38, § 6, eerste lid,
, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » schenden de artikelen 10
11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK
ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 29, § 1,
38, § 6, eerste lid,
, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Verval van het recht tot sturen - Voorwaarden voor herstel - Verplichting om te slagen voor de vier examens
onderzoeken bedoeld in artikel 38, §3, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 - Overtreding met een voertuig dat niet in aanmerking komt voor vervallenverklaring. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1968 - 29,§1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet - 16-03-1968 - 38,§6,L1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet - 16-03-1968 - 38,§7 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Rolnummer 7457 Arrest nr. 40/2021 van 4 maart 2021 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 29, § 1,
38, § 6, eerste lid,
, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen
F. Daoût,
de rechters T. Merckx-Van Goey, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne
D. Pieters, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag
rechtspleging Bij vonnis van 6 oktober 2020, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 oktober 2020, heeft de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 29 § 1
38 § 6, lid 1 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968
artikel 38 § 7 van deze wet, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 18 juli 2017 tot wijziging van artikel 38 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, wat betreft het herstel in het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen in examens of onderzoeken, in het bijzonder het theoretisch
/of praktisch rijexamen, de artikelen 10
11 van de Grondwet, in zoverre het de rechter verplicht om bij een veroordeling van een recidiverende bestuurder die niet beschikt over een rijbewijs (geen houder van een rijbewijs : inbreuk op art. 30 § 1.1° wet betreffende de politie over het wegverkeer)
die een overtreding van de vierde graad heeft begaan, niet
kel een straf (geldboete
verval van het recht tot sturen), maar eveneens het herstel in het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor een theoretisch
praktisch examen, terwijl de rechter thans niet meer verplicht is om het herstel in het recht tot sturen afhankelijk te maken van examens of onderzoeken, indien de overtreding werd begaan met een voertuig dat niet in aanmerking komt voor de vervallenverklaring ? ». Op 19 november 2020 hebben de rechters-verslaggevers Y. Kherbache
M. Pâques, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Kristof Vandamme, bijgestaan
vertegenwoordigd door Mr. J. Vandenbogaerde, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging
het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten
de rechtspleging in het bodemgeschil Kristof Vandamme wordt voor de Politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, vervolgd voor een verkeersovertreding die hij heeft begaan op 5 oktober 2019. De Politierechtbank stelt vast dat zij, in navolging van artikel 38, § 6, eerste lid, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : « de Wegverkeerswet »), verplicht is een verval van het recht tot sturen voor een periode van drie maanden uit te spreken,
het herstel van het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor bijbehorende examens
onderzoeken. De Rechtbank stelt vast dat hierdoor een verschil in behandeling zou bestaan tussen,
erzijds, personen die de verkeersovertreding hebben begaan met een voertuig dat in aanmerking komt voor de vervallenverklaring van het recht tot sturen
, anderzijds, personen die de verkeersovertreding hebben begaan met een voertuig dat niet in aanmerking komt voor de vervallenverklaring van het recht tot sturen, waarbij de rechter
kel ten aanzien van de eerste categorie verplicht is om voor het herstel van het recht tot sturen tevens bijbehorende examens
onderzoeken op te leggen, zonder dat voor dat verschil een redelijke verantwoording zou bestaan. Om die reden stelt hij de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A– A.
personen die een verkeersovertreding hebben begaan met een voertuig waarvoor geen rijbewijs nodig is
die niet in aanmerking komen voor een vervallenverklaring van het recht tot sturen niet redelijk te verantwoorden is. Het is niet de verplichting tot vervallenverklaring die aan het Hof wordt voorgelegd, maar de verplichting de bijbehorende examens
onderzoeken op te leggen aan personen die een voertuig besturen waarvoor geen rijbewijs noodzakelijk is. A.2.2. Volgens de beklaagde voor de verwijzende rechter is de opheffing, in artikel 38, § 7, van de Wegverkeerswet, van de verplichting voor de rechter om het herstel van het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor de bijbehorende examens
onderzoeken op zichzelf redelijk verantwoord, maar mist die bepaling de vereiste coherentie doordat zij
kel geldt wanneer de overtreding werd begaan « met een voertuig dat niet in aanmerking komt voor de vervallenverklaring »
niet eveneens geldt wanneer de overtreding werd begaan « met een voertuig waarvoor geen rijbewijs noodzakelijk is ». De prejudiciële vraag moet derhalve bevestigend worden beantwoord. -B- B.1. Met de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de artikelen 29, § 1,
38, § 6 eerste lid,
, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » (hierna : « de Wegverkeerswet ») met de artikelen 10
11 van de Grondwet, in zoverre door de in het geding zijnde artikelen een verschil wordt ingevoerd tussen,
erzijds, personen die de verkeersovertreding hebben begaan met een voertuig dat in aanmerking komt voor de vervallenverklaring van het recht tot sturen
, anderzijds, personen die de verkeersovertreding hebben begaan met een voertuig dat niet in aanmerking komt voor de vervallenverklaring van het recht tot sturen, waarbij de rechter
kel ten aanzien van de eerste categorie verplicht is om voor het herstel van het recht tot sturen tevens bijbehorende examens
onderzoeken op te leggen, zonder dat voor dat verschil een redelijke verantwoording zou bestaan. 4 B.2. Artikel 29, § 1, van de Wegverkeerswet bepaalt : « De Koning kan overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde wetten die de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar brengen
die van die aard zijn dat ze bij een ongeval bijna onvermijdbaar leiden tot fysieke schade
overtredingen die bestaan uit het negeren van een stopbevel van een bevoegd persoon, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, als zodanig aanwijzen als overtredingen van de vierde graad. Deze overtredingen worden gestraft met een geldboete van 40 euro tot 500 euro
met een verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste acht dagen
ten hoogste vijf jaar. Wanneer de rechter het verval van het recht tot sturen niet uitspreekt, motiveert hij deze beslissing. De Koning kan overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde wetten die de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar brengen
overtredingen die bestaan uit het negeren van een bevel van een bevoegd persoon, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, als zodanig aanwijzen als overtredingen van de derde graad. Deze overtredingen worden gestraft met een geldboete van 30 euro tot 500 euro. De Koning kan overtredingen van de reglementen uitgevaardigd op grond van deze gecoördineerde wetten die de veiligheid van personen onrechtstreeks in gevaar brengen
de overtredingen die bestaan uit het onrechtmatig gebruiken van parkeerfaciliteiten voor personen met een handicap of uit gedragingen inzake de inschrijving waardoor men zich aan vervolging kan onttrekken, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, als zodanig aanwijzen als overtredingen van de tweede graad. Deze overtredingen worden gestraft met een geldboete van 20 euro tot 250 euro ». Artikel 38, § 6, eerste lid, van de Wegverkeerswet, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 2 september 2018
gewijzigd bij artikel 2, 1°, van de wet van 8 mei 2019, bepaalt : « Behoudens in geval van § 7, moet de rechter het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken
het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens
onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid, wanneer de schuldige, na een veroordeling met toepassing van de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2
3, 33, §§ 1
2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, één van deze bepalingen binnen de drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan opnieuw overtreedt ». Artikel 38, § 7, van de Wegverkeerswet, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 18 juli 2017
gewijzigd bij artikel 2, 2°, van de voormelde wet van 8 mei 2019, bepaalt : 5 « De rechter is niet verplicht om het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uit te spreken
het herstel in het recht tot sturen afhankelijk te maken van examens of onderzoeken, indien de overtreding werd begaan met een voertuig dat niet in aanmerking komt voor de vervallenverklaring of indien de overtreding werd begaan door een voetganger ». B.3. Artikel 38, § 6, eerste lid, van de Wegverkeerswet verplicht de rechter ertoe om een recidiverende beklaagde te veroordelen tot het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig
het herstel van het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor een theoretisch
een praktisch examen alsook voor een geneeskundig
een psychologisch onderzoek. De overtredingen waarvoor die verplichting geldt, zijn de verkeersovertredingen van de vierde graad, de zware snelheidsovertredingen, het besturen van een motorvoertuig zonder geldig rijbewijs, het plegen van vluchtmisdrijf, het besturen van een motorvoertuig onder invloed van alcohol of drugs, het besturen van een motorvoertuig ondanks een vervallenverklaring, het tegenwerken van de opsporing
vaststelling van overtredingen (met name door het gebruik van een radardetector)
het in het verkeer stellen van een motorvoertuig zonder dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid. B.
heeft hij met name de herhaling bij overtredingen van de Wegverkeerswet strenger willen bestraffen (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2880/001, p. 3) : ‘ Daarnaast wordt recidive van de zwaarste overtredingen zwaarder bestraft. Sedert de wetswijziging van 2 december 2011 is er reeds sprake van recidive voor de combinatie rijden onder invloed van alcohol, dronkenschap
rijden onder invloed van drugs. Nu komt daar vluchtmisdrijf, rijden zonder rijbewijs, overtredingen van de vierde graad, de zwaarste snelheidsovertredingen
het gebruik van de radardetector bij. Wanneer men veroordeeld wordt voor één van deze overtredingen
men één van deze overtredingen opnieuw begaat binnen een periode van drie jaar, zal de rechter een verplicht verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig moeten uitspreken, naast het verplicht opleggen van het theoretisch
praktisch examen
het geneeskundig
psychologisch onderzoek. De duur van het verplicht verval varieert in functie van de “ mate ” van recidive ’ (ibid., p. 4). B.4. Artikel 11 van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid heeft artikel 38, § 6, eerste lid, van de Wegverkeerswet, met ingang van 15 februari 2018, als volgt vervangen : 6 ‘ De rechter moet het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken
het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens
onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid, wanneer de schuldige, in de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één of meer van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2
3, 33, §§ 1
2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen opnieuw wordt veroordeeld voor één van deze overtredingen ’. In de parlementaire voorbereiding wordt die wijziging als volgt toegelicht : ‘ Paragraaf 6 van artikel 38 handelt over de “ gekruiste ” recidive : het herhaald plegen van één van de zes zwaarste overtredingen (zonder dat dit steeds dezelfde overtreding moet zijn) wordt strenger bestraft. Aan dit lijstje van zes zwaarste overtredingen wordt een zevende toegevoegd, namelijk het rijden zonder gedekt te zijn door een burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekering, zoals beteugeld in artikel 22 van de wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen. Anderzijds wordt de strengere bestraffing van recidive niet langer uitgesloten in geval de rechter toepassing maakt van artikel 37/1. In geval van alcoholrecidive is de rechter dus verplicht om de bepaling van artikel 37/1
de bepaling van artikel 38, § 6, cumulatief toe te passen : een alcoholrecidivist zal eerst minstens drie maanden verval ondergaan
de vier herstelexamens moeten afleggen, om daarna - mits hij hersteld is in het recht tot sturen - minstens een jaar met een alcoholslot te rijden (of gedurende die periode geen motorvoertuig te besturen). De formulering van paragraaf 6 werd licht aangepast om interpretatieproblemen uit te sluiten; het principe van
kelvoudige recidive geldt in geval er een nieuwe veroordeling is binnen de drie jaar na een eerste definitieve veroordeling » (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-2868/001, pp. 24-25). Die wijziging heeft evenwel geen invloed op de beoordeling van de prejudiciële vraag. B.5. De prejudiciële vraag vermeldt ten slotte artikel 38, § 7, van de Wegverkeerswet, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 18 juli 2017
in werking getreden op 1 oktober 2017. Die paragraaf luidt : ‘ De rechter is niet verplicht om het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uit te spreken
het herstel in het recht tot sturen afhankelijk te maken van examens of onderzoeken, indien de overtreding werd begaan met een voertuig dat niet in aanmerking komt voor de vervallenverklaring ’. Als gevolg van die wijziging vervalt de verplichting voor de rechter om het verval van het recht tot sturen uit te spreken
de bijbehorende examens
onderzoeken op te leggen, wanneer de overtreding werd begaan met een voertuig dat niet in aanmerking komt voor de vervallenverklaring, zoals een fiets, maar blijft de voormelde verplichting bestaan wanneer de overtreding werd begaan door een voetganger, zonder voertuig. Dat verschil in behandeling, vervat in artikel 38, § 7, van de Wegverkeerswet, is het onderwerp van de prejudiciële vraag. B.6. De invoeging van artikel 38, § 7, van de Wegverkeerswet beoogt te voorkomen dat een verval van het recht tot sturen moet worden uitgesproken wanneer de beklaagde met een 7 voertuig rijdt waarvoor geen rijbewijs noodzakelijk is. Volgens de wetgever is het ‘ zinloos
niet verantwoord om een schorsing, examens
proeven op te leggen aan iemand die geen rijbewijs heeft ’ (Parl. St., Kamer, 2014-2015, DOC 54-0440/001, p. 4). Daarom heft hij ‘ de verplichting voor de rechter op om een verval uit te spreken, indien de overtreding werd begaan met een voertuig waarop geen verval kan worden toegepast. Het betreft de facto zowel de niet- gemotoriseerde als de gemotoriseerde voertuigen, zoals de fietsen (ook de elektrische fietsen), maar niet de bromfietsen klasse A, die voor het verval van het recht tot sturen worden gelijkgesteld met de bromfietsen klasse B, waarvoor een rijbewijs AM is verplicht ’ (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-0440/002, p. 3). De bepaling laat evenwel de mogelijkheid open voor de rechter om een verval uit te spreken wanneer hij dat noodzakelijk acht (ibid., pp. 2-3). B.7. Hoewel de opheffing, in artikel 38, § 7, van de Wegverkeerswet, van de verplichting voor de rechter om een verval van het recht tot sturen uit te spreken op zichzelf redelijk verantwoord is, mist die bepaling de vereiste coherentie doordat zij
kel geldt wanneer de overtreding werd begaan ‘ met een voertuig dat niet in aanmerking komt voor de vervallenverklaring ’
niet eveneens wanneer de overtreding werd begaan door een voetganger, zonder voertuig. Die voetganger bevindt zich immers in dezelfde situatie als de bestuurder van een voertuig dat niet in aanmerking komt voor de vervallenverklaring. Het verschil in behandeling van beide categorieën weggebruikers is niet redelijk verantwoord. B.8. Artikel 38, § 7, van de Wegverkeerswet, schendt bijgevolg de artikelen 10
11 van de Grondwet in zoverre het niet van toepassing is wanneer de overtreding werd begaan door een voetganger. […] B.
onderzoeken op te leggen, indien de overtreding werd begaan met een voertuig dat niet in aanmerking komt voor de vervallenverklaring, op zichzelf redelijk verantwoord is. Dat die opheffing van de verplichting derhalve niet geldt wanneer de overtreding werd begaan met een voertuig dat wel in aanmerking komt voor de vervallenverklaring, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden vastgesteld, is bijgevolg eveneens redelijk verantwoord. B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 8 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 29, § 1,
38, § 6, eerste lid,
, van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer » schenden de artikelen 10
11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands
het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 maart 2021. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.040 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.