten, waarvan het gesubsidieerd vrij onderwijs deel uitmaakt. Het Hof heeft in dat verband reeds kunnen opmerken dat het gesubsidieerd vrij onderwijs een functionele openbare dienst vormt (arresten nrs. 26/92, 27/92 en 23/95). Bijgevolg heeft de verzoekende partij, door leerkracht te worden, impliciet aanvaard dat zij aan dat beginsel is onderworpen. A.6.3. Voor het overige doet de Franse Gemeenschapsregering opmerken dat de bestreden bepalingen niet zouden kunnen worden opgenomen in de uitzonderingen bedoeld in artikel 4, lid 3, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien zij niet als dwangarbeid kunnen worden beschouwd. Daarenboven wijst de Franse Gemeenschapsregering op het feit dat de verzoekende partij op geen enkel ogenblik een verduidelijking heeft aangebracht over een eventuele aanzienlijke achteruitgang om een mogelijke schending van artikel 23 van de Grondwet te verantwoorden. -B- Ten aanzien van de wetgevende context en de bestreden bepalingen B.1.1. De bestreden bepalingen sluiten aan bij de hervorming van het secundair onderwijs in de Franse Gemeenschap, die in 2015 op gang is gebracht door het « Pacte pour un 6 Enseignement d’excellence » (Pact voor een uitmuntend onderwijs). Het bestreden decreet van 14 maart 2019 « houdende diverse bepalingen betreffende de werkorganisatie van de onderwijspersoneelsleden en tot toekenning van meer organisatieflexibiliteit aan de Inrichtende machten » (hierna : het decreet van 14 maart 2019) maakt deel uit van de « Axe stratégique 2 » (Strategische As 2) van dat Pact, met als titel « Mobiliser les acteurs de l’éducation dans un cadre d’autonomie et de responsabilisation accrues en renforçant et en contractualisant le pilotage du système éducatif et des écoles, en augmentant le leadership du directeur et en valorisant le rôle des enseignants au sein de la dynamique collective de l’établissement » (De onderwijsactoren mobiliseren in een kader van toegenomen autonomie en responsabilisering door de sturing van het onderwijssysteem en de scholen te versterken en te contractualiseren, door het leiderschap van de directeur te verhogen en door de rol van de leerkrachten binnen de collectieve dynamiek van de instelling te valoriseren) (cf. advies nr. 3 van de Centrale Groep van 7 maart 2017, p. 111). Die strategische as beoogt « de verbetering van de resultaten van ons schoolsysteem, op het vlak van efficiëntie of billijkheid » via een « versterking van de responsabilisering van de onderwijsactoren » (ibid., p. 112). B.1.2. In het advies nr. 3 van de Centrale Groep van 7 maart 2017 zijn de bakens uitgezet voor het optreden van de decreetgever vóór het decreet van 14 maart 2019 : « de ontwikkeling van het collegiaal werk dat zal worden erkend in de officiële uuropdracht van alle leerkrachten zonder hun opdracht te verzwaren » (ibid., p. 18). « In zoverre uit de toekomstvisie op het beroep van leerkracht en uit de in het Pact geschetste evoluties het steeds grotere belang blijkt van de activiteit van de leerkracht buiten zijn klas, is het nuttig de kwestie aan te snijden van de bepaling van zijn arbeidstijd in zijn geheel. Het gaat met name erom de functies en opdrachten te bepalen die in de opdracht van de leerkracht kunnen worden opgenomen en die welke elders ten laste moeten worden genomen (waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de ten laste genomen functies tijdens de loopbaan van de leerkracht kunnen variëren). De CG gaat ervan uit dat die kwestie moet worden behandeld op basis van de volgende principes : 1. Het beroep van leerkracht vereist, in het kader van een volledige opdracht, dat men zich er voltijds aan wijdt. De CG vertrekt dus van de hypothese dat de totale wekelijkse investering van een leerkracht ten minste gelijk is aan die van de andere werknemers en dat de totale opdracht niet mag worden verzwaard en, in bepaalde bijzondere gevallen, zou kunnen worden 7 verlicht. De kwestie die moet worden uitgediept is dus die van de verdeling van de taken binnen die totale opdracht » (ibid., p. 178). « in het decretale kader moet daarenboven het principe worden verankerd van gemiddeld twee lestijden per week die door elke leerkracht aan collegiaal werk moeten worden besteed, waarbij die lestijden over heel het jaar kunnen worden verdeeld. De CG gaat ervan uit dat, met toepassing van dat principe, de jaarlijks aan collegiaal werk bestede lestijden nauwkeuriger zullen moeten aansluiten op andere functies die de opdracht van de leerkrachten vormen » (ibid., p. 180). B.2.1. De verzoekende partijen vordert de vernietiging van de artikelen 2, § 1, punt 5, 13, tweede lid, en 15, § 1, van het decreet van 14 maart 2019. B.2.2.1. Artikel 2, § 1, van het decreet van 14 maart 2019 bepaalt : « De onderwijzende opdracht bestaat uit : 1. klassenwerk; 2. werk voor de klas; 3. school- en studentendienst; 4. opleiding tijdens de loopbaan; 5. collegiaal werk, d.w.z. een transversale oefeningsmodaliteit van de componenten 1° tot 4° ». B.2.2.2. In de parlementaire voorbereiding wordt vermeld : « Dat artikel bevat een lijst van de 4 componenten van de onderwijzende opdracht, alsook het collegiaal werk, dat een transversale uitoefeningsmodaliteit is van die 4 componenten en dat van toepassing kan zijn op ander personeel dan het onderwijzend personeel. […] In dat artikel wordt ook gepreciseerd dat de nadere regels voor de uitoefening van de verschillende componenten van de opdracht van de personeelsleden zullen moeten worden vastgelegd in het arbeidsreglement. De aangelegenheid van de arbeidsreglementen wordt geregeld door de federale wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen. Krachtens het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 18 februari 1993 betreffende de paritaire commissies in het confessioneel vrij onderwijs en het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 19 mei 1995 betreffende de paritaire commissies in het officieel gesubsidieerd onderwijs zijn de 8 centrale paritaire commissies bevoegd om ‘ te beraadslagen over de algemene werkvoorwaarden ’. Zij zullen dus de bestaande kader-arbeidsreglementen moeten aanpassen aan de nieuwigheden van het thans voorliggende decreet. In het WBE-net zal dit de taak van het Hoog Overlegcomité zijn. De aanneming van het arbeidsreglement dat eigen is aan elke IM, in het gesubsidieerd onderwijs, of aan elke instelling, in het georganiseerd onderwijs, zal zijnerzijds onder het lokaal sociaal overleg vallen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2018-2019, nr. 749/1, p. 11). B.2.3.1. Artikel 13 van het decreet van 14 maart 2019 bepaalt : « Collegiaal werk is het werk met andere personeelsleden en, indien van toepassing, de directie, waarbij het personeelslid enkele of alle van de volgende opdrachten uitvoert :
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.