id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 04 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.041 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.20210304.14 Arrest- Rolnummer: 41/2021 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-04-03 Raadplegingen: 309 - laatst gezien 2026-06-19 17:10 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot uitlegging van het arrest nr. 152/2020 van 19 november
- UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Vordering tot uitlegging van het arrest nr. 152/2020 van 19 november 2020, ingesteld door de vzw « Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen ». Onderwijs - Vlaamse Gemeenschap - Hoger onderwijs - Organisatie van de opleidingen - Graduaatsopleidingen - Afwijkende regeling - Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen. Tekst van de beslissing Rolnummer 7468 Arrest nr. 41/2021 van 4 maart 2021 In zake : de vordering tot uitlegging van het arrest nr. 152/2020 van 19 november 2020, ingesteld door de vzw « Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters J.-P. Moerman, P. Nihoul, R. Leysen, J. Moerman en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 november 2020 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 25 november 2020, is een vordering tot uitlegging van het arrest van het Hof nr. 152/2020 van 19 november 2020 ingesteld door de vzw « Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. J. Roets en Mr. S. Sottiaux, advocaten bij de balie van Antwerpen. Op 3 december 2020 hebben de rechters-verslaggevers J. Moerman en J.-P. Moerman, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Memories met verantwoording zijn ingediend door : - de verzoekende partij; - de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Vanheule, advocaat bij de balie te Gent. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
- De rechters-verslaggevers waren van oordeel dat zij, met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen het verzoekschrift tot uitlegging van arrest nr. 152/2020 van 19 november 2020 af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Niettegenstaande de verzoekende partij meent dat de draagwijdte van de handhaving van de gevolgen van de bij dat arrest vernietigde bepaling onduidelijk is en dienvolgens nood heeft aan een verdere uitlegging door het Hof, waren de rechters-verslaggevers van oordeel dat de handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepaling in het dictum ondubbelzinnig geldt voor elke graduaatsopleiding die de verzoekende partij op grond van die bepaling organiseert en dat die handhaving van de gevolgen uitdrukkelijk is beperkt tot het academiejaar 2019-2020 en het academiejaar 2020-2021, waarbij onder een « academiejaar » dient te worden verstaan, een periode van één jaar die ten vroegste op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar (artikel I.3 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs). A.
- In haar memorie met verantwoording vraagt de verzoekende partij het voorstel van de rechters-verslaggevers niet te volgen en voor recht te zeggen dat de handhaving van de gevolgen zich tevens uitstrekt tot « de navolgende academiejaren, zodat reeds ingeschreven studenten hun opleiding in goede orde kunnen afronden ». 3 De verzoekende partij voert aan dat de handhaving van de gevolgen een disproportionele negatieve weerslag heeft op de studenten die in het academiejaar 2020-2021 de graduaatsopleiding « Internet of Things », « Voertuigtechnieken » of « Maatschappelijk Werk » zijn gestart. Daarnaast biedt de handhaving van de gevolgen waarbij enkel rekening wordt gehouden met een modeltraject van twee jaar, geen oplossing voor de studenten die langer nodig hebben om hun graduaatsopleiding af te ronden. Bovendien is de legitieme verwachting van studenten om hun opleiding te kunnen voltooien aan hun instelling ook een uitgangspunt van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs (artikel III.28, § 2). A.
- De Vlaamse Regering gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof. -B- B.
- Het Hof wordt verzocht het arrest nr. 152/2020 van 19 november 2020 uit te leggen. Bij dat arrest heeft het Hof uitspraak gedaan over het beroep tot vernietiging van artikel 36 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 1 maart 2019 « tot wijziging van de regelgeving betreffende het toezicht op en bepaalde organisatorische aspecten van het hoger onderwijs » (invoeging van een artikel II.395 in de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs) (hierna : het decreet van 1 maart 2019). Het Hof heeft het voormelde artikel 36 van het decreet van 1 maart 2019 vernietigd in zoverre het een artikel II.395, § 2, invoegt in de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, met handhaving van de gevolgen van die bepaling voor het academiejaar 2019-2020 en voor het academiejaar 2020-
- B.
- Met haar vordering tot uitlegging vraagt de verzoekende partij aan het Hof voor recht te zeggen dat de handhaving van de gevolgen zoals bepaald in het dictum van het arrest nr. 152/2020 in die zin dient te worden uitgelegd dat die handhaving geldt voor alle betrokken graduaatsopleidingen die hun rechtsbasis vinden in de vernietigde bepaling, te weten de graduaatsopleidingen « Internet of Things », « Voertuigtechnieken » en « Maatschappelijk Werk », en zich uitstrekt tot alle eerstvolgende academiejaren die redelijkerwijze nodig zijn om alle thans ingeschreven studenten hun opleiding te laten afronden. 4 B.
- In B.13 van dat arrest wordt vermeld : « Om te vermijden dat rechtsonzekerheid wordt gecreëerd voor die studenten die in het academiejaar 2019-2020 de graduaatsopleiding ‘ Internet of Things ’ hebben gestart, en de legitieme verwachting hadden hun opleiding die zij gestart waren, af te ronden en hun diploma te behalen, en rekening houdend met de belangen van onder meer het bij die opleiding betrokken personeel, dienen de gevolgen van het vernietigde artikel 36 te worden gehandhaafd, zoals aangegeven in het dictum ». Het Hof heeft in het dictum beslist : « handhaaft de gevolgen van die bepaling voor het academiejaar 2019-2020 en het academiejaar 2020-2021 ». B.4.
- De verzoekende partij is van mening dat de handhaving van de gevolgen in het dictum van het arrest nr. 152/2020 onduidelijk is en nood heeft aan verdere uitlegging door het Hof. B.4.
- De handhaving van de gevolgen van de vernietigde bepaling in het dictum geldt ondubbelzinnig voor elke graduaatsopleiding die de verzoekende partij op grond van de vernietigde bepaling organiseert. Daarnaast is de handhaving van de gevolgen uitdrukkelijk beperkt tot het academiejaar 2019-2020 en het academiejaar 2020-2021, waarbij onder een « academiejaar » dient te worden verstaan, een periode van één jaar die ten vroegste op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en eindigt op de dag voor het begin van het volgend academiejaar (artikel I.3 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs). Voor de academiejaren na het academiejaar 2020-2021 kan de verzoekende partij bijgevolg de bedoelde graduaatsopleidingen niet blijven organiseren op basis van die handhaving van de gevolgen. De studenten behouden uiteraard de in die academiejaren verworven studiepunten. Bijgevolg dient niet op de vordering tot uitlegging van het arrest te worden ingegaan. 5 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot uitlegging van het arrest nr. 152/2020 van 19 november
- Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.041 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
KI-Erklärung auf Basis des amtlichen Gesetzestextes. Orientierend, ersetzt keine Rechtsberatung.